De parallelsessie bestaat uit presentaties en workshops. Op het evenement zelf kies je voor iedere ronde naar welke zaal je gaat. Bekijk hieronder alvast welke onderwerpen er zijn. 

Elke ronde zijn ook 2 verschillende workshops te volgen, maar let op: het aantal plaatsen hiervoor is beperkt. 

Parallelsessie 1 duurt van 11:05 tot 12:15 uur

Presentaties in zaal: Auditorium 

Cathrien  Kager, Nivel 

Rationale/onderbouwing 
De helft van de gezonde, niet-zwangere vrouwen met een cystitis kan zonder antibioticumgebruik binnen een week genezen. Onbekend is welke factoren een rol spelen bij vrouwen en zorgprofessionals voor het al dan niet toepassen van een afwachtend antibioticumbeleid. 

Onderzoeksvraag 
Welke ervaringen hebben vrouwen en zorgprofessionals in de huisartsenpraktijk met een afwachtend antibioticumbeleid bij cystitis? 

Methode 
Het betrof een kwalitatief onderzoek, dat onderdeel uitmaakte van een groter, mixed-methods project. We organiseerden twee focusgroepen met in totaal 11 zorgprofessionals (huisartsen en assistenten) en verrichtten 13 semi-gestructureerde interviews met vrouwen die het afgelopen jaar een cystitis hadden gehad. 

Resultaten 
In de focusgroepen gaven zorgprofessionals aan dat er zowel bij henzelf als bij patiënten kennis nodig is over de mogelijkheid van een afwachtend beleid. Belangrijk is dat het afwachtend beleid consistent wordt toegepast door alle betrokken zorgverleners. Bij voorkeur is één medewerker verantwoordelijk voor het hele proces (gesprek met patiënt, urineonderzoek, bespreken beleid). 

De meeste geïnterviewde patiënten gaven aan liever geen antibioticum te gebruiken. Ook zeiden zij dat er vaak direct een antibioticum wordt voorgeschreven, zonder dat de optie om af te wachten wordt besproken. Vooral patiënten die niet eerder een cystitis hadden gehad gaven aan graag geïnformeerd te worden over deze optie. Patiënten die wel eerder een cystitis hadden gehad wachtten vaak zelf al af voordat zij contact opnamen met de huisarts. 

Conclusie 
Aanbevelingen uit dit onderzoek voor de praktijk zijn: 

  1. Alle zorgverleners in de praktijk zijn zich bewust van de meerwaarde van een afwachtend antibioticumbeleid. 
  2. Klachten, urineonderzoek en beleid worden met patiënte besproken door één zorgverlener. 
  3. Er is voldoende tijd om met de patiënt in gesprek te gaan over een afwachtend antibioticumbeleid, vooral bij vrouwen die niet eerder een cystitis hadden.

Ramon  Ottenheijm, Universiteit Maastricht 

Rationale/onderbouwing 
Tijdens avond-, nacht- en weekenddiensten (ANW-diensten) zien huisartsen regelmatig patiënten bij wie een fractuur wordt vermoed. Door beperkte radiologische beschikbaarheid kan een röntgenfoto regelmatig niet worden aangevraagd, waardoor patiënten vaak naar de spoedeisende hulp (SEH) worden verwezen. AI-gestuurde fractuurdetectie kan de benutting van radiologische capaciteit verbeteren, maar de diagnostische accuraatheid van deze technologie en de impact daarvan op het zorgpad bij huisartsenpatiënten zijn nog niet onderzocht.  

Onderzoeksvraag 
Wat is de diagnostische accuraatheid van AI-gestuurde fractuurdetectie bij patiënten die door de huisarts worden verwezen voor een röntgenfoto en wat is de impact daarvan op het zorgpad?  
 
Methode 
Prospectieve cohortstudie van 862 sets van röntgenfoto’s van 728 patiënten die door de huisarts werden verwezen met verdenking op een fractuur. De referentietest was de consensusuitslag van twee musculoskeletale radiologen. Als indextests werden onderzocht: de radioloog (zonder AI), de AI-tool BoneView® als zelfstandige test en de AI-tool als ‘safety net’ wanneer de radioloog geen fractuur diagnosticeerde. Diagnostische accuraatheid werd berekend en geëxtrapoleerd naar zorgpadscenario’s met en zonder radioloog als tussenstap. Resultaten: Bij 30% van de sets van röntgenfoto’s werd een fractuur vastgesteld. De radioloog behaalde een sensitiviteit, specificiteit, positief voorspellende waarde (PPV) en negatief voorspellende waarde (NPV) van respectievelijk 92%, 99%, 97% en 97%. De AI-tool als zelfstandige test had een accuraatheid van 96%, 89%, 78% en 98%. In de AI-safety-net benadering waren deze respectievelijk 100%, 87%, 77% en 100,0%. In de zorgpadscenario’s zonder radioloog kon implementatie van de AI-tool het aantal SEH-verwijzingen verminderen en de diagnostische kosten met 32% verlagen.  
 
Conclusie 
De geteste AI-tool voor fractuurdetectie is non-inferieur aan beoordeling door radiologen bij het uitsluiten van fracturen en kan als ‘safety net’ het aantal gemiste fracturen reduceren. Implementatie ervan tijdens ANW-diensten kan de efficiëntie van het zorgpad verbeteren, de druk op de radiologie en SEH verminderen en daarmee kosten besparen. 

Lotte  Ramerman, Nivel 

Rationale/onderbouwing: 
Elektronische patiëntendossiers van de huisarts vormen een unieke en rijke bron van informatie over gezondheid en zorggebruik van patiënten. Door deze gegevens te combineren met demografische- en sociaaleconomische kenmerken en letselregistraties, ontstaat een vollediger beeld van patiënten die de SEH bezoeken vanwege alcohol-gerelateerd letsel. Inzicht in risicofactoren kan huisartsen en andere professionals uit de eerste lijn helpen om kwetsbare groepen tijdig te signaleren en gerichte preventieve interventies in de eerstelijnszorg te ondersteunen.  

Onderzoeksvraag 
Kunnen gegevens uit huisartsenpraktijken worden gekoppeld aan gegevens uit spoedeisende hulpen, demografische kenmerken en sociaaleconomische variabelen? Kunnen er risicoprofielen voor alcohol-gerelateerd letsel opgesteld worden met deze gekoppelde data?  

Methode 
Verschillende databronnen op persoonsniveau zijn aan elkaar gekoppeld: gegevens uit de huisartsenpraktijken (Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn), demografische en sociaaleconomische gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek en het Letsel Informatie Systeem. Voor de haalbaarheid van de koppeling werd bepaald wat de overlap was tussen de databronnen. Vervolgens werden personen die contact hadden met de SEH vanwege alcohol-gerelateerd letsel vergeleken met een controlegroep op demografische en sociaaleconomische kenmerken, gezondheidsproblemen, zorggebruik via de huisarts, redenen voor contact en vervolgzorg (medicatie of verwijzing).  
 
Resultaten 
Over een periode van 2022-2024 was een koppeling voor 145 patiënten met alcohol gerelateerd letsel mogelijk. Uit de analyses bleek dat personen de SEH bezoeken vanwege alcohol-gerelateerd letsel minder vaak hoogopgeleid waren, alleen woonden, bekend waren bij de huisarts met acute gezondheidsproblemen en psychofarmaca kregen voorgeschreven door de huisarts. Ondanks dat ze niet vaker de huisarts bezochten, kwamen ze wel voor andere gezondheidsproblemen: chronisch alcoholgebruik, aandoeningen aan het bewegingsapparaat en psychische problemen.  

Conclusie 
Door middel van gegevenskoppeling tussen de eerste lijn en de SEH, kunnen risicofactoren in kaart gebracht worden voor letsel, zoals door alcoholgebruik. Deze kennis kan gebruikt worden voor gerichte preventie om ernstige gevolgen, van bijvoorbeeld alcoholgebruik, te voorkomen.  

Miami Al-Sabiry, LUMC 

Rationale en onderzoeksvraag 
Een centrale identiteitsvraag in het medisch onderwijs betreft hoe artsen een balans vinden tussen werk en andere levensambities wanneer zij beslissen over hun toekomstige carrière. Deze identiteitsstrijd kan worden begrepen als een dynamiek tussen socialisatie — het proces waarin aanstaande medische professionals de normen van het beroep internaliseren — en subjectificatie — het proces waarin zij zich als autonome subjecten verhouden tot deze professionele normen. Hoewel het belang van subjectificatie voor de professionele vorming groeit, blijft empirisch onderzoek ernaar beperkt. In deze studie richtten wij ons daarom op subjectificatie. De centrale vraag luidde: welke vormen van identiteitsstrijd ervaren huisartsen in opleiding (AIOS) bij het maken van carrièrekeuzes, en hoe geven zij betekenis hieraan in termen van vrijheid en verantwoordelijkheid?  
 
Methode 
We voerden een kwalitatieve beschrijvende studie uit, gebaseerd op de principes van constructivistische grounded theory. Data werden verzameld via semigestructureerde diepte‑interviews ondersteund door rich pictures met AIOS in de laatste zes maanden van hun opleiding bij vier Nederlandse huisartsenopleidingsinstituten. De dataverzameling en ‑analyse waren iteratief en er werd gebruik gemaakt van constante vergelijking.  
 
Resultaten 
Tussen juni 2024 en februari 2025 werden 13 interviews afgenomen. We identificeerden drie vormen van identiteitsstrijd: het vinden van een balans tussen werk en privéleven, het omgaan met professionele waarden, en het aannemen van de rol van huisarts. AIOS gaven betekenis aan hun identiteitsstrijd door te spreken over verantwoordelijkheid en vrijheid. Bij het omgaan met de identiteitsstrijd vermeden AIOS risico’s en kozen zij regelmatig voor de weg van de minste weerstand.  

Conclusie 
Subjectificatie wordt zichtbaar wanneer AIOS individuele afweging maken tussen verantwoordelijkheid en vrijheid op een persoonlijk, interpersoonlijk of maatschappelijk niveau. Tegengestelde verwachtingen bieden ruimte voor de zelfpositionering van AIOS in de context van socialisatie. AIOS vermijden risico’s met betrekking tot hun toekomstige carrière, aan dat aspect zouden opleidingsprogramma’s explicieter aandacht moeten besteden. 

Miami  Al-Sabiry, LUMC 

Rationale en onderzoeksvraag 
Naar schatting van Nivel is tussen 2021 en 2024 ongeveer 8% van de huisartsen in Nederland gestopt met praktiseren, niet vanwege pensionering of ziekte. Gezien de grote maatschappelijke uitdagingen waar het huisartsenvak momenteel voor staat, richtte deze studie zich op de beweegredenen van huisartsen om te stoppen met praktiseren. Inzicht in deze beweegredenen kan bijdragen aan het beter begrijpen van dit fenomeen en mogelijk helpen bij het behouden van bevlogen huisartsen. De onderzoeksvraag luidde: welke beweegredenen hebben voormalige huisartsen gehad om te stoppen met praktiseren?  
 
Methode 
We gebruikten Q-methodologie om gedeelde perspectieven op de beweegredenen om te stoppen met praktiseren onder huisartsen te exploreren. De dataverzameling bestond uit twee stappen: een kwantitatieve en een kwalitatieve fase. In de kwantitatieve fase rangschikten respondenten 35 thema’s naar belangrijkheid voor hun besluit om te stoppen met praktiseren. De kwalitatieve fase bestond uit een individueel diepte-interview. De data-analyse omvatte een by-person factoranalyse, factorrotatie en een kwalitatieve interpretatie van de configuraties van de gerangschikte thema’s. Respondenten werden met elkaar gecorreleerd om clusters van respondenten met vergelijkbare perspectieven te kunnen identificeren.  
 
Resultaten 
In totaal werden 24 voormalig praktiserende huisartsen individueel geïnterviewd. We identificeerden vier clusters van voormalige huisartsen met betrekking tot hun beweegredenen om te stoppen met praktiseren: onhanteerbare stress, het verzuipen in het systeem, het ontbreken van toekomstperspectief en de behoefte aan ontwikkeling buiten het vak.  

Conclusie 
Voor zover wij weten, is dit de eerste studie die inzicht probeert te verkrijgen in de beweegredenen van voormalig praktiserende huisartsen om te stoppen met het vak. De Q- methodologie lijkt een robuuste techniek bij dit vraagstuk door de wisselwerking tussen statistiek en inhoudelijke analyse van de motiveringen van keuzes door respondenten. 

Sam van  Smoorenburg, LUMC, Public Health and Primary Care 

Achtergrond 
Vrouwen hebben na hypertensieve aandoening tijdens de zwangerschap (HAZ) en/of diabetes gravidarium (GDM) op latere leeftijd een verhoogd risico op hart- en vaatziekten (HVZ). Cardiovasculair risicomanagement (CVRM) bestaande uit gestructureerde monitoring, counseling en behandeling is essentieel om dit risico te verminderen.  
 
Doelstelling 
Deze narratieve review biedt een overzicht van het huidige bewijs over CVRM bij vrouwen na HAZ en/of GDM met als doel aanbevelingen voor CVRM in (inter)nationale richtlijnen te identificeren, het effect van leefstijlinterventies te evalueren en het identificeren van belemmerende/bevorderende factoren voor de implementatie van CVRM passend bij deze vrouwen, hun sociale context en de zorgprofessionals.  
 
Methoden 
PubMed werd systematisch doorzocht tot september 2025 naar gepubliceerde klinische richtlijnen over CVRM na HAZ/GDM (>6 weken postpartum), studies over leefstijlinterventies na HAZ/GDM en studies naar belemmerende/bevorderende factoren voor de implementatie van CVRM voor deze populatie. Twee onderzoekers voerden onafhankelijk screening en data-extractie uit 
 
Resultaten 
Richtlijnen voor CVRM na HAZ adviseren jaarlijkse controle, waarbij meestal screening op cardiovasculaire risicofactoren (zoals bloeddruk, glucose, lipiden, proteïnurie) wordt aanbevolen. Richtlijnen voor follow-up na GDM raden glucosetesten aan, met intervallen van 1-3 jaar. Screening op cardiovasculaire risicofactoren na GDM wordt niet aanbevolen. Voor zowel HAZ als GDM adviseren richtlijnen leefstijlcounseling, echter bewijs van effectiviteit van leefstijlinterventies is beperkt. De belangrijkste belemmerende factor voor CVRM bij vrouwen is gebrek aan kennis en tijd, terwijl familiebetrokkenheid en herinneringen bevorderend zijn. Binnen de sociale context zijn gebrek aan zelfplanning, gebrek aan aansluiting bij migratieachtergrond en verzekeringsdekking belemmerend, terwijl cultuur-sensitieve informatie bevorderend werkt. Voor zorgprofessionals zijn onvoldoende interprofessionele samenwerking en beperkte bereikbaarheid van de doelgroep belemmerend, terwijl duidelijke richtlijnen en verbeterde interdisciplinaire communicatie bevorderend werken.  

Conclusie 
Er bestaat variatie in aanbevelingen van richtlijnen over CVRM na HAZ/GDM. Gestandaardiseerde, geïntegreerde richtlijnen, bewijs voor effectiviteit van leefstijlinterventies en gerichte implementatiestrategieën kunnen bijdragen aan verbetering van preventie in deze hoog risicogroep. 

