U bent hier

NHG-Zorgmodule Leefstijl Bewegen (volledige tekst)

Kernboodschappen

  • Huisarts of praktijkondersteuner informeren de patiënt over diens gezondheidsrisico’s en adviseren over een actieve leefstijl.
  • Bij de leefstijladvisering maken huisarts en patiënt in samenspraak een keuze voor al dan niet meer lichaamsbeweging in het publieke of zorgdomein.
  • De patiënt kan in het publieke domein zelfstandig of onder begeleiding van een beweegprofessional (bijvoorbeeld een coach of fitnessinstructeur) bewegen.
  • De huisarts verwijst voor bewegen in het zorgdomein naar de beweegzorgprofessional; deze kan eventueel ook adviseren over een geschikt bewegingsaanbod in het publieke domein.

 

Inleiding

Doel en doelgroep

Deze module geeft richtlijnen voor de advisering en motivering van patiënten met risicofactoren of chronische aandoeningen waarbij voldoende lichaamsbeweging van belang is. De richtlijnen zijn bedoeld voor patiënten die openstaan voor informatie over bewegen of bij wie het aanleren van een gezond bewegingsgedrag van belang is als onderdeel van de behandeling.

Inhoud

U vindt in deze module handvatten voor het inventariseren van risicofactoren, opvattingen en gedrag van de patiënt: beweegt deze voldoende en op de juiste manier? Ook vindt u richtlijnen voor de advisering-op-maat, gebaseerd op de leefstijl van de patiënt. Tot slot wordt ingegaan op de motivatie tot gedragsverandering. Bij dit alles zijn de principes van gezamenlijke besluitvorming leidend.

Aandacht voor bewegen is essentieel in de zorg voor patiënten met (een verhoogd risico op) chronische aandoeningen.

  • Bij de preventie van chronische aandoeningen (geïndiceerde preventie) kan de zorg variëren van het bespreken van het belang van bewegen tot begeleiding van passend bewegingsgedrag. Bij dit laatste kan eventueel een beweegzorgprofessional de patiënt ondersteunen.
  • Bij patiënten met chronische aandoeningen (zorggerelateerde preventie) kan de zorg variëren van een bewegingsadvies tot individuele begeleiding in een multidisciplinaire setting. Bij deze patiënten is behandeling niet zozeer gericht op genezing als wel op behoud van functioneren en activiteiten.
  • Een beweegzorgprofessional is een BIG-geregistreerde fysiotherapeut, oefentherapeut, sportarts of revalidatiearts.
  • Een beweegprofessional is een professionele trainer, coach, fitnessinstructeur of sportbegeleider die buiten de reguliere gezondheidszorg om mensen begeleidt bij verantwoord bewegen of verbetering van de lichaamsconditie.
Bespreek met patiënten met een onvoldoende actieve leefstijl of een bewegingsprobleem of er een indicatie bestaat voor:
  • bewegen buiten de zorg, al dan niet onder begeleiding van een beweegprofessional uit het publieke domein;
  • bewegen binnen de zorg onder begeleiding van een beweegzorgprofessional.

De keuze voor de meest passende vorm van bewegen hangt af van de motivatie van de patiënt, diens mogelijkheden om zelfstandig een actieve leefstijl te gaan volgen en de eventuele aanwezigheid van multimorbiditeit en complicaties.

De inhoud van deze module sluit aan bij de in 2015 in ontwikkeling zijnde generieke Zorgmodule Bewegen en op de relevante NHG-Standaarden, multidisciplinaire richtlijnen en daarvan afgeleide producten.1

Bij bewegen betrokken zorgverleners

Buiten het zorgdomein

Huisartsen en praktijkondersteuners (somatiek en ggz) hebben een taak in de signalering, advisering en motivering bij een onvoldoende actieve leefstijl en bewegingsprobleem. De huisarts coördineert meestal de zorg en is inhoudelijk eindverantwoordelijk voor de behandeling. De praktijkondersteuner is meestal het aanspreekpunt voor de patiënt.

Samen met lokale overheidsinstellingen zorgen huisarts en praktijkondersteuner ervoor dat ze kennis hebben van het lokale bewegingsaanbod binnen het publieke domein. Ook kennen ze andere mogelijkheden om het bewegingsgedrag positief te beïnvloeden, bijvoorbeeld door inpassing van bewegingsactiviteiten in het dagelijks leven.

De patiënt is zelf verantwoordelijk voor de uitvoering van bewegingsactiviteiten in het publieke domein, al dan niet onder begeleiding van een beweegprofessional of een vrijwilliger van een sportvereniging of uit het eigen netwerk.

Binnen het zorgdomein

De huisarts verwijst naar specifieke beweegzorgprofessionals zoals fysiotherapeut, oefentherapeut, sportarts of revalidatiearts. Beweegzorgprofessionals stemmen de keuze van de bewegingsinterventie af op de wensen en mogelijkheden van de patiënt en zijn hiervoor inhoudelijk eindverantwoordelijk. De beweegzorgprofessional zal in dit geval meestal ook de zorgcoördinatie rond het bewegen op zich nemen en aanspreekpunt voor de patiënt zijn.

Overige zorgverleners

Bij de begeleiding van de patiënt kunnen ook andere zorgverleners met specifieke competenties betrokken zijn: bedrijfsartsen, medisch specialisten, GZ- en eerstelijnspsychologen en diëtisten. Een goede samenwerking tussen verschillende disciplines binnen de zorg én binnen de wijk zijn vereist voor een optimale afstemming van het bewegen binnen en buiten het zorgdomein. Lokale en regionale netwerken zijn dan van belang; de fysiotherapeut heeft een belangrijke taak bij het opzetten en onderhouden daarvan.

 

Achtergronden

Bij veel chronisch zieken neemt inactiviteit en gedrag met een laag energieverbruik (zitten en liggen) toe. In 2011 voldeed 55% van de mensen met een chronische aandoening niet aan de Nederlandse Norm Gezond Bewegen.2 Dit gold vooral voor patiënten met hart- en vaatziekten, COPD en diabetes mellitus type 1 en 2.

Een tekort aan lichaamsbeweging is jaarlijks verantwoordelijk voor ongeveer 8000 sterfgevallen in Nederland; ongeveer 6% van de totale sterfte. De kosten voor ziekten als gevolg van inactiviteit bedroegen 1,3 miljard euro; 1,8% van de totale zorguitgaven.2

De meeste winst is te behalen als inactieve groepen mensen, zoals chronisch zieken, gaan bewegen.

De Nederlandse Norm Gezond Bewegen (NNGB)

De NNGB2,3 uit 2000 is vooral gericht op het onderhouden van gezondheid. De norm definieert een bewegingsniveau dat minimaal nodig is om gezondheidswinst te behalen:

  • Volwassenen (18-55 jaar): dagelijks minimaal een halfuur ten minste matig intensief bewegen op minimaal 5 dagen per week. Matig intensief betekent bijvoorbeeld stevig wandelen (5 km/uur) of fietsen (15 km/uur).
  • Ouderen (55+): dagelijks minimaal een halfuur matig intensief bewegen op minimaal 5 maar liefst 7 dagen per week. Matig intensief betekent bijvoorbeeld wandelen (3 - 4 km/uur) of fietsen (10 km/uur).

Zie bijlage 5 voor andere veelgebruikte bewegingsnormen.

Omdat veel chronisch zieken niet aan de NNGB kunnen voldoen, is maatwerk bij hen belangrijk. Elke vorm van extra lichaamsbeweging is voor onvoldoende actieve mensen belangrijk, onafhankelijk van de intensiviteit of frequentie.

 

Bewegen en bewegingsgedrag

Bewegen beïnvloedt vele fysiologische processen die een rol spelen bij chronische ziekten. De duur, intensiteit, frequentie en vorm van bewegen zijn daarbij van belang.

Door beweging kunnen mensen niet alleen goed functioneren, er is ook een psychosociale component (contacten met anderen, vergroten van de leefwereld, participeren in de maatschappij).

Determinanten van bewegingsgedrag

Bij een patiënt met bewegingsproblematiek kunnen diverse determinanten de (in)activiteit positief of negatief beïnvloeden:

  • individueel: de afwegingen van voor- en nadelen die iemand aan gedrag verbindt (attitude) en het vertrouwen in eigen kunnen als het gaat om gedragsverandering (eigen effectiviteit);
  • sociaal-cultureel: sociale normen, het gedrag van de omgeving, de ervaren sociale druk en steun bij gedrag of gedragsverandering;
  • omgeving/overheid.

De context van bewegen

Structurele en doelmatige lichaamsbeweging moet zijn ingebed in de leefomgeving en de dagelijkse activiteiten van de patiënt. Bewegingszorg voor patiënten met (een verhoogd risico op) een chronische aandoening vergt een speciale aanpak. De zorg is meestal niet zozeer gericht op genezen maar op het beperken van risico’s, uitstellen of voorkomen van ziekte en complicaties, vertragen van progressie en ondersteuning in de laatste levensfase.

De kans op deelname van migranten aan bewegingsprogramma neemt toe door:

  • lage kosten;
  • gemakkelijk bereikbare locaties;
  • separate mannen- en vrouwengroepen;
  • advies van de huisarts.

Zie ook bijlage 6: Migranten en bewegen.4

Voeding en beweging

Een actieve leefstijl is slechts een van de aspecten die bijdragen aan een goede gezondheid. Behalve de intensiteit en frequentie van de lichaamsbeweging is ook voeding van groot belang. Bij overgewicht en obesitas, maar ook bij aandoeningen als diabetes mellitus type 2 en (ernstige) COPD, kan het best beweging, voeding en gedragsverandering gecombineerd worden ingezet.

Gezondheidswinst door beweging

Lichaamsbeweging bij vijftigplussers verlengt de levensverwachting met een tot vier jaar, vooral door verlaging van het risico op hart- en vaatziekten. Regelmatige lichaamsbeweging beïnvloedt dit risico rechtstreeks én indirect door verlaging van bloeddruk en cholesterol en verhoging van het HDL.5

Lichaamsbeweging beïnvloedt belangrijke parameters van chronische aandoeningen in gunstige zin:

  • Bewegen heeft een gunstig effect op de glykemische instelling en op (sterfte aan) hart- en vaatziekten bij patiënten met diabetes mellitus type 2, ook zonder gewichtsverlies.6
  • Longrevalidatie verbetert de kwaliteit van leven van patiënten met COPD.7
  • Door fysieke training neemt de conditie van hart en longen toe bij patiënten met astma en mogelijk ook hun kwaliteit van leven.8
  • Looptraining onder supervisie heeft een gunstig effect op de maximale (pijnvrije) loopafstand van patiënten met claudicatio intermittens.9

Beweging heeft bovendien een gunstig effect op de mentale gezondheid:

  • Sportende mensen ontwikkelen minder vaak psychische stoornissen.10
  • Lichaamsbeweging heeft een gunstig effect op depressie en depressieve klachten.11, 12
  • Beweging kan depressieve klachten tegengaan bij patiënten met COPD, overlevers van kankerbehandelingen en ouderen.13-15

 

Richtlijnen diagnostiek

De huisarts of praktijkondersteuner signaleert een bewegingsprobleem, inventariseert risicofactoren, opvattingen en gedragsaspecten van de patiënt – zowel kwalitatief als kwantitatief – en kiest samen met de patiënt de meest passende aanpak.

Aankaarten

Het signaleren van een bewegingsprobleem bij patiënten met risicofactoren (zoals overgewicht, een zittend beroep, klachten van het bewegingsapparaat, dyspnoe, vermoeidheid of chronische aandoeningen) is niet slechts een taak van de huisarts en de praktijkondersteuner. Ook andere zorgverleners, de omgeving van de patiënt, de werkgever en functionarissen in onderwijs, sport en welzijn kunnen deze rol vervullen. Afstemming van zorgprofessionals onderling en met andere partijen is hierbij essentieel.

Inventariseren

Als een mogelijk bewegingsprobleem is gesignaleerd, breng dan de gezondheidsaspecten van de patiënt in kaart. Inventariseer hierbij of de patiënt kwantitatief of kwalitatief niet op de juiste manier beweegt en exploreer de motivatie tot gedragsverandering.

