De parallelsessie bestaat uit presentaties en workshops. Op het evenement zelf kies je voor iedere ronde naar welke zaal je gaat. Bekijk hieronder alvast welke onderwerpen er zijn.
Elke ronde zijn ook 2 verschillende workshops te volgen, maar let op: het aantal plaatsen hiervoor is beperkt.
Parallelsessie 3 duurt van 14:45 tot 15:55 uur.
Presentaties in zaal: Auditorium
Jasmijn Mulder, Radboudumc
Rationale
Centra Seksueel Geweld (CSG’s) bieden acute multidisciplinaire zorg na seksueel geweld. Veel slachtoffers houden echter langdurige psychische en lichamelijke klachten en komen daardoor in contact met de huisarts. Inzicht in hoe slachtoffers de CSG-zorg op langere termijn ervaren kan zorgverleners, waaronder huisartsen, helpen hen beter te ondersteunen in hun herstel.
Onderzoeksvraag
Hoe tevreden zijn slachtoffers met de zorg van het CSG op langere termijn? Welke factoren zijn geassocieerd met deze tevredenheid? Zijn er specifieke groepen met een verhoogd risico op ontevredenheid?
Methode
In deze retrospectieve mixed-method studie werden volwassen slachtoffers geïncludeerd die het CSG Gelderland-Zuid en -Midden bezochten. Deelnemers vulden een vragenlijst in over gezondheid en ervaringen met zorg en politie, inclusief de Client Satisfaction Questionnaire (CSQ-8), EQ-5D-3L en Trauma Screening Questionnaire (TSQ). Analyse omvatte stapsgewijze regressieanalyse, clusteranalyse en thematische analyse van open antwoorden.
Resultaten
De algehele tevredenheid was hoog. De mate van tevredenheid hing samen met negatieve ervaringen met de politie, ervaren gezondheid en een formele PTSS-diagnose. Drie profielen van slachtoffers werden geïdentificeerd via cluster analyse: 1. De minst tevreden groep met slechte gezondheid, actuele PTSS-klachten en vaak pre-existente psychiatrische problematiek 2. Een matig tevreden groep met negatieve ervaringen met de politie, waarbij zij zich ontmoedigd voelden om aangifte te doen. 3. De meest tevreden groep met de beste gezondheidsuitkomsten, maar die aangaf behoefte te hebben aan langere nazorg.
Conclusie
Een hogere tevredenheid kan gerealiseerd worden door een betere samenwerking tussen CSG, huisarts en de GGZ, ondersteuning tijdens het aangifte proces en betere continuïteit van zorg. De variatie in gezondheid en nazorgbehoeften tussen slachtoffers benadrukt de rol van de huisarts als aanspreekpunt in het herstel na seksueel geweld.
Merijn Rijk, UMC Utrecht
Rationale
Lage luchtweginfecties (LLWI) komen veel voor en verhogen het relatieve risico op verschillende acute hart- en vaatziekten (HVZ) tot wel vijf keer. Hoe groot deze kans in absolute zin is, en dus de omvang van dit probleem, is echter onbekend.
Onderzoeksvraag
Wat is het toegenomen absolute risico op acute HVZ binnen 90 dagen t.g.v. een LLWI in de huisartspraktijk bij volwassenen van ≥40 jaar?
Methode
Retrospectieve cohortstudie met data van het Julius Huisartsen Netwerk (Utrecht) van patiënten van ≥40 jaar die tussen 2016–2019 een LLWI doormaakten. Allereerst werd de incidentie van arteriële HVZ (myocardinfarct, CVA, TIA), veneuze HVZ (longembolie, diep veneuze trombose) en nieuw ontstaan atriumfibrilleren binnen 90 dagen na LLWI in kaart gebracht. Vervolgens werd met een ‘self-controlled case-series’ de relatieve toename in incidentie van deze uitkomsten na een LLWI berekend, waarmee tenslotte het absolute toegenomen risico op acute HVZ werd geschat.
Resultaten
11065 patiënten met 16497 LLWI werden geïncludeerd. De incidentie binnen 90 dagen na LLWI-diagnose per 1000 patiënten bedroeg 4,2 (95% BI 3,3–5,3) voor arteriële HVZ, 2,7 (1,9–3,6) voor veneuze HVZ en 6,6 (5,4–8,1) voor nieuw ontstaan atriumfibrilleren. De incidentieratio binnen 90 dagen na LLWI bedroeg 1,3 (1,0–1,8) voor arteriële HVZ, 6,8 (4,4–10,4) voor veneuze HVZ en 2,9 (2,3–3,7) voor nieuw ontstaan atriumfibrilleren. Per 1000 patiënten met een LLWI waren 0,5–1,1 extra arteriële HVZ, 2,1–3,0 extra veneuze HVZ en 2,3–4,4 extra atriumfibrilleren diagnoses toe te schrijven aan een LLWI.
Conclusie
Het toegenomen risico op acute HVZ door een LLWI leidt tot 5 tot 9 extra acute HVZ per 1000 LLWI patiënten van ≥40 jaar. Dit onderstreept het belang van voorlichtingscampagnes om de uptake van vaccinaties uit het RVP tegen de belangrijkste verwekkers van LLWI te verhogen en geeft aanleiding tot het onderzoeken van mogelijke preventieve interventies.
Lisa Powaga, UMC Utrecht
Rationale
De NHG-richtlijn Urineweginfecties adviseert samen beslissen (SB) bij gezonde, niet-zwangere vrouwen met een blaasontsteking. SB is passende zorg, maar lukt vaak nog onvoldoende in de huisartsenpraktijk door zowel factoren van patiënten, als van zorgverleners.
Onderzoeksvraag
Hoe co-creëer je een effectieve implementatiestrategie voor SB bij de behandeling van blaasontsteking bij gezonde, niet-zwangere vrouwen, inclusief vrouwen met beperkte gezondheidsvaardigheden (BGV)?
Methode
Participatief actie-onderzoek waarin gezonde, niet-zwangere vrouwen mét en zonder BGV, zorgverleners, onderzoekers en andere relevante stakeholders een implementatiestrategie ontwikkelden in drie iteratieve ontwikkelfasen: 1) verkennen van bevorderende en belemmerende factoren in focusgroepen, 2) co-creatie van de implementatiestrategie inclusief benodigde hulpmiddelen, en 3) doorontwikkeling van de implementatiestrategie op basis van pilot-bevindingen.
Resultaten
Vanuit de focusgroepen brachten we randvoorwaarden in tijdens de co-creatiesessies, waarin vervolgens de contouren van de implementatiestrategie werden ontworpen. Daarbij ging het om: kennis over SB én hoe dit toe te passen in de praktijk, duidelijke uitleg over behandelopties, begrijpelijke en toegankelijke informatie in de vorm van video’s of folders, en verheldering van de rol van de doktersassistent binnen de huisartsgeneeskundige zorg. In een iteratief co-creatieproces ontwikkelden stakeholders twee animatievideo’s en een folder met een keuzekaart in beeld. Deze hulpmiddelen werden getest op begrijpelijkheid door vrouwen die moeite hebben met lezen en schrijven, en op basis van hun feedback werden aanpassingen aangebracht. Daarnaast werden aanvullende scholingscomponenten voor zorgverleners ontwikkeld, gericht op zowel achtergrondkennis over SB als op het gebruik van de hulpmiddelen in de praktijk. Feedback uit de eerste pilotpraktijken zal zo nodig leiden tot verdere verfijningen van de implementatiestrategie.
Conclusie
In co-creatie met patiënten, zorgverleners, onderzoekers en andere relevante stakeholders werd een implementatiestrategie ontwikkeld om samen beslissen bij de behandeling van blaasontsteking bij alle gezonde, niet zwangere vrouwen te ondersteunen. De pilotfase zal inzicht geven in de toepasbaarheid van de strategie en eventuele benodigde verfijningen.
Tessa Akkermans, Universiteit Maastricht
Rationale
Patiënten in Nederland hebben toegang tot hun medische dossiers, waaronder radiologieverslagen. Door complexe medische terminologie zijn deze verslagen echter vaak moeilijk te begrijpen. Dit kan leiden tot onzekerheid bij patiënten en extra vragen aan de huisarts, wat kan leiden tot een verhoogde werkdruk. Taalmodellen, een vorm van AI, kunnen mogelijk bijdragen aan patiëntgerichte communicatie door patiëntvriendelijke samenvattingen van radiologieverslagen te genereren en deze daarnaast te classificeren in betekenisvolle categorieën die de klinische interpretatie verder structureren.
Onderzoeksvraag
Kan een groot taalmodel patiëntvriendelijke samenvattingen genereren van Nederlandstalige X-thoraxverslagen en deze classificeren in klinisch betekenisvolle categorieën?
Methode
In deze retrospectieve single-center studie werden 1.096 Nederlandstalige X-thorax verslagen (2023–2024) van het Maastricht Universitair Medisch Centrum+ (MUMC+) geanalyseerd. Een prompt-gebaseerd taalmodel (MedGemma 27B) en een gefinetunede versie (MedGemma 27B met adapter) classificeerden de verslagen in vijf categorieën: afwijking, pre-existente afwijking, follow-up, verwijzing en overweging voor de huisarts. Classificatieprestaties werden geëvalueerd met standaard prestatiematen en de modellen werden vergeleken met de McNemar-toets. De gegenereerde samenvattingen werden beoordeeld door twee radiologen met een 5-punts Likertschaal voor accuraatheid en compleetheid. De interbeoordelaarsbetrouwbaarheid werd berekend met gewogen Cohen’s kappa.
Resultaten
Het prompt-gebaseerde model behaalde accuratessewaarden tussen 0,72 en 0,98 bij het toewijzen van de vijf categorieën. Finetunen verbeterde de prestaties voor de meeste categorieën, met een accuratesse tot 1,00 en F1-scores tot 0,97. De McNemar-toets toonde significante verschillen tussen de modellen voor de meeste categorieën (p < 0,001), behalve voor verwijzing. De patiëntvriendelijke samenvattingen behaalden gemiddelde scores van 4,86 voor compleetheid en 4,02 voor accuraatheid, met een gewogen kappa van respectievelijk 0,57 en 0,88. Hallucinaties kwamen voor in 29,2% van de samenvattingen.
Conclusie
De door het taalmodel gegenereerde samenvattingen van X-thoraxverslagen hadden een hoge, door experts beoordeelde kwaliteit, hoewel hallucinaties veel voorkwamen. Classificatie met de taalmodellen was accuraat en verbeterde na finetunen.
Jelle Keuper, Nivel
Rationale/onderbouwing
De Nederlandse huisartsenzorg is overbelast. Veel huisartsenpraktijken ervaren een hoge werkdruk en heeft patiëntenstops moeten invoeren. Vooral administratieve lasten blijven toenemen. Nieuwe digitale zorgtoepassingen, zoals kunstmatige intelligentie (AI), kunnen hier (gedeeltelijk) verandering in brengen, maar onbekend is nog op welke schaal dit gebruikt wordt.
Onderzoeksvragen
Wat is het gebruik van, en de behoefte aan AI-ondersteunde digitale zorg in de huisartsenpraktijk in 2025? Wat zijn belangrijke redenen om dit niet in te zetten? Welke belemmeringen worden ervaren bij de implementatie ervan?
Methode
Vanaf 2024 wordt in de jaarlijkse Nivel Huisartsenpraktijkenquête aan huisartsenpraktijken gevraagd welke AI-ondersteunde digitale zorgtoepassingen zij gebruiken en wat de behoefte hieraan is. In 2025 is ook uitgevraagd waarom praktijken hier geen behoefte aan hebben, en welke belemmeringen ervoor zorgen dat dit (nog) niet gebruikt wordt.
Resultaten
Het percentage huisartsenpraktijken dat AI-ondersteunde digitale zorg inzet is in 2025 ten opzichte van 2024 gestegen, met name bij spraakgestuurde rapportage. Een derde tot de helft van de praktijken heeft behoefte aan verschillende AI-ondersteunde zorgtoepassingen, met name bij preventie van zorg of bij triage. Praktijken die hier geen behoefte aan hebben geven aan dat het nog onvoldoende betrouwbaar is en dat het de zorg onpersoonlijker maakt. Belemmeringen zijn dat AI-toepassingen nog niet bekend zijn, dat de kwaliteit nog niet optimaal wordt bevonden en dat het niet goed geïntegreerd is met het HIS.
Conclusie
De inzet van AI-ondersteunde digitale zorg in huisartsenpraktijken is in het afgelopen jaar gestegen, vooral bij spraakgestuurde rapportage, en veel praktijken hebben behoefte aan meer inzet van enkele specifieke AI-ondersteunde toepassingen. Vervolgonderzoek zal inzichtelijk moeten maken hoe AI-ondersteunde digitale zorgtoepassingen kunnen bijdragen aan een oplossing voor de toenemende druk op de huisartsenzorg.
Sophie Thomas, UMC Utrecht
Rationale
De NHG-richtlijn Urineweginfecties adviseert samen beslissen (SB) bij gezonde, niet-zwangere vrouwen met een blaasontsteking. Er zijn drie behandelopties: direct antibiotica, afwachten met een uitgesteld antibioticumvoorschrift of afwachten zonder antibioticumvoorschrift. SB wordt hierbij echter zelden toegepast. Zorgverleners in huisartsenpraktijken geven aan dat zij vooral moeite ervaren met het toepassen van SB bij vrouwen met beperkte gezondheidsvaardigheden (BGV).
Onderzoeksvraag
Welke factoren zijn van invloed op het toepassen van SB bij de behandeling van blaasontsteking in de huisartsenpraktijk bij gezonde, niet-zwangere vrouwen met BGV?
Methode
We deden een kwalitatieve studie met 3 focusgroepen: 2 met huisartsen en doktersassistenten en 1 met vrouwen met BGV. De topiclijsten waren gebaseerd op het Consolidated Framework for Implementation Research (CFIR). De transcripties werden geanalyseerd met behulp van reflectieve thematische analyse en framework-analyse.
Resultaten
We vonden 5 factoren voor patiënten en zorgverleners die van invloed zijn op het toepassen van SB bij de behandeling van blaasontsteking: (i) kennisbehoeften over de diverse behandelopties én SB zelf; (ii) erkenning van het belang van SB en bereidheid om de verschillende behandelopties te bespreken binnen de huidige zorgprocessen, (iii) verwachtingen en percepties over de voorkeur voor direct antibiotica bij vrouwen met BGV; (iv) vertrouwen tussen patiënten en doktersassistenten en tussen zorgverleners onderling; (v) effectief communiceren van de diverse behandelopties én uitdagingen in het herkennen van BGV en het daarop aanpassen van de communicatie.
Conclusie
Om SB en geïnformeerde keuze bij blaasontsteking beter toe te passen, zijn een werkwijze die aansluit bij bestaande zorgprocessen, het versterken van vertrouwen en het bieden van begrijpelijke informatie essentieel.
Sabine de Jong-Holthuijsen, LUMC
Rationale
Jaarlijks breken 17.500 personen van 65 jaar en ouder in Nederland een heup. Vanwege het hoge risico op nieuwe fracturen is secundaire fractuurpreventie, waaronder medicamenteuze behandeling van osteoporose, aanbevolen in de huidige richtlijn. In de praktijk krijgen veel patiënten echter geen medicatie voorgeschreven.
Onderzoeksvraag
Welke factoren beïnvloeden het beslisproces van patiënten en zorgverleners bij het starten van osteoporosemedicatie na een heupfractuur op latere leeftijd?
Methode
Kwalitatieve interviews onder patiënten met een heupfractuur en zorgverleners betrokken bij deze patiëntengroep, werkzaam in de eerste en tweede lijn. Geluidsopnamen van de interviews werden getranscribeerd en inductief gecodeerd volgens het proces van thematische analyse, waarbij thema’s en overkoepelende concepten werden geïdentificeerd.
Voorlopige resultaten
Kwalitatieve interviews met 13 patiënten en 11 zorgverleners (o.a. werkzaam binnen huisartsgeneeskunde en ouderengeneeskunde). Twee hoofdthema’s en vijf sub thema’s werden gevonden. Inhoudelijk wegen patiënt en zorgverlener af of ze medicamenteuze behandeling van osteoporose zinvol vinden. Behandeling wordt als zinvol beschouwd wanneer zij bijdraagt aan het beschermen van kernwaarden zoals toekomstige gezondheid en kwaliteit van leven. Factoren als diagnostische zekerheid, geschatte levensverwachting en valrisico zijn daarbij bepalend. (Hoofdthema I). De bredere context van de patiënt beïnvloedt zowel de vorm als de timing van het beslisproces. De prioriteit van osteoporosebehandeling wordt mede bepaald door de aanwezigheid van co-morbiditeit en fractuurherstel. De mate van patiëntbetrokkenheid in het beslisproces varieert en wordt beïnvloed door ervaren urgentie en de praktische haalbaarheid van behandeling. (Hoofdthema II).
Conclusie
Patiënten en zorgverleners doorlopen ieder een eigen beslisproces waarin onderliggende kernwaarden richtinggevend zijn voor zowel vorm als inhoud van dit proces. Zorgverleners maken op individueel patiëntniveau een afweging over de verwachte meerwaarde van osteoporosebehandeling na een heupfractuur, en of ze behandeling bespreken. De visie van patiënten weegt in beperkte mate mee in de beoordeling van zinvolheid en soort behandeling, maar patiënten beslissen wel mee of behandeling gestart wordt.
Presentaties in zaal: Snelbinder (Engels)
Malou Crasborn, LUMC
Rationale
Sinds 2018 wordt teleconsultatie op grote schaal toegepast in de regio Den Haag, tevens worden meekijkconsulten toegepast bij verschillende specialismen. Er is echter nog beperkt bewijs beschikbaar over de ervaringen van zorgprofessionals met deze consultatiemodellen. Daarnaast is er weinig bekend over factoren die de integratie ervan in de routinematige klinische praktijk beïnvloeden, of over de klinische contexten waarin zij het meest passend kunnen worden toegepast.
Doel
Deze studie had als doel om de ervaringen van zorgprofessionals met (asynchrone) teleconsultatie en (synchrone) meekijkconsulten in de eerste- en tweedelijn te verkennen en de ervaren barrières en bevorderende factoren voor het gebruik ervan in de klinische praktijk in kaart te brengen.
Methode
Semigestructureerde interviews met huisartsen en specialisten o.b.v. CFIR. Systematische analyse van implementatiebarrières en -bevorderende factoren met deductieve en inductieve benadering, gevolgd door thematische analyse waarbij patronen werden geïdentificeerd, conceptuele categorieën werden ontwikkeld en deze werden samengebracht in overkoepelende thema’s en themagebieden Teleconsultatie werd door zorgprofessionals gewaardeerd, i.v.m. verbetering van kwaliteit, efficiëntie, flexibiliteit en de toegang tot zorg en de algehele zorgervaring voor patiënten. Barrières waren variatie in gebruik, onduidelijke verwachtingen, gebrek aan dialoog en beperkte interoperabiliteit van IT-systemen.
Resultaten
Meekijkconsulten werden gewaardeerd vanwege hun interactieve en educatieve karakter, dat interprofessionele relaties versterkte en bijdroegen aan het leveren van de juiste zorg op de juiste plaats. Opschaling werd echter als uitdagend beschouwd vanwege volume-eisen, tijdsinefficiëntie en organisatorische beperkingen.
Conclusie
Teleconsulten en meekijkconsulten werden door zorgprofessionals gewaardeerd als instrumenten die de continuïteit en kwaliteit van zorg ondersteunen. Ze vervullen verschillende maar complementaire rollen bij het overbruggen van de kloof tussen de 1e en 2e lijn. Duurzame implementatie werd echter belemmerd door organisatorische, technische, financiële en bestuurlijke barrières, evenals beperkte interoperabiliteit en het ontbreken van gedeeld klinisch eigenaarschap. Aanpakken van deze barrières is essentieel om schaalbaar en routinematig gebruik mogelijk te maken.
Jesse van den Berg, Amsterdam UMC
Rationale
Aanhoudende klachten na COVID-19 vormen een belangrijk gezondheidsprobleem, vooral bij ouderen die een hoger risico op ernstige COVID‑19 en sterfte hebben. De prevalentie van deze klachten bij personen van 70 jaar of ouder zijn echter nog onvoldoende bekend, net als potentieel geassocieerde risicofactoren. Inzicht hierin is van belang voor gerichte zorg en preventieve strategieën.
Onderzoeksvraag
Hoe vaak komen post‑COVID‑symptomen voor bij Nederlandse ouderen (≥ 70 jaar) en welke demografische en klinische factoren zijn geassocieerd met het optreden van deze aanhoudende symptomen?
Methode
We voerden een retrospectieve cohortstudie uit. Data van personen met een bevestigde SARS-CoV-2-infectie tussen januari 2020 en december 2021 werden verzameld uit eerstelijns routinezorgdata in het PHARMO Data Network. Daarnaast vulden deelnemers ten minste 12 maanden na infectie een uitgebreide vragenlijst in. Potentiële risicofactoren werden geëxtraheerd, waaronder demografische kenmerken, kwetsbaarheidsindicatoren en comorbiditeiten. Met multivariabele logistische regressieanalyse onderzochten we de associaties tussen potentiële risicofactoren en de uitkomstmaat, gedefinieerd als het hebben van ≥2 post-COVID-symptomen.
Resultaten
In totaal namen 563 deelnemers uit 14 huisartsenpraktijken deel aan deze studie. Na een mediane follow-up van 27 maanden (IQR 18–33) rapporteerden 139 (25%) deelnemers ≥1 symptoom en 113 (20%) ≥2 symptomen. De meest voorkomende klachten waren vermoeidheid (28%), verminderde inspanningsintolerantie (26%) en dyspneu (23%). Ziekenhuisopname wegens acute COVID-19 was de sterkst geassocieerde factor (gecorrigeerde oddsratio (aOR) 7,59; 95%-BI 3,58–16,1). Andere onafhankelijke risicofactoren waren roken (OR 2,19; 95%-BI 1,01–4,76) en een lager opleidingsniveau (OR 1,91; 95%-BI 1,07–3,39). Van de acht onderzochte comorbiditeiten bleef alleen diabetes mellitus significant geassocieerd na correctie (aOR 1,92; 95%-BI 1,04–3,56).
Conclusie
In dit eerstelijnscohort van ouderen rapporteerde 25% aanhoudende post-COVID-symptomen, voornamelijk vermoeidheid, inspanningsgerelateerde klachten en dyspneu. Ernstige COVID-19, diabetes mellitus, roken en een lager opleidingsniveau verhoogden de kans op aanhoudende klachten na COVID-19. Dit benadrukt het belang van gerichte monitoring en op maat gemaakte interventies voor deze kwetsbare populatie.
Lex Groot, Amsterdam UMC
Rationale
Persoonlijke continuïteit (een huisarts die de patiënt kent en volgt) is een belangrijke pijler van de huisartsgeneeskunde. Door parttime werken, meer wisselende waarneming en toenemende zorgvraag staat deze continuïteit steeds meer onder druk. Daarom ontwikkelden wij TOOL-kit, een multicomponent interventie met 34 aanpasbare strategieën waarmee praktijken een praktijkverbeterplan opstellen voor het verbeteren van persoonlijke continuïteit bij oudere patiënten (≥65 jaar) in hun praktijk. TOOL-kit werd geëvalueerd in een gerandomiseerde trial, waar er geen significant effect werd gemeten op door patiënten ervaren persoonlijke continuïteit.
Onderzoeksvraag
In welke mate is TOOL-kit geïmplementeerd in de deelnemende huisartsenpraktijken en welke contextuele factoren beïnvloedden deze implementatie?
Methode
Parallel aan de effect-trial voerden wij een mixed-methods procesevaluatie uit van augustus 2020 tot april 2022. Dataverzameling ging middels driemaandelijkse vragenlijsten en in totaal 93 interviews met huisartsen en praktijkmedewerkers (n=221) uit 32 praktijken. We evalueerden protocoltrouw en de mate van uitvoering van verbeterplannen. Barrières en facilitators werden geanalyseerd op het niveau van de interventie, praktijkmedewerker, praktijkorganisatie en sociaal-politiek niveau.
Resultaten
TOOL-kit protocol werd door 72% (23/32) praktijken gevolgd. In 53% (17/32) van de praktijken werd TOOL-kit in (zeer) lage mate uitgevoerd. Gemiddeld werd 55% van de doelen uit het praktijkverbeterplan bereikt. Na 24 maanden benoemden 59% (19/32) praktijken dat zij nog steeds positieve effecten van de interventie bemerkten op persoonlijke continuïteit. Hoge werkdruk en personeelstekorten, versterkt door de COVID-19-pandemie, belemmerden de implementatie. Gestructureerde kwaliteitsverbetering en besluitvorming faciliteerden toepassing van TOOL-kit.
Conclusie
Ons onderzoek laat zien dat een interventie op praktijkniveau kan bijdragen aan persoonlijke continuïteit. In een tijd van hoge werkdruk en personele schaarste blijkt de implementatie van een complexe interventie om continuïteit te verbeteren in huisartsenpraktijken vooral gebaat bij bewustwording, gestructureerde besluitvorming en een organisatiecultuur gericht op kwaliteitsverbetering, ondersteund door een stabiel en volledig team.
Lieven de Zwart, Radboudumc
Rationale
Veel patiënten met COPD hebben baat hebben bij interprofessionele samenwerking (IPS) tussen zorgprofessionals in de eerste lijn. Met behulp van speltheorie is het mogelijk om samenwerkingspatronen tussen patiënten en zorgverleners en tussen zorgverleners onderling te identificeren, die van invloed zijn op succesvol samenwerken.
Onderzoeksvraag
Welke spelpatronen zijn zichtbaar bij IPS tussen een patiënt met COPD en de betrokken zorgverleners, en wat zijn hun ervaringen met IPS.
Methode
Semigestructureerde interviews vonden plaats bij zorgverleners en COPD-patiënten na drie maanden IPS. De interviews bevatten vragen over de ervaringen met IPS en vragen naar de samenwerking. Kenmerken binnen één samenwerkingsverband werden geanalyseerd uitgaande van bekende patronen uit de speltheorie, waarbij getrianguleerd werd op basis van meerdere samenwerkingsparticipanten en onderzoekers. In een tweede analyseronde werd dit uitgeschreven en gevisualiseerd, waarna er werd gekeken of er overkoepelende overeenkomsten tussen de samenwerkingen zichtbaar waren.
Resultaten
Elf interviews werden geanalyseerd van drie samenwerkingsverbanden. Zowel patiënt als de zorgverleners zijn overwegend positief over IPS en het nut hiervan. In alle drie de samenwerkingen kwamen de spellen “principal-agent game”, “battle of the sexes” en “het volunteersdilemma” naar voren als spellen die het meest prominent speelde in de IPS. De IPS werd wisselend als nuttig en positief of negatief en overbodig ervaren door de patiënt en zorgverleners.
Conclusies
Toepassing van IPS werd positief beoordeeld door zowel patiënten als zorgverleners. Meerdere spelpatronen bleken zich voor te doen in de samenwerkingen tussen patiënten en zorgverleners en tussen zorgverleners onderling. Soms waren deze patronen helpend bij het succesvol toepassen van IPS en soms juist niet. Deze inzichten kunnen worden gebruikt bij het optimaliseren van IPS.
Liselore Cariot, Nivel
Rationale
Jaarlijks maakt circa 15% van de bevolking gebruik van een huisartsenspoedpost, waar antibiotica tot de meest voorgeschreven geneesmiddelen behoren. De grote variatie tussen huisartsenspoedposten suggereert ruimte voor doelmatiger voorschrijven. Onnodig of overmatig voorschrijven draagt bij aan resistentieontwikkeling, bijwerkingen, hogere kosten en milieubelasting.
Onderzoeksvraag
Welke interventies worden op huisartsenspoedposten ingezet om passend antibiotica voorschrijven te bevorderen, en welke factoren beïnvloeden hun implementatie?
Methode
We verzamelden gegevens over bestaande interventies via een vragenlijst onder huisartsendienstenstructuren (HDS’en) en een internationale, pragmatische literatuurreview. Belemmerende en bevorderende implementatiefactoren identificeerden we vanuit meerdere perspectieven: via leerplatformsessies met beleidsmedewerkers van HDS’en, interviews met huisartsen, verpleegkundig specialisten, triagisten en apothekers, en vragenlijsten onder patiënten.
Resultaten
Zeventien van de 52 HDS’en vulden de vragenlijst in. Beslisondersteuning en diagnostiek, zoals de CRP-test, werden het meest ingezet (53% respectievelijk 41%). Audit en feedback werd niet toegepast, terwijl deze interventie in de internationale literatuur juist veel aandacht krijgt. Stakeholderbetrokkenheid werd het vaakst genoemd als facilitator en tijdsdruk als belangrijkste barrière. Uit de platformsessies bleek behoefte aan spiegelinformatie en kennisuitwisseling over specifieke situaties, zoals collega’s die antibiotica voorschrijven zonder de patiënt te zien en het effectief toepassen van uitgesteld voorschrijven. Interviews (n=20) lieten zien dat zorgverleners verschillen in of en hoe zij interventies toepassen, zoals het gebruik van het elektronisch voorschrijfsysteem. Voorschrijfgedrag werd beïnvloed door patiëntdruk en cultuurverschillen, maar ook door huisartskenmerken, zoals generatie en werkervaring.
Conclusie
Leerplatformsessies versterken de opbrengst van de literatuurreview, vragenlijsten en interviews door middel van uitwisseling van ervaringen met duurzaam voorschrijven. Een interventieoverzicht is ontwikkeld om passend voorschrijven op huisartsenspoedposten te ondersteunen. Het leerplatform biedt een stap richting meer uniformiteit en inzicht in implementatiefactoren, waarmee de HDS implementatie van interventies kan bevorderen.
Marianne Heins, Nivel
Rationale
Meer inzicht in de diversiteit aan gezondheidsproblemen die de huisarts ziet kan helpen om mogelijk kandidaten voor taakdelegatie te vinden.
Onderzoeksvraag
Hoeveel gezondheidsproblemen, gedefinieerd als ICPC codes, ziet een gemiddelde huisartsenpraktijk in een gemiddelde week en wat is de frequentie ervan?
Methode
We gebruikten gegevens van Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn over 2024 van 423 praktijken en 1.1 miljoen patiënten. Gezondheidsproblemen werden geregistreerd volgens ICPC-1. We berekenden hoeveel verschillende ICPC-codes een normpraktijk (2.095 patiënten) op een wekelijkse basis registreert tijdens contacten (telefonisch/consult/visite) met een huisarts, assistente of POH-GGZ. Daarnaast keken we of ICPC-codes wekelijks, maandelijks, elk kwartaal of minder dan een keer per kwartaal werden geregistreerd.
Resultaten
In een gemiddelde huisartsenpraktijk hadden alle zorgverleners samen (met uitzondering van POH somatiek) 175 contacten per week met 152 patiënten, waarbij ze 123 verschillende ICPC-codes registreerden. Van de 683 mogelijke ICPC-codes werden er 55 wekelijks geregistreerd; deze maakten 50% van alle contacten uit. Het meest frequent geregistreerd waren cystitis/urineweginfectie, hypertensie, hoesten, diabetes mellitus en moeheid/zwakte. 331 ICPC-codes registreert een huisartsenpraktijk minder dan één keer per kwartaal.
Conclusie
De helft van de contacten in de huisartsenpraktijk betreft 55 veelvoorkomende gezondheidsproblemen. Verdere taakdelegatie die zich op deze problemen richt kan de druk op de huisartsenpraktijk potentieel verminderen. Daarnaast hebben huisartsen te maken met een groot aantal gezondheidsproblemen die zij maar weinig zien, wat de complexiteit en uniciteit van het huisartsenvak onderstreept.
Presentaties in zaal: Waalbrug B
Dolly Haselager, LUMC
Rationale
Ouderen kunnen door een combinatie van gezondheidsproblemen en bijkomende factoren terechtkomen in een crisissituatie waarbij het plotseling thuis niet meer gaat. Deze crisissituaties zijn ingrijpend voor ouderen en hun naasten en kunnen leiden tot ongeplande ziekenhuis- of verpleeghuisopnames. Voor huisartsen en andere zorgverleners kunnen deze situaties uitdagend zijn. Ondanks dat veel huisartsen de hulpvraag ‘Zo gaat het niet thuis’ vermoedelijk wel herkennen uit de praktijk, is er nog weinig bekend over de aard van deze crisissituaties en hoe deze zich ontwikkelen.
Onderzoeksvraag
Wat zijn crisissituaties in de zorg voor thuiswonende ouderen en welke processen liggen ten grondslag aan de ontwikkeling van deze crisissituaties?
Methode
In deze kwalitatieve studie werden semigestructureerde interviews over hun ervaringen met crisissituaties afgenomen bij ouderen, hun naasten en zorgverleners. De interviewdata werden geanalyseerd middels een thematische analyse.
Resultaten
Uit de analyse van 45 interviews en 2 focusgroepen kwamen twee hoofdthema’s naar voren: ‘Kantelpunten’ en ‘Verzwakte systemen’. Het eerste thema beschrijft dat er bij crisissituaties kantelpunten zijn die het begin of de bewustwording van de crisis markeren. Een kantelpunt kan betekenen dat een oudere te ziek is om thuis te blijven, maar ook dat een situatie niet langer veilig of menswaardig is. Het tweede thema beschrijft dat een oudere onderdeel is van een systeem dat kan verzwakken tot het punt waarop een crisis ontstaat. Dit proces wordt vaak gekenmerkt door een cascade van gezondheidsproblemen en wordt medebepaald door de veerkracht van betrokken mantelzorgers en de toegankelijkheid en beschikbaarheid van aanvullende zorg.
Conclusie
Crisissituaties in de zorg voor thuiswonende ouderen zijn systemisch van aard en worden gekenmerkt door kantelpunten en verzwakte systemen. Deze inzichten kunnen bijdragen aan verder onderzoek en beleid gericht op het vergroten van de veerkracht van deze systemen, om tijdens een crisissituatie passende zorg te bieden en crisissituaties waar mogelijk te voorkomen.
Demi van Os, Radboudumc en AMPHI
Rationale
Leefstijlzorg is een belangrijk onderdeel van de aanpak van chronische ziekten. Onderzoek wijst uit dat leefstijlzorg binnen en tussen huisartsenpraktijken en het sociaal domein versterkt kan worden. Daarom is in co-creatie met professionals uit beide domeinen een versterkte werkwijze ontwikkeld rondom leefstijlzorg voor patiënten in de ketenzorg.
Onderzoeksvraag
Hoe ziet het proces van co-creatie met professionals uit huisartsenpraktijken en het sociaal domein eruit bij het versterken van de huidige werkwijze voor leefstijlzorg?
Methode
Voor het ontwikkelen van de versterkte werkwijze zijn vijf co-creatiesessies georganiseerd met huisartsen, praktijkondersteuners en professionals uit het sociaal domein. Daarbij werd de methode van waarderend onderzoek toegepast.
Resultaten
Tijdens de co-creatiesessies voerden deelnemers verschillende opdrachten uit om hun wensen voor leefstijlzorg te verkennen en te bepalen wat nodig is om deze te realiseren. Deelnemers gaven aan dat zij de samenwerking tussen huisartsenpraktijken en het sociaal domein willen versterken. Daarnaast vinden zij het belangrijk dat patiënten zich meer bewust worden van hun leefstijl en meer regie nemen over hun leefstijl. Verbeterpunten die hieraan kunnen bijdragen zijn onder andere het breder bespreken van leefstijl met patiënten, meer inzicht krijgen in het aanbod binnen het sociaal domein, patiënten vaker verwijzen naar groepsactiviteiten en een betere informatie-uitwisseling tussen huisartsenpraktijk en het sociaal domein over de ondersteuning van patiënten. De sessies resulteerden in een toolbox met praktische tools die ondersteuning bieden bij deze verbeterpunten. Deze toolbox bevat zowel bestaande als nieuw ontwikkelde tools.
Conclusie
De co-creatiesessies leverden concrete verbeterpunten en een praktische toolbox op die ondersteuning biedt aan huisartsenpraktijken en het sociaal domein bij leefstijlzorg.
Esmée Vaes, Maastricht University
Rationale
Urineweginfecties zijn de meest voorkomende klacht van vrouwen bij de huisarts. De urinestick is een snelle diagnostische test maar leidt vaak tot vals-negatieve uitslagen, terwijl de uitslag van de gouden standaard, de urinekweek, 2-3 dagen op zich laat wachten. Dit benadrukt het belang van snellere en betere point-of-care diagnostiek. Een nieuwe point-of-care test is de PA-100, die bacteriurie aantoont en een antibiogram produceert binnen 45 minuten.
Onderzoeksvraag
Wat zijn de testeigenschappen en potentiële klinische impact van de PA-100 in vergelijking met de urinestick (standaardzorg) en urinekweek (gouden standaard) bij volwassenen met een verdenking op een urineweginfectie in een huisartsenpostsetting?
Methode
We hebben een prospectieve validatiestudie uitgevoerd op de huisartsenpost Maastricht en Heuvelland. Volwassenen met verdenking op een urineweginfectie die zich meldden, werden gerekruteerd. Patiënten vulden een vragenlijst over symptomen en risicofactoren in en zorgverleners over het beleid. De volgende diagnostiek werd verricht op verse urinemonsters; urinestick, PA-100 en urinekweek. Om een schatting te maken van de potentiële klinische impact van de PA-100 werd de beste standaardzorg vergeleken met de behandelbeslissingen gebaseerd op de PA-100 uitslag.
Voorlopige resultaten
We hebben 332 patiënten (n=279 vrouwen) geïncludeerd. De PA-100 toonde een hogere sensitiviteit (72,8% vs. 37,0%; p<0,001), terwijl de urinestick specifieker was (82,6% vs. 91,3%; p=0,017). De antibiogrammen van de PA-100 kwamen voor vier van de vijf antibiotica overeen (alleen niet voor fosfomycine). We zullen de volledige resultaten presenteren tijdens de NHG wetenschapsdag.
Conclusie
De PA-100 toonde een hogere sensitiviteit, terwijl de urinestick specifieker was. De accuratesse van het antibiogram kwam overeen met de kweek voor vier van de vijf antibiotica. We kunnen ten tijde van de NHG-Wetenschapsdag een conclusie delen over de potentiële klinische impact van de PA-100.
Lukas Koet, Erasmusmc
Rationale/onderbouwing
In Nederland zijn er steeds meer POH-Jeugd werkzaam in de huisartspraktijk. Het is onduidelijk welke invloed dit heeft op het gebruik van psychische hulpverlening buiten de huisartspraktijk.
Onderzoeksvraag
Wat was het effect van de introductie van de POH-Jeugd in de Rotterdamse huisartspraktijk op het gebruik en geassocieerde kosten van poliklinische psychische hulpverlening buiten de huisartspraktijk.
Methode
We koppelden zorggegevens uit de Rijnmond Gezond Database aan gemeentelijke registratiedata over uitgaven aan psychische hulpverlening voor kinderen tussen 2019 en 2022. Met behulp van mixed-models evalueerden we of de aanwezigheid van een POH‑Jeugd in een praktijk samenhing met het gebruik van poliklinische psychische hulpverlening buiten de huisartspraktijk.
Resultaten
Onze cohort bestond uit 33.971 kinderen van 0–17 jaar, geregistreerd in 38 huisartsenpraktijken in Rotterdam, Nederland. Van deze kinderen maakte 5,5% gebruik van poliklinische psychische hulpverlening ggz tussen 2019 en 2022. Het aandeel kinderen dat gebruik maakte van deze zorg en de bijbehorende kosten, nam in de tijd toe. Na correctie voor praktijkkenmerken en trends over de tijd was de aanwezigheid van een POH‑Jeugd in een praktijk geassocieerd met kleine, niet‑significante afnames in het aantal kinderen dat psychische hulpverlening ontving (Rate Ratio = 0,99; 95%BI 0,92–1,06) en de bijbehorende kosten (‑395,80 euro; 95%BI ‑1431,27 tot 639,67) vergeleken met praktijken zonder POH‑Jeugd
Conclusie
We kunnen voorzichtig concluderen dat de introductie van POH‑Jeugd in de huisartsenpraktijk niet geassocieerd was met significante veranderingen in het gebruik van poliklinische psychische hulpverlening buiten de huisartspraktijk één tot vier jaar na implementatie. Het lange termijn effect is echter niet duidelijk, en het is daarom belangrijk om de effecten te blijven evalueren.