Sophie Visser, Erasmus MC  

Rationale 
Om zorgverleners in de huisartspraktijk en patiënten in de eerste lijn meer op de hoogte te brengen van het verwijscriterium artrose voor de gecombineerde leefstijlinterventie (GLI) zijn strategieën, een wachtkamerschermposter en een informatieflyer, ontwikkeld. Het is echter nog onduidelijk wat de effecten en de ervaringen hiermee zijn. Het doel van deze studie is daarom te onderzoeken wat het effect is van de toegepaste implementatiestrategieën op het verwijsgedrag van huisartsen.  

Onderzoeksvraag 
Wat is het effect van een wachtkamerschermposter en een informatieflyer op het verwijsgedrag van eerstelijnszorgverleners naar de GLI bij patiënten met overgewicht én knieartrose? 

Methode 
Er werden semigestructureerde interviews afgenomen met tien eerstelijnszorgverleners (huisartsen en praktijkondersteuners somatiek) in regio Rotterdam, waaronder vijf pilotpraktijken. De interviews werden opgenomen, getranscribeerd en gecodeerd met behulp van een codeboom. 

Resultaten 
De bevindingen zijn geanalyseerd volgens de domeinen van het RE-AIM raamwerk. Drie van de vijf pilotpraktijken rapporteerden gebruik te hebben gemaakt van de strategieën. Hoewel maar een enkele zorgverlener feedback ontving van patiënten, gaf een groot deel aan dat de flyer hen heeft herinnerd aan artrose als verwijscriterium. De informatieflyer werd ook gebruikt om patiënten te informeren. Barrières die werden genoemd waren dat de flyer en poster mogelijk niet altijd voor alle patiënten te begrijpen zijn, tijdsdruk en het feit dat flyers vaak ongebruikt blijven liggen. Deelnemers suggereerden verbeteringen zoals het vervangen van statische materialen door bewegende visuele content en het informeren van huisartsen in opleiding. Over het algemeen waren de meeste zorgverleners tevreden over de hoeveelheid informatie op de flyer en het wachtkamerscherm. 

Conclusie 
Zorgverleners rapporteren dat de implementatiestrategieën invloed hebben op het verwijsgedrag van de zorgverleners, vooral door het vergroten van bewustwording rondom het verwijscriterium artrose naar de GLI. De resultaten wijzen op de potentie van meer dynamische en visueel aantrekkelijke communicatiemiddelen om verdere gedragsverandering te stimuleren. 

Presentaties in zaal: Snelbinder (Engels) 

Erik Bischoff, Erasmus MC 

Rationale 
De hoge werkdruk onder huisartsen is een bedreiging voor het welzijn van zorgverleners en de toegankelijkheid en kwaliteit van zorg. Spraakgestuurd rapporteren biedt mogelijk verlichting, maar overtuigend bewijs ontbreekt en het patiëntenperspectief blijft onderbelicht. 

Onderzoeksvraag 
Wat is de impact van spraakgestuurd rapporteren in de huisartsenpraktijk? 

Methode 
We voerden een prospectieve voor-na longitudinale mixed-methods studie uit onder 12 huisartsen zonder eerdere ervaring met spraakgestuurd rapporteren. De interventie bestond uit een systeem dat consultsamenvattingen genereert op basis van microfoonopnamen en een large language model. De primaire uitkomstmaat was de tijd besteed aan rapporteren. Secundaire uitkomstmaten waren de totale consultduur, de hoeveelheid en kwaliteit van de documentatie, en ervaringen van patiënten en huisartsen. De metingen vonden plaats gedurende twee dagen zonder en twee dagen met het systeem. Kwantitatieve gegevens werden geanalyseerd met (generalised) linear mixed models. Kwalitatieve data werden thematisch geanalyseerd. 

Resultaten 
Tussen december 2024 en juli 2025 namen 12 huisartsen en 535 patiënten deel (264 in de baselineperiode; 271 in de interventieperiode). De tijd besteed aan rapporteren nam significant af met 42,7 seconden (95% CI: –56,29 tot –30,78; p<0,0001). Voor de totale consultduur werd geen significant verschil gevonden (–61,4 seconden; 95% CI: –131,91 tot 0,96; p=0,069). Huisartsen rapporteerden een lagere werkdruk, en sommige patiënten ervoeren betere communicatie. Wel waren er potentiële nadelen: onnauwkeurige samenvattingen, belemmeringen bij het bespreken van gevoelige onderwerpen en mogelijke verstoring van het klinisch redeneerproces. 

Conclusie 
Spraakgestuurd rapporteren verlaagt de werkdruk en kan de communicatie verbeteren. Tegelijkertijd vragen mogelijke ongewenste effecten om extra aandacht om te waarborgen dat de kwaliteit en toegankelijkheid van zorg niet in het gedrang komen. 

Mariël  Brekhof, UMCG 

Rationale 
Een groeiende groep mensen leeft langdurig met niet te genezen kanker. Eerder onderzoek laat zien dat deze situatie gepaard gaat met fysieke, emotionele, sociale en existentiële problemen die het vervullen van sociale rollen kunnen beperken. Omdat sociale rollen een belangrijke basis vormen voor identiteit, kan niet te genezen kanker de identiteit onder druk zetten. 

Onderzoeksvraag 
Wat betekent langdurig leven met niet te genezen kanker voor de identiteit van patiënten? 

Methode 
Kwalitatieve studie met semigestructureerde interviews onder mensen die langdurig leven met niet te genezen kanker. De data is thematisch geanalyseerd. Twaalf deelnemers werden geïnterviewd. Zes hoofdthema’s kwamen naar voren: (1) integratie van ziekte in de identiteit, (2) de “golfbeweging” van de patiëntrol, (3) leven met een lege batterij, (4) afhankelijkheid: ongewild de patiënt zijn, (5) de paradox van gewenning en (6) heroriëntatie van het zelf onder “het zwaard van Damocles”. Identiteit bleek een dynamisch proces omdat de patiëntrol in intensiteit fluctueert. Deelnemers beschreven het fluctueren van de patiëntrol als een “golfbeweging”. Tijdens behandelingen of bij klachten domineert deze rol de identiteit, terwijl deze in stabielere periodes weer naar de achtergrond verschuift. Dit dwingt patiënten steeds opnieuw te bepalen wie zij zijn. De patiëntrol kreeg vorm door gevoelens van afhankelijkheid, aanhoudende vermoeidheid, sociale interacties, processen van gewenning en onzekerheid over tijd en prognose. 

Resultaat 
Op basis van deze bevindingen ontwikkelden we een nieuw raamwerk dat laat zien hoe deelnemers hun identiteit voortdurend opnieuw vormgeven. Het onderstreept de noodzaak van doorlopende, persoonsgerichte psychosociale ondersteuning na de actieve behandeling en benadrukt de belangrijke rol van de eerstelijnszorg. 

Conclusie 
Langdurig leven met niet te genezen kanker beïnvloedt de identiteit. Dit vraagt om blijvende aandacht voor identiteits- en rolveranderingen en om psychosociale ondersteuning, waarbij eerstelijnszorg een belangrijke rol speelt.  

Michelle  Verheijden, Universiteit Maastricht 

Rationale 
De complexiteit van de huisartsenpraktijk vraagt om een flexibele en context-specifieke toepassing van arts-patiënt communicatie, ‘vaardige communicatie’ genoemd. Het leren hiervan vindt op de werkplek vaak impliciet plaats, waardoor leermogelijkheden onzichtbaar blijven en beperkt inzicht bestaat in welke communicatie-uitdagingen de ontwikkeling van vaardige communicatie stimuleren. Dit onderzoek heeft daarom tot doel communicatie-uitdagingen op de werkplek te identificeren en hun ontwikkeling in de tijd te beschrijven. De onderzoeksvraag luidt: ‘Welke communicatie-uitdagingen komen AIOS tegen tijdens hun leertraject bij het ontwikkelen van vaardige arts-patiënt communicatie?’  

Methode 
In deze longitudinale fenomenologische studie trianguleerden wij praktijkobservaties, interviews en audio-dagboeken van acht eerste -en vijf derdejaars-AIOS gedurende een periode van zes maanden. Met behulp van thematische analyse en volgens de principes van Crowther et al. over ‘crafted stories’ ontwikkelden we twee narratieven, een voor een eerstejaars en een voor een derdejaars AIOS, die deze communicatie-uitdagingen illustreren.  

Resultaten 
Dertien AIOS namen deel en we verzamelden 26 interviews, 26 klinische observaties en 115 audio-opnames. Communicatie-uitdagingen werden als impactvol ervaren en riepen gevoelens op van frustratie, ongemak, trots en nieuwsgierigheid. De uitdagingen van eerstejaars-AIOS waren gericht op effectieve patiëntgerichte communicatie om medische doelen te bereiken. De uitdagingen van derdejaars-AIOS focusten zich op het ontwikkelen van een persoonlijke stijl, experimenteren met samen beslissen en het opbouwen van een duurzame arts-patiënt relatie vanuit oprechte interesse.  

Conclusie 
We identificeerden communicatie-uitdagingen die AIOS stimuleren tot het ontwikkelen van vaardige communicatie tijdens het werkplekleren. Deze uitdagingen veranderden in de tijd en verschilden per opleidingsjaar. Binnen de huisartsopleiding zijn een veilig leerklimaat en stapsgewijze begeleiding door opleiders en docenten essentieel om AIOS te helpen deze uitdagingen te herkennen en bespreekbaar te maken. Observatie en reflectie vormen in dit proces belangrijke hulpmiddelen om communicatie-uitdagingen te identificeren en zelfmonitoringsvaardigheden gedurende het leertraject te stimuleren. De ontwikkelde narratieven kunnen daarbij als discussie-starters worden ingezet. 

Sofie Jacobse, Erasmus MC 

Rationale 
De rol van samen beslissen in het diagnostisch proces krijgt in onderzoek en onderwijs nog relatief weinig aandacht. Inzicht in hoe aios Huisartsgeneeskunde diagnostische keuzes maken kan bijdragen aan gerichter en effectiever onderwijs Onderzoeksvraag: Wat zijn de diagnostische overwegingen van eerstejaars aios Huisartsgeneeskunde bij casuïstiek met veel onzekerheid? En in hoeverre betrekken zij de patiënt bij deze besluitvorming? 
 

Methode 
In deze kwalitatieve substudie analyseerden we open antwoorden uit een vragenlijst met zes klinische vignetten, ingevuld door eerstejaars aios in Rotterdam. De vignetten, gebaseerd op casussen uit een eerdere schadeclaimanalyse, bevatten een hoge mate van onzekerheid (clinical equipoise) en boden meerdere mogelijke opties. De diagnostische overwegingen van de deelnemers werden systematisch gecodeerd met een inductieve thematische analyse.  

Resultaten 
We vonden 13 subthema’s, gegroepeerd in drie hoofdthema’s: klinische factoren, patiëntfactoren en artsfactoren. Klinische factoren, zoals vertrouwen op bewijs, richtlijnen en vangnetadvies, werden het vaakst genoemd (69%). Patiëntfactoren, zoals voorkeuren en context, kwamen ook regelmatig voor (25%). Patiëntbetrokkenheid werd vooral eenzijdig beschreven: deelnemers zagen dit vooral als het direct opvolgen van patiëntwensen of het geven van informatie zodat de patiënt een geïnformeerde keuze kan maken. Artsfactoren, zoals persoonlijke voorkeuren en het uiten van onzekerheid, kwamen zelden voor (6%), ondanks de grote mate van onzekerheid in de casuïstiek.  

Conclusie 
Het klinisch redeneren van aios is vooral gebaseerd op klinisch bewijs, maar ook het perspectief van de patiënt speelt een rol. Hun begrip van patiëntbetrokkenheid is vooral informatief en minder gericht op echte gedeelde besluitvorming. Daarnaast lijken aios terughoudend in het expliciet meewegen van onzekerheid in hun besluitvorming. Deze inzichten kunnen helpen om het het onderwijs over samen beslissen te verbeteren, zodat het beter aansluit bij het diagnostisch proces. 

Lukas Koet, ErasmusMC 

Rationale/onderbouwing 
Er zijn aanwijzingen dat lichamelijke inspanning positieve effecten heeft op concentratie en cognitieve functie, en dat het ADHD-symptomen kan verminderen. Het is echter niet duidelijke welke vorm van lichamelijk inspanning de het beste effect heeft bij kinderen en adolescenten met ADHD.  

Onderzoeksvraag 
Hou verhoudt de effectiviteit van verschillende typen lichamelijke inspanningsinterventies zich tot elkaar in het verminderen van ADHD-symptomen en het verbeteren van executieve functie bij kinderen en adolescenten met ADHD. 

Methode 
Wij voerden een netwerk meta-analyse (NMA) uit met gerandomiseerde studies (RCTs) die lichamelijke inspanningsinterventies bij ADHD onderzochten. We identificeerden relevante RCTs in EMBASE, Medline, Web of Science, Cochrane, PsychINFO, CINAHL en in eerdere reviews. Twee onafhankelijke beoordelaars voerden de screening, data-extractie en risico‑op‑bias‑beoordelingen (RoB) uit. We voerden random‑effects NMAs uit. Onze primaire uitkomstmaat bestond uit de door ouders beoordeelde ADHD‑symptomen; secundaire uitkomsten omvatten door leraar beoordeelde ADHD‑symptomen, executieve functies en drop-out. 

Resultaten 
In totaal includeerden we 35 RCTs. De analyses toonden aan dat verschillende typen lichamelijke inspanningsinterventies effectief waren in het verminderen van ADHD-symptomen of het verbeteren van executieve functies bij kinderen en adolescenten met ADHD, vergeleken met geen behandeling. Welke type lichamelijke inspanning het meest effectief is blijft echter onzeker, aangezien de geïncludeerde onderzoeken een hoog risico op bias hadden en de analyses aanzienlijke heterogeniteit vertoonden. De aanvaardbaarheid (drop-out) verschilde niet significant tussen de interventies.  

Conclusie 
Een belangrijke conclusie is dat er meer hoogwaardige onderzoeken met grotere onderzoeksgroepen nodig zijn om definitieve uitspraken te kunnen doen over welke type lichamelijke inspanningsinterventie het meest effectief is in het verminderen van ADHD-symptomen. 

Laurine van der Wal, UMCG 

Achtergrond 
Bij vrouwen die behandeld zijn voor borstkanker, komt milde systolische linkerventrikeldisfunctie vaker voor dan in de algemene bevolking. Dit wordt voornamelijk toegeschreven aan cardiotoxische effecten van chemotherapie, al dan niet gecombineerd met radiotherapie. De prevalentie van cardiale (dis)functie op de lange termijn en het beloop in hartfunctie zijn echter nog onvoldoende onderzocht.  

Methoden 
In een in 2014 uitgevoerde, gematchte cohortstudie werd een vervolgmeting toegevoegd. Vrouwen werden gerekruteerd via huisartsenpraktijken. Voor de analyse werden echocardiografische gegevens en medische dossiers verzameld. De primaire uitkomstmaat was de prevalentie van milde systolische linkerventrikeldisfunctie, gedefinieerd als een linkerventrikel ejectiefractie (LVEF) <54%. Secundaire uitkomsten omvatten diastolische disfunctie, rechterventrikeldisfunctie en veranderingen in LVEF in de tijd.  

