De parallelsessie bestaat uit presentaties en workshops. Op het evenement zelf kies je voor iedere ronde naar welke zaal je gaat. Bekijk hieronder alvast welke onderwerpen er zijn. 

Elke ronde zijn ook 2 verschillende workshops te volgen, maar let op: het aantal plaatsen hiervoor is beperkt. 

Parallelsessie 2 duurt van 13:15 tot 14:25 uur.

Presentaties in zaal: Auditorium 

Marjolein  Klop, Radboudumc 

Rationale 
Meer dan de helft van de ouderen heeft hypertensie, wat het risico op cardio- en cerebrovasculaire aandoeningen en dementie vergroot. Hoewel intensieve antihypertensieve behandeling deze risico’s kan verkleinen, is onduidelijk of dit ook effectief en veilig is bij kwetsbare ouderen met een verhoogde kans op orthostatische hypotensie en vallen. Hierdoor worden zij vaak niet of alleen mild behandeld.  

Methode 
Omdat een gerandomiseerd klinisch onderzoek bij kwetsbare ouderen belastend en moeilijk uitvoerbaar is, bootsten we dit na met data uit twee huisartsenregisters (Radboudumc Technology Center-Health Data (RTC-HD) en Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn) in een ‘emulated target trial’. We includeerden kwetsbare ouderen (≥70 jaar) met nieuwe hypertensie, zonder cardiovasculaire ziekten en antihypertensivagebruik in het laatste jaar. We vergeleken een intensieve (streefbloeddruk ≤140 mmHg) behandeling met een milde (streefbloeddruk >140 mmHg) of geen behandeling, gebruikmakend van ‘clone-censor-weighting’ om bias te verminderen. Met Cox-modellen schatten we 10-jaars hazardratio’s voor mortaliteit, valgerelateerde gebeurtenissen, cardiovasculaire uitkomsten en dementie.  
 
Resultaten 
Van de 959 ouderen in RTC-HD en 2610 in Nivel Zorgregistraties (79±5 jaar, 66% vrouw) kregen respectievelijk 120 en 132 een intensieve, 89 en 94 een milde en 765 en 2384 geen behandeling. In de per-protocolanalyse toonde intensieve behandeling een trend richting lagere mortaliteit (HR 0.33 (95% CI 0.09-1.22) en 0.44 (0.17-1.17)). Voor valgerelateerde uitkomsten vonden we een lagere hazard in RTC-HD (HR 0.60 (0.30-1.20)) maar een hogere in Nivel Zorgregistraties (HR 1.58 (1.07-2.32)). Er was geen significante associatie met cardiovasculaire uitkomsten (HR 1.00 (0.56-1.78) en 0.94 (0.54-1.63) of dementie (HR 0.39 (0.05-3.25) en 0.43 (0.06-2.97)).  

Conclusie 
Intensieve bloeddrukbehandeling liet een mogelijke vermindering van mortaliteit zien, maar resultaten voor andere uitkomstmaten waren niet consistent tussen de datasets. Mogelijke verklaringen zijn het lage aantal patiënten in de intensief behandelde groep door ontbrekende geregistreerde bloeddrukdoelen en strikte in- en exclusiecriteria, waardoor patiënten met de hoogste risico’s zijn uitgesloten. 

Henk  Van der Worp, UMCG 

Rationale/onderbouwing 
Urineweginfecties bij vrouwen behoren tot de meest voorkomