De criteria zijn niet bedoeld als absolute verbodscriteria. Weeg voor de individuele patiënt altijd de voordelen van continueren van de behandeling af tegen de (potentiële) nadelen, zoals bijwerkingen, en beoordeel de samenhang tussen aandoeningen en geneesmiddelengebruik voor deze patiënt integraal. Soms kun je een alternatief geneesmiddel overwegen. Overleg bij specialistische medicatie zo nodig met de voorschrijvend specialist(en), voordat je wijzigingen aanbrengt.

De Kennisdocumenten Minderen en stoppen van medicatie bieden praktische informatie over het minderen en stoppen van medicatie uit diverse geneesmiddelgroepen. Bij geneesmiddelgroepen waarvoor geen Kennisdocument beschikbaar is, is waar nodig een korte toelichting opgenomen.

A. Stoppen algemeen

Overweeg het stoppen van:

A1 Elk geneesmiddel zonder een op bewijs gebaseerde klinische indicatie 
A2 Elk geneesmiddel dat niet past bij het behandeldoel van de patiënt  
A3 Elk geneesmiddel dat langer dan de aanbevolen duur voor de betreffende indicatie wordt voorgeschreven 
A4 Dubbelmedicatie (verschillende geneesmiddelen uit dezelfde geneesmiddelgroep, zonder additioneel effect) 

B. Vallen

De hieronder genoemde geneesmiddelgroepen geven een verhoogd risico op vallen, bijvoorbeeld door (orthostatische) hypotensie, verslechtering van de balans of een sederende werking.  

Overweeg het stoppen van: 

 Geneesmiddelgroep Toelichting 
B1 Benzodiazepinen (inclusief zolpidem en zopiclon)  Kennisdocument benzodiazepinen 
B2 Antipsychotica Kennisdocument antipsychotica 
B3 Opioïden Kennisdocument opioïden 
B4 Antidepressiva  Kennisdocument antidepressiva 
B5 Anti-epileptica Kennisdocument anti-epileptica 
B6 Diuretica Bij (orthostatische) hypotensie, duizeligheid, elektrolytstoornissen 
of urine-incontinentie  
Kennisdocument bloeddrukverlagende middelen 
B7 Alfablokkers  Kennisdocument alfablokkers en 5-alfareductaseremmers 
B8 Centraal werkende antihypertensiva  Bij (orthostatische) hypotensie of duizeligheid  
Voorbeelden: clonidine, guanfacine, methyldopa, moxonidine  
B9 Antihistaminica (eerste generatie en hoge dosering tweede generatie) Bij verwardheid, slaperigheid, duizeligheid, wazig zien  
Voorbeelden eerste generatie: clemastine, promethazine  
Voorbeelden tweede generatie: (des)loratadine, (levo)cetirizine  
B10 Vasodilatoren voor cardiale aandoeningen  Bij (orthostatische) hypotensie of duizeligheid  
Voorbeelden: alfablokkers, nitraten 
B11 Urologische spasmolytica Kennisdocument urologische spasmolytica 

C. Verminderde cognitieve functies  

De hieronder genoemde medicatiegroepen geven een hogere kans op verstoring van cognitieve functies, verergering van symptomen van dementie of verhoging van het risico op delier. Dit is relevant bij achteruitgang in cognitieve functies, en bij reeds bestaande cognitieve problematiek. 

Overweeg in geval van cognitieve achteruitgang, sufheid/sedatie of delier het stoppen van:

 Geneesmiddelgroep Toelichting 
C1 Antidepressiva Kennisdocument antidepressiva 
Met name relevant voor tricyclische antidepressiva
en paroxetine 
C2 Urologische spasmolytica Kennisdocument urologische spasmolytica 
C3 Antihistaminica (eerste generatie en hoge dosering tweede generatie)  Voorbeelden eerste generatie: clemastine, promethazine  
Voorbeelden tweede generatie: (des)loratadine,
(levo)cetirizine 
C4 Antipsychotica Kennisdocument antipsychotica 
C5 Elk geneesmiddel of -combinatie met een anticholinerge belasting (ACB-score ≥ 2) ACB-calculator: https://www.acbcalc.com  
C6 Benzodiazepinen (inclusief zolpidem en zopiclon)  Kennisdocument benzodiazepinen 
C7 Geneesmiddel(groep)en bij de ziekte van Parkinson en parkinsonisme (zoals Lewy body-dementie): 
a) Anticholinerge middelen voor tremor  
b) Amantadine 
c) Dopamineagonisten 
d) MAO-B-remmers  
e) COMT-remmers  
Voorbeelden: 
a) biperideen, trihexyfenidyl
b) –
c) apomorfine, pramipexol, ropinirol, rotigotine
d) rasagiline, safinamide, selegiline
e) entacapon, tolpacon 
C8 Opioïden Kennisdocument opioïden 
C9 Anti-epileptica  Kennisdocument anti-epileptica 
C10 Spierrelaxantia Voorbeelden: baclofen, dantroleen, tizanidine  

D. Mictie- en defecatieproblemen

De hieronder genoemde geneesmiddel(groep)en kunnen mogelijk urineretentie, -incontinentie of obstipatie veroorzaken.  

Overweeg in geval van mictie- en/of defecatieproblemen een alternatief geneesmiddel of het stoppen van: 

 Geneesmiddel(groep) Toelichting 
D1 Lisdiuretica  Bij obstructieve mictieklachten of incontinentie (vooral urgency of nycturie) 
D2 Inhalatieparasympathicolytica   Bij obstructieve mictieklachten, urineretentie of obstipatie  
Voorbeelden: aclidinium, glycopyrronium, ipratropium, tiotropium, 
umeclidinium 
D3 Anticholinergica, zie C1 t/m C5 Bij urineretentie, prostatisme of obstipatie 
D4 Cholinesteraseremmers Bij incontinentie   
Voorbeelden: donepezil, galantamine, rivastigmine  
D5 Opioïden Kennisdocument opioïden 
D6 Verapamil  Bij obstipatie  
D7 IJzerpreparaten Bij obstipatie. Overweeg eventueel een lagere dosering of andere toedieningsvorm (iv) 

E. Cardiovasculaire belasting

De hieronder genoemde geneesmiddel(groep)en geven mogelijk verergering van cardiovasculaire aandoeningen of een verhoogd risico op cardiovasculaire bijwerkingen (bijv. ritmestoornissen of elektrolytstoornissen).  

Overweeg eventueel een alternatief geneesmiddel of het stoppen van: 

 Geneesmiddel(groep) Toelichting 
E1 NSAID’s   Bij hartfalen, eGFR < 60 ml/min, ernstige hypertensie, combinatie met ACE-remmer/ARB, voorgeschiedenis van coronaire, cerebrale of perifere vasculaire aandoeningen 
E2 Digoxine  Bij hartfalen zonder atriumfibrilleren. Overweeg bij atriumfibrilleren eventueel een lagere dosering conform de geldende richtlijnen  
E3 Amiodaron Geeft een hoger risico op bijwerkingen dan andere antiaritmica  
E4 Klasse I- en IV-antiaritmica  Bij hartfalen of in combinatie met bètablokker (klasse IV)  
Voorbeelden klasse IA en IC: flecainide, kinidine, propafenon 
Voorbeelden klasse IV: diltiazem, verapamil 
E5 Fosfodiësterase-5-remmers  Bij ernstig hartfalen met hypotensie, of gelijktijdig gebruik van nitraten  
Voorbeelden: avanafil, sildenafil, tadalafil, vardenafil  
E6 QT-verlengende medicatie  Voorbeelden: zie Tabel Geneesmiddelen en QT-verlenging  
E7 Bètablokkers  Bij bradycardie (< 50/min) of AV-blok 
E8 Lisdiuretica  Bij perifeer oedeem zonder hartfalen 
E9 Cholinesteraseremmers Bij bradycardie (< 60/min) of AV-blok  
Voorbeelden: donepezil, galantamine, rivastigmine  
E10 Tricyclische antidepressiva Bij hartfalen met prikkelgeleidingsstoornissen of ischemische hartziekten   
Kennisdocument antidepressiva 

F. Bloedingsrisico  

De hieronder genoemde medicatiegroepen geven een verhoogd risico op (maag)bloedingen. 

Overweeg stop in geval van een verhoogd bloedingsrisico en gebruik van: 

 Geneesmiddelgroep Toelichting 
F1 NSAID’s of acetylsalicylzuur  Extra voorzichtigheid geboden bij combinatie met risicogeneesmiddelen, zoals SSRI’s, trombocytenaggregatieremmers, anticoagulantia, corticosteroïden en/of aldosteronantagonisten. Overweeg maagbescherming conform geldende richtlijnen.  

Kennisdocument trombocytenaggregatieremmers 
F2 (Dubbele) Antitrombotica zonder indicatie Kennisdocument trombocytenaggregatieremmers 
Kennisdocument anticoagulantia 

G. Gering geschatte resterende levensverwachting (< 1 jaar) 

Bij een beperkte levensverwachting kan worden overwogen om preventieve medicatie zonder direct voordeel en medicatie die niet gericht is op symptoomverlichting te stoppen. In deze fase staat kwaliteit van leven voorop. Het stoppen van geneesmiddelen moet niet leiden tot discomfort.  

Zie voor specifieke medicatieadviezen de Kennisdocumenten en de Pallialine Richtlijnen en handreikingen palliatieve zorg.  

Overweeg stop in geval van een beperkte levensverwachting van: 

 Geneesmiddelgroep Toelichting 
G1 Lipidenverlagende middelen  Kennisdocument statines 
G2 Antihypertensiva Kennisdocument bloeddrukverlagende middelen 
G3 Nitraten Bij geen angineuze symptomen in afgelopen 12 maanden of geen geobjectiveerd coronair lijden 
G4 Anticoagulantia (VKA’s en DOAC’s) Kennisdocument anticoagulantia 
G5 Trombocytenaggregatieremmers Kennisdocument trombocytenaggregatieremmers 
G6 Protonpompremmers en H2-antagonisten Wees alert op reboundklachten bij afbouwen  
Kennisdocument protonpompremmers 
G7 Vitamines en mineralen Foliumzuur wel continueren in geval van MTX-gebruik  
G8 Medicatie bij osteoporose en fractuurpreventie Kennisdocument bisfosfonaten 
Kennisdocument calcium en vitamine D 
G9 Systemische corticosteroïden Bij chronisch gebruik (> 2mnd), tenzij voorgeschreven in het kader van palliatieve behandeling  
G10 5-alfa-reductaseremmers en alfa-blokkers Bij een verblijfskatheter   
Kennisdocument alfablokkers en 5-alfareductaseremmers 
G11 Urologische spasmolytica Bij volledige incontinentie  
Kennisdocument urologische spasmolytica 

  • Denis O’Mahony, Antonio Cherubini, Anna Renom Guiteras, et al. STOPP/START criteria for potentially inappropriate prescribing in older people: version 3. Eur Geriatr Med 14(4):625–632 
  • Lotta J.Seppala, Mirko Petrovic, Jesper Ryg, et al. STOPPFall (Screening Tool of Older Persons Prescriptions in older adults with high fall risk):a Delphi study by the EuGMS Task and Finish Group on Fall-Risk-Increasing Drugs. Age and Ageing 2021;50:1189–1199 
  • Denis Curtin, Paul Gallagher, Denis O’Mahony. Deprescribing in older people approaching end-of-life: development and validation of STOPPFrail version 2. Age and Ageing 2020;50:465–471 
  • Siobhan McGettigan, Denis Curtin, Denis O’Mahony. Deprescribing in cognitively vulnerable older people:development and validation of STOPPCog criteria. Age and Ageing 2025; 54: afaf014 
  • Sallevelt BTGM, Huibers CJA, Knol W, et al. Evaluation of clarity of the STOPP/START criteria for clinical applicability in prescribing for older people: a quality appraisal study. BMJ Open 2020;10:e033721 
  • Julian Lindsay, Michael Dooley, Jennifer Martin, et al. The development and evaluation of an oncological palliative care deprescribing guideline: the ‘OncPal deprescribing guideline’. Support Care Cancer 2015 Jan;23(1):71-8 
  • Ine Simal, Annemie Somers, Jesper Ryg, et al. Older adult risk classification for anticholinergics (ORCA): a Delphi panel-validated scale. Age Ageing 2025 Aug 29;54(10):afaf313 
  • KNMP, Informatorium Medicamentorum, KNMP Kennisbank. Geraadpleegd via KNMP Kennisbank, augustus 2025 