  • Wat is het wekelijks bewegingspatroon van de patiënt (frequentie, duur, intensiteit)?
  • Doet de patiënt aan bewegingsactiviteiten binnens- en buitenshuis (hobby’s, huishoudelijk werk, wandelen, fietsen, sporten, vervoer naar het werk)?
  • Heeft de patiënt vroegere ervaringen met sport en bewegen (buiten en binnen het zorgdomein, (hart)revalidatie, begeleid bewegen, looptraining)? Hoe beviel dat en wat waren de uitkomsten?
  • Heeft de patiënt vitale beperkingen (bijvoorbeeld een verminderde hart- of longfunctie) die zijn belastbaarheid beïnvloeden?
  • Heeft de patiënt fysieke of cognitieve beperkingen die het bewegen beïnvloeden?
  • Is er sprake van multimorbiditeit die het bewegen beïnvloeden (hart- en vaatziekten, longaandoeningen, chronische aandoeningen van het bewegingsapparaat, psychiatrische aandoeningen)?
  • Zijn er sociale en omgevingsfactoren die het bewegingsgedrag beïnvloeden (bijvoorbeeld stimulans door naasten, een ontmoedigende woon-werkverkeerregeling, activiteit van de eigen sociale kring)?

De huisarts laat zo nodig aanvullende diagnostiek (longfunctieonderzoek, inspannings-ECG) verrichten in de eerste lijn (bijvoorbeeld door een diagnostisch centrum) of verwijst hiervoor naar de tweede lijn. Het gaat hierbij vaak om het in kaart brengen van aanvullende gegevens en risicofactoren die van invloed kunnen zijn op de motivatie, multimorbiditeit en psychologische factoren. De huisarts kan hiervoor eveneens verwijzen naar een beweegzorgprofessional, ook als er sprake is van niet op de juiste manier bewegen.

Waar nodig overlegt de huisarts met andere eerstelijnszorgverleners, onder wie de beweegzorgprofessional, of inschakeling van de tweede lijn nodig is.

De huisarts beoordeelt of er sprake is van:

  • onvoldoende activiteit of een bewegingsprobleem;
  • beperkende vitale, fysieke of cognitieve complicaties;
  • ernstige complicaties, zoals hart- en vaatziekten, longziekten en fysieke of cognitieve belemmeringen;
  • multimorbiditeit.

Exploreren van de motivatie tot meer bewegen

Bespreek met de patiënt:

  • De attitude jegens bewegen, bijvoorbeeld de mening over bepaalde sporten, wandelen en fietsen, en de manier van vrijetijdinvulling (actief, samen met anderen of alleen);
  • De motivatie om zelfstandig een actieve leefstijl aan te (blijven) houden;
    - In hoeverre wilt u een actieve leefstijl aannemen?
    - Wat zijn voor u de drie belangrijkste redenen om dit te doen?
    - Hoe belangrijk is het voor u om actieve leefstijl aan te nemen (geef aan op een schaal van 0-10). Vraag bij een lage score waarom de patiënt het aannemen van een actieve leefstijl niet/minder belangrijk vindt.
  • De eigen effectiviteit, bijvoorbeeld of de patiënt zichzelf in staat acht om een actieve leefstijl vol te houden, of om na een ziekenhuisopname het sporten weer op te pakken. Maar ook eventuele angsten die het bewegen belemmeren.
    - Stel dat u zou besluiten meer te gaan bewegen, hoe zou u dat aanpakken? Hoeveel vertrouwen heeft u erin dat het u gaat lukken (op een schaal van 0-10). Ga na waarom de patiënt zichzelf dit cijfer geeft en niet lager en  wat ervoor nodig is om op een hoger cijfer te komen?
  • De fysieke, psychische en cognitieve mogelijkheden om (blijvend) zelfstandig een actieve leefstijl aan te houden. Zijn er bijvoorbeeld belemmeringen zoals angst of eerdere slechte ervaringen? Maken deze begeleiding noodzakelijk?
  • De behoefte aan ondersteuning bij zelfmanagement.
  • De kennis van de patiënt over vormen van mogelijke hulp in zijn situatie.

Als de patiënt op dit moment zijn bweeggedrag niet wil of kan aanpassen:

  • Vraag of u de patiënt (eventueel schriftelijk) nadere informatie mag geven over zijn beweeggedrag.
  • Benadruk dat de patiënt altijd op een later moment op zijn beweeggedrag mag terugkomen.

Selecteren en kiezen

De huisarts maakt in samenspraak met de patiënt een keuze voor de meest passende aanpak, uitgaande van de zelfmanagementvaardigheden, aard en ernst van de aandoening, eerdere ervaringen met bewegen en de voorkeuren van de patiënt. De huisarts kan hiervoor ook verwijzen naar of advies inwinnen bij een beweegzorgprofessional.

Zelf bewegen

Een over de mogelijkheden voorgelichte patiënt kan het bewegen zelf oppakken, mits hij geen behoefte heeft aan begeleiding en beschikt over voldoende zelfmanagementvaardigheden.

Bewegen in het publieke domein

Als inzet van beweegzorgprofessionals niet nodig is, maar de patiënt wel wenst te bewegen binnen het publieke domein, dan is doorstroom naar het lokale aanbod (sportschool of -vereniging) mogelijk.

Bewegen in het zorgdomein
  • Als bewegen in het zorgdomein wenselijk is, verwijs dan door naar een fysio- of oefentherapeut die samen met de patiënt het bewegingsprofiel en de bewegingsinterventie bepaalt. De beweegzorgprofessional koppelt terug naar de huisarts.
  • Is er sprake van zeer ernstige complicaties, verwijs dan door naar een revalidatie- of sportarts.

Evaluatie

Ga samen met de patiënt na of zorgprofiel 1 of 2 passend is op basis van de leefstijl- en risico-inventarisatie, alsmede de motivatie tot meer bewegen. Verwijs de patiënt zo nodig door naar een beweegzorgprofessional voor bepaling van het optimale profiel (3, 4 of 5) binnen het zorgdomein.

  • Zorgprofiel 1: zelfmanagement
  • Zorgprofiel 2: zelfmanagement onder begeleiding van een beweegprofessional (buurtsportcoach, fitnessinstructeur)
  • Zorgprofiel 3: individueel (3a) of in groepsverband (3b) bewegen onder begeleiding van een beweegzorgprofessional met specifieke expertise als de patiënt niet zelf in staat is tot een actieve leefstijl of bij lichte complicaties
  • Zorgprofiel 4: bewegen onder begeleiding van een beweegzorgprofessional met specifieke expertise bij multimorbiditeit of vitale, fysieke of cognitieve complicaties
  • Zorgprofiel 5: bewegen onder begeleiding van een beweegzorgprofessional met specifieke expertise bij ernstige multimorbiditeit of complicaties.

 

Richtlijnen beleid

  • Het streven is erop gericht de patiënt naar het publieke domein te laten uitstromen, al dan niet na begeleiding of advies vanuit het zorgdomein.
  • Als een bewegingsinterventie vanuit het zorgdomein resultaten heeft afgeworpen, kan deze worden voortgezet binnen het publieke domein, afhankelijk van de persoonlijke wensen.

De beweegzorgprofessional begeleidt de patiënt bij diens doorstroming, afhankelijk van het gekozen zorgprofiel. Doel is de uitbreiding van zelfstandig uit te voeren activiteiten in de eigen leefomgeving.

Tabel 1 Samenvatting zorgprofielen

(Zorgmodule Bewegen, in 2015 in ontwikkeling)

Zorgprofiel

Inhoud

Betrokken zorgverleners

1. Uitsluitend zelfmanagement
  • Patiënt heeft het vermogen tot zelfmanagement
  • Patiënt beweegt volledig op eigen gelegenheid
  • Geen
  • Zo nodig of op verzoek periodieke evaluatie bij huisarts
2. Bewegen in regulier sport- en bewegingsaanbod op basis van zelfmanagement onder begeleiding van een beweegprofessional in het publieke domein
  • Patiënt heeft het vermogen tot zelfmanagement
  • Begeleiding door beweegprofessional (buurtcoach, sportinstructeur)
  • Geen
  • Zo nodig of op verzoek periodieke evaluatie bij huisarts of beweegzorgprofessional

3.A Bewegen onder begeleiding van beweegzorg- professional met specifieke expertise op gebied van bewegen in relatie tot gezondheid en gedragsverandering

  • Patiënt heeft niet het vermogen tot zelfmanagement
  • Nadruk ligt op gedragsverandering
  • Individueel behandelingsplan
  • Groepsbehandeling
  • Beweegzorgprofessional

3.B Bewegen onder begeleiding van een beweegzorgprofessional met specifieke expertise op gebied van bewegen in relatie tot gezondheid en gedragsverandering

  • Beperkte complicaties om zelfstandig te bewegen in het publieke domein
  • Individueel behandelingsplan
  • Individuele behandeling
  • Beweegzorgprofessional

