U bent hier

NHG-Zorgmodule Leefstijl Voeding (volledige tekst)

Kernboodschappen

  • Advisering en motivering bij voedingsproblematiek behoren primair tot het domein van huisartsen, praktijkondersteuners (somatiek en ggz) en diëtisten.
  • Huisarts en praktijkondersteuner geven algemene voedingsadviezen; de diëtist geeft individuele en gespecialiseerde dieetbehandelingen.
  • GZ- en eerstelijnspsychologen, fysio- en oefentherapeuten hebben op indicatie een rol bij gedragsverandering respectievelijk beweging.
  • Huisarts en praktijkondersteuner bespreken het best passende zorgprofiel met de patiënt.

 

Inleiding

Doel en doelgroep

Deze module biedt handvatten bij de leefstijladvisering aan en motivering van patiënten met vragen, risicofactoren en chronische ziekten.

De richtlijnen zijn van toepassing op volwassen patiënten met behoefte aan informatie over gezonde voeding of bij wie het aanleren van een gezond voedingsgedrag onderdeel van de behandeling vormt. Eetstoornissen vallen buiten het bestek van de module.

Voedingsgedrag

Het totaal van wat, wanneer, waar, met wie, waarom en hoe iemand eet vormt diens voedingsgedrag. Grofweg zeven factoren zijn hierop van invloed:

  • biologische determinanten (waaronder leeftijd, geslacht, etniciteit, genetische aanleg, medicijngebruik);
  • fysieke omgeving (waaronder aanwezigheid en toegankelijkheid van voedsel);
  • economische omgeving (waaronder betaalbaarheid van gezonde producten);
  • sociaal-culturele omgeving (waaronder economische status, geloofsovertuiging, invloed van belangrijke mensen);
  • psychologische determinanten (waaronder zelfvertrouwen, emoties, geestelijke gezondheid);
  • persoonlijke en gedragsdeterminanten (waaronder vaardigheden, gewoonten, smaak);
  • politieke omgeving (waaronder wet- en regelgeving).

Als iemand zijn voedingsgedrag moet aanpassen vanwege risicofactoren of chronische ziekten, spelen deze factoren mee in de gedragsverandering.

Eetstoornissen

In beginsel vallen eetstoornissen buiten het bestek van deze module. De diagnostiek van eetstoornissen is verre van eenvoudig. Op diverse momenten in het zorgtraject is het van belang te inventariseren of er sprake is van een eetstoornis: bij de diagnostiek, bij onvoldoende resultaat van de behandeling en bij terugval. Dan is het goed om kennis te hebben van eetstoornissen (zie de NHG-Standaard Obesitas, noot 42 Binge-eating disorder en noot 43 Dieet en eetstoornissen).3

Inhoud

Deze module geeft handvatten voor:

  • het in kaart brengen van opvattingen over en gedrag aangaande voeding;
  • het motiveren tot gedragsverandering;
  • het op maat adviseren en behandelen van de individuele patiënt op basis van diens leefstijlevaluatie en risico-inventarisatie.

Bij dit alles wordt uitgegaan van gezamenlijke besluitvorming door huisartsen, andere zorgverleners en patiënten.

Het adviseren en motiveren van de patiënt rond voeding is een vorm van preventie. Te onderscheiden zijn:

  • geïndiceerde preventie, het werkterrein van huisarts en praktijkondersteuner;
  • zorggerelateerde preventie met een ziektespecifieke invulling, het werkterrein van de diëtist al dan niet met specialistische expertise. Als de zorgvraag dit vergt kan psychologische en fysio- of oefentherapeutische hulp worden ingezet. Heldere (eerstelijns) samenwerkingsafspraken moeten de zorg stroomlijnen.

De adviezen en aanbevelingen in deze module zijn gebaseerd op de Richtlijnen goede voeding, de Zorgmodule Voeding (ontwikkeld door meerdere partijen die betrokken zijn bij voeding en chronische ziekten) en de relevante NHG-Standaarden, multidisciplinaire richtlijnen en afgeleide producten.1-4

Betrokken zorgverleners

Deze module richt zich specifiek op huisartsen, praktijkondersteuners (somatiek en ggz) en diëtisten. Daarnaast spelen GZ- en eerstelijnspsychologen, en fysio- en oefentherapeuten op indicatie een rol bij gedragsverandering respectievelijk beweging.

Meestal is de huisarts inhoudelijk eindverantwoordelijk voor de voedingsgerelateerde zorg bij de zorgprofielen 1 en 2; de diëtist is dit bij de zorgprofielen 3 en 4.

Spreek met de patiënt af wie de coördinatie van de zorg op zich neemt en wie als aanspreekpunt zal fungeren; meestal is dit degene die inhoudelijk eindverantwoordelijk is voor de voedingsgerelateerde zorg. Bij zorgprofielen 1 en 2 kan ook de praktijkondersteuner (onder inhoudelijke eindverantwoordelijkheid van de huisarts) de zorg coördineren en fungeren als aanspreekpunt.

Van dit alles kan in samenspraak met de patiënt worden afgeweken, mits dit duidelijk wordt gecommuniceerd naar alle betrokken zorgverleners.

 

Achtergronden

Een gezonde voeding betekent het geruime tijd volhouden van een adequate inname van voedingsstoffen en een gebalanceerd voedingspatroon. De voeding moet voldoende energie, bouwstoffen (vooral eiwitten) en regulerende stoffen (vitamines, mineralen, voedingsvezels) bevatten. Naast een goede voeding is ook voldoende lichaamsbeweging een essentieel onderdeel van een gezonde leefstijl.

Richtlijnen goede voeding2

Kwalitatieve aanbevelingen voor gezonde voeding

  • Zorg voor gevarieerde voeding.
  • Eet dagelijks ruim groente, fruit en volkorengraanproducten.
  • Eet regelmatig (vette) vis.
  • Gebruik zo min mogelijk producten met veel verzadigde vetzuren en enkelvoudige transonverzadigde vetzuren.
  • Gebruik zo min mogelijk voedingsmiddelen en dranken met gemakkelijk vergistbare suikers of veel voedingszuren.
  • Beperk het gebruik van keukenzout.
  • Wees matig met alcohol.

Kwantitatieve streefwaarden voor volwassenen met een normaal en stabiel lichaamsgewicht

  • Eet dagelijks 150 – 200 gram groente en 200 gram fruit.
  • Eet dagelijks 30 – 40 gram voedingsvezels, vooral aanwezig in groente, fruit en volkorengraanproducten.
  • Eet wekelijks tweemaal 100 – 150 gram vis, waarvan ten minste eenmaal vette vis.
  • Gebruik niet vaker dan 7 maal per dag voedingsmiddelen en dranken met gemakkelijk vergistbare suikers of veel voedingszuren.
  • Gebruik niet meer dan 6 gram keukenzout per dag.
  • Drink niet meer dan 2 standaardglazen (mannen) of 1 standaardglas (vrouwen) alcohol per dag.

Aanbeveling voor voldoende lichaamsbeweging als onderdeel van een gezonde leefstijl

  • Beweeg ten minste 5 maal per week maar bij voorkeur dagelijks minstens een half uur matig intensief (bijvoorbeeld stevig lopen, fietsen of tuinieren).

Specifieke groepen

Bepaalde kwetsbare groepen verdienen extra aandacht, ongeacht de aanwezigheid van risicofactoren of chronische ziekten:

  • ouderen;
  • mensen met een donkere huidskleur;
  • vrouwen tijdens de zwangerschap of lactatie.

Denk hierbij aan vochtinname (bij ouderen), invloed en effect van geneesmiddelen op voeding en vice versa, ondervoeding en slikproblemen.

Van een ongezonde voeding is sprake bij een te grote of te kleine inname van voedingsstoffen en een verstoorde balans. Ongezonde voeding staat in verband met het ontstaan van (chronische) ziekten: het RIVM berekende dat jaarlijks ongeveer 40.000 nieuwe gevallen van diabetes mellitus type 2, hart- en vaatziekten en kanker zijn toe te schrijven aan een ongezond voedingspatroon.5 Het gezondheidsverlies is vergelijkbaar met roken. In de berekening van het RIVM werd zout niet meegenomen, maar inname van meer dan 6 gram zout per dag zorgt voor nog meer gezondheidsverlies.