Melissa van Essen, Nivel
Rationale
Elektronische patiëntendossiers (EPD’s) in de huisartsenpraktijk vormen een essentiële bron van informatie voor secundaire doeleinden zoals wetenschappelijk onderzoek. De geschiktheid van deze gegevens hangt sterk samen met de kwaliteit, uniformiteit en actualiteit van registratie. Ontwikkelingen zoals de implementatie van de European Health Data Space (EHDS), vergroten de behoefte aan betrouwbare registratie. Tijdelijke stimulansen, zoals financiële prikkels en de oorspronkelijke EPD-scan-h (2008), kunnen de datakwaliteit verbeteren, maar het is onduidelijk hoe duurzaam deze verbeteringen zijn. Door de herziening van de ADEPD-richtlijn, nieuwe technologische en juridische ontwikkelingen en de groeiende afhankelijkheid van zorgdata wordt de EPD-scan-h opnieuw uitgevoerd. Daarbij verschuift de nadruk van enkel richtlijnconform registreren naar een bredere beoordeling van datakwaliteit voor primair en secundair gebruik.
Onderzoeksvraag
In hoeverre voldoen vastgelegde zorggegevens aan de herziene ADEPD-richtlijn, welke variatie bestaat tussen praktijken, regio’s en HIS’en, en welke handelingsperspectieven zijn er voor gerichte technische of beleidsmatige verbeteringen?
Methode
Een set kwaliteitsindicatoren wordt ontwikkeld voor kernonderdelen van het EPD, waaronder probleem- en episodelijsten, medicatieoverzichten, gestructureerde codering en actualiteit van registraties. Deze indicatoren worden descriptief geanalyseerd op gegevens uit Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn.
Resultaten
Kwaliteitsindicatoren uit eerder onderzoek en de oorspronkelijke EPD-scan-h zijn vergeleken met de ADEPD-richtlijn. Dit resulteerde in 46 kwaliteitsindicatoren voor onder meer gecodeerde registratie van aandoeningen, patiëntinformatie, patiëntvoorkeuren en vaccinatiestatus. Ongeveer een derde blijkt niet toepasbaar op beschikbare registratiedata. Analyses zijn in uitvoering; verwacht wordt dat de meeste praktijken kernonderdelen structureel registreren, maar dat variatie bestaat in volledigheid, actualiteit en gebruik van gecodeerde registratie.
Conclusie
De EPD-scan-h II biedt inzicht in registratiekwaliteit en handelingsmogelijkheden voor verbetering. De resultaten kunnen praktijken ondersteunen bij gerichte verbetering van registratie en bieden beleidsmakers en HIS-leveranciers inzicht in systematische knelpunten en mogelijke verbeteringen in richtlijnen, systemen en monitoring.
Marcia Spoelder, Radboudumc
Rationale/onderbouwing
Patiënten met complexe post-COVID-problematiek werden in de regio Nijmegen tussen 2022-2024 via de huisarts doorverwezen naar een zorgpad post-COVID. De kern van dit zorgpad was een regionaal opererende casemanager. Deze persoon: 1) geeft erkenning en uitleg, 2) coördineert en organiseert de zorg, en 3) stimuleert interdisciplinair samenwerken in het netwerk.
Onderzoeksvraag
Welke factoren spelen bij patiënten met post-COVID een rol bij de ontwikkeling van de symptomatologie over de tijd?
Methode
Gedurende het zorgpad van 6 maanden zijn de gegevens geanalyseerd van n=193 van drie meetmomenten: de intake, na 3 en 6 maanden. De afgenomen vragenlijsten richtten zich op: Vermoeidheid, Functioneren en beperkingen, Cognitie, Hyperventilatie, Benauwdheid en Pijn, Omgaan met ziekte en Kwaliteit van leven. Bij n=82 patiënten heeft een follow-up plaatsgevonden, gemiddeld 1.5 jaar na de beëindiging van het zorgpad. Hiervoor hebben patiënten dezelfde vragenlijsten ingevuld, én hebben we informatie verzameld over inspannings- en orthostatische intolerantie (DSQ-PEM en OI), zorggebruik en mantelzorg. De gegevens zijn geanalyseerd met repeated-measures ANOVA’s.
Resultaten
Zes maanden na de start van de casemanagement en de geboden zorg zijn de symptomen significant verminderd, is het functioneren in huishouden en sociale contacten is verbeterd, en is het omgaan met de ziekte verbeterd. Wat sterk naar voren kwam in de follow-up subgroep is de voorspellende waarde van PEM en OI op de prognose van symptomatologie: patiënten die PEM (aanwezig bij 66%) en/of OI (aanwezig bij 36%) ervaarden ernstigere symptomatologie en stagneerden of verslechterden zonder zorgpad begeleiding.
Conclusie
De patiëntengroep ervaart ernstige gezondheidsklachten waarvoor langdurige herkenning, erkenning, ondersteuning, begeleiding, en behandeling noodzakelijk is. De casemanager ontlast de huisarts, de medisch specialisten en het gezin door regie te pakken zodat de juiste zorg wordt ingezet. De resultaten suggereren sterk dat patiënten met PEM en OI meer of langer begeleiding nodig hebben, of terugvallen indien zorg wegvalt.
Yannick ter Heerdt, Erasmusmc
Rationale
Taalmodellen (LLMs) zoals ChatGPT vinden geleidelijk hun weg naar de Nederlandse huisartsenpraktijk. Toepassingen zijn onder andere administratieve ondersteuning zoals het genereren van SOEP-samenvattingen, of ondersteuning bij klinische beslissingen. Er is echter weinig bekend over hoe zorgverleners en patiënten naar deze toepassingen kijken en welke prioriteit zij geven aan verdere ontwikkeling.
Onderzoeksvraag
Hoe beoordelen zorgprofessionals en patiëntvertegenwoordigers de toepassing van taalmodellen in de Nederlandse huisartsenpraktijk, en welke toepassingen moeten prioriteit krijgen?
Methode
We voerden een semigestructureerde interviewstudie uit met 31 deelnemers (12 huisartsen, 7 doktersassistenten, 6 praktijkondersteuners en 6 patiëntvertegenwoordigers). Op basis van literatuur en inbreng van zorgprofessionals stelden we een lijst op met 21 potentiële toepassingen. Deelnemers beoordeelden per toepassing of ze behoefte hadden aan LLM-ondersteuning en selecteerden taken met de hoogste prioriteit. De interviews werden thematisch geanalyseerd.
Resultaten
De drie meest geprioriteerde toepassingen waren het samenvatten van consulten, ondersteuning bij triage en het verduidelijken van medische informatie aan patiënten. Voordelen zijn tijdwinst en hogere zorgkwaliteit. De voornaamste risico’s zijn overmatige afhankelijkheid en onzekerheid over kwaliteit. Deelnemers gaven voorkeur aan een ondersteunende rol waarbij een professional de uiteindelijke beslissing neemt. Toekomstige oplossingen moeten aansluiten op bestaande informatiesystemen en werkprocessen. Voor eenvoudige werkprocessen volstaat soms het verder ontwikkelen van digitale oplossingen zonder taalmodellen.
Conclusie
Zorgprofessionals en patiëntvertegenwoordigers zien meerwaarde van taalmodellen voor administratieve en klinische taken. Per taak verschilt welk ontwerp noodzakelijk is om voordelen te benutten zonder risico’s op afhankelijkheid en fouten te vergroten. Deze inzichten helpen ontwikkelaars en onderzoekers bij het gericht ontwikkelen van LLM-toepassingen in de huisartsenzorg.
Presentaties in zaal: Waalbrug C
Tessa Brik, Amsterdam UMC
Rationale
Toevalsbevindingen komen vaak voor bij hartritmemonitoring, maar de prevalentie hiervan bij screenen op atriumfibrilleren (AF) in de eerste lijn is niet goed onderzocht.
Onderzoeksvraag
Met deze systematische review en meta-analyse bestuderen we de prevalentie van toevalsbevindingen (andere ECG-afwijkingen dan AF) tijdens AF-screening in de eerste lijn.
Methode
We hebben in PubMed, Embase, Cochrane en CINAHL gezocht naar gerandomiseerde en observationele studies met cohorten zonder pre-existent AF, die ≥24 uur continue ritmemonitoring gebruikten en ten minste één toevalsbevinding rapporteerden.
Resultaten
We includeerden 25 publicaties (17 cohorten; 136.344 deelnemers; gemiddelde leeftijd 41–80 jaar; 0–100% vrouw). Bij 4–96% van de deelnemers werd een toevalsbevinding beschreven, waaronder supraventriculaire en ventriculaire aritmieën en geleidingsstoornissen. Meta-analyses lieten aanzienlijke heterogeniteit zien in de gerapporteerde prevalenties.
Conclusie
De prevalentie van ECG-afwijkingen anders dan AF tijdens AF-screening in de eerste lijn varieert sterk. Dit lijkt grotendeels te worden verklaard door verschillen in de gebruikte definities van de ECG-afwijkingen en verschillen in rapportage. Dit laat het belang zien van uniforme rapportage. Daarnaast is verder onderzoek naar de klinische relevantie van deze bevindingen noodzakelijk.
Carla Braam, Erasmusmc
Achtergrond
Vroege identificatie van artrose maakt het mogelijk om behandeling te starten vóór het ontstaan van onomkeerbare fysieke klachten en gewrichtsschade. Veel patiënten met beginnende heup of knieklachten raadplegen echter geen eerstelijnszorgverlener. Er is beperkt inzicht in de redenen waarom patiënten met recent ontstane heup of knieklachten (zonder trauma en/of RA gerelateerde klachten) consultatie uitstellen.