 

4. Bewegen onder begeleiding van een beweegzorgprofessional met specifieke expertise op gebied van bewegen in relatie tot gezondheid en gedragsverandering

  • Multimorbiditeit
  • Grote mate van hulpafhankelijkheid
  • Gebruik van ziektespecifieke aanvulling
  • Individueel behandelingsplan
  • Beweegzorgprofessional

5. Bewegen onder begeleiding van een beweegzorgprofessional met specifieke (vaak specialistische) expertise op gebied van bewegen in relatie tot gezondheid

  • Multimorbiditeit
  • Grote mate van hulpafhankelijkheid
  • Slechte prognose
  • Individueel behandelplan
  • Langdurige multidisciplinaire individuele begeleiding nodig
  • Beweegzorgprofessional

 

Zorgprofiel 1

Als de patiënt de juiste attitude heeft jegens bewegen en voldoende in staat is om zelf zijn gedrag te veranderen, kies dan voor zorgprofiel 1. Het vermogen van zelfmanagement is hierbij van doorslaggevend belang. De patiënt beweegt geheel op eigen gelegenheid; hierbij kan het bijvoorbeeld gaan om stevig wandelen, tuinieren, hardlopen of fietsen.

Informeer de patiënt over gezondheidsrisico’s, geef voorlichting over het belang van bewegen (zie het kader De Nederlandse Norm Gezond Bewegen) en adviseer over een actieve leefstijl. Geef eventueel voorlichtingsmateriaal mee over laagdrempelig sport- en bewegingsaanbod.

Spreek – indien nodig of wenselijk – een periodieke evaluatie af in de huisartsenpraktijk of bij een (beweeg)zorgprofessional.

Zorgprofiel 2

Als de patiënt de juiste attitude heeft jegens bewegen en voldoende in staat is om zelf zijn gedrag te veranderen, maar de voorkeur geeft aan bewegen onder begeleiding van een beweegprofessional in het publieke domein (coach, fitness- of sportinstructeur), kies dan voor zorgprofiel 2. De patiënt beweegt hierbij niet geheel op eigen gelegenheid, maar er is geen sprake van begeleiding door zorgprofessionals.

Een beweegprofessional heeft basiskennis van bewegen en chronische aandoeningen.

Informeer de patiënt over gezondheidsrisico’s en adviseer over een actieve leefstijl. Maak gebruik van de sociale kaart om de patiënt op het bewegingsaanbod in de buurt te wijzen. Geef eventueel voorlichtingsmateriaal mee over laagdrempelig sport- en bewegingsaanbod.

Spreek – indien nodig of wenselijk – een periodieke evaluatie af in de huisartsenpraktijk of bij een (beweeg)zorgprofessional.

Zorgprofiel 3

Zorgprofiel 3A

Als er geen of weinig complicaties zijn als gevolg van een chronische aandoening maar de patiënt niet zelf in staat is tot een (blijvende) actieve leefstijl, is zorgprofiel 3A passend. Informeer en adviseer de patiënt. De huisarts verwijst naar een beweegzorgprofessional (fysiotherapeut, oefentherapeut, sportarts) voor een passende interventie gericht op gedragsverandering en zelfmanagement.

De beweegzorgprofessional heeft expertise op het gebied van het houdings- en bewegingsapparaat, gedragsverandering en bewegen in relatie tot gezondheid en chronische aandoeningen. Hij kan hierdoor kennis en uitkomsten interpreteren en integreren, zodat de patiënt in een passend zorgprofiel kan instromen. Om de patiënt naar het publieke domein (zorgprofiel 1 en 2) te laten terugstromen, ligt de nadruk op:

  • gedragsverandering, ofwel het aanleren van een actieve leefstijl;
  • zelfmanagement, oftewel het beklijven van de gedragsverandering.

Een beweegzorgprofessional met specifieke kennis van gedragsverandering begeleidt de patiënt. Een alternatief is begeleiding door een beweegprofessional met basiskennis van gedragsverandering en beweging, gesuperviseerd door een beweegzorgprofessional met bovengenoemde competenties.

In principe is groepsbehandeling geschikt voor deze vorm van begeleiding.