Ook het Nationaal Kompas Volksgezondheid geeft cijfers van de belangrijke bijdragen die overgewicht en enkele voedingsfactoren leveren aan gezondheidsverlies.6

Migranten en voeding

De voedingsgewoonten van migranten kunnen afwijken, waarbij de sociale context vaak een rol speelt (zie Bijlage 9 – Migranten en voeding).

Bewegen en voeding

Een goede voedingstoestand wordt bepaald door inname en gebruik van energie, eiwitten en andere voedingsstoffen. Disbalans heeft meetbare nadelige effecten op lichaamssamenstelling, functioneren, klinische resultaten en ziekteverloop.

Lichaamsbeweging hangt nauw samen met de voedingstoestand. Bij enkele aandoeningen (overgewicht en obesitas, diabetes mellitus type 2 en ernstige COPD) is het goed om beweging, voeding en de gedragscomponent gecombineerd in te zetten. Ook bij CVRM kan een gecombineerde leefstijlinterventie ingezet worden.

Gezondheidswinst door een goede voeding

Om het voedingsgedrag van de patiënt te beïnvloeden is vertaling van de Richtlijnen goede voeding naar diens niveau en leefwereld essentieel. De betrokken zorgverleners moeten hiertoe over specifieke vaardigheden beschikken. Voedingsadviezen die tot gedragsverandering moeten leiden hebben alleen kans op succes bij voldoende motivatie en eigen verantwoordelijkheid van de patiënt. Ook is alleen gezondheidswinst te verwachten als de patiënt de gedragsverandering langere tijd kan volhouden en dit heeft consequenties voor (de duur van) de begeleiding. Daarom is het van belang dat ook de zorgverleners gemotiveerd blijven, ervan uitgaand dat niet elke patiënt in staat is zijn gedrag te veranderen.

 

Richtlijnen diagnostiek

In aanmerking voor leefstijldiagnostiek komen patiënten met:

  • risicofactoren voor hart- en vaatziekten (waaronder roken, verhoogde bloeddruk, hyperlipidemie en obesitas);
  • diabetes mellitus type 2;
  • hart- en vaatziekten;
  • COPD;
  • andere chronische ziekten waarbij voedingsadvisering deel uitmaakt van de behandeling.

Maak bij de diagnostiek onderscheid tussen het aankaarten en inventariseren van de leefstijlfactoren, de risico-inventarisatie en het exploreren van de motivatie tot gedragsverandering.

De patiënt wordt beschouwd als een volwaardige partner, met eigen verantwoordelijkheid.

Aankaarten

Informeer naar de behoefte aan leefstijladvisering, in het bijzonder op het gebied van voeding. Houd hierbij rekening met eventuele weerstand bij de patiënt (schaamte, schuld, verdriet of frustratie). Breng de leefstijl op een niet-veroordelende manier ter sprake en toon begrip voor de verleidingskracht van ongezonde voeding, die soms moeilijk is te weerstaan.

Inventariseren

Vraag toestemming aan de patiënt om diens leefstijlfactoren te inventariseren. Hierbij kunnen ook de voor- en nadelen van een eventuele gedragsverandering aan de orde komen (gebruik eventueel de Eetscore: een korte vragenlijst gericht op de Richtlijnen goede voeding).

Vraag naar de volgende aspecten:

  • voedingsgewoonten, -patroon en -gedrag;
  • lichaamsbeweging, slaapgedrag, stress, roken, gebruik van alcohol en drugs;
  • voorgeschiedenis, gewichtsverloop in de laatste jaren (zowel over- als ondervoeding), dieetgeschiedenis;
  • kennis van en opvattingen over een ongezonde leefstijl en de consequenties daarvan;
  • kennis van voeding (samenstelling, producten), lees- en taalvaardigheid;
  • psychosociale en omgevingsfactoren (sociaaleconomisch, etnisch, cultureel).