Resultaten 
Van de 700 vrouwen uit de oorspronkelijke studie (T1) namen 336 (48%) deel aan de follow‑upmeting (T2), die negen jaar later werd uitgevoerd. De mediane leeftijd van de borstkankeroverlevenden bij T2 was 70 jaar (IQR 65–75), met een mediane totale follow‑upduur van 19 jaar (IQR 17–22) na diagnose. Cardiovasculaire risicofactoren op baseline kwamen voor bij 7,8% van de borstkankeroverlevenden en bij 10,6% van de controles, terwijl cardiovasculaire ziektes aanwezig waren bij respectievelijk 1,2% en 1,2%. Milde systolische linkerventrikeldisfunctie kwam voor bij 10,4% van de borstkankeroverlevenden, tegenover 3,5% in de controlegroep (OR 3,1; 95% CI 1,2–8,1). Mixed‑effectsmodellen lieten zien dat de LVEF in beide groepen licht verbeterde over de tijd, zonder interactie tussen tijd en groep.  

Conclusie 
Borstkankeroverlevenden die circa 19 jaar geleden zijn behandeld met chemotherapie, al dan niet gecombineerd met radiotherapie, hebben een blijvend verhoogd risico op milde systolische linkerventrikeldisfunctie vergeleken met controles. De linkerventrikelfunctie verbeterde tussen T1 en T2 licht in zowel de borstkankeroverlevenden als de controlegroep. In afwezigheid van aanvullende cardiovasculaire risicofactoren lijkt de meerwaarde van routinematige langetermijn cardiologische surveillance bovenop de standaardzorg beperkt. 

Presentaties in zaal: Waalbrug B 

Vincent  Puite, De ZOED Huisartsen Schalkwijk  

Rationale 
Gezinnen met meervoudige en complexe ondersteuningsbehoeften krijgen vaak te maken met versnipperde zorg, onduidelijke verantwoordelijkheden en beperkte afstemming tussen professionals. Dit leidt tot vertraging in passende ondersteuning en vergroot de ervaren belasting.  
WijkWijs Jeugd is een nieuw wijkgericht zorgmodel waarin huisarts, kinderarts, jeugdarts, JGZ/CJG en het sociaal wijkteam structureel samenwerken volgens de principes van Krachtige Basiszorg en het 4‑Domeinenmodel. De aanpak beoogt vroegsignalering, integrale ondersteuning en één gezamenlijk plan voor het gezin.  

Onderzoeksvraag 
Wat is de ervaren en gemeten meerwaarde van WijkWijs Jeugd voor gezinnen met complexe problematiek, en welke factoren bevorderen of belemmeren effectieve samenwerking tussen betrokken professionals?  

Methode 
Het onderzoek volgt een mixed‑methods design. Kwantitatieve gegevens worden verzameld bij intake en follow‑up (±6 maanden) met domeinscores op het 4‑Domeinenmodel, aangevuld met vragenlijsten over gezondheid, stress, draagkracht en sociale steun. Kwalitatieve data worden verzameld via semigestructureerde interviews met ouders en focusgroepen met professionals. De eerste 32 gezinnen zijn inmiddels gezien binnen het multidisciplinaire spreekuur; 21 gezinnen zijn reeds voor een vervolgconsult teruggekomen. Casusanalyses worden gebruikt om patronen in problematiek, samenwerking en ervaren impact te illustreren. De eerste 32 gezinnen laten een duidelijke stapeling van problematiek zien over medische, psychische en sociale domeinen. Ouders rapporteren in de eerste gesprekken meer overzicht, minder “kastje‑naar‑muur”‑ervaringen en een beter begrip van rollen en verantwoordelijkheden.  

Resultaten 
Professionals benoemen verbeterde afstemming, snellere gezamenlijke analyse en meer werkplezier. In gezinnen waar meerdere organisaties eerder langs elkaar heen werkten, lijkt WijkWijs te leiden tot meer duidelijkheid, betere prioritering en een gevoel van regie bij ouders. De komende maanden worden de kwantitatieve voor‑ en nametingen geanalyseerd om deze eerste indrukken verder te onderbouwen.  

Conclusie 
De eerste ervaringen met WijkWijs Jeugd suggereren dat een geïntegreerde, wijkgerichte aanpak gezinnen met complexe problematiek sneller en effectiever bereikt. Door gezamenlijke casusbespreking, gedeelde verantwoordelijkheid en het 4‑Domeinenmodel ontstaat meer samenhang en duidelijkheid voor zowel gezinnen als professionals. 

Onur Kaya, Erasmus MC 

Rationale 
Handartrose is een veelvoorkomende aandoening die grote invloed kan hebben op iemands kwaliteit van leven, en de zorgvraag zal door vergrijzing de komende decennia verder toenemen. Toch is er weinig bekend over de werkelijke omvang in de Nederlandse huisartsenpraktijk, mede doordat een specifieke ICPC-1-code ontbreekt. Door vrije- tekstnotities in patiëntendossiers te analyseren is een realistischer beeld van de ziektelast mogelijk, wat essentieel is voor goede zorgplanning.  

Onderzoeksvraag  
Wat zijn de incidentie en prevalentie van symptomatische handartrose in de Nederlandse huisartsenpraktijk in de periode 2013–2023?  

Methode 
Er werd gebruikgemaakt van de IPCI-database, die elektronische huisartsendossiers bevat van ongeveer 2,5 miljoen patiënten in Nederland. Een gevalideerd algoritme combineerde ICPC-1-codes en handartrose-gerelateerde zoekwoorden in vrije-tekstnotities om diagnoses te identificeren bij volwassenen van 30 jaar en ouder. De positief voorspellende waarde (PPV) van het algoritme werd bepaald via onafhankelijke beoordeling van willekeurige steekproeven. Prevalentie en incidentie werden jaarlijks berekend en gestandaardiseerd naar de Nederlandse bevolkingsverdeling.  

Resultaten 
Het cohort omvatte ongeveer 1,8 miljoen unieke volwassenen. Het algoritme bereikte een PPV van 90%. In totaal werden 152.900 patiënten met handartrose geïdentificeerd, van wie 72% vrouw. De gestandaardiseerde prevalentie steeg van 5,7% in 2013 naar 9,3% in 2023. De gestandaardiseerde incidentie nam toe van 7,2 naar 8,6 per 1.000 patiëntjaren. Vrouwen hadden consistent hogere prevalentie- en incidentiecijfers dan mannen. De incidentie piekte op jongere leeftijd bij vrouwen (55 jaar) dan bij mannen (63 jaar).  

Conclusie 
Deze studie laat een gestage toename zien van de ziektelast van symptomatische handartrose in Nederland, met name bij vrouwen en ouderen. Met een vergrijzende bevolking zal deze zorgvraag de komende jaren verder stijgen. Dit benadrukt de noodzaak van tijdige herkenning en adequaat management van handartrose in de huisartsenpraktijk, om de groeiende ziektelast beheersbaar te houden en de kwaliteit van leven van patiënten te waarborgen. 

Anne  Gijsel, Erasmus MC 

Rationale 
Schouderklachten komen frequent voor en kennen vaak een langdurig beloop, met substantiële belasting voor patiënt en zorg. Desondanks adviseert de NHG-richtlijn beperkte diagnostiek en vrijwel uniform beleid bij alle schouderklachten. Het is onduidelijk of consultatie van een kaderhuisarts bewegingsapparaat (KHB), leidt tot een ander beleid. Deze studie vergelijkt patiëntkenmerken, behandelbeleid en consultfrequentie van een KHB en reguliere huisartsen bij schouderklachten.  

Methode 
Er werd een retrospectieve cohortstudie uitgevoerd onder volwassen patiënten die tussen 1 januari en 30 juni 2024 een KHB consulteerden voor nieuwe schouderklachten. Op basis van dossieronderzoek werden demografische en klinische kenmerken, diagnostiek, diagnostische categorieën, behandelbeleid en het aantal consulten gedurende 12 maanden follow-up verzameld. Bevindingen werden descriptief geanalyseerd en waar mogelijk vergeleken met gepubliceerde gegevens uit de reguliere huisartsenpraktijk (t-toets, chi-kwadraattoets). Er werden 188 patiënten geïncludeerd. Vergeleken met schouderpatiënten in de reguliere huisartsenpraktijk waren KHB-patiënten ouder (+3 jaar), hadden zij vaker een voorgeschiedenis van schouderklachten (+21procentpunten (pp)) en presenteerden zij zich vaker met een klachtenduur ≥6 weken (+47pp). De KHB verrichtte bij 187 van de 188 consulten zelf een diagnostische schouderecho. Bij 84,1% van de 113 patiënten die eerder hun eigen huisarts consulteerden, week het beleid bij het eerste KHB-consult af van het reeds ingezette beleid.  

Resultaten 
De reguliere huisarts koos het vaakst voor een afwachtend beleid of verwijzing naar de KHB (46%). De KHB koos het vaakst voor een injectie (54%). Het behandelbeleid van de KHB leek sterk diagnose-gestuurd, met specifieke behandelpatronen per categorie en zelden verwijzing naar de tweede lijn (2%). Het gemiddeld aantal consulten in twaalf maanden, was vergelijkbaar tussen de KHB en de reguliere huisarts (respectievelijk 1,8 (SD 1,1); 1,8 (SD 1,2)).  

Conclusie 
De complexere patiëntpopulatie, het actievere diagnosegerichte beleid en de vergelijkbare consultfrequentie wijzen erop dat de KHB een onderscheidende klinische rol vervult bij schouderklachten in de eerste lijn, zonder toename van zorggebruik. 

Eline  Wagelaar, Erasmus MC 

Rationale/onderbouwing 
Evidence based medicine (EBM) staat centraal in de huisartsopleiding, maar huisartsen-in-opleiding herkennen EBM-gedrag en EBM-vraagstukken nog onvoldoende. EBM omvat namelijk meer dan het aanleren van competenties, kennis en vaardigheden: het betreft ook het internaliseren van een attitude. Echter, de attitude is tot op heden zeer impliciet waardoor het gevaar bestaat dat EBM uiteenvalt in losse elementen zonder samenhang.  

Onderzoeksvraag 
Wat houdt een “EBM-attitude” in volgens EBM-docenten van de huisartsopleidingen in Nederland?  

Methode 
Via semigestructureerde interviews onderzochten we hoe EBM‑docenten een EBM‑attitude definiëren. Alle deelnemers waren EBM‑docent en daarnaast huisarts of epidemioloog. De data zijn geanalyseerd volgens de reflexieve thematische analyse van Braun en Clarke (2021-2023). 
 
Resultaten 
We interviewden 16 EBM-docenten van alle Nederlandse huisartsopleidingen. Zij signaleren dat huisartsen-in-opleiding EBM gefragmenteerd beleven: ze zien EBM als losstaand van de praktijk, en ervaren EBM als ‘moeilijk, saai en eng’. Docenten moeten extra inspanning leveren om deze negatieve overtuiging om te buigen naar vertrouwen in de waarde en het nut van EBM. Door het gebruik van praktijkvoorbeelden leren docenten huisartsen-in-opleiding herkennen wat EBM is en maken ze hen bewust van de relatie tussen wetenschap en praktijk. Deze bewustwording vormt de basis voor attitudeverandering: interesse, zelfvertrouwen en nieuwsgierigheid voor EBM groeien. Dit komt letterlijk tot uiting in de vorm van vragen stellen, reflecteren en kritisch zijn. Deze attitude is volgens docenten nodig om EBM-vraagstukken te kunnen formuleren, relevante informatie te vinden en de gevonden kennis te wegen en toe te passen op de patiënt.  
 
Conclusie 
EBM‑docenten ervaren weerstand en onzekerheid bij huisartsen-in-opleiding rondom EBM en hun eigen wetenschappelijke vaardigheden. Zij proberen dit te doorbreken door een positieve, concrete visie op EBM‑attitude uit te dragen: door voorbeeldgedrag te tonen, de koppeling met de praktijk te benadrukken en angst weg te nemen.  

Anna-Marie  Leemeyer, Amsterdam UMC 

Rationale 
Duizeligheid is een veelvoorkomende klacht in de huisartsenpraktijk en kan voor patiënten erg belastend zijn. Hoewel huisartsen de grote meerderheid van patiënten met duizeligheid behandelen, is hun ‘diagnostisch gereedschapskist’ beperkt. Het beschikbare bewijs voor diagnostische tests is grotendeels gebaseerd op onderzoek uit de tweede of derde lijn. Tests voor de huisarts om benigne paroxismale positieduizeligheid (BPPD), de meest voorkomende oorzaak van perifere duizeligheid, aan te tonen/uit te sluiten zijn tot op heden niet systematisch onderzocht 
 
Doelstelling 
Het systematisch in kaart brengen van bewijs voor diagnostische tests bij patiënten met vermoedelijke BPPD in de huisartsenpraktijk.  
 
Methode 
Er werd gezocht in PubMed, Embase.com en Web of Science naar studies gepubliceerd tussen 1 januari 2010 tot en met 3 juni 2024. Onderzoek werd geïncludeerd indien diagnostische tests werden onderzocht bij volwassenen met duizeligheid waarbij BPPD werd vermoed. Daarnaast moesten de tests uitvoerbaar zijn in de eerste lijn. Momenteel beoordelen twee reviewers onafhankelijk van elkaar de methodologische kwaliteit van de gevonden studies met behulp van de Quality Assessment of Diagnostic Accuracy Studies (QUADAS-3).  
 
Resultaten 
Uit de voorlopige screening kwamen onderzoeken naar voren die diagnostische tests onderzochten. Deze onderzoeken beoordelen een reeks aan diagnostische tests, zoals anamnese, lichamelijk onderzoek, positietests en vragenlijsten die uitvoerbaar zijn in de huisartsenpraktijk. 
 
Conclusie 
Uit de voorlopige bevindingen blijkt dat er meerdere diagnostische tests voor BPPD toepasbaar zijn in de huisartsenpraktijk. Om te bepalen welke van deze tests diagnostische meerwaarde hebben in de eerste lijn, is een gedegen systematische beoordeling noodzakelijk. Deze systematische review identificeert de meest bruikbare diagnostische tests voor BPPD in de huisartsenpraktijk, om toekomstig onderzoek richting te geven en huisartsen te ondersteunen bij optimale diagnostiek van draaiduizeligheid. 

Daniëlle van Reijn, LUMC 

Rationale / Onderbouwing 
Chronische anale fissuren (CAF) zijn veelvoorkomende proctologische aandoeningen met aanzienlijke ziektelast. Schaamte en uitstelgedrag leiden vaak tot late hulpvraag. In de huisartsenpraktijk kunnen beperkte tijd en expertise de herkenning bemoeilijken. Vroege diagnose is belangrijk om klachten te verminderen en onnodige verwijzingen te voorkomen. Inzicht in de overeenstemming tussen verwijsdiagnoses en de tweede lijn kan bijdragen aan betere diagnostiek en doelmatigere zorg.  
 
Onderzoeksvraag 
In welke mate komt de door huisartsen gestelde verwijsdiagnose overeen met de definitieve diagnose chronische anale fissuur?  
 
Methode  
In een retrospectieve cohortstudie analyseerden we dossiers van volwassenen die tussen januari en juli 2025 werden verwezen naar drie gespecialiseerde proctologische klinieken, waar een CAF werd vastgesteld. De primaire uitkomst was de sensitiviteit van de verwijsdiagnose (met 95% BI). Secundaire uitkomsten waren alternatieve verwijsdiagnoses, duur van klachten en door patiënten gerapporteerde symptomen.  