Werkgroep  

Dit instrument is ontwikkeld door de werkgroep bij de MDR Polyfarmacie bij ouderen, bestaande uit:  

Naam Namens 
Rob van Marum NVKG 
Wilma Knol Ephor 
Henk-Frans Kwint SIR 
Annemieke Horikx KNMP 
Elaine Wong-Go KNMP 
Esther Kuipers, projectleider NHG 
Monique Verduijn NHG 
Amanda van Walraven NHG 

Geen van de werkgroepleden heeft belangenverstrengelingen gemeld. 

Doelgroep 

De doelgroep van dit instrument betreft alle professionals werkzaam rondom medicatiegebruik bij ouderen en moet worden gelezen in de context van de MDR Polyfarmacie bij ouderen. Daarnaast kan het worden gebruikt door beleidsmakers met betrokkenheid op dit thema. 

Werkwijze  

Dit instrument betreft een actualisatie van de STOP-START-NL, versie 2020. Deze voorgaande versie komt hiermee te vervallen. Omdat START-criteria veelal overeenkomen met voorschrijven conform Nederlandse beroepsrichtlijnen is ervoor gekozen om enkel nog een STOP-NL lijst uit te geven en te onderhouden. Het STOP-NL V2 instrument is opgesteld door de werkgroep bij de MDR Polyfarmacie bij ouderen. Gehanteerde definities en uitgangspunten sluiten aan bij de andere onderdelen en modules van deze richtlijn. 

De werkgroepleden hebben in gezamenlijke verantwoordelijkheid gewerkt aan de totstandkoming van dit instrument. NHG trad op als penvoerder en projectleider. Bureaumedewerkers van KNMP en NHG met inhoudelijke expertise en/of betrokkenheid werden diverse malen geconsulteerd in het ontwikkeltraject. 

Voor de totstandkoming van dit instrument is gebruik gemaakt van diverse internationale instrumenten en literatuur (zie verwijzingen). Deze zijn door de werkgroep samengevoegd tot een voor de Nederlandse situatie passende set STOP-criteria. Waar van toepassing prevaleren Nederlandse richtlijnen of referentiewaarden boven die uit internationale screeningslijsten of literatuur.

In een externe commentaarronde werd het instrument aangeboden aan de volgende partijen (zie tabel).

Benaderde partij  Reactie gegeven  
LHV  Ja 
InEen  Nee 
KNMP (GIC, SIG ouderen) Ja 
IVM  Ja 
Nederlands Bijwerkingencentrum Lareb  Nee 
Zorgverzekeraars Nederland  Ja 
ExpertDoc Ja, geen inhoudelijk commentaar geleverd 
NVKG, SIG Farmacotherapie bij ouderen Ja, geen inhoudelijk commentaar geleverd 
Verenso Ja, geen inhoudelijk commentaar geleverd 
NIV, sectie ouderengeneeskunde Ja  

Na verwerking van de commentaren is de inhoud van het instrument vastgesteld door de werkgroep op 8 december 2025 en op 15 december 2025 bekrachtigd via de bij het NHG vigerende autorisatieprocedure. 

Dit instrument is tot stand gekomen mede dankzij financiering van het ministerie van VWS en de inzet van de betrokken beroepsverenigingen uit de werkgroep.