Inventariseer om het gezondheidsrisico te kunnen inschatten tevens:

  • risicofactoren voor hart- en vaatziekten: verhoogde bloedruk, hyperlipidemie, obesitas (BMI hoger dan 30), buikomvang bij een BMI hoger dan 25 (man > 102 cm; vrouw > 88 cm);
  • hart- en vaatziekten, diabetes mellitus, longaandoeningen of andere relevante gezondheidsproblemen;
  • familiegeschiedenis, waaronder familiaire obesitas, diabetes mellitus type 2, COPD en hart- en vaatziekten;
  • medicatiegebruik en eventuele bijwerkingen daarvan (waaronder effect op smaak en eetlust).

Exploreren van de motivatie tot gedragsverandering

De motivatie tot gedragsverandering verschilt in de tijd, per persoon en per situatie. Ga samen met de patiënt na in hoeverre die overweegt zijn voedingsgedrag te veranderen:

  • In hoeverre zou u uw voedingsgedrag willen veranderen?
  • Wat zijn voor u de drie belangrijkste redenen om dit te doen?
  • Hoe belangrijk is het voor u om uw voedingsgedrag te veranderen (geef aan op een schaal van 0-10). Vraag bij een lage score waarom de patiënt het minderen of stoppen  niet/minder belangrijk vindt.
  • Stel dat u zou besluiten uw voedingsgedrag aan te passen, hoe zou u dat aanpakken? Hoeveel vertrouwen heeft u erin dat het u gaat lukken (op een schaal van 0-10). Ga na waarom de patiënt zichzelf dit cijfer geeft en niet lager en  wat ervoor nodig is om op een hoger cijfer te komen?

Vat de antwoorden van de patiënt samen en reflecteer hierop. Probeer hiermee een vraag-en-antwoordgesprek te voorkomen.

Vraag eventueel ook naar:

  • Wat vindt u dat er moet gaan veranderen en hoe denkt u dit te gaan aanpakken?
  • In hoeverre zou u hierbij hulp willen hebben?
  • Weet u welke vormen van hulp mogelijk zijn?

Als de patiënt op dit moment zijn voedingsgedrag niet wil of kan aanpassen:

  • Vraag of u de patiënt (eventueel schriftelijk) nadere informatie mag geven over zijn voedingsgedrag
  • Benadruk dat de patiënt altijd op een later moment op zijn voedingsgedrag mag terugkomen

Evaluatie

Ga samen met de patiënt na welk zorgprofiel het best passend is op basis van bovenbeschreven inventarisaties, de motivatie tot gedragsverandering, de zelfmanagementvaardigheden, eerdere ervaringen met behandelingen en de voorkeuren van de patiënt.

Er zijn vier zorgprofielen mogelijk

  1. Uitsluitend zelfmanagement
    Dit zorgprofiel is bedoeld voor patiënten met een laag risico en met voldoende kennis, vaardigheden en motivatie om zelf de leefstijl te kunnen aanpakken. Dit kan ook gaan om patiënten die eerder succesvol zijn begeleid en behandeld. Er zijn geen zorgverleners betrokken bij de begeleiding in dit zorgprofiel; wel blijft de huisartsenvoorziening toegankelijk voor vragen of problemen.
  2. Algemeen voedingsadvies
    Dit zorgprofiel is bedoeld voor patiënten met risicofactoren en aandoeningen waarbij een algemeen voedingsadvies onderdeel is van de behandeling, bijvoorbeeld patiënten met een matig risico op hart- en vaatziekten. Het gaat hier om advisering door huisarts of praktijkondersteuner conform de Richtlijnen goede voeding.
  3. Individuele dieetbehandeling
    Dit zorgprofiel is bedoeld voor patiënten met risicofactoren en ziekten waarbij dieetbehandeling een essentieel onderdeel van de behandeling is, bijvoorbeeld:
    - patiënten bij wie algemene voedingsadviezen niet tot het gewenste resultaat hebben geleid;
    - patiënten met diabetes mellitus type 2 of met ernstige chronische nierschade.
    Deze patiënten komen in aanmerking voor een individuele behandeling door een diëtist (www.artsenwijzer.info/).
  4. Gespecialiseerde dieetbehandeling
    Dit zorgprofiel is bedoeld voor patiënten met complexe aandoeningen of problemen, en voor patiënten die onvoldoende baat hadden bij een individuele dieetbehandeling. Gespecialiseerde diëtisten binnen een multidisciplinair zorgverlenersteam verlenen deze intensieve zorg. De huisartsenvoorziening blijft zorg verlenen bij lichamelijke en psychische problemen, al dan niet gerelateerd aan de dieetbehandeling.