Onderzoeksvraag
Wat zijn de kenmerken en overwegingen voor mensen met recent ontstane heup- of knie artroseklachten om al dan niet een zorgverlener te consulteren?
Methode
Deze pilotstudie was een mixed method design. De dataset bestond uit vragenlijstgegevens en semigestructureerde interviews.
Resultaten
In totaal vulden 226 deelnemers de vragenlijst volledig in (exclusies: <30 jaar, >2 jaar klachten, trauma of RA-gerelateerde klachten), waarvan 77 geen zorgverlener hadden geraadpleegd. Er werden geen opvallende significante verschillen gevonden tussen beide groepen. Daarnaast zijn 12 niet-consulters en 11 consulters geïnterviewd. Patiënten zoeken vooral zorg wanneer pijn en functionele beperkingen toenemen. Uitgestelde consultatie wordt voornamelijk verklaard door te milde klachten, opvattingen over de meerwaarde van zorg, toeschrijving van klachten aan andere oorzaken en copingstrategieën. Patiënten verwachten bij een eerste consult vooral symptoomverbetering, verwijzing, informatie en gerichte behandeling. Ze hechten waarde aan vroege en duidelijke diagnostiek en accepteren doorgaans zowel advies als fysiotherapeutische behandeling.
Conclusie
In deze studie blijkt dat zorgverleners patiënten met beginnende heup en knieklachten het beste kunnen ondersteunen door tijdig duidelijke diagnostiek, informatie en behandelopties te bieden, omdat patiënten vooral zorg zoeken bij toenemende pijn en beperkingen en hun consultatiegedrag sterk wordt beïnvloed door hun inschatting van klachten en verwachtingen van een consult.
Jeroen Vermazeren, Radboudumc
Rationale
Tijdens een consult moet een huisarts bepalen welke informatie uit een vaak omvangrijk patiëntendossier relevant is voor de zorgvraag. Deze selectie van informatie is contextafhankelijk en vraagt klinische expertise en tijd. Relevante informatie uit de voorgeschiedenis kan worden gemist door tijdsdruk, toenemende zorgvraag en wisselende huisartsen. Het gevolg kan zijn dat onnodige diagnostiek of een onjuist beleid wordt ingezet. Large Language Models (LLM’s) kunnen dossiers samenvatten, maar het is nog onvoldoende onderzocht of zij daarbij de juiste relevante informatie selecteren. Validatie is noodzakelijk voordat toepassing in de huisartsenpraktijk kan worden overwogen.
Onderzoeksvraag
Kunnen LLM’s een patiëntendossier samenvatten op een manier die volledig, betrouwbaar en reproduceerbaar is vergeleken met een samenvatting gemaakt door huisartsen.
Methode
Een validatiestudie met meerdere LLM’s wordt uitgevoerd. Gepseudonimiseerde patiëntendossiers worden verkregen uit het Family Medicine Network. De validatie bestaat uit twee onderdelen: 1) Een expertpanel van vijf huisartsen per dossier stellen een medische vraag en maakt daarbij een samenvatting van relevante informatie die die vraag beantwoordt. Het panel bepaalt een referentiestandaard met kernitems. Elk LLM genereert ook een samenvatting. De uitkomstmaat is de nauwkeurigheid per model in het herkennen van deze kernitems. 2) Een tweede panel van tien huisartsen stelt eveneens samenvattingen op. De overeenkomst, het verschil in tijd tussen model- en huisartsensamenvattingen en de klinische beoordeling op relevantie, volledigheid en betrouwbaarheid tussen de LLM samenvatting en de samenvatting van huisartsen worden beoordeeld.
Resultaten
De evaluatiedatasets en de infrastructuur voor de LLM-modellen worden momenteel opgezet. Resultaten worden gepresenteerd tijdens de NHG-Wetenschapsdag.
Conclusie
Deze studie onderzoekt de validiteit van LLM-modellen voor het samenvatten van patiëntdossiers. Dit onderzoek draagt bij aan efficiënte en beter onderbouwde besluitvorming.
Lucy Overbeek, Nivel
Rationale/onderbouwing
Nederland staat voor de grote opgave om de gezondheidszorg kwalitatief goed, toegankelijk en betaalbaar te houden voor mensen die dat nodig hebben. Huisartsen vormen hierin een cruciale schakel. Om te laten zien hoe de eerstelijnszorg er voor staat is onderzoek met data uit elektronische patiëntendossiers onontbeerlijk. Het instandhouden van infrastructuur om dit onderzoek mogelijk te maken is gefinancierd uit publieke middelen. Daarom is het belangrijk om te laten zien wat het oplevert aan inzicht en beleidswijzigingen.
Onderzoeksvraag
Wat is de impact van onderzoek met data uit elektronische patiëntendossiers uit de eerste lijn op de gezondheidszorg en beleid?
Methode
Retrospectieve analyse van gegevensaanvragen bij Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn in de periode 2014-2025. Gegevensaanvragen werden gecategoriseerd als epidemiologisch, trends in zorggebruik, kwaliteit van zorg of beleidsevaluatie. Ook werden de gegevensaanvragen ingedeeld op type eerstelijnszorgverlener (huisartsenzorg, huisartsenspoedzorg, paramedische zorg), type aanvrager en onderwerp. De producten van de gegevensaanvragen (wetenschappelijke publicatie, rapport, infographic, factsheet etc.) werden geanalyseerd. Voorbeelden van wetenschappelijke en maatschappelijke impact werden beschreven.
Resultaten
In de periode 2014-2025 ontving Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn 764 gegevensaanvragen (gemiddeld 64 aanvragen per jaar). Deze resulteerden in 445 producten beschikbaar voor verdere analyse. De typering van de gegevensaanvragen en voorbeelden van wetenschappelijke en maatschappelijke impact worden gepresenteerd op de NHG wetenschapsdag.
Conclusie
Deze studie laat zien hoe een landelijke eerstelijns zorgregistratie een belangrijke onderzoeksinfrastructuur vormt voor uiteenlopende vraagstukken in de eerste lijn. We presenteren een manier om impact van onderzoeksinfrastructuur te meten. Hiermee tonen we de toegevoegde waarde van dit type onderzoeksinfrastructuur aan. Deze methode kan ook toegepast worden voor het meten van de impact van huisartsgeneeskundig onderzoek in brede zin.
Isabelle Bos, Nivel
Rationale/onderbouwing
FAIRness van data gaat over het implementeren van de FAIR principes om de vindbaarheid, toegankelijkheid, interoperabiliteit en herbruikbaarheid van een databron te verbeteren. Echter, veel datahouders worstelen met hoe en waarmee te starten met FAIR data. Dit komt onder andere doordat samenwerking van verschillende experts nodig is (zorgverleners, onderzoekers, IT-ers, data stewards, beleidsmedewerkers en juristen) en zij allen dezelfde taal moeten leren spreken. Dit maakt het moeilijk om gezamenlijk doelen te formuleren en actiepunten te concretiseren. Bovendien kent routine zorgdata zijn eigen FAIR uitdagingen doordat de data voor een ander doel tot stand gekomen is.
Onderzoeksvraag
Welke bevorderende en belemmerende factoren ervaren datahouders van routine zorgdata bij het implementeren van de FAIR principes? En welke ondersteuningsbehoeften leven er bij deze datahouders?
Methode
Semigestructureerde interviews met datahouders van routine zorgdata buiten de ziekenhuizen (bv. huisartsen-, farmaceutische zorg-, declaratiegegevens). Bevorderende en belemmerende factoren voor het implementeren van de FAIR principes zijn in kaart gebracht. Ook zijn ondersteuningsbehoeften opgehaald bij de datahouders. Op basis hiervan zijn een implementatiestrategie en ondersteuningsproducten ontwikkeld.
Resultaten
Interviews met 8 datahouders zijn uitgevoerd in februari en maart 2026. De bevorderende en belemmerende factoren en ondersteuningsbehoeften worden momenteel in kaart gebracht. Ondersteuningsproducten en praktische tips waarmee datahouders aan de slag kunnen, worden gepresenteerd op de NHG wetenschapsdag.
Conclusie
Implementatie van de FAIR principes is niet eenvoudig, omdat het bestaat uit veel en diverse deeltaken en vraagt om samenwerking tussen verschillende experts. Als de FAIRness van routine zorgdata hoger wordt, dan zijn deze data beter en sneller beschikbaar voor huisartsgeneeskundig onderzoek.
Petra Buist, UMG
Rationale
De druk op de gezondheidszorg neemt toe door een toename van complexe zorg. Om zorg toegankelijk, betaalbaar en van hoge kwaliteit te houden, richt beleid zich steeds meer op passende zorg: de juiste zorg op de juiste plek, bij voorkeur dicht bij huis. Hoewel huisartsen de meeste patiënten zelfstandig behandelen, is voor sommige vragen expertise uit de tweede lijn nodig. Naast verwijzing is overleg een optie. Traditioneel gebeurt dit telefonisch, maar digitale interdisciplinaire consulten (DICo) worden steeds vaker ingezet. In Nederland bestaan grofweg twee vormen: één-op-één DICo en multidisciplinaire DICo. Het is echter onduidelijk hoe huisartsen deze typen gebruiken voor uiteenlopende klinische vragen. Inzicht hierin kan bijdragen aan passende inzet.
Onderzoeksvraag
Welk typen DICo gebruiken huisartsen voor welke klinische vragen?
Methode
We voerden een observationele mixed‑methods studie uit. Retrospectief verzamelden we consultaties van huisartsen die beide typen DICo gebruikten. Via kwalitatieve inhoudsanalyse identificeerden we eerst de aard van de vragen. Vervolgens vergeleken we met beschrijvende statistiek de proporties van de vraagsoorten tussen de typen, en deden dit eveneens voor dermatologische, beschouwende en interne specialismen.
Resultaten
We vergeleken in totaal 305 consultaties van 19 huisartsen. In totaal observeerden we 14 vraagsoorten. De meest voorkomende waren: diagnostiek, verwijzing, behandeladvies, aanvullend onderzoek en medicatie. Diagnosevragen kwamen in verhouding vaker voor binnen multidisciplinaire DICo terwijl verwijsvragen frequenter waren binnen 1-op-1 DICo. Deze verschillen waren het grootst bij snijdende specialismen, vooral voor verwijsvragen.