Resultaten 
We includeerden 260 patiënten (gemiddelde leeftijd 42 jaar; 62,7% vrouw). Slechts 21,5% werd verwezen met uitsluitend de diagnose ‘anale fissuur’ (sensitiviteit 21,5%; 95% BI 16,5–26,5%). Bij het meenemen van gecombineerde verwijsdiagnoses steeg de sensitiviteit naar 36,2% (95% BI 30,3–41,9%). Hemorroïden waren de meest voorkomende alternatieve diagnose (32,7%). Bij 67% bestonden klachten langer dan een jaar. Anale pijn (85%) en bloedverlies (73,5%) waren de meest gerapporteerde symptomen; pijn werd het vaakst als meest hinderlijk ervaren (56%). 

Conclusie 
De lage overeenstemming tussen eerste‑ en tweedelijnsdiagnoses toont dat CAF vaak niet tijdig wordt herkend. Verbetering van proctologische kennis en diagnostische vaardigheden kan bijdragen aan eerdere herkenning, gerichtere behandeling en doelmatiger verwijzing.  

Simone van den Bulk, LUMC 

Rationale 
Een klinische beslisregel met high-sensitive troponine voor het uitsluiten van een acuut coronair syndroom in de huisartsenpraktijk (POB HELP): een geclusterde, gerandomiseerde, diagnostische studie 

Onderzoeksvraag 
Sluit een klinische beslisregel bestaande uit de Marburg Heart Score (MHS) en high-sensitive troponine I een acuut coronair syndroom (ACS) veilig uit bij patiënten met pijn op de borst in de huisartsenpraktijk, en leidt het tot minder verwijzingen?  
 
Methode 
Een geclusterde, gerandomiseerde diagnostische trial met 2:1-randomisatie (interventie:controle) in huisartsenpraktijken in drie regio’s in Nederland. Patiënten die zich presenteerde met acute pijn op de borst in de huisartsenpraktijk met enige verdenking op een ACS werden geïncludeerd. De interventiegroep paste de klinische beslisregel toe bestaande uit de MHS en een vingerprik high-sensitive troponine point-of-caretest. Primaire eindpunten waren de diagnostische kenmerken (sensitiviteit, specificiteit, negatieve voorspellende waarde (NPV) en positieve voorspellende waarde (PPV)) van de beslisregel zoals toegepast in de praktijk voor 1) ACS en 2) myocard infarct (MI). Verwijscijfers werden vergeleken tussen de interventie- en controlegroep.  

Resultaten 
In totaal werden 827 patiënten geïncludeerd: 740 in de interventiegroep en 87 in de controlegroep. De diagnostische kenmerken voor ACS waren: sensitiviteit 98,3% (95% BI 90,8–100%), specificiteit 49,1% (95% BI 45,3–52,9%), NPV 99,7% (95% BI 98,0–100%) en PPV 14,1% (95% BI 13,2–15,1%). Voor MI waren deze: sensitiviteit 100% (95% BI 92,6–100%), specificiteit 48,6% (95% BI 44,8–52,4%), NPV 100% (95% BI 89,9–100%) en PPV 11,9% (95% BI 11,1–12,7%). Er werd geen statistisch significant verschil gevonden in verwijscijfers tussen de interventie- en controlegroep (54,6% versus 47,1%, p = 0,18).  

Conclusies 
De klinische beslisregel, bestaande uit de MHS en een vingerprik high-sensitive point-of-caretest kan ACS en MI veilig uitsluiten bij patiënten met acute pijn op de borst in de huisartsenpraktijk. Er werd geen reductie in aantal verwijzingen gezien, maar de kleine controlegroep beperkt de mogelijkheid om hierover conclusies te trekken. 

Presentaties in zaal: Waalbrug C 

Marijn Borghouts, Maastricht University 

Rationale 
Urineweginfecties (UWI’s) behoren tot de meest voorkomende redenen voor contact met de huisarts in Nederland. Volgens de NHG-Standaard wordt bij verdenking op een UWI een urinestick verricht, maar meer dan de helft van deze uitslagen is inconclusief. Op de huisartsenpost (HAP) ontbreekt vaak tijd voor aanvullend onderzoek zoals een dipslide of kweek. Deze diagnostische onzekerheid kan leiden tot over- en onderbehandeling, met onnodige kosten, werkdruk, complicaties, en antimicrobiële resistentie als gevolg. Hoewel machine learning (ML)-modellen voor UWI-diagnostiek veelbelovend lijken, ontbreekt goede vergelijking met routine eerstelijnszorg.  

Onderzoeksvraag 
Wat is de aanvullende diagnostische waarde van een ML-model ten opzichte van de klinische beoordeling door de zorgverlener op de HAP?  

Methode 
318 patiënten met een verdenking op een UWI op de HAP werden geïncludeerd. Alle patiënten leverden een urinemonster in en vulden de Thuisarts-vragenlijst voor urineonderzoek in, daarna ontvingen ze standaardzorg. De kweekuitslag van de urinemonsters gold als gouden standaard. Een TabPFN-classificatiemodel werd getraind op de dipstickuitslagen en vragenlijstgegevens. Daarnaast werd een operationeel model ontwikkeld op basis van de NHG-Standaard Urineweginfecties. De diagnostische prestaties van beide modellen en de zorgverleners op de HAP werden vergeleken.  

Resultaten 
Het ML-model stelde vaker een correcte diagnose dan de huisarts (75% vs. 69%). Daarnaast verminderde het model de overbehandeling met 14 procentpunt, van 53% naar 39%, terwijl de onderbehandeling onveranderd bleef op 14%. Het richtlijnen-model komt sterk overeen met het ML-model (Cohen’s Kappa = 0.94).  

Conclusie 
Zowel het ML-model als het richtlijnen-model kan overbehandeling significant reduceren met slecht minimale toename van onderbehandeling. Echter moet verder onderzoek naar de klinische en maatschappelijke impact van vals-positieve en vals-negatieve UWI-diagnoses uitwijzen of deze modellen toegevoegde waarden hebben.

Ruben Bouma, UMCG 

Rationale 
Door verbeterde behandelingen, waaronder doelgerichte therapie en immuuntherapie, neemt de overleving bij patiënten met ongeneeslijke kanker toe, waardoor een groeiende populatie langdurig leeft met niet te genezen kanker. Over hun epidemiologie (incidentie, prevalentie) is weinig bekend, terwijl dit inzicht nodig is om deze patiënten passende zorg te blijven bieden. 

Onderzoeksvraag 
Wat zijn de trends in de jaarlijkse incidentie en prevalentie van patiënten die langdurig leven met ongeneeslijke kanker in Nederland (diagnosejaren 2000–2021)? 

Methode 
Een retrospectieve cohortstudie werd uitgevoerd met gegevens uit de Nederlandse Kankerregistratie. Volwassenen (≥18 jaar) met de novo gemetastaseerde solide tumoren, gediagnosticeerd in de periode 2000-2021, die ≥2 jaar na diagnose nog in leven waren, werden geïncludeerd. Jaarlijkse incidentie en prevalentie werden berekend, evenals demografische en tumorkenmerken. 

Resultaten 
De jaarlijkse incidentie van patiënten die langdurig leven met ongeneeslijke kanker nam toe van 1.298 (2000) tot 5.398 (2021). Dit komt overeen met een stijging van 12,1% naar 22,6% binnen alle ongeneeslijke kankerdiagnoses. In februari 2024 leefden in Nederland ten minste 18.466 patiënten langdurig met ongeneeslijke kanker (1 per 1.000 inwoners en 2,4 per huisartsenpraktijk). De gemiddelde leeftijd was 64 jaar (SD 12), 59,4% was man, en 55,8% (n=10.310) leefde 2–5 jaar na diagnose, 31,0% (n=5.721) 5–10 jaar en 13,2% (n=2.435) >10 jaar. De meest voorkomende tumorsoorten waren prostaatkanker (35,6%), longkanker (20,2%), borstkanker (14,4%) en colorectale kanker (6,3%). 

Conclusie 
De jaarlijkse incidentie van patiënten die langdurig leven met ongeneeslijke kanker nam substantieel toe tussen 2000 en 2021, wat wijst op langere overleving binnen de bredere populatie met ongeneeslijke kanker. Dit vertaalt zich in een prevalente populatie van >18.000 patiënten die langdurig leven met ongeneeslijke kanker in Nederland. Met circa 2,4 patiënten per huisartsenpraktijk is de rol van de huisarts essentieel en groeiend. Dit creëert kansen én uitdagingen voor de eerstelijnszorg, waarin huisartsen een centrale rol hebben in langdurige begeleiding en samenwerking met medisch specialisten. 

Noëlle Terpstra, Nivel 

Rationale 
Migraine is een veelvoorkomende neurologische aandoening die vaker voorkomt bij vrouwen dan bij mannen. Eerder (internationaal) onderzoek liet zien dat mensen met migraine geen of niet tijdig hulp zoeken. Er is weinig bekend over waarom mensen niet tijdig hulp zoeken, de ervaringen met het zoeken naar hulp en hoe mensen de zorg voor migraine ervaren.  

Onderzoeksvraag 
Hoe ervaren mensen met migraineklachten de migrainezorg in Nederland en welke verbetermogelijkheden zien zij?  
 
Methode 
Focusgroepen met mensen met migraineklachten zijn georganiseerd, waarbij gebruik werd gemaakt van een topiclijst. Vier hoofdthema’s vormden de leidraad: ervaringen met het zoeken naar informatie en professionele hulp, gebruik van zorg, vrouwspecifieke migrainezorg en de behoeften en mogelijke verbetermogelijkheden. Twee onderzoekers codeerden onafhankelijk van elkaar de transcripten deductief en analyseerden deze thematisch. Zes huisartsen en twee neurologen gespecialiseerd in hoofdpijn reflecteerden op onze bevindingen.  

Resultaten 
Negentien personen met migraineklachten namen deel, verspreid over drie focusgroepen, van wie zeventien vrouwen. Migraine werd niet altijd als zodanig herkend, zowel door de mensen met migraineklachten zelf niet als door de zorgverleners, mede door het ontbreken van goede, evidence-based en betrouwbare informatie over migraine en de behandelopties. Daardoor duurde het vinden van een passende behandeling soms lang. Deelnemers met migraineklachten ervaarden stigma rondom hun migraineklachten in hun sociale leven, op het werk en bij contact met zorgverleners. Kennis over hormonale invloeden bij vrouwen met migraine werd ook gemist door zowel de deelnemers met migraineklachten als de zorgverleners.  

Conclusie 
Onze bevindingen benadrukken de huidige hiaten in de Nederlandse migrainezorg, en onderstrepen de behoefte aan meer kennis en kwalitatief goede informatie over migraine. Meer begrip en kennis van migraine als aandoening kunnen bijdragen aan tijdige en passende zorg. Aanvullend onderzoek naar mannen en hun ervaringen met de migrainezorg is nodig. 

Hà Ngo, Amsterdam UMC 

Rationale 
Vestibulaire revalidatie is een effectieve oefentherapie voor diverse oorzaken van duizeligheid, die huisartsen nog maar zelden inzetten. Voorheen konden patiënten met duizeligheid vestibulaire revalidatie alleen volgen via de fysiotherapeut. Met het I-RECOVER onderzoek hebben wij Vertigo Training (VT), een online versie van vestibulaire revalidatie, landelijk geïmplementeerd, met als doel om de huisartsenzorg bij patiënten met duizeligheid te verbeteren.  

Onderzoeksvraag 
Hoe is de implementatie van VT verlopen wat betreft het gebruik en wat is het effect van VT op duizeligheidsklachten in de dagelijkse praktijk?  

Methode 
Wij voerden een prospectief observationeel cohortonderzoek uit met data van gebruikers van VT (periode 2023-2025). Personen kwamen in aanmerking voor VT wanneer zij langer dan één maand last hadden van duizeligheid, ongeacht de onderliggende diagnose. Wij registreerden het gebruik en karakteristieken van gebruikers middels een vrijwillige vragenlijst. Daarnaast onderzochten wij het effect van VT met de vertigo symptom scale-short form (VSS-SF) en karakteristieken geassocieerd met een succesvolle behandeling (reductie van ≥3 punten in VSS-SF score tussen aanvang en drie maanden).  

Resultaten 
In de observatieperiode maakten 8.305 personen gebruik van VT; 2.156 (26%) vulden de vrijwillige vragenlijst in. In totaal was 66% vrouw en de mediane leeftijd was 60 jaar. Onder gebruikers was de meest voorkomende zelfgerapporteerde diagnose benigne paroxysmale positieduizeligheid (BPPD), gevolgd door neuritis vestibularis. Bij aanvang was de mediane VSS-SF score 17; na drie maanden was deze 11. Van 247 gebruikers die de VSS-SF score zowel bij aanvang als na drie maanden hadden ingevuld, waren 155 (63%) succesvol behandeld. Een hogere VSS-SF score bij aanvang verhoogde de odds op succesvolle behandeling (odds ratio (OR) 1.1, 95%-betrouwbaarheidsinterval (BI) 1.1-1.2), alsook de diagnose BPPD (OR 2.5, 95%-BI 1.1-5.7). 

Conclusie 
VT had 8.305 gebruikers in de observatieperiode. Ook in de dagelijkse praktijk vermindert VT duizeligheidsklachten, vooral bij personen met een hoge VSS-SF score en personen met BPPD. 

Marieke  Bulsink, Instituut Verantwoord Medicijngebruik 

Rationale/onderbouwing 
Er zijn veel verschillende behandelmogelijkheden bij prikkelbaredarmsyndroom. Een deel van de patiënten wordt niet behandeld conform de NHG-Standaard Prikkelbaredarmsyndroom (2022).  
 
Onderzoeksvraag 
Wat is het effect van een FTO over prikkelbaredarmsyndroom op de houding en beleid van zorgverleners?  

Methode 
Vijftien FTO-groepen bespraken het onderwerp ‘prikkelbaredarmsyndroom’ (PDS) onder begeleiding van een IVM-adviseur. Gespreksonderwerpen waren (niet-)medicamenteuze behandelopties en het verwijsbeleid bij PDS-patiënten. Deelnemers vulden vooraf, direct na en 6 maanden na het FTO een digitale vragenlijst in over hun eigen houding en beleid en belemmeringen bij het volgen van specifieke geneesmiddeladviezen.  

Resultaten 
De vijftien FTO-groepen hadden in totaal 193 deelnemers (140 huisartsen en 33 apothekers). De deelnemers waren vooraf wisselend bekend met de wijzigingen ten aanzien van medicamenteuze behandelopties uit de NHG-Standaard PDS (2022). Bijna 75 procent van de deelnemers was niet bekend met de Keuzehulp PDS. Na het FTO waren deelnemers meer bereid de medicamenteuze adviezen uit de NHG-Standaard PDS (2022) te volgen en de Keuzehulp PDS te adviseren. De waarschijnlijkheid van voorschrijven, adviseren en afleveren van mebeverine daalde in gemiddeld rapportcijfer van 5,2 (voor het FTO) naar 1,8 (direct na het FTO). Voor pepermuntolie steeg deze waarschijnlijkheid van gemiddeld rapportcijfer 6,1 (voor het FTO) naar 7,8 (direct na het FTO). De waarschijnlijkheid dat respondenten de Keuzehulp PDS adviseren steeg in gemiddeld rapportcijfer van 3,1 (voor het FTO) naar 7,8 (direct na het FTO). Belemmeringen voor het adviseren of voorschrijven van pepermuntolie zijn vooral kosten. De kosten voor receptregelvergoeding bij het voorschrijven van zelfzorggeneesmiddelen op recept is een onterechte belemmering.  

Conclusie 
Een FTO draagt bij aan het optimaliseren van de behandeling van prikkelbaredarmsyndroom en bereidheid tot verbeteracties.  