Zorgprofiel 3B

Is de patiënt door beperkingen in zijn algemene dagelijkse levensverrichtingen (ADL) niet zelfstandig in staat tot een actieve leefstijl, is zorgprofiel 3B passend. De begeleiding moet zich focussen op de voorwaarden om een passende actieve leefstijl te kunnen aanleren en onderhouden, opdat de patiënt kan terugstromen naar zorgprofiel 3a, of zelfs zorgprofiel 1 of 2.

Informeer en adviseer de patiënt. De huisarts verwijst naar een beweegzorgprofessional voor een passende interventie. Essentieel is begeleiding op maat conform de richtlijnen bij het risicoprofiel of de ziekte.

De beweegzorgprofessional heeft expertise op het gebied van het houdings- en bewegingsapparaat, gedragsverandering en bewegen in relatie tot gezondheid en chronische aandoeningen. De begeleiding is gebaseerd op relevante (bewegings)standaarden. Meerdere zorgstandaarden kunnen van toepassing zijn bij patiënten met multimorbiditeit; bij hen moet in kaart worden gebracht hoe de verschillende aandoeningen de individuele belastbaarheid beïnvloeden.

Zorgprofiel 3B is ook passend bij patiënten die als gevolg van psychische of cognitieve stoornissen of een specifieke context (nog) niet kunnen instromen in zorgprofiel 1, 2 of 3A.

Zorgprofiel 4

Zorgprofiel 4 is passend bij patiënten met:

  • een chronische aandoening met complicaties die het bewegen beperken;
  • een toenemende multimorbiditeit ten opzichte van zorgprofiel 3;
  • een grote hulpafhankelijkheid.

Informeer en adviseer de patiënt. De huisarts verwijst naar een fysio- of oefentherapeut, of – bij zeer ernstige complicaties – naar een revalidatie- of sportarts.

Vanwege multimorbiditeit en mogelijke complicaties tijdens de behandeling is begeleiding nodig door een beweegzorgprofessional met specifieke expertise op het gebied van het houdings- en bewegingsapparaat en bewegen in relatie tot gezondheid. Zo kan een patiënt met COPD en coronair lijden begeleiding door bijvoorbeeld een hart-, vaat- en longfysiotherapeut nodig hebben. Verloopt de behandeling succesvol, dan kan de patiënt naar een lager zorgprofiel terugstromen.

Waar van toepassing wordt gehandeld conform de relevante (zorg)standaarden en richtlijnen.

Zorgprofiel 5

Is er bij de patiënt sprake van een grotere hulpafhankelijkheid en meer effect door multimorbiditeit op de individuele belastbaarheid dan onder zorgprofiel 4 is beschreven, dan is zorgprofiel 5 passend. Hierbij is er een slechte prognose voor de kwaliteit van leven.

Informeer en adviseer de patiënt. De huisarts verwijst naar een beweegzorgprofessional voor een passende interventie.

De begeleiding is langdurig en intensief van aard. Een beweegzorgprofessional met deskundigheid op het gebied van beweging en gedrag in relatie tot ziekte en gezondheid en met ziektespecifieke expertise verleent de zorg op individuele basis binnen een multidisciplinaire setting.

De begeleiding en behandeling richten zich op het optimaliseren of stabiliseren van de bewegingsmogelijkheden van de patiënt. De beweegzorgprofessional analyseert en interpreteert de complexiteit van de multimorbiditeit in samenwerking met anders zorgprofessionals, en integreert de bevindingen in de uitvoering van de behandeling.

Een competente beweegzorgprofessional analyseert de fysieke conditie, het huidige en gewenste bewegingspatroon en de medische, fysieke en psychosociale beperkingen.

Een voorbeeld van een patiënt in zorgprofiel 5 is een oudere man met ernstige vitale beperkingen, multimorbiditeit, hartklachten, morbide obesitas, diabetes mellitus met insulineafhankelijkheid, rolstoelafhankelijkheid door amputatie onderbeen, retinopathie en beperkingen in de ADL. Hierbij is begeleiding door een beweegzorgprofessional met vaak specialistische expertise geïndiceerd, bijvoorbeeld een geriatriefysiotherapeut in een multidisciplinair team.

Waar van toepassing wordt gehandeld conform de relevante mono- en multidisciplinaire richtlijnen.