Conclusie
De vragen die huisartsen via DICo stellen zijn divers. Via 1-op-1 DICo stellen huisartsen relatief meer vragen over verwijzing, terwijl ze via multidisciplinaire DICo juist vaker diagnosevragen stellen. Mogelijk kan dit verklaard worden doordat één‑op‑één DICo passender is wanneer het verwijzend specialisme al bekend is, terwijl multidisciplinaire DICo passender is voor diagnostische puzzels waarbij meerdere specialismen kunnen meedenken. In de toekomst gaan we samen met huisartsen reflecteren op deze verschillen.
Lena Raaijmakers, Radboudumc
Rationale
Diabetes mellitus type 2 (DM2), COPD, astma en hart- en vaatziekten (HVZ) worden in de huisartspraktijk protocollair behandeld binnen de ketenzorg. Deze programma’s sluiten echter onvoldoende aan bij de complexe zorgbehoeften die chronische patiënten kunnen hebben. Persoonsgerichte, geïntegreerde zorg houdt rekening met de totale context van de patiënt en diens voorkeuren. Bewijs voor de effectiviteit in de Nederlandse huisartsenpraktijk ontbreekt echter.
Onderzoeksvraag
Wat is het effect van een persoonsgerichte, geïntegreerde zorg vergeleken met ziekte-specifieke ketenzorg op de uitkomsten: kwaliteit-van-leven, ervaringen van patiënten en zorgverleners en zorggebruik?
Methode
In een cluster-gerandomiseerde trial met 12 maanden follow‑up werden 22 huisartsenpraktijken toegewezen aan de interventie of gebruikelijke ketenzorg. Patiënten die zorg ontvingen binnen één of meer ketenzorgprogramma’s voor DM2, COPD, astma of HVZ kwamen in aanmerking. In totaal werden 835 patiënten en 79 zorgprofessionals geïncludeerd. De interventie bestond uit een cyclisch proces met brede gezondheidsbeoordeling, gezamenlijke besluitvorming, behandeldoelen stellen en gepersonaliseerde follow‑up, uitgevoerd door een praktijkondersteuner somatiek. Primaire uitkomst was een samengestelde uitkomstmaat: klinisch relevante verbetering in de kwaliteit-van-leven (gemeten met PROMIS Global Physical/Mental Health) en/of zorgervaring (gemeten met P3CEQ). Secundaire uitkomsten waren patiëntactivatie (gemeten met PAM-13), ervaringen van zorgverleners (gemeten met CO-PILOT en MASGZ) en aantal en duur van consulten.
Resultaten
Op 12 maanden werden geen statistisch significante verschillen gevonden tussen beide groepen voor de primaire uitkomst. Ook de afzonderlijke uitkomsten kwaliteit-van-leven en zorgervaring verschilden niet op 6 of 12 maanden follow-up. Patiëntactivatie nam toe in de interventiegroep (gemiddeld +3,2 punten; p=0,032). Ervaringen van zorgverleners veranderden niet. Patiënten in de interventiegroep hadden vaker minder chronische zorgconsulten (2-3 versus ≥4; p<0,001), maar die duurden langer (gemiddeld +10 minuten; p=0,004).
Conclusie
Persoonsgerichte, geïntegreerde chronische zorg geeft vergelijkbare effecten als ketenzorg op kwaliteit-van-leven, ervaringen van patiënten en zorgverleners, waarbij patiënten meer geactiveerd worden en een verschuiving optreedt naar minder, maar wel iets langere consulten.
Presentaties in zaal: De oversteek
Onur Kaya, Erasmusmc
Rationale
Handartrose heeft een grote impact op het dagelijks functioneren, maar patiënten benoemen regelmatig onvoldoende begeleiding van hun ziekte. Inzicht in belemmerende en bevorderende factoren vanuit zowel het patiënten- als zorgverlenersperspectief is noodzakelijk om de zorg te verbeteren.
Onderzoeksvraag
Welke belemmerende en bevorderende factoren ervaren patiënten met handartrose én zorgverleners bij het management van handartrose in de Nederlandse huisartsenpraktijk?
Methode
Twee kwalitatieve studies met semi-gestructureerde interviews: 16 patiënten geïnterviewd met respondentvalidatie bij 51 patiënten, en 30 zorgverleners waaronder 12 huisartsen, 10 handtherapeuten, 5 reumatologen, 3 chirurgen. Beide studies maakten gebruik van thematische analyse via MAX-QDA, waarbij twee onderzoekers onafhankelijk codeerden.
Resultaten
Patiënten beschreven zeven barrières en drie facilitatoren. Begeleiding door de huisarts, beschikbaarheid van informatie en ervaren behandeleffectiviteit functioneerden als barrière of facilitator afhankelijk van de kwaliteit. Overige barrières waren een demotiverende attitude, gebrekkige samenwerking tussen zorgverleners, beperkte behandelopties en terughoudendheid van patiënten tegenover bepaalde behandelingen. Zorgverleners benoemden aanvullend kennishiaten bij huisartsen rondom diagnostiek, fragmentatie van interdisciplinaire samenwerking en beperkte vergoedingen. Als facilitatoren noemden zij bijscholing, tijdige verwijzing naar gespecialiseerde handtherapeuten en gestructureerde patiënteducatie. Beide studies identificeerden onafhankelijk van elkaar communicatie, attitude en begeleiding door de huisarts als centrale thema’s. Zorgverleners legden aanvullend meer nadruk op systeemfactoren zoals vergoedingen en interdisciplinaire samenwerking, terwijl patiënten vooral de persoonlijke interactie centraal stelden.
Conclusie
Zowel patiënten als zorgverleners signaleren vergelijkbare knelpunten in de zorg voor handartrose. De huisarts speelt een centrale rol, maar heeft behoefte aan betere ondersteuning via bijscholing, duidelijkere richtlijnen en toegankelijke patiëntinformatie om een proactieve en patiëntgerichte aanpak te kunnen bieden.
Celine Delhez, LUMC
Rationale
Overgewicht bij kinderen is een belangrijk gezondheidsprobleem met langdurige gevolgen. Volgens de NHG-richtlijn Obesitas dienen huisartsen kinderen te screenen op overgewicht, ongeacht de reden van het consult, en dit vervolgens bespreekbaar te maken. In de praktijk gebeurt dit echter weinig, mede door tijdsgebrek, zorgen over reacties van ouders, en gevoelens die het onderwerp oproept bij kind, ouders en de huisarts.
Onderzoeksvraag
Welke factoren beïnvloeden of huisartsen gesprekken over overgewicht bij kinderen starten, en hoe spelen de gevoelens die deze gesprekken oproepen bij de huisarts hierin een rol?
Methode
Tussen maart en mei 2025 werd een cross-sectionele vragenlijststudie uitgevoerd onder Nederlandse huisartsen (in opleiding). Zowel intentie als het ervaren succes om te starten, determinanten van implementatie (vanuit Theoretical Domains Framework) en mate van emotie(regulatie) werden gemeten. Per determinant werd de verbetermogelijkheid (afwijking van maximale score), relevantie (correlatie intentie) en het veranderpotentieel (combinatie van beide) berekend met R. Open vragen werden geanalyseerd met contentanalyse.
Resultaten
De vragenlijst werd ingevuld door 57 huisartsen (25 in opleiding). Hoewel zij aangaven voldoende vaardigheden (66%), kennis (61%) en motivatie (74%) te hebben om te starten, gaf slechts 28% aan dit meestal/altijd te doen. Starten wordt vooral belemmerd door gebrek aan gewoontevorming, negatieve uitkomstverwachtingen, onduidelijkheid over hoe te starten en gebrek aan sociale/organisatorische ondersteuning. Verder rapporteerde 10–15% hoge emotionele activatie (arousal) of negatieve emotionele lading (valentie) te ervaren. Emotionele valentie, niet activatie, hing positief samen met de intentie om te starten (r = 0,45; p < 0,001).
Conclusie
Om te zorgen dat huisartsen het gesprek over gewicht bij kinderen vaker starten, is het onvoldoende in te zetten op meer nascholingen rondom kennis en vaardigheden en zijn er strategieën nodig om gewoontevorming te versterken, uitkomstverwachtingen bij te stellen en sociale en organisatorische randvoorwaarden te verbeteren. Daarnaast is verder onderzoek nodig naar de rol van emotie(regulatie).
Christiaan Doelman, Amsterdam UMC
Rationale
Antidepressiva (AD) kunnen de kwaliteit van leven van bewoners van woonzorgcentra zowel positief als negatief beïnvloeden door bijwerkingen en de effecten op stemming. Gezien de gemiddelde verblijfsduur in woonzorgcentra van 1,5-2 jaar tot overlijden, hebben medicatiebeslissingen in de eerste periode aanzienlijke impact op de resterende levensduur.
Onderzoeksvraag
Welke factoren hangen samen met het staken van AD bij ouderen tijdens de eerste 9 maanden van verblijf in woonzorgcentra?
Methode
Kenmerken van oudere woonzorgcentrumbewoners (65+) met minimaal twee interRAI-assessments werden vergeleken tussen hen die antidepressiva continueerden of staakten in de eerste 9 maanden. Fysieke, medische en psychosociale baseline-karakteristieken werden als predictor voor medicatiestop geanalyseerd via logistische regressie met backward selectie (p-waarden).
Resultaten
Van de 5753 bewoners met minimaal twee medicatierapportages in de eerste 9 maanden continueerden 963 (17%) en staakten 124 (2%) AD. Bewoners waar recent een val werd gerapporteerd hadden een hogere kans op medicatiestop (OR= 1.63, p=0.026), terwijl beperkingen in ADL (OR= 0.58, p=0.038) en minder sociale betrokkenheid (OR= 0.56, p=0.048,) juist geassocieerd waren met een lagere kans om te stoppen (dus een hogere kans om te continueren). Symptomen van delier toonde een trend in de richting van stoppen (OR= 1.56, p=0.053).
Conclusie
Het staken van AD in de eerste 9 maanden bij ouderen in woonzorgcentra werd voorspeld door de recente valgeschiedenis, sociale betrokkenheid, beperkingen in ADL en in mindere mate door een delier.
Dries van Sleeuwen, Radboudumc
Rationale
Psychosociale problemen komen vaak voor bij kinderen en vormen een aanzienlijk deel van de consulten in de huisartsenpraktijk. Sociaaleconomische factoren beïnvloeden de incidentie en prevalentie van deze problemen. Het is onbekend hoe deze problemen verschillen tussen wijken met een verschillende sociaaleconomische samenstelling.
Onderzoeksvraag
Hoe verschillen incidentie, prevalentie en huisartseninterventies bij psychosociale problemen bij kinderen tussen Nijmegen-Noord en Lindenholt?
Methode
Een retrospectieve cohortstudie werd uitgevoerd in vier huisartsenpraktijken: drie in Nijmegen-Noord en één in Lindenholt. Voor kinderen onder 16 jaar werden alle episodes van zorg met een psychologische of sociale diagnose in 2023–2024 geëxtraheerd uit de huisartseninformatiesystemen. Incidentie, prevalentie, duur van episodes, aantal en type contacten, interventies, medicatievoorschriften en verwijzingen werden vergeleken tussen de wijken.
Resultaten
De incidentie van psychosociale problemen was hoger in Lindenholt (128 per 1.000 persoonsjaren) dan in Nijmegen-Noord (84 per 1.000 persoonsjaren, p<0,001), met vergelijkbare verschillen voor prevalentie. Duur van episodes en aantal contacten per episode verschilden niet significant. In Nijmegen-Noord werden echter meer interventies uitgevoerd (RR 1,42, p=0,004), meer medicatie voorgeschreven (RR 1,98, p=0,025) en vaker verwezen naar eerstelijns psychologen (RR 1,69, p=0,003).
Conclusie
Psychosociale problemen bij kinderen komen vaker voor in Lindenholt dan in Nijmegen-Noord. Huisartsen in Nijmegen-Noord ondernemen echter meer actieve interventies, inclusief medicatie en verwijzingen naar psychologen. Deze verschillen kunnen implicaties hebben voor lokaal gezondheidsbeleid en verdere onderzoeksinitiatieven.
Iris Linden, Maastricht University
Rationale
De toegankelijkheid van de geestelijke gezondheidszorg (GGZ) in Nederland staat onder druk door groeiende zorgvraag, lange wachttijden en complexere problematiek, vooral in sociaaleconomisch kwetsbare wijken. Huisartsen spelen een centrale rol in de eerste beoordeling van mentale klachten, maar ervaren knelpunten in doorverwijzing en samenwerking met andere domeinen. De aanpak ‘De Nieuwe GGZ’ in Maastricht beoogt deze uitdagingen te adresseren via een intensieve samenwerking tussen huisartsen, GGZ en het sociaal domein.
Onderzoeksvraag
Wat kunnen we leren van De Nieuwe GGZ over domeinoverstijgende samenwerking om mensen met psychosociale klachten tijdig en passend te ondersteunen?
Methode
In een kwalitatieve studie zijn drie focusgroepen gehouden met 18 zorgprofessionals werkzaam binnen De Nieuwe GGZ, waaronder (klinisch) psychologen, ervaringsdeskundigen, huisartsen, praktijkondersteuners, sociaal werkers en sociaalpsychiatrisch verpleegkundigen. De gesprekken werden getranscribeerd en thematisch geanalyseerd met behulp van structuration theory, waarbij zowel structurele elementen (“hardware”) als culturele dynamiek (“software”) werden onderzocht.
Resultaten
Professionals beschreven drie leidende principes in hun dagelijks handelen: lef tonen en buiten bestaande kaders durven handelen, teamgericht beslissen en verantwoordelijkheid nemen, en werken vanuit een normaliserende benadering. Drie factoren ondersteunen deze werkwijze: ervaren ruimte om anders te werken, multidisciplinaire teams met de juiste expertise, en frequente ontmoetingen en vaste overlegmomenten die afstemming bevorderen.
Conclusie
Effectieve samenwerking binnen De Nieuwe GGZ berust op twee pijlers: 1) het dagelijkse handelen van professionals, gekenmerkt door lef, teamgerichtheid en nabijheid bij de zorgvrager, en 2) de structurele voorwaarden die dit ondersteunen. Samenwerking blijkt een dynamisch proces waarin cultuur en structuur elkaar beïnvloeden. In het licht van recente transformatieplannen in de eerste lijn betekent dit dat zowel organisatorische randvoorwaarden als investering in teamcultuur, vertrouwen en gedeelde verantwoordelijkheid nodig zijn om duurzame mentale gezondheidsnetwerken te realiseren.
Marieke Blom, Amsterdam UMC
Rationale
ECG-afwijkingen bij mensen met diabetes type 2 (T2D) komen vaak voor en gaan samen met een twee- tot driemaal verhoogd risico op hart- en vaatziekten (HVZ). Het is onbekend wat het optimale ECG-screening tijdsinterval bij mensen met T2D, en of dit verschilt per patiënt.
Onderzoeksvraag
Deze studie beoogt het gepersonaliseerde optimale tijdsinterval voor het detecteren van een betekenisvolle nieuwe ECG-afwijking bij mensen met T2D te voorspellen.
Methoden
We gebruikten gegevens van het Hoorn Diabetes Zorgsysteem, een prospectief longitudinaal 1e-lijns T2D-cohort met jaarlijkse metingen (1998-2018). ECG-afwijkingen werden geclassificeerd (Minnesota-classificatie) en ingedeeld als geen, gering of ernstig, en vervolgens gecategoriseerd in de studie-uitkomst ‘betekenisvol ECG’: overgang van geen of geringe afwijking naar ernstige afwijking. Patiënten met een ernstige ECG-afwijking tijdens eerste bezoek werden uitgesloten. Dynamische voorspellingen van betekenisvol ECG-kans werden verkregen uit een joint model met tijd sinds eerste meting als onderliggende tijdschaal. Het joint model bevatte een semi-parametrisch tijd-tot-gebeurtenismodel en één tijdsvariërende voorspeller. Met een dynamische C-statistiek beoordeelden we de prestatie.
Resultaten
We includeerden 52.387 jaarlijkse ECG-metingen van 10.268 deelnemers (gemiddelde leeftijd 63,2 (SD: 11,4) jaar, 51% vrouwen, mediaan 4 (IQR: 2-7) metingen/deelnemer). In totaal vertoonde 13% van de volgende ECG-metingen een overgang van geen naar geringe ECG-afwijking, 11% van geen naar ernstige ECG-afwijking en 12% van geringe naar ernstige ECG-afwijking (gemiddelde follow-up 5,3 jaar, SD 4.2) . In het eerste jaar van follow-up observeerden we een 3,7% basiskans op een betekenisvol ECG. Met backward selectie kozen we T2D-diagnoseleeftijd, geslacht, diabetesduur en systolische bloeddruk (tijdsvariërend) als voorspellende variabelen in het joint model, wat resulteerde in een dynamische C-statistiek van 0,65.
Conclusie
Zelfs gebruik van een dynamische joint-modelleringsprocedure leverde een matig presterend predictiemodel. We concluderen dat het voorspellen van gepersonaliseerde optimale ECG-registratie-intervallen op basis van cardiovasculaire risicofactoren niet veelbelovend is, en raden jaarlijkse screenings ECG-metingen aan bij alle T2D-patiënten.
Workshop 1 in zaal: Waalbrug A
Geneviève Koolhaas-Martis is huisarts, Denktanklid ministerie VWS ‘Gezondheidsinterventies Slavernij’ en voorzitter van de Vereniging Nederlandse Vrouwelijke Artsen
Als huisartsen zijn wij de poortwachters die in de unieke situatie zijn om in het eerste patiëntencontact het vertrouwen te bouwen, óf te schenden. Ondanks het feit dat diversiteit en inclusie veel besproken wordt, is er maar beperkt duurzaam beleid. Recent onderzoek toont aan dat 66% van de huisartspraktijken beleid om discriminatie te attaqueren, (zeer) belangrijk vindt. Slechts 5% heeft echter beleid hierover vastgelegd. Tijdens deze workshop wordt duidelijk waarom dit wel urgent is.
De laatste inzichten worden gedeeld over discriminatie en racisme, de historische achtergronden van anti-zwart racisme, vanuit een gedeeld Nederlands Slavernijverleden. Maar vooral ook de doorwerking in onze huidige medische zorg. Tijd om oude patronen te doorbreken en de beste zorg te bieden aan al onze patiënten. Tijd om als huisartsen aan het begin van de zorgketen de vertrouwensrelatie te borgen voor iederéén.
Workshop 2 in zaal: Keizer Traianus
Kirsten Bevelander, associate professor ‘Citizen Science for Preventive Health’, Radboudumc
Inwoners en patiënten nemen steeds vaker een actievere rol in bij onderzoek naar hun eigen gezondheid. Ze denken bijvoorbeeld mee over onderzoeksvragen, verzamelen zelf data en delen hun inzichten. Wat betekent deze ontwikkeling voor zorgprofessionals en onderzoekers, en voor de kwaliteit van kennis waarop we ons baseren?
In deze interactieve workshop verkent Kris Bevelander wat burgerwetenschap (citizen science) inhoudt, aan de hand van een concreet voorbeeld: onderzoek naar voeding en hartgezondheid tijdens de overgang (MENOFOOD project). Langs de verschillende fases van onderzoek, van vraagstelling tot interpretatie, wordt zichtbaar wat er verandert als burgerwetenschappers actief meedoen.
We bespreken wat deze manier van werken kan opleveren, zoals meer betrokkenheid en beter aansluiten bij de leefwereld van patiënten. Tegelijkertijd gaan we in op vragen rond betrouwbaarheid, interpretatie en rolverdeling tussen burgerwetenschapper en professional. Ook verkennen we welke inzichten burgerwetenschap kan opleveren die relevant zijn voor (toekomstige) herziening van NHG-richtlijnen omtrent de overgang. Deelnemers gaan naar huis met een beter begrip van citizen science en praktische inzichten voor de eigen (onderzoeks)praktijk.