De zorgprofielen 1 en 2 behoren tot de geïndiceerde preventie; de zorgprofielen 3 en 4 betreffen zorggerelateerde preventie (met ziektespecifieke interventies).

Zorgverleners kunnen gemotiveerd afwijken van de bovengenoemde stappen.

 

Richtlijnen beleid

Huisarts of diëtist stellen samen met de patiënt een behandelingsplan op, afhankelijk van het zorgprofiel en met oog voor de doelen van de patiënt. Houd hierbij rekening met comorbiditeit en de gevolgen van verandering van voeding en voedingsgedrag.

Behalve de huisarts, praktijkondersteuner en (gespecialiseerde) diëtist kunnen op indicatie ook GZ- en eerstelijnspsychologen en fysio- en oefentherapeuten een rol hebben in zorgprofiel 2, 3 en 4. Hierbij gaat het om gedragsverandering respectievelijk beweging bij voedingsgerelateerde zorg.

Tabel 1 Samenvatting zorgprofielen

(zie ook het Stroomschema Zorgprofielen  in de Zorgmodule Voeding):

 

Zorgprofiel

Inhoud zorgprofiel

Betrokken zorgverleners

1. Uitsluitend zelfmanagement
  • Voorkeur patiënt
  • Voldoende zelfmanagement-
    vaardigheden
  • Geen
  • Eventueel vervolgafspraak
2. Algemeen voedingsadvies
  • Bewust maken van gezondheidsrisico’s
  • Leggen van relatie tussen leefstijl en ziekte
  • Indien nodig motiveren tot leefstijlverandering
  • Streef naar stapsgewijze, haalbare kleine aanpassingen
  • Leg behandelingsdoelen vast
  • Huisarts
  • Praktijkondersteuner
  • Vervolgafspraken in overleg met de patiënt
3. Individuele dieetbehandeling
  • Dieetbehandeling gericht op voorkomen, opheffen, verminderen of compenseren stoornissen, beperkingen en participatieproblemen die met voeding samenhangen of daardoor worden beïnvloed
  • Diëtist
  • Vervolgafspraken in overleg met de patiënt
4. Gespecialiseerde dieetbehandeling
  • Gespecialiseerde dieetbehandeling gericht op voorkomen, opheffen, verminderen of compenseren van stoornissen, beperkingen en participatieproblemen die met voeding samenhangen of daardoor worden beïnvloed
  • Gespecialiseerde diëtist
  • Vervolgafspraken in overleg met de patiënt

Zelfmanagement is bij alle zorgprofielen belangrijk: de patiënt moet zelf de Richtlijnen goede voeding of de voorschriften van een gespecialiseerd dieet in het dagelijks leven toepassen. Zelfmanagement stelt de patiënt in staat om zijn ongezonde leefstijl te verbeteren en zo de ervaren kwaliteit van leven te verhogen.

De ondersteuning richt zich op het stimuleren van mensen bij het zelf besluiten nemen en uitvoeren, en op het versterken van het vertrouwen in eigen kunnen.

Uitsluitend zelfmanagement

Dit zorgprofiel gaat ervan uit dat de patiënt in staat is zelf zijn risicofactoren te beperken en zo nodig zijn voeding aan te passen. Help de patiënt op weg bij het aanpassen van zijn voedingsgedrag door hem te verwijzen naar adequate informatie en online hulpprogramma’s. Centraal hierin staan de Richtlijnen goede voeding.

Voorlichtingsmaterialen van het Voedingscentrum kunnen nuttig zijn. De website www.voedingscentrum.nl is overzichtelijk en bevat onder meer tests die tevens een informatieve functie hebben. Ook op Thuisarts.nl is informatie te vinden over gezonde voeding.