Claudia  Laarman, Nivel 

Rationale 
Niet alle hulpvragen van burgers in de huisartsenpraktijk hoeven of kunnen met enkel (huisartsen)zorg beantwoord te worden. Een goede samenwerking tussen de huisartsenpraktijk en het sociaal domein is cruciaal om deze patiënten op een passende manier te ondersteunen. Naar aanleiding van afspraken die gemaakt zijn in het Integraal Zorg Akkoord (IZA) en de Visie Eerstelijnszorg 2030 monitort het Nivel de beweging naar een sterkere eerste lijn. Het perspectief van de huisartsenpraktijk op de samenwerking met het sociaal domein is hier een onderdeel van.  

Onderzoeksvraag  
Hoe ervaren huisartsenpraktijken de samenwerking met het sociaal domein?  

Methode  
Inzicht in het perspectief van huisartsenpraktijken op de samenwerking met het sociaal domein is verkregen via de Nivel huisartsenpraktijkenquête 2024 (respons: ruim 1.000 praktijken). Via deze praktijkenquête is naast de ervaring met de samenwerking (5-punt Likertschaal en mogelijke toelichting) de frequentie van verwijzen naar het sociaal domein en de achtergrondkenmerken van de praktijk verzameld. Associaties werden getoetst met een Chi-kwadraat toets; vrije tekst antwoorden zijn thematisch gecodeerd.  

Resultaten  
Van de huisartsenpraktijken ervaart 49% de samenwerking met het sociaal domein als (heel) goed. De frequentie van verwijzen is significant geassocieerd met deze positieve ervaring: praktijken die dagelijks of wekelijks verwijzen ervaren de samenwerking vaker als (heel) goed (53,3%) dan praktijken die maandelijks verwijzen (39,3%) en praktijken die niet tot enkele keren per jaar verwijzen (25,0%). Een duidelijk contactpersoon, fysieke nabijheid, en periodieke overlegmomenten werden benoemd als bevorderend voor de samenwerking. Daarentegen werden personeelswisselingen, onduidelijkheden over welke partij welke zorg of hulp aanbiedt, en slechte terugkoppeling als belemmerend ervaren.  
 
Conclusie 
Bijna de helft van de huisartsenpraktijken ervaart de samenwerking met het sociaal domein als positief. Het monitoren van deze ervaringen is van belang om met dit samenwerkingsverband proactief te kunnen bijdragen aan de knelpunten in de zorg- en welzijnssector. 

Petra  Elders, Amsterdam UMC 

Achtergrond 
Het NHG beveelt een hogere HbA1c-grenswaarde aan bij ouderen met type 2-diabetes (T2D) die hypoglykemie veroorzakende medicatie gebruiken. De OMED2-studie introduceerde in de eerstelijnszorg een ‘deprescribingprogramma’ (DPP) om dit proces te ondersteunen. De onderzoeksvraag: wat is het effect van dit programma op diabetesgerelateerde complicaties.  
 
Methoden 
Het betreft een cluster-gerandomiseerde studie met 2 jaar follow-up waarin het DPP-programma in de eerstelijnszorg werd vergeleken met standaardzorg bij mensen met T2DM. Het DPP bestond uit scholing en ondersteuning bij het afbouwen van medicatie bij ouderen (≥70 jaar) met een HbA1c <54 mmol/mol die sulfonylureumderivaten en/of insuline gebruikten. Geanonimiseerde zorgregistratiegegevens werden geanalyseerd. Met een Delphi-procedure werden ICPC-consultcodes uit het HIS vastgesteld die gerelateerd zouden kunnen zijn aan over- of onderbehandeling van T2DM, waarbij onderscheid werd gemaakt tussen complicaties door over- en onderbehandeling. Incidenties van deze codes in DPP- versus controlepraktijken werden vergeleken met een negatief binomiaal mixed model, gecorrigeerd voor huisartsenpraktijk, resulterend in incidentieratio’s (IRR). De non-inferioriteitsmarge was vastgesteld op een IRR van 1,1.  

Resultaten 
Analyses omvatten 527 patiënten uit 80 van de 86 deelnemende praktijken (DPP: n=276, 45% vrouw; controle: n=251, 43% vrouw). De uitval bedroeg 45 in de DPP-groep (47% overleden) en 41 in de controlegroep (49% overleden). Het aantal behandelingscomplicaties was 3% hoger in de DPP-groep (IRR=1,03; 95%-BI 0,82–1,30). Complicaties door onderbehandeling waren 5% hoger (IRR=1,05; 95%-BI 0,82–1,35) en door overbehandeling 1% hoger (IRR=1,01; 95%-BI 0,76–1,35).  

Conclusie 
Het DPP-programma resulteerde niet in verschillen in ICPC-codes ten opzichte van standaardzorg. De studie had echter onvoldoende power om non-inferioriteit van 10% aan te tonen. Op basis van deze resultaten kan daarom niet worden geconcludeerd dat afbouwen van medicatie bij een te laag HbA1c bij ouderen met T2DM even veilig is als standaardzorg. De volledige analyse en definitieve conclusie zullen tijdens de wetenschapsdag worden gepresenteerd. 

Presentaties in zaal: De oversteek  

Vernon  Smit, Orthopaedics & Sports Medicine 

Rationale / onderbouwing 
Knieklachten veroorzaakt door artrose komen frequent voor in de huisartsenpraktijk. Knieblessures, waaronder VKB-letsels, vergroten het risico op radiologische knieartrose. Patiënten vragen regelmatig naar hun langetermijnprognose na een VKB-letsel. Radiografische afwijkingen worden gebruikt om artrose vast te stellen, maar deze sluiten niet altijd aan bij de klachten en het functioneren van patiënten. Inzicht in het langetermijnbeloop van radiografische en symptomatische artrose na een geïsoleerde VKB-ruptuur kan huisartsen ondersteunen bij voorlichting en follow-up van deze patiënten.  

Onderzoeksvraag 
Wat is het langetermijnbeloop van radiografische en symptomatische knieartrose meer dan tien jaar na een geïsoleerde VKB-ruptuur?  

Methode 
Prospectieve follow-up studie van het KNALL-cohort. Patiënten met een geïsoleerde VKB-ruptuur, bevestigd met MRI en lichamelijk onderzoek, werden na meer dan tien jaar opnieuw onderzocht. Radiografische artrose werd gedefinieerd als Kellgren-Lawrence (KL) ≥2 op röntgenfoto’s van de knieën. Symptomatische artrose werd vastgesteld volgens de criteria van het American College of Rheumatology, waarbij radiografische afwijkingen werden gecombineerd met kniepijn en klinische kenmerken. Functionele uitkomsten werden gemeten met patiënt gerapporteerde vragenlijsten (KOOS, IKDC-SKF en Tegner Activity Scale).  
 
Resultaten 
Van de 154 oorspronkelijke deelnemers namen 109 deel aan de follow-up na een mediane follow-up van 11,5 jaar. Radiografische artrose werd vastgesteld bij 42% van de aangedane knieën en bij 8% van de contralaterale knieën. Symptomatische artrose kwam voor bij 9% van de aangedane knieën. De patiënt gerapporteerde uitkomsten bleven gedurende de follow-up stabiel.  
 
Conclusie 
Radiografische knieartrose komt frequent voor meer dan tien jaar na een geïsoleerde VKB-ruptuur, terwijl symptomatische artrose relatief zeldzaam is. Ondanks structurele veranderingen blijft de kniefunctie bij de meeste patiënten goed. Deze bevindingen tonen een discrepantie tussen radiografische afwijkingen en klinische klachten. 

Ilse van Es, Radboudumc 

Rationale 
Bij patiënten met musculoskeletale klachten vragen huisartsen regelmatig reumaserologie aan. In de NHG-Standaard Artritis staat echter vermeld dat er binnen de eerstelijnszorg geen plek is voor reumaserologie. 

Onderzoeksdoel 
Het in kaart brengen van 1) de omvang, variatie en determinanten van reumaserologie in de eerstelijnszorg; en 2) de perspectieven van huisartsen en patiënten op reumaserologie en de mogelijkheden tot reductie. 

Methode 
Dit onderzoek betreft een mixed-methods studie, bestaande uit een retrospectieve cohortstudie en focusgroepen met huisartsen en patiënten. Wij hebben eerstelijnsdata gebruikt van 91 huisartspraktijken, aangesloten bij het Radboudumc Family Medicine Network, vanaf januari 2015 t/m december 2024. Firth logistische regressie is toegepast om factoren geassocieerd met het aanvragen van reumaserologie te identificeren. De focusgroepen zijn inductief gecodeerd, waaruit thema’s gevormd zijn.  
 
Resultaten 
In totaal werden 18.925 reumaserologie bepalingen aangevraagd, variërend van 8 tot 953 aanvragen per praktijk. Gemiddeld betrof dit 10 (0–139) aanvragen per huisarts per jaar. Reumaserologie werd vaker aangevraagd bij vrouwen, patiënten ouder dan 30 jaar, patiënten met frequentere gewrichts- en bewegingsklachten en patiënten met andere comorbiditeiten. Op basis van de focusgroepen hebben we vier thema’s geformuleerd: (1) het inzetten van reumaserologie ter geruststelling van de patiënt kan voorkomen worden door consistente patiëntenvoorlichting; (2) huisartsen zijn geneigd reumaserologie aan te vragen vanwege diagnostische onzekerheid; (3) huisartsen verwachten dat het verwijderen van reumaserologie van het standaardaanvraagformulier kan bijdragen aan de vermindering van het aantal aanvragen; en (4) huisartsen achten kennisoverdracht, feedback en interdisciplinaire samenwerking essentieel voor de de-implementatie van reumaserologie.  

Conclusie 
Hoewel huisartsen aangeven dat hun redenen voor het aanvragen van reumaserologie doorgaans niet sterk onderbouwd zijn, worden er op basis van onze resultaten landelijk naar schatting nog steeds circa 90.000 reumaserologie bepalingen per jaar verricht. Feedback, scholing en/of beperking van de toegankelijkheid kunnen volgens huisartsen bijdragen aan het verminderen van niet-passende reumaserologie in de eerstelijnszorg. 

Pim van Oirschot, Radboudumc 

Rationale 
Huisartsendossiers zijn een waardevolle informatiebron voor wetenschappelijk onderzoek, waaronder bijvoorbeeld studies naar ziektepatronen of medicatiegebruik. Voordat de gegevens gebruikt mogen worden voor onderzoek dienen echter alle gevoelige persoonsgegevens verwijderd te worden. Hiervoor zijn verschillende algoritmes beschikbaar. De Carmenda Privacytool is een offline applicatie waarmee een pseudonimisatiealgoritme veilig en gebruiksvriendelijk aangeboden wordt aan datahouders. In deze samenwerking tussen de Academische werkplaatsen Sterker op Eigen Benen en Huisartsenzorg binnen de afdeling Eerstelijnsgeneeskunde van het Radboudumc onderzoeken we hoe het algoritme dat door Carmenda als optimaal wordt beschouwd voor het hergebruik van tekstuele rapportages in de gehandicaptenzorg presteert op huisartsendata. Huisartsendossiers van mensen met een verstandelijke beperking bevatten vaak gevoelige persoonsgegevens, zoals namen en zorglocaties, dus een goed werkend pseudonimisatie algoritme is voor deze doelgroep belangrijk. 

Onderzoeksvraag 
Welk algoritme is het meest geschikt om gevoelige persoonsgegevens uit huisartsendossiers te verwijderen? 

Methode 
We vergelijken vier algoritmes die ontwikkeld zijn om gevoelige persoonsgegevens uit Nederlandse tekstuele zorggegevens te verwijderen: het regelgebaseerde algorithme Deduce, de sequence Flair tagger Deidentify, de gespecialiseerde transformer RoBERTa van het DIAG data team en het geheugengebaseerde taalmodel FrogNLP. We passen deze algoritmes toe op circa 13,000 journaalregels van mensen met een verstandelijke beperking die zorg ontvingen binnen de zes huisartsenpraktijken die aangesloten zijn bij het FaMe-net netwerk. De mensen met een verstandelijke beperking zijn geïdentificeerd door middel van het voorkomen van de ICPC-code P85 voor mentale retardatie of van een identificerende term voor een verstandelijke beperking in één van de episodetitels in het huisartsendossier. 
 
Resultaten 
We presenteren de mate waarin de verschillende algoritmes verschillende gevoelige persoonsgegevens uit de huisartsendossiers kunnen verwijderen. 

Conclusie 
Het best scorende algoritme kan gebruikt worden om gevoelige persoonsgegevens uit huisartsendossiers te verwijderen en deze zo geschikt te maken voor secundair gebruik. 

Christiaan  Vinkers, Amsterdam UMC  

Rationale 
Langdurig gebruik van antidepressiva komt veel voor in de huisartsenpraktijk. Patiënten gebruiken medicatie langer dan nodig, zonder structurele herbeoordeling. Afbouwen kan complex zijn door onzekerheid bij patiënten en zorgverleners, beperkte consulttijd, onttrekkingsklachten en risico op terugval. Binnen het HARMONIE-project wordt daarom een hybride afbouwaanpak (combinatie van persoonlijke begeleiding en eHealth) geïmplementeerd.  

Onderzoeksvraag 
Hoe kan een hybride afbouwaanpak voor antidepressiva worden geïmplementeerd in de huisartsenpraktijk en welke praktische lessen levert dit op voor huisartsen en POH’s-GGZ?  

Methode 
De afbouwaanpak werd geïmplementeerd in achttien huisartsenpraktijken en geëvalueerd met het RE-AIM-framework. Patiënten met langdurig antidepressivagebruik werden geselecteerd op basis van minimale gebruiksduur, gescreend en uitgenodigd voor evaluatiegesprekken met de huisarts of POH-GGZ. Patiënten die wilden afbouwen kregen begeleiding via persoonlijke consulten, ondersteund door digitale modules. Psycho-educatie, klachtenmonitoring en een terugvalpreventieplan maakten onderdeel uit van het traject. Huisarts, POH-GGZ en apotheker werkten samen bij patiëntselectie, medicatiebeoordeling en begeleiding. Tijdens implementatie werden ervaringen verzameld via interviews, vragenlijsten en registratiegegevens, zoals aantal afbouwtrajecten, trajectduur en gebruik van eHealth.  

Resultaten 
Structurele evaluatie helpt patiënten met langdurig antidepressivagebruik te identificeren. Patiëntmotivatie om af te bouwen blijkt een uitdaging, waardoor extra aandacht voor motiverende gespreksvoering nodig is. Zorgverleners ervaren de combinatie van persoonlijke begeleiding en digitale ondersteuning als helpend bij het begeleiden van afbouw. Belangrijke implementatielessen zijn afstemming op behoeften van patiënt en zorgverleners door co-creatie, een duidelijke taakverdeling tussen huisarts, POH-GGZ en apotheker via werkafspraken, en een gerichte inzet van eHealth. Daarnaast blijkt een projectcoördinator binnen de praktijk (bijvoorbeeld de POH-GGZ) belangrijk om de werkwijze structureel te borgen.  

Conclusie 
Een hybride afbouwaanpak kan – met de nodige investeringen – praktisch worden geïmplementeerd in de huisartsenpraktijk wanneer deze aansluit bij bestaande werkprocessen in de huidige praktijk en wordt ondersteund door goede samenwerking tussen zorgverleners. Structurele evaluatie en gezamenlijke besluitvorming helpen onnodig langdurig antidepressivagebruik te voorkomen.  