 

Zorgregistratie en dossiervorming

De minimaal te registreren parameters zijn vastgesteld voor het berekenen van de indicatoren voor patiënten met cardiometabole aandoeningen en astma/COPD. Voor de huisartsenpraktijk zijn ‘kernsets’ van indicatoren beschikbaar voor diabetes mellitus, CVRM, chronische nierschade, obesitas, astma bij volwassenen en COPD. In alle kernsets is een jaarlijkse vraag naar de lichaamsbeweging opgenomen.

Registreer aanvullend bij diabetes mellitus type 2, CVRM, chronische nierschade en obesitas:

  • Advies lichaamsbeweging gegeven.

Leg dit eenmalig vast en herhaal op indicatie.

 

Samenwerking

Essentieel is een nauwe samenwerking en zorgafstemming tussen de huisartsenpraktijk en overige zorgprofessionals. In eerste instantie is de samenwerking tussen medewerkers van de huisartsenpraktijk en de beweegzorgprofessionals in de eerste, tweede en derde lijn belangrijk. Maar ook de samenwerking met zorgprofessionals in de wijk en met wijkgerichte voorzieningen op het gebied van bewegen is cruciaal (zie hoofdstuk 1A, paragraaf 7 - Sociale kaart).

Voor de uitwisseling van gegevens tussen huisarts en fysiotherapeut is de richtlijn Informatie-uitwisseling gegevens huisarts en fysiotherapeut beschikbaar.

 

Literatuur

  1. Generieke Zorgmodule bewegen [in 2015 in ontwikkeling]
  2. Chorus A. Bewegen in Nederland: Chronisch zieken. In: Hildebrandt VH, Chorus AMJ, Stubbe JH (red). Trendrapport Bewegen en gezondheid 2008/2009. Leiden: TNO, 2010.
    Kemper HGC, Ooijendijk WTM, Stiggelbout M.Consensus over de Nederlandse Norm voor Gezond Bewegen. Tijdschr Soc Gezondheidsz 2000; 78: 180-183.
  3. Ooijendijk WTM, Hildebrandt VH, Hopman-Rock M.Bewegen in Nederland 2000-2005. In: Hildebrandt VH, Ooijendijk WTM, Hopman-Rock M. (Red.). Trendrapport Bewegen en gezondheid 2004/2005. Hoofddorp/Leiden: TNO, 2007.
  4. Schmidt M, Absalah S, Nierkens V, Stronks K. Which factors engage women in deprived neighbourhoods to participate in exercise referral schemes? BMC Public Health 2008, 8:371. doi:10.1186/1471-2458-8-371.
  5. NHG-Standaard Cardiovasculair risicomanagement, 2012
  6. NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2, 2013
  7. NHG-Standaard COPD, 2015
  8. NHG-Standaard Astma bij volwassenen, 2015
  9. NHG-Standaard Perifeer arterieel vaatlijden, 2014
  10. Ten Have M, De Graaf R, Monshouwer K. Sporten en psychische gezondheid. Resultaten van de ‘Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study’ (NEMESIS). Trimbos-instituut, Utrecht, 2009
  11. Cooney GM, Dwan K, Greig CA, Lawlor DA, Rimer J, Waugh FR, McMurdo M, Mead GE. Exercise for depression. Cochrane Database of Systematic Reviews 2013, Issue 9. Art. No.: CD004366. DOI: 10.1002/14651858.CD004366.pub6.
  12. Conn VS.Depressive symptom outcomes of physical activity interventions: meta-analysis findings. Ann Behav Med. 2010 May;39(2):128-38.
  13. Windle G, Hughes D, Linck P, Russell I, Woods B. Is exercise effective in promoting mental well-being in older age? A systematic review. Aging Ment Health 2010;14(6):652-69.
  14. Mishra SI1, Scherer RW, Geigle PM, Berlanstein DR, Topaloglu O, Gotay CC, Snyder C. Exercise interventions on health-related quality of life for cancer survivors. Cochrane Database Syst Rev. 2012 Aug 15;8:CD007566. doi: 10.1002/14651858.CD007566.pub2.
  15. Coventry PA, Bower P, Keyworth C, Kenning C, Knopp J, Garrett C, Hind D, Malpass A, Dickens C. The Effect of Complex Interventions on Depression and Anxiety in Chronic Obstructive Pulmonary Disease: Systematic Review and Meta-Analysis. PLOS ONE 2013;8:e60532.