Maak een vervolgafspraak ter evaluatie van de zelfmanagementervaringen afhankelijk van de wens van de patiënt. Als blijkt dat deze zijn gedrag niet zelfstandig kan aanpassen, dan kan hij doorstromen naar zorgprofiel 2.

Algemeen voedingsadvies

In dit zorgprofiel staan de algemene gezondheid en gezondheidsrisico’s centraal. Ga samen met de patiënt na hoe deze algemene voedingsadviezen in het dagelijks leven kan inpassen. De adviezen maken deel uit van algemene leefstijlverandering waarin niet alleen voeding aan de orde komt.

Ga tijdens het consult in op de gezondheidsrisico’s van de patiënt en de mogelijkheden die te verminderen door aanpassing van de voeding. Leg de nadruk op stapsgewijze, haalbare, kleine aanpassingen opdat de patiënt deze op langere termijn kan volhouden.

Het is van belang dat de patiënt zelf is betrokken bij het stellen van doelen. Luister hierbij goed naar de patiënt en neem afstand van eigen normen en waarden. Dit voorkomt dat de patiënt weerstand opbouwt tegen de verandering en verhoogt diens motivatie. Maak bij dit alles gebruik van motiverende gespreksvoering

Maak in samenspraak met de patiënt vervolgafspraken. In het begin van het begeleidingstraject zal dit frequenter nodig zijn dan later (bijvoorbeeld eerst maandelijks, later halfjaarlijks).

Informeer ook naar de leefstijlverandering bij tussentijds spreekuurbezoek om andere redenen.

Individuele dieetbehandeling

In dit zorgprofiel verleent een diëtist op indicatie zorg op maat. De diëtist moet zijn opgeleid op HBO-niveau en geregistreerd zijn in het kwaliteitsregister.

De individuele dieetbehandeling draagt bij aan het voorkomen, opheffen, verminderen of compenseren van stoornissen, beperkingen en participatieproblemen die samenhangen met voeding of hierdoor worden beïnvloed.

De diëtist bepaalt in samenspraak met de patiënt de voedingsaanpassing, met oog voor diens omstandigheden. Dit is onontbeerlijk voor het volhouden van het dieet. De diëtist biedt bovendien ondersteuning aan bij het integreren van het dieet in de leefwijze en het sociale leven van de patiënt.

Omdat een dieet vaak ingrijpende gevolgen heeft voor het dagelijkse leef- en eetpatroon, is begrip en begeleiding nodig. Bovendien is het motiveren en stimuleren van de patiënt essentieel.

De diëtist maakt in samenspraak met de patiënt vervolgafspraken. Als de doelstellingen van de behandeling zijn bereikt, volgt rapportage en terugverwijzing naar de huisarts. Ter afsluiting van de behandeling bespreekt de diëtist het voedingsadvies op langere termijn met de patiënt, eventueel met verdere ondersteuning vanuit de huisartsenpraktijk.

Als de doelstellingen niet worden gehaald, kan de patiënt doorstromen naar zorgprofiel 4.

Gespecialiseerde dieetbehandeling

In dit zorgprofiel verleent een gespecialiseerde diëtist intensieve zorg, afgestemd op de patiënt en diens specifieke risicofactoren of ziekte. De diëtist moet zijn opgeleid op HBO-niveau en geregistreerd zijn in het kwaliteitsregister.

Bij de gespecialiseerde dieetbehandeling gaat het om langdurige en intensieve begeleiding van patiënten met complexe aandoeningen of comorbiditeit, waarbij het aanpassen van het voedingsgedrag noodzakelijk is. Ook psychosociale omstandigheden kunnen een gespecialiseerde dieetbehandeling vergen.

De zorg richt zich op een optimale voedingsinname binnen de mogelijkheden van de ziekte. Het tonen van begrip en een intensieve begeleiding zijn essentieel bij het leren omgaan met de ziekte en het inpassen van voedingsadviezen in het dagelijkse eet- en leefpatroon.

Soms is een levenslange begeleiding door een diëtist nodig. Het dieet kan dan aanpassing behoeven door het beloop van de ziekte of het ouder worden.