Mark van der  Wel, Radboudumc 

Rationale 
Sommige patiënten hebben zowel lichamelijke, psychische en/of sociale problemen. Een deel van deze groep patiënten gebruikt aanzienlijk meer zorg dan gemiddeld. In de huisartsenzorg ontbreekt een methode om deze groep te identificeren. Identificatie kan helpen om complexe problematiek vroegtijdig te signaleren en hen passende zorg te bieden die mogelijk de belasting van de huisarts reduceert.  

Onderzoeksvraag 
In hoeverre kan een selectiemethode op basis van gegevens uit het huisarts informatie systeem (HIS) patiënten met problemen op meerdere levensdomeinen (PPMLD) betrouwbaar identificeren?  

Methode 
Beschrijvende, exploratieve studie in de huisartsenzorg met FaMeNet data (2020–2024). We onderzochten een identificatiemethode met twee filters: ≥ 3 problemen in ≥ 2 domeinen (somatisch, psychisch, sociaal) gecombineerd met hoog zorggebruik (≥ 2x de gemiddelde consultfrequentie per jaar). Huisartsen scoorden een randomselectie uit hun praktijk, en gaven per patiënt aan of zij deze als PPMLD zagen. Deze beoordeling werd vergeleken met patienten uit de selectie door de identificatiemethode (2×2 tabel). Daarnaast onderzochten we of patiënten die meerdere opeenvolgende jaren voldoen aan de criteria de herkenning verbeterde.  

Resultaten 
5 huisartsen beoordeelden een random selectie van elk 100 patienten uit hun eigen praktijk. In totaal werd 17,8% als PPMLD gescoord. Uit de vergelijking met de selectie via de identificatiemethode volgde een overeenstemming van 88%, een NVW van 59.1% en een PVW van 90.1%. Deze resultaten verbeterden niet voor patienten die meerdere opeenvolgende jaren voldeden aan de selectiecriteria.  

Conclusie 
De selectiemethode lijkt bruikbaar als screeningsinstrument om mogelijk relevante patiënten te selecteren. Een beoordeling van deze selectie door de eigen huisarts blijft wel nodig voor een betrouwbare eindselectie. Verdere verbetering lijkt -dankzij de huidige AI ontwikkelingen- mogelijk door aanvullende informatie uit de vrije tekst te benutten. 

Juul  Houwen, Radboudumc 

Rationale / Onderbouwing 
Binnen volwassenen met een lage sociaaleconomische status (SES) bestaan grote verschillen in gezondheidsuitkomsten, terwijl onderzoek zich vaak richt op verschillen tussen hoge en lage SES. Er is minder aandacht voor variatie binnen de lage SES-groep zelf. Individuele factoren kunnen mogelijk verklaren waarom sommige personen binnen deze populatie kwetsbaarder zijn dan anderen. Inzicht in deze factoren draagt bij aan een beter begrip van gezondheidsverschillen en biedt aanknopingspunten voor gerichte preventie en interventies.  

Onderzoeksvraag 
Welke individuele factoren beïnvloeden mortaliteit en ervaren gezondheid bij volwassenen met een lage sociaaleconomische status? 

Methode 
Er werd een systematische review uitgevoerd conform de PRISMA-richtlijnen. Vijf wetenschappelijke databanken werden doorzocht op longitudinale studies en systematische reviews gepubliceerd vanaf 2015. Studies kwamen in aanmerking indien zij volwassenen met een lage SES in de Europese Unie of het Verenigd Koninkrijk includeerden en mortaliteit of ervaren gezondheid onderzochten. Data-extractie en beoordeling van het risico op bias (Newcastle-Ottawa Scale) werden onafhankelijk uitgevoerd door twee onderzoekers.  

Resultaten (voorlopig) 
Van de 12.742 unieke artikelen voldeden tien longitudinale studies aan de inclusiecriteria (negen over mortaliteit, één over ervaren gezondheid). Drie domeinen van individuele factoren kwamen naar voren: leefstijl- en gedragsfactoren, psychologische factoren, cognitieve belasting. Gezonde leefstijlgedragingen correleerden over het algemeen met een lagere mortaliteit. Psychologische factoren, zoals depressie en vijandigheid, waren geassocieerd met een hogere mortaliteit. Resultaten met betrekking tot cognitieve belasting waren heterogeen. Deze bevindingen zijn voorlopig; verdere analyses en synthese zijn nog in uitvoering.  

Conclusie 
Het verband tussen gezonde leefstijl en betere gezondheidsuitkomsten zien we terug binnen de groep lage SES. De andere variabelen worden momenteel nader bestudeerd en zullen worden gepresenteerd de NHG-Wetenschapsdag.  

Anita  Dijksterhuis, Streekziekenhuis Koningin Beatrix 

Rationale 
We behandelen jaarlijks allemaal vele trigger fingers en vaak wordt gekozen voor een corticosteroïdinjectie als eerste behandeling. Toch was er tot op heden geen goede studie die de meest gebruikte middelen met elkaar vergelijkt. 

Onderzoeksvraag 
Kun je het beste KenacortA10, KenacortA40 of Depo-medrol gebruiken om een trigger finger te behandelen? 

Methode 
In deze triple-geblindeerde RCT werden 274 volwassenen met een trigger finger gerandomiseerd tussen een behandeling met triamcinolon acetonide 10 mg/mL (KenacortA10; n=71), triamcinolon acetonide 40 mg/mL (KenacortA40; n=87), of methylprednisolon acetaat 40 mg/mL (Depo-Medrol; n=88), allen 1 op 1 verdund met lidocaïne. 

Resultaten 
Conversie naar chirurgische release vond plaats in 40.8% van de KenacortA10-groep, 23.0% van de KenacortA40-groep en 30.7% van de Depo-Medrol-groep. In de KenacortA10-groep was vaker (57.7%) een aanvullende steroïdinjectie nodig dan in de KenacortA40-groep (41.4%) of Depo-Medrol-groep (42.0%). De MHQ-score verbeterde in alle groepen zonder significante onderlinge verschillen. Ook het (lage) aantal en de soort complicaties was vergelijkbaar. De medische kosten waren lager in de KenacortA40groep (€612), dan de Depo-medrol-groep (€667) of KenacortA10-groep (€761). 

Conclusie 
KenacortA40 is de meest duurzame, kosteneffectieve keuze voor de behandeling van trigger finger. 

Presentaties in zaal: Waalbrug C 

Suzanne Weijs-Schavemaker, in samenwerking met de Landelijk samenwerkingsverband Academische werkplaatsen

Op dit moment zijn we de Kennisagenda Huisartsgeneeskunde aan het afronden. Hoe maken we deze Kennisagenda écht dynamisch? In deze interactieve workshop verkennen we samen met de academische werkplaatsen hoe we kennisvragen uit de praktijk beter ophalen, delen en benutten. Denk mee over slimme implementatie, betrokkenheid en zichtbaarheid. Samen bouwen we aan een toekomstbestendige kennisinfrastructuur.

Laura  Vriese, Maastricht University 

Rationale 
In de huisartsenpraktijk worden dagelijks beslissingen genomen. Hoewel samen beslissen steeds meer aandacht krijgt, blijft expliciete waardenverheldering – bespreken wat voor de patiënt belangrijk is – vaak onderbelicht. Dit geldt vooral voor patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden, die meer moeite hebben met het vinden, begrijpen en toepassen van gezondheidsinformatie. Wanneer waarden onvoldoende worden verkend, bestaat het risico dat beslissingen minder goed aansluiten bij de context van de patiënt, met mogelijke gevolgen zoals behandelspijt en verminderde therapietrouw. Dit promotieonderzoek richt zich op het versterken van waardenverheldering als essentieel onderdeel van samen beslissen, met specifieke aandacht voor patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden. 
 
Onderzoeksvraag 
Hoe kan waardenverheldering vaker en beter plaatsvinden in huisartsconsulten met patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden, om zo samen beslissen te bevorderen?  

Methode 
Het onderzoek startte met een observationele studie naar huisartsconsulten, waarin weinig expliciete aandacht voor samen beslissen en waardenverheldering werd gevonden. Aanvullend werden interviews gehouden met huisartsen en patiënten om ervaringen en behoeften met/voor waardenverheldering te verkennen. Vervolgens werd een co-creatieproces doorlopen met patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden, huisartsen en experts. In iteratieve sessies werd stapsgewijs toegewerkt naar een passende interventie.  

Resultaten 
Verbetering bleek vooral mogelijk in de communicatie van huisartsen. Zij gaven aan behoefte te hebben aan praktische communicatietraining en concrete voorbeeldzinnen. Dit leidde tot de ontwikkeling van een praktijkgerichte NHG E-learning met direct toepasbare handvatten.  
 
Conclusie 
De nieuw ontwikkelde NHG E-learning ondersteunt huisartsen bij waardenverheldering en daarmee betere gezamenlijke besluitvorming. Vooral bij patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden kan deze E-learning praktische handvatten bieden voor de praktijk.  

Eva  Visser, LUMC 

Rationale 
De kennis over de ecologische impact van de eerstelijnszorg groeit gestaag. Desondanks blijft de implementatie van duurzame zorg in de spreekkamer achter. Een belangrijke route naar verduurzaming binnen de huisartsenpraktijk ligt in gedragsverandering van huisartsen zelf. Echter is onvoldoende bekend welke factoren deze gedragsverandering kunnen bevorderen. Hierin kunnen we leren van de voorlopers die al duurzame huisartsenzorg leveren: groene huisartsen. 
 
Onderzoeksvraag 
Wat waren bevorderende factoren voor groene huisartsen om hun gedrag in de spreekkamer te veranderen van minder duurzaam naar duurzamer? Methode: Deze studie onder groene huisartsen was drieledig: 1) een vragenlijst om groene gedragsveranderingen te identificeren, 2) semigestructureerde interviews om bevorderende factoren te identificeren voor groene gedragsverandering, en 3) focusgroepen om de gevonden bevorderende factoren te prioriteren op basis van hoe helpend en haalbaar deze zijn. Data werden verzameld tussen maart en juni 2025, en gecodeerd aan de hand van het Theoretical Domains Framework (TDF). Prioritering vond plaats aan de hand van de toolkit ‘Prioritizing Implementation Barriers’.  
 
Resultaten 
We ontvingen 24 ingevulde vragenlijsten, voerden 12 interviews en organiseerden twee focusgroepen met 4 en 5 deelnemers. Uit de analyse kwamen 29 actiegerichte bevorderende factoren verspreid over tien TDF-domeinen. Prioritering resulteerde in een cluster van zeer helpend en haalbaar gescoorde bevorderende factoren (alle scores boven de 2,3 op een 1-4 Likert scale). De hoogstgescoorde (3,9) haalbaarheidsfactor was: ‘start gemakkelijk, bouw het langzaam op’; de hoogste scores (4,0) voor hoe helpend een factor was betroffen: duurzame zorg als onderdeel van professionele identiteit, duurzaamheid in richtlijnen, kennis over duurzame zorg, en ondersteunende materialen voor patiënten.  

Conclusie 
We identificeerden 29 bevorderende factoren die huisartsen kunnen helpen om duurzamer te handelen in de spreekkamer, allen hoog scorend op hoe helpend en haalbaar ze waren. Deze bevorderende factoren kunnen andere (aankomend) huisartsen helpen op hun weg naar duurzame huisartsenzorg in de spreekkamer. 

Joost  Vanhommerig, Nivel 

Rationale 
Kwetsbaarheid bij ouderen in de huisartsenpraktijk voorspelt functionele achteruitgang, toename van zorggebruik en mortaliteit. Desondanks vindt proactieve identificatie en vastlegging van kwetsbaarheid door huisartsen weinig plaats en is het zelden gekoppeld aan advance care planning (ACP). Kwetsbaarheidsindexen (frailty index: FI) kunnen patiënten identificeren die het levenseinde naderen, maar hun associatie met ACP en registratie daarvan blijft onderbelicht.  

Onderzoeksvraag 
Wat is het verband tussen kwetsbaarheid en geregistreerde levenseindegesprekken (o.b.v. ICPC code A20 ‘gesprek over levenseinde/behandelwensen’) in het laatste levensjaar (o.b.v. ICPC code A96 ‘dood/overlijden’)?  
 
Methode 
Dit observationeel onderzoek is uitgevoerd met gegevens van Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn (2024) van 424 huisartsenpraktijken, bij n=484.810 patiënten van 65 jaar en ouder. Kwetsbaarheid werd geoperationaliseerd via een eerder (door Rockwood et al.) ontwikkelde FI-score o.b.v. multimorbiditeit en polyfarmacie en ingedeeld in de volgende groepen: niet kwetsbaar (FI <0,09), matig kwetsbaar (0,09-0,24) en kwetsbaar (≥0,25). Associaties tussen respectievelijk A20-registratie en éénjaarssterfte met leeftijd, geslacht, multimorbiditeit en FI-strata werden geanalyseerd met multivariabele logistische regressie.  
 
Resultaten 
Kwetsbare (n=33.395; 7%) en matig kwetsbare (n=188.016; 39%) patiënten hadden in 2024 respectievelijk een 5,4 en 2,7 keer hogere éénjaarssterfte t.o.v. niet-kwetsbare patiënten (n=263.399; 54%; P<0.001). Van de kwetsbare patiënten die binnen één jaar overleden had 44% een geregistreerd levenseinde/behandelwensengesprek gehad in het laatste levensjaar, bijna twee keer zo vaak als kwetsbare patiënten die >1 jaar leefden (24%).  

Conclusie 
Signalering van kwetsbaarheid op basis van ICPC registratie in het elektronisch patiëntendossier identificeert betrouwbaar kwetsbare ouderen met een verhoogde sterftekans en kan worden gebruikt bij het initiëren van ACP. Proactieve ACP-gesprekken kunnen gepersonaliseerde levenseindezorg verbeteren.  

Sofie  Jacobse, Erasmusmc 

Rationale 
Samen beslissen (SDM) is vooral onderzocht binnen behandel- en screeningscontexten. De diagnostische fase, die vaak gepaard gaat met onzekerheid, biedt echter belangrijke maar nog onderbelichte kansen voor SDM. Het is nog onduidelijk in hoeverre artsen bereid zijn SDM te gebruiken in het diagnostisch proces. 
 
Onderzoeksvraag 
Deze studie onderzocht de intenties van huisartsen in opleiding om SDM toe te passen bij diagnostische beslissingen en verkende hoe deze intenties samenhangen met werkervaringervaring, kennis, diagnostisch vertrouwen en onzekerheidstolerantie. Methode: Er werd een vignette-studie uitgevoerd onder 121 eerstejaars huisartsen in opleiding aan het Erasmus MC. Deelnemers beoordeelden zes klinische testcasussen met hoge equipoise (meerdere gelijkwaardige opties) en twee referentiecasussen met lage equipoise. Voor elke casus werd de intentie om SDM toe te passen gemeten met Likert-schaalitems die vier kernstappen van SDM weerspiegelden. Met lineaire mixed-effects modellen werden de verbanden onderzocht tussen SDM-intentie en eerdere werkervaring, casusspecifieke kennis, diagnostisch vertrouwen en scores op de Physicians’ Reactions to Uncertainty (PRU).  
 
Resultaten 
Deelnemers rapporteerden in alle testcasussen positieve intenties om SDM toe te passen (μ = 3,73/5). Een groter diagnostisch vertrouwen ging gepaard met een lagere SDM-intentie (β = -0,46, p < .001), terwijl meer werkervaring geassocieerd was met een hogere SDM-intentie (β = 0,13, p = .046). Casusspecifieke kennis en onzekerheidstolerantie lieten geen significante verbanden zien.  

Conclusie 
Aios staan positief tegenover het gebruik van SDM in casuïstiek over diagnostische beslissingen. Meer werkervaring en meer diagnostische onzekerheid zijn geassocieerd met een hogere SDM-intentie. Toekomstig onderzoek moet uitwijzen in hoeverre SDM in de praktijk ook daadwerkelijk wordt toegepast in diagnostische consulten. 

Aline  Westendorp, Amsterdam UMC 

Rationale 
De LIfestyle for BRAin Health (LIBRA) score, bruikbaar in een eerstelijnssetting, voorspelt het risico op dementie gebruikmakend van modificeerbare factoren. Voor een risicovoorspelling op maat, is het belangrijk om geslachtsverschillen in de werkzaamheid van de originele (LIBRA1) en herziene (LIBRA2) scores te identificeren. 

Onderzoeksvraag 
Wat zijn verschillen in de werkzaamheid van de LIBRA scores tussen mannen en vrouwen? 

Methode 
Uit de AGES-Reykjavik Studie, een prospectief cohortonderzoek uit IJsland, werden deelnemers zonder dementie op baseline geselecteerd. Met 11 van de 12 LIBRA1 en 13 van de 15 LIBRA2 factoren werden gewogen LIBRA1 en LIBRA2 somscores berekend. Incidentie van dementie werd vastgesteld door een multidisciplinair panel, gebruikmakend van onder andere cognitieve testen en beeldvorming, en daarnaast werden medische dossiers geraadpleegd gedurende een follow-up van maximaal 12 jaar. Cox regressie, gestratificeerd naar geslacht, werd gebruikt om de associatie tussen LIBRA1 en LIBRA2 en dementie te schatten en om de interactie tussen geslacht en LIBRA1 en LIBRA2 te bepalen. De werkzaamheid werd geëvalueerd met de Area Under the Curve (AUC). 

Resultaten 
De studiepopulatie bestond uit 5,343 mensen (58% vrouw) met een gemiddelde leeftijd op baseline van 76.6 jaar (SD=5.7). Tijdens een gemiddelde follow-up van 8.4 jaar (SD=3.4) kreeg 22.0% van de vrouwen en 18.6% van de mannen dementie. De werkzaamheid van LIBRA1 en LIBRA2 voor het voorspellen van het 10-jaarsrisico op dementie was vergelijkbaar tussen vrouwen (AUC=0.58 [95% CI: 0.55-0.61]) en mannen (AUC=0.57 [95% CI: 0.54-0.60]). Het toevoegen van leeftijd en opleidingsniveau resulteerde in een betere werkzaamheid voor vrouwen (AUC=0.77 [95% CI: 0.75-0.79]) en voor mannen (AUC=0.80 [95% CI: 0.77-0.82]). De interactie tussen geslacht en LIBRA1 en LIBRA2 was niet significant (p-waarden 0.46 en 0.51). 

Conclusie 
De werkzaamheid van LIBRA was slecht, maar er was geen significant geslachtsverschil. Door toevoeging van leeftijd en opleidingsniveau verbeterde de werkzaamheid van LIBRA aanzienlijk. 

Maroucha van den Berg, Amsterdam UMC  

Rationale 
Mensen met diabetes type 2 (T2D) hebben een verhoogd risico op hartfalen (HF), met name HF met behouden ejectiefractie (HFpEF). Linkerventrikel diastolische disfunctie (LVDD) betreft een verminderde ventrikelfunctie zonder symptomen, terwijl HFpEF wordt gekenmerkt door bijkomende klinische tekenen van congestie. HFpEF wordt vaak laat gediagnosticeerd, zelfs bij personen met een hoog risico. Vroegtijdige herkenning van HFpEF en LVDD bij T2D-patiënten is cruciaal progressie te beperken. 

Onderzoeksvraag 
Kunnen predictiemodellen HFpEF en LVDD voorspellen bij T2D-patiënten in eerstelijnszorg?  

Methoden 
In totaal ondergingen 844 T2D-patiënten zonder bekend HF uit het Dutch Diabetes Care System (DCS)-cohort tussen 2019 en 2022 een echocardiografie. Vijftien routinematig verzamelde klinische variabelen met betrekking tot demografische gegevens, medicatie, biomarkers en comorbiditeiten werden geëvalueerd als predictoren met behulp van een terugblikperiode van vijf jaar. Logistische regressie werd gebruikt voor HFpEF (ESC’21- en NHG’24-definities); multinomiale regressie voor LVDD (ASE/EACVI’25). De voorspellers werden geselecteerd door middel van backwards selection en interne validatie door middel van bootstrapping.  

Resultaten 
De prevalentie van HFpEF was 37% (ESC) en 12% (NHG); LVDD was aanwezig bij 71%. Predictoren voor beide HFpEF-modellen waren onder meer huidig/voormalig roken, vrouwelijk geslacht en hogere leeftijd. Belangrijke Predictoren voor LVDD waren onder meer vrouwelijk geslacht, voorgeschiedenis van myocardinfarct, hogere leeftijd en verhoogde systolische bloeddruk. De ESC-HFpEF- en NHG-HFpEF-modellen vertoonden een bescheiden discriminatie (AUC 0,70 [95%-BI: 0,66-0,74] en 0,73 [95%-BI: 0,68-0,78]) en een uitstekende kalibratie (Brier-scores 0,205 en 0,096), die na interne validatie gehandhaafd bleven. Het LVDD-model vertoonde een lagere discriminatie (AUC 0,68 voor normaal, 0,61 voor mild, 0,61 voor ernstig LVDD) en een goede kalibratie voor normale en ernstige, maar niet voor milde categorieën (totale Brier-score 0,208).  

Conclusie 
Bij T2D-patiënten in de eerstelijnszorg maken routinematig beschikbare klinische variabelen een bescheiden voorspelling mogelijk van HFpEF, maar niet van LVDD. Tevens bieden ze inzicht in de risicofactoren voor HFpEF bij deze populatie. 

Presentaties in zaal: De oversteek  

Mirjam  Deelen, LUMC 

Rationale 
Urineweginfecties (UWI’s) behoren wereldwijd tot de meest voorkomende bacteriële infecties en worden doorgaans behandeld met antibiotica. Paradoxaal genoeg kan antibioticagebruik het microbioom verstoren en mogelijk het risico op toekomstige infecties vergroten.  

Onderzoeksvraag 
Het doel van dit onderzoek was te bepalen of orale antibiotica geassocieerd zijn met een verhoogde incidentie van UWI’s bij volwassenen in het jaar na antibioticagebruik, vergeleken met het jaar ervoor, met stratificatie naar geslacht, leeftijd en antibioticumgroep.  

Methode 
De opzet was een self-controlled case series-design met gebruik van routinezorgdata uit het Extramuraal LUMC Academisch Netwerk (ELAN), dat elektronische patiëntendossiers bevat van circa één miljoen personen uit meer dan 140 huisartspraktijken in de regio’s Leiden en Den Haag. Volwassenen (≥ 18 jaar oud) met ten minste één UWI tussen 2015 en 2024 werden geïncludeerd. Met multilevel conditionele Poisson-regressie analyses werden incidentieratio’s (IRR’s) bepaald, waarbij de UWI-incidentie tijdens risicoperiodes (15-365, 15-90, 91-180, 181-365 dagen na antibioticagebruik) werd vergeleken met de controleperiode (365-15 dagen voor antibioticagebruik).  

Resultaten 
In totaal traden 206.428 UWI’s op bij 82.337 volwassenen (79,9% vrouwen). De IRR bedroeg 1,03 (95%-BI: 1,03-1,04) in de 365 dagen na antibioticagebruik en was het hoogst in de eerste 90 dagen (IRR: 1,30; 95%-BI: 1,39-1,31). In deze periode bedroeg de IRR 1,43 bij vrouwen ≤ 50 jaar oud (95%-BI: 1,41-1,45), 1,20 bij vrouwen > 50 jaar oud (95%-BI: 1,19-1,21), 1,92 bij mannen ≤ 50 jaar oud (95%-BI: 1,82-2,03), 1,68 bij mannen > 50 jaar oud (95%-BI; 1,65-1,71) en 1,41 voor β-lactamantibiotica (95%-BI: 1,39-1,43).  

Conclusie 
Orale antibiotica zijn geassocieerd met een verhoogde UWI-incidentie bij vrouwen en mannen, met name in de eerste 90 dagen na gebruik. Dit suggereert dat antibioticagebruik een risicofactor vormt voor UWI’s en onderstreept het belang van een afwachtend antibioticabeleid in de huisartspraktijk, bijvoorbeeld bij patiënten met ongecompliceerde UWI’s. 

Marieke  Perry, Radboudumc 

Rationale 
Dementiediagnostiek kan in Nederland volgens de richtlijnen plaatsvinden in de eerstelijn of op een geheugenpolikliniek. De PRIMED-studie (PRImary care vs. MEmory clinic Diagnostics) vergelijkt deze trajecten op patiëntrelevante uitkomstmaten, met dagelijks functioneren als primaire uitkomstmaat. De inclusie voor het onderzoek in huisartsenpraktijken verliep trager dan verwacht. ZonMw en de Radboudumc METC voorspelden inclusieproblemen omdat gedacht werd dat ouderen voorkeur voor de geheugenpolikliniek zouden hebben.  

Onderzoeksvraag 
Hoe vaak werden ouderen met geheugenklachten uitgenodigd voor deelname aan PRIMED, waarom weigerden zij deelname, en waarom nodigden zorgverleners (huisartsen, praktijkondersteuners) geschikte patiënten niet niet uit voor deelname?  

Methoden 
We voerden een retrospectieve, observationeel onderzoek uit binnen de PRIMED-studie. Twintig huisartsenpraktijken identificeerden patiënten vanaf 70 jaar met geheugenklachten (ICPC‑code P20) door in het huisartsinformatiesysteem (HIS) zes maanden terug te kijken (tussen juli 2023–maart 2024). Per patiënt werd beoordeeld of deze was uitgenodigd voor deelname en wat de reden was voor niet‑uitnodigen of weigeren. Deze beoordeling was gebaseerd op HIS‑notities en interpretaties van door zorgverleners gevoerde gesprekken met patiënt en/of naasten.  

Resultaten 
Van de 199 correct gecodeerde patiënten, voldeden 147 aan de inclusiecriteria van PRIMED, en werden er 43 uitgenodigd voor deelname. Uit deze groep namen 4 patiënten (9,3%) deel aan PRIMED, 15 (34,9%) verkozen eerstelijnsdiagnostiek, 14 (32,6%) wilden geen (vervolg)diagnostiek, 4 (9,3%) vonden deelname te belastend en 6 (14,0%) weigerden om andere of onduidelijke redenen. Van de 104 niet-uitgenodigde patiënten wensten volgens zorgverleners 72 (69,2%) geen diagnostiek, verkozen 7 (6,7%) eerstelijnsdiagnostiek, konden 18 (17,3%) nog worden benaderd voor PRIMED en waren de redenen bij 7 (6,7%) onduidelijk.  

Conclusie 
De meeste oudere patiënten met geheugenklachten verkiezen eerstelijnsdiagnostiek of geen diagnostiek, wat contrasteert met de academische focus op vroege diagnostiek in gespecialiseerde centra. 

Marjolein  Schoonakker, LUMC 

Rationale/onderbouwing 
Type 2 diabetes (T2D) is een chronische metabole aandoening waarbij optimale glykemische controle vaak moeilijk te bereiken is ondanks standaardzorg met leefstijladviezen en medicatie. Een vasten-nabootsend dieet (fasting-mimicking diet; FMD) is ontwikkeld om de metabole effecten van vasten te simuleren met beperkte voedselinname.  

Onderzoeksvraag 
Leidt een maandelijks 5-daags FMD, toegevoegd aan gebruikelijke zorg, tot verbetering van de glykemische controle bij patiënten met T2D die uitsluitend metformine en/of leefstijlaanpassingen gebruiken?  

Methode 
In deze gerandomiseerde, gecontroleerde studie met geblindeerde effectbeoordeling werden 100 patiënten met T2D uit de huisartspraktijk geïncludeerd. De interventiegroep (n = 51) volgde gedurende 12 maanden maandelijks 5 dagen een FMD naast gebruikelijke zorg; de controlegroep (n = 49) ontving alleen gebruikelijke zorg. Daarnaast werden focusgroepen gehouden en een modelgebaseerde kosteneffectiviteitsanalyse uitgevoerd.  

Resultaten  
53% van de deelnemers met FMD gebruikte minder medicatie en/of verbeterde het HbA1c (≥5 mmol/mol), tegenover 8% in de controlegroep. Lichaamsgewicht nam af met −3.6 kg (95% BI −5.2 tot −2.1) en levervet op MRI met −2.8% (95% BI −4.7 tot −0.8). Visceraal vet op MRI-doorsnede nam af met 37.9 cm² (95% BI −54.7 tot −21.0), subcutaan vet met 20.9 cm² (95% BI −34.5 tot −7.3) en spieroppervlakte met 1.6 cm² (95% BI −4.6 tot 1.4). Focusgroepgesprekken suggereerden dat het FMD-programma haalbaar was en kan fungeren als “teachable moment” voor bredere leefstijlveranderingen. Een kosten-baten analyse suggereert dat het programma mogelijk kosteneffectief is op lange termijn.  

Conclusie 
Een maandelijks FMD als aanvulling op gebruikelijke zorg verbetert glykemische controle, lichaamssamenstelling en vermindert levervet bij T2D en lijkt ook haalbaar en kosteneffectief op lange termijn.  

Mathé  Delissen, UMC Utrecht 

Rationale 
De Numeric Rating Scale (NRS; 0-10) was tot Oktober 2024 een vast onderdeel van de ingangsklacht pijn/druk thorax van de Nederlandse Triage Standaard (NTS).  
 
Onderzoeksvraag 
Is een eenmalige pijnscore zinvol bij de triage doordat deze goed correleert met een uiteindelijke diagnose van een acuut coronair syndroom (ACS) of andere potentieel levensbedreigende aandoeningen (pLBA)? 
 
Methode 
In een observationele studie met gegevens van 9 huisartsenposten werden 2.322 triagegesprekken van patiënten met pijn/druk op de borst geanalyseerd uit de periode 2014-2017. De patiënt-gerapporteerde en de triagist-geregistreerde pijnscores werden gekoppeld deze aan ACS/andere pLBA. 
 
Resultaten 
Gesprekken waar de pijnscore werd besproken met de patiënt duurden gemiddeld één minuut langer. Vrouwen hadden een hogere gemiddelde score dan mannen (6,6 (SD 1,8) vs. 6,0 (SD 2,0), p<0,001). Triagisten schatten de score zelf in zonder de patiënt te vragen in 35.0% van de gevallen en in 9.0% werd de patiënt-gerapporteerde score op- of afgeschaald. Een patiënt-gerapporteerde score >7 bleek bij vrouwen een voorspeller voor een ACS/andere pLBA (OR 2,14; 95% BI 1,12-4,06), maar niet bij mannen (OR 1,18; 95% BI 0,64-2,10). Ook de triagist-geregistreerde pijnscore was een voorspeller voor een ACS/andere pLBA (OR 2,02; 95% BI 1,17-3,41), maar niet bij mannen (OR 1,40; 95% BI 0,83-2,28). Echter in beide gevallen was sprake van een niet-significante interactieterm voor geslacht.  
 
