U bent hier

Aspecifieke lagerugpijn

Cluster: 
L. Bewegingsapparaat
Status: 
Actueel - 2017

M54

Aspecifieke lagerugpijn M54 (Actualisering februari 2017: herzien t.o.v. de versie van 2005 )

Richtlijnen diagnostiekNaar de tekst van de NHG-Standaard

Verwijs met spoed bij vermoeden van:

  • ruptuur van een aneurysma aorta abdominalis: leeftijd > 40 jaar, acuut hevige pijn onafhankelijk van bewegen of houding, voorgeschiedenis met aneurysma aorta abdominalis, aanwijzingen voor bedreigde circulatie, afwezige of zwakke pulsaties aa. femorales.
  • cauda-equinasyndroom: (uni- of bilaterale) motorische of sensibele uitval (rijbroekanesthesie), hevige radiculaire pijn, urineretentie, incontinentie voor urine en/of feces, recente ingreep aan de rug.

Bij uitstraling in een been en voor het maken van een onderscheid tussen radiculaire en niet-radiculaire pijn, zie de NHG-Standaard Lumbosacraal radiculair syndroom.

AnamneseNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Duur, wijze van ontstaan (voorafgaand trauma?) en beloop van de klachten.
  • Lokalisatie, uitstraling, aard en intensiteit van de pijn.
  • Invloed van rust, beweging en houding op de klachten.
  • Mate van belemmering in het dagelijks functioneren.
  • Relatie van de klachten met de arbeidssituatie; contact met de bedrijfsarts.
  • Voorgeschiedenis: eerdere episodes met lagerugpijn, het beloop en de behandeling; maligniteit; recente ingreep aan de lumbale wervelkolom (zoals operatie of lumbaalpunctie).
  • Zelfzorg en behandeling tot nu toe.
  • Ideeën over het ontstaan en voortbestaan van de klachten.
  • Zorgen, ongerustheid, specifieke vragen en verwachtingen van de patiënt.

Vraag naar klachten die op een specifieke oorzaak kunnen wijzen bij hevige pijn, een maligniteit in de voorgeschiedenis, een recente ingreep aan de wervelkolom en/of bij een onverklaarbaar langdurig of progressief beloop (zie [tabel 1]).

Ga na of er factoren zijn die mogelijk een rol spelen bij een chronisch beloop van de klachten (herstelbelemmerende factoren) bij een klachtenduur van tenminste drie weken of bij frequent recidiveren, zoals:

  • in toenemende mate ervaren van functionele beperkingen;
  • angst voor pijn en letsel bij bewegen, vermijdingsgedrag;
  • fixatie op een mogelijk ernstige lichamelijke afwijking als verklaring van de klachten;
  • veelvuldige behandelingen zonder effect of met veel neveneffecten;
  • werkverzuim of werkloosheid, lage werktevredenheid.

Lichamelijk onderzoekNaar de tekst van de NHG-Standaard

Onderzoek de mate van bewegingsbeperking, lokaliseer de pijn en let op ernstige houdingsafwijkingen.

Aanvullend onderzoekNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Bij aspecifieke lagerugpijn wordt beeldvormende diagnostiek of laboratoriumonderzoek niet aanbevolen.
  • Bij vermoeden wervelfractuur: röntgendiagnostiek van thoracale en/of lumbale wervelkolom.
  • Bij vermoeden metastase van prostaatcarcinoom: zie de NHG-Standaard Mictieklachten bij mannen.

EvaluatieNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Stel vast of er een vermoeden is van een specifieke oorzaak van de rugpijn, zie hoofdtekst [tabel 1].
  • Stel de diagnose aspecifieke lagerugpijn bij pijn in het gebied tussen de onderste ribben en de bilplooien indien een specifieke oorzaak onwaarschijnlijk is.

Richtlijnen beleid Naar de tekst van de NHG-Standaard

Niet-medicamenteuze behandelingNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Het beleid is gericht op het bevorderen van bewegen en het oppakken of continueren van activiteiten. Leidraad voor de behandeling is onderstaand stappenplan.
  • Ga bij onvoldoende verbetering van het functioneren over naar de volgende stap.
  • Houd bij de keuze voor de behandeling en de snelheid van het doorlopen van het stappenplan rekening met de duur en ernst van de klachten, de reactie op eerdere behandelingen, de motivatie van de patiënt en de aanwezigheid van herstelbelemmerende factoren.
  • Bij onvoldoende resultaat: zie de NHG-Standaarden Pijn en SOLK.

StapToelichting
1.Voorlichting en advies
  • Aspecifieke lagerugpijn gaat meestal vanzelf binnen een aantal weken over. Adviseer in beweging te blijven en door te gaan met de dagelijkse activiteiten voor zover de klachten dit toelaten. Bewegen veroorzaakt geen schade.
  • Beeldvormende diagnostiek is niet zinvol. Er is geen relatie tussen eventueel op de foto zichtbare afwijkingen met ervaren klachten en de eventuele bevindingen hebben geen therapeutische consequenties.
  • Leg bij chronische klachten uit dat de nadruk bij de behandeling ligt op het omgaan met de klachten en het dagelijks functioneren en niet op het verdwijnen van de pijn.
2. Opbouw van activiteiten
(klachtenduur ca. 3-4 weken)
Overweeg een tijdcontingente aanpak indien de klachten binnen circa drie tot vier weken onvoldoende zijn verbeterd. Zie hoofdtekst [kader].
3. Oefentherapie
(klachtenduur ca. 6 weken)
Een activerende en tijdcontingente aanpak door een fysio- of oefentherapeut heeft de voorkeur.
4. Gedragsmatige behandeling
(klachtenduur ca. 12 weken)
Verwijs naar een psychosomatisch fysio- of oefentherapeut voor cognitief-gedragstherapeutische behandeling gericht op verhoging van het activiteitenniveau, verandering van disfunctionele gedachten en het aanleren van copingvaardigheden.
5. Multidisciplinaire revalidatieVerwijs naar een gespecialiseerd behandel-/revalidatiecentrum bij chronische klachten, indien de patiënt nog niet is teruggekeerd in het arbeidsproces, een hoge ziektelast heeft en psychosociale factoren de klachten vermoedelijk in stand houden.

Medicamenteuze behandelingNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Schrijf alleen analgetica voor ter ondersteuning van het activerende beleid (zie NHG-Standaard Pijn).

ControlesNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Instrueer de patiënt terug te komen bij sterke toename van pijn of disfunctioneren, bij aanhoudende ernstige pijn (na één week), na start van een nieuwe behandeling en niet (verder) verbeteren van het disfunctioneren (na drie weken).
  • Blijf alert op aanwijzingen voor een specifieke oorzaak van de klachten (zie hoofdtekst [tabel 1]).
  • Ga bij onvoldoende verbetering na of er herstelbelemmerende factoren zijn (zie Anamnese).

Consultatie/verwijzingNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Verwijs bij vermoeden van een specifieke oorzaak naar:
    • internist-oncoloog of orthopedisch chirurg (binnen één week): patiënten met een maligniteit in de voorgeschiedenis en (een niet-bekende en onbegrepen) rugpijn of bij vermoeden van een metastase zonder bekende maligniteit.
    • reumatoloog: vermoeden van axiale spondyloartritis.
    • orthopedisch chirurg: vermoeden van een andere specifieke oorzaak (bij vermoeden lumbosacraal radiculair syndroom: zie NHG-Standaard Lumbosacraal radiculair syndroom).
  • Verwijs bij aspecifieke lagerugpijn conform het stappenplan naar fysio- of oefentherapeut, gedragsmatig therapeut of een centrum voor multidisciplinaire revalidatie.
  • Verwijs bij werkgerelateerde klachten of (dreigend) arbeidsverzuim naar de bedrijfsarts.