Als de doelstellingen van de behandeling zijn bereikt en er een langdurig stabiele situatie is, volgt terugverwijzing naar een niet-gespecialiseerde diëtist of de huisarts. In dit geval moeten er wel duidelijke afspraken zijn gemaakt over consultatie en verwijzing.

 

Zorgregistratie en dossiervorming

Vastgesteld zijn de minimaal te registreren parameters voor het berekenen van de indicatoren voor patiënten met cardiometabole aandoeningen en astma/COPD. Ook is een kernset beschikbaar voor diabetes mellitus type 2 (nieuwe versie), CVRM, chronische nierschade, obesitas, astma bij volwassenen en COPD. Hierin zijn ook de specifieke parameters over voeding en voedingszorg opgenomen.

In alle kernsets van indicatoren wordt aanbevolen lengte, gewicht, BMI en voedingspatroon te registreren. De geadviseerde registratiefrequentie wisselt. Soms wordt aanbevolen om andere factoren te registreren, bijvoorbeeld de middelomtrek, of ‘voedingsadvies gegeven’. Ook kan worden geadviseerd aanvullend laboratoriumonderzoek te doen (lipiden, glucose, nierfunctie et cetera).

 

Samenwerking

Afhankelijk van de complexiteit en de gewenste intensiteit van de zorg kunnen meerdere zorgverleners betrokken zijn. De algemene voedingsadvisering is gebaseerd op de Richtlijnen goede voeding, evenals voorlichting en verwijzing naar online hulpprogramma’s. Ziektespecifieke adviezen en informatiematerialen moeten bij elkaar aansluiten.

Win advies in over het materiaal dat de huisartsenpraktijk wil gebruiken bij de betrokken diëtist. Stem ook af wie welke rol neemt in de advisering en begeleiding van de patiënt.

Samenwerking bij de leefstijladvisering over voeding
  • De huisarts inventariseert globaal de leefstijlfactoren van de patiënt en diens leefomgeving (gezin, werk, et cetera). Hij maakt de leefstijl bespreekbaar, verduidelijkt de gezondheidsrisico’s daarvan en kaart aan dat wellicht gespecialiseerde hulp nodig is.
  • De praktijkondersteuner geeft basisinformatie over gezonde voeding, eventueel gericht op de specifieke aandoening, begeleidt de patiënt naar gedragsverandering en monitort de effecten van het gedrag op de chronische aandoening(en).
  • De diëtist is bij zorgprofiel 3 en 4 behandelaar.
  • Bij zorgprofiel 1 en 2 is de diëtist het aanspreekpunt voor de huisartsenpraktijk. Hij kan een rol spelen bij de deskundigheidsbevordering en adviseren over het juiste voorlichtingsmateriaal en passende zelfmanagementtools. Hij spreekt met de huisartsenpraktijk af welke voedingszorg wordt geboden en welke criteria een rol spelen bij keuze tussen de vier zorgprofielen op geleide van de richtlijnen en zorgstandaarden en de specifieke kenmerken van de (lokale) patiëntengroepen.

Bij de keuze voor zorgprofiel 2 spelen de competenties en de beschikbaarheid van de praktijkondersteuner een rol, maar ook de complexiteit van de zorg. Zo nodig kan de diëtist ook in dit zorgprofiel een prominente functie hebben.

Het is belangrijk dat het gehele behandelingsteam dezelfde uitgangspunten hanteert opdat de patiënt eenduidige informatie, adviezen en begeleiding ontvangt. Dit is ook van belang voor een goede motivatie van de patiënt.

Zet waar nodig de aanbevelingen uit deze module in een lokaal of regionaal overleg om in werkafspraken over bereikbaarheid, consultatie, informatieoverdracht en samenwerking.

Literatuur

  1. Gezondheidsraad. Richtlijnen goede voeding 2006. Den Haag, 2006
  2. NHG-Standaard Obesitas, 2010
  3. LESA Ondervoeding, 2010
  4. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, Zorgmodule voeding, 2012
  5. Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu. Ons eten gemeten. Gezonde voeding en veilig voedsel in Nederland. Bilthoven, 2004
  6. Hilderink HBM (RIVM). Ziektelast in DALY's: Wat is de bijdrage van risicofactoren? 5 juni 2014