Conclusie 
Er is een zwakke relatie tussen een hoge pijnscore en ACS/andere pLBA bij vrouwen, maar niet bij mannen. Daarnaast wordt pijnscore wordt vaak simpelweg geschat of aangepast. Dit maakt de NRS-pijnscore niet van toegevoegde waarde voor telefonische triage van pijn op de borst op de huisartsenpost. 

Kim van Bergen, Maastricht University 

Rationale 
Correcte en snel vindbare vastlegging van reanimatiewensen is essentieel om zorg te leveren in lijn met patiëntvoorkeuren. Door het NHG wordt geadviseerd deze wensen via ICPC-code A20 te registreren. Er is echter onvoldoende bekend over hoe reanimatiewensen in de praktijk daadwerkelijk worden geregistreerd en wat de kwaliteit en vindbaarheid is. 

Onderzoeksvraag 
In welke mate zijn reanimatiewensen van patiënten ≥ 65 jaar correct gedocumenteerd in het elektronisch patiëntendossier, waar worden deze wensen buiten ICPC-code A20 vastgelegd en in hoeverre kunnen AI-taalmodellen deze voorkeuren betrouwbaar identificeren?  

Methode 
Dit retrospectief, observationeel onderzoek gebruikt data uit het Research Network Family Medicine Maastricht (RNFM). Alle A20-episoden t/m oktober 2025 werden inhoudelijk beoordeeld en handmatig geclassificeerd om zowel het aandeel met reanimatiewensen te bepalen als de inhoud vast te stellen. In een tweede dataset werden 1.134 journaalregels uit de periode 1-3-2024 t/m 30-4-2024 beoordeeld op de aanwezigheid en inhoud van reanimatiewensen. Van journaalregels met reanimatiewensen is daarnaast vastgesteld onder welke ICPC-code deze zijn geregistreerd. Tot slot werd een AI-taalmodel getraind op gelabelde journaalregels om de aanwezigheid van een duidelijke reanimatiewens te voorspellen. Prestatie van het model werd beoordeeld met ROC-AUC.  

Resultaten 
31,8% van de A20-episoden had betrekking op reanimatiewensen; 97,7% van de episode titels was eenduidig. Van de journaalregels over reanimatiewensen bevatte 28,9% een duidelijke wens binnen een juist gedocumenteerde ICPC A20-episode, 49,2% een duidelijke wens buiten een A20-episode en 21,1% geen eenduidige reanimatiewens. Naast ICPC-categorie A20 waren wensen voornamelijk ondergebracht in chronische, cardiopulmonale en geriatrische categorieën. Het taalmodel presteerde goed (AUC 0,908; sensitiviteit 88,9%; specificiteit 83,9%).  

Conclusie 
Reanimatiewensen van ouderen worden in de huisartsenzorg frequent inconsistent vastgelegd en zijn niet betrouwbaar in het dossier vindbaar via ICPC-code A20 alleen. AI-taalmodellen kunnen vrije tekst effectief screenen en zo mogelijk huisartsen ondersteunen bij het identificeren en verbeteren van documentatie. 

Jelena  Slowig, Universiteit Maastricht 

Rationale 
Kwetsbare thuiswonende ouderen hebben vaak complexe zorgvragen die gecoördineerde samenwerking tussen eerstelijnsprofessionals vereisen. Huisartsenteams organiseren hiervoor multidisciplinaire overleggen (MDO’s). Het behouden van MDO’s blijkt uitdagend door wisselende teamleden, tijdsdruk en uiteenlopende verwachtingen en financieringsstromen. Het doel van deze studie was om samen met huisartsenteams en andere eerstelijnsprofessionals borgingsinterventies te ontwerpen die de duurzaamheid van MDO’s versterken.  

Onderzoeksvraag 
Hoe ontwikkelen eerstelijnsprofessionals borgingsinterventies voor hun MDO, en welke interventies worden hierbij ontworpen?  

Methode 
We voerden een participatief actieonderzoek uit met eerstelijnsprofessionals verbonden aan zeven MDO-teams. Participanten waren onder meer huisartsen, verpleegkundig specialisten, praktijkondersteuners huisartsen en wijkverpleegkundigen. Voorafgaand identificeerden we binnen elk van de deelnemende MDO’s bevorderende aspecten, belemmeringen en behoeften voor borging, gevolgd door een prioritering van deze behoeften. Voor de ontwikkeling van borgingsinterventies richtte elk MDO een eigen actiegroep op; in totaal kwamen de zeven actiegroepen 42 keer bijeen. Gegevens werden verzameld via observaties, veldnotities en notulen van alle vergaderingen en geanalyseerd middels inhoudsanalyse.  

Resultaten 
De resultaten richten zich op de ontworpen borgingsinterventies. Het ontwikkelproces werd gekenmerkt door iteratieve plan-do-check-act cycli. Elke actiegroep ontwikkelde een borgingsplan met verschillende interventies, die globaal in twee categorieën kunnen worden onderverdeeld: interventies gericht op het realiseren van randvoorwaarden voor borging en interventies gericht op het borgen van het proces, de inhoud of het team van het MDO zelf. Interventies voor het realiseren van randvoorwaarden omvatten onder andere het opzetten van digitale infrastructuren en werken volgens de wet AVG. Overige interventies waren gericht op het opzetten van netwerkkaarten en contactlijsten, uitbreiden van de teamsamenstelling, opstellen van werkafspraken en invoering van periodieke MDO-evaluaties. 

Conclusie 
De borgingsplannen werden beïnvloed door context specifieke behoeften zoals, beschikbare middelen, lokale dynamiek en persoonlijke voorkeuren. De borging van MDO’s blijkt een adaptief en iteratief proces, waarbij teams eerst de bestaande implementatiepraktijk evalueren en aanpassen voordat concrete borgingsinterventies worden ontworpen. 

Elise  Boersma-van Dam, Nivel 

Rationale 
Sociaaleconomische positie (SEP) is een sterke voorspeller van gezondheidsuitkomsten en zorggebruik. Ook in Nederland rapporteren mensen met een lage SEP vaker een slechtere gezondheid en een hogere prevalentie van chronische aandoeningen. Om het zorggebruik in de eerstelijnszorg te monitoren, verzamelt Nivel Zorgregistraties onder andere routinegegevens uit een steekproef van circa tien procent van alle Nederlandse huisartsenpraktijken. De representativiteit van deze steekproef wat betreft SEP is essentieel voor accurate nationale schattingen.  

Onderzoeksvraag 
In hoeverre zijn patiënten in huisartsenpraktijken binnen Nivel Zorgregistraties een goede afspiegeling van de Nederlandse bevolking qua SEP? En welke verschillen in zorggebruik in de huisartsendagpraktijk en op de huisartsenspoedposten bestaan er tussen SEP-groepen? 
 
Methode 
In dit retrospectieve observationele onderzoek zijn gegevens van circa 1,8 miljoen patiënten uit huisartsenpraktijken en bijna twee miljoen patiënten van huisartsenspoedposten uit 2024 gebruikt. Deze gegevens zijn gekoppeld aan sociaaleconomische indicatoren uit CBS-microdata, waaronder huishoudinkomen en opleidingsniveau. Representativiteit van de dagzorgpopulatie werd beoordeeld door vergelijking met de Nederlandse bevolking. Verschillen in zorggebruik en morbiditeit tussen SEP-groepen in de dagzorg en spoedposten zijn geanalyseerd met multilevel regressiemodellen.  

Resultaten 
Eerste analyses laten zien dat de ingeschreven populatie bij deelnemende huisartsenpraktijken in Nivel Zorgregistraties een goede afspiegeling vormt van de Nederlandse bevolking wat betreft inkomen, vermogen, financiële welvaart, opleidingsniveau en sociaaleconomische categorie. Verschillen in zorggebruik en morbiditeitspatronen tussen SEP-groepen in dagzorg en op huisartsenspoedposten worden gepresenteerd op de NHG-Wetenschapsdag.  
 

Conclusie 
De populatie in de deelnemende huisartsenpraktijken binnen Nivel Zorgregistraties vormt een goede afspiegeling van de Nederlandse bevolking op het gebied van SEP. Hierdoor zijn de gegevens goed bruikbaar voor onderzoek naar sociaaleconomische verschillen in zorggebruik in de huisartsenzorg. 

Keizer Traianus 

Presentatie van Critically Appraised Topics (CATs) 

Julia de Bruijn, Amsterdam 

In de huisartsenpraktijk komt vooral milde tot matige chronische nierschade (CNS) voor. Hoewel SGLT2-remmers effectief zijn bij diabetes, hartfalen en gevorderde CNS, is onduidelijk of zij ook zinvol zijn bij patiënten met milde tot matige CNS zonder diabetes of hartfalen. De vraag is of SGLT2-remmers progressie van nierschade kunnen vertragen in deze eerstelijnspopulatie. 

Uitgangsvraag/PICO 

Is behandeling met een SGLT2-remmer(I) bij patiënten met een verhoogd risico op CNS zonder andere indicatie voor een SGLT-2 remmer(P) aan te bevelen ter vertraging van progressie van nierfunctieverlies(O) ten opzichte van placebo(C)? 

Zoekstrategie 

Een zoekactie identificeerde geen trial die exclusief patiënten zonder DMII én zonder hartfalen includeerde. Uiteindelijk werd één goede meta-analyse (SMART-C) geïncludeerd, met 70.100 patiënten, waarvan circa 1500 met milde of matige CNS zonder diabetes.  

Resultaten 
SGLT2-remmers vertraagden de eGFR-daling met 1,16–1,46 ml/min/jaar. Belangrijk is dat dit een surrogaatuitkomst betreft, waarvan de klinische relevantie onzeker is. SGLT2-remmers gaven geen significante reductie in het voorkomen van gevorderde nierziekte bij milde of matige CNS. 

De bewijskracht is laag door kleine subgroep omvang, korte follow-up en onduidelijkheid over het aantal patiënten met hartfalen in deze subgroep. 

Conclusie: er is geen overtuigend bewijs dat SGLT2-remmers progressie van milde of matige CNS zonder diabetes klinisch relevant vertragen. Hoewel de eGFR-daling iets wordt afgeremd, is onbekend of dit leidt tot minder nierfalen op de lange termijn. SGLT2-remmers hebben daarom geen plaats in de huisartsenpraktijk voor deze patiëntengroep. 

Dolly Haselager, Leiden 

Bacteriële vaginose wordt gekenmerkt door een veranderde samenstelling van de vaginale flora, waarbij het aantal lactobacillen afneemt en het aantal anaerobe bacteriën toeneemt, met als gevolg een onaangenaam ruikende afscheiding (1). Recidieven komen regelmatig voor en voor sommige vrouwen is de impact op de kwaliteit van leven aanzienlijk (2-6). Deze CAT onderzoekt of de behandeling van mannelijke partners (interventie), aanvullend op de standaardtherapie voor vrouwen met bacteriële vaginose (populatie), de effectiviteit van de behandeling verbetert en het risico op recidief vermindert (uitkomst) in vergelijking met standaardtherapie alleen (controle). Aan de hand van een systematische literatuursearch werden een Cochrane-systematische review en meta-analyse uit 2016 en twee gerandomiseerde gecontroleerde trials uit 2021 en 2025 geselecteerd (7-9). De review vond geen verschil in klinisch meetbare of symptomatische verbetering na de vierde week (bewijs van hoge kwaliteit) en ook geen verschil in het risico op recidieven (bewijs van lage kwaliteit) (7). De trial uit 2021, waarbij mannelijke partners behandeld werden met oraal metronidazol, liet geen effect zien op het optreden van therapiefalen, gedefinieerd als het optreden van een recidief na 16 weken (8). De trial uit 2025, waarbij mannelijke partners behandeld werden met zowel oraal metronidazol als lokaal clindamycine op de penis, vond wel een significant lager recidiefrisico na 12 weken (9). Op basis van de huidige evidence lijkt het redelijk om partnerbehandeling niet routinematig toe te passen, maar wel te overwegen bij patiënten met recidiverende hinderlijke klachten. Als er besloten wordt tot behandeling, dan lijkt het zinvol om mannelijke partners zowel oraal als lokaal te behandelen. 

Willemijn Ruijs, Nijmegen 

Vraagstelling 
Een patiënte met een ingegroeide teennagel wenste een nagelextractie om van haar klachten af te komen, wat in de praktijk op verschillende manieren wordt uitgevoerd. Geeft het uitvoeren van een partiële nagelextractie (PNA) met gebruik van phenol bij een unguis incarnatus minder recidieven in vergelijking met een PNA zonder gebruik van phenol? 

Zoekstrategie 
Op 09-10-2025 werd in Pubmed gezocht met zoektermen zoals ‘ingrown toenail’ AND ‘phenol’ AND ‘recurrence’. Van de 25 artikelen van de afgelopen 10 jaar, werd gekozen voor het meest relevante artikel van Bano et. al. [2]. Het artikel van Shajil et. al. werd gebruikt ter aanvulling op de onderzoeksvraag [3]. Resultaten: Het artikel van Bano et. al. vond een lager recidiefpercentage in de phenol groep (1.43%) in vergelijking met de groep zonder phenol gebruik (10.0%, p=0.029) na een PNA [2]. Het artikel van Shajil et. al. vond geen verschil in recidiefpercentage bij het uitvoeren van een chemische dan wel een chirurgische matricectomie na een PNA [3]. 

Bespreking 
De artikelen werden beoordeeld middels de cochrane checklist RCT. Beide artikelen hadden zowel positieve als negatieve punten. Waarbij beide artikelen de kleine onderzoekspopulatie en de ‘single center’ als punt van kritiek kregen. Ondanks de kritiek, werden beide artikelen meegenomen. 

Conclusie 
Het uitvoeren van een PNA gevolgd door chemische matricectomie met phenol geeft een lager recidiefpercentage dan zonder chemische matricectomie. Hierbij maakt het geen verschil in recidiefpercentage of gebruik wordt gemaakt van chemische dan wel chirurgische matricectomie. 

Workshop in zaal: Waalbrug A 

Vakgroep Huisartsgeneeskunde Radboudumc 

AI schuift de spreekkamer binnen. Tegelijkertijd schuift AI ook het onderzoeksveld binnen: als belofte, als methode, maar vooral als vraagstuk waar de huisartsgeneeskunde zelf richting aan moet geven. Want kan AI daadwerkelijk zorgen voor minder zoekwerk, meer overzicht en betere ondersteuning bij complexe beslissingen? 

In deze interactieve sessie onderzoeken we wat AI kan betekenen voor de huisartsenzorg, voorbij de hype. We gebruiken een Large Language Model om een patiëntendossier te analyseren. Dat klinkt eenvoudig: laat AI de relevante voorgeschiedenis uit het HIS halen vóór het consult. Maar juist daar beginnen de moeilijke vragen. Wat is relevante informatie? Wanneer is een antwoord van een taalmodel betrouwbaar? Hoe toets je of AI niets belangrijks mist? En hoe voorkom je dat een overtuigend antwoord te snel als waarheid wordt gezien? 

Deelnemers gaan zelf aan de slag met een patiëntendossier en vergelijken hun klinische blik met die van een taalmodel. Wat klopt, wat ontbreekt, wat schuurt? Vanuit die ervaring bespreken we wat nodig is om AI verantwoord te ontwikkelen, te toetsen en te gebruiken, zonder de professionele regie te verliezen. 

Je verlaat de workshop met een realistischer beeld van AI én concrete handvatten om kritisch mee te kunnen denken over AI-toepassingen in de huisartsenzorg. 

Terug naar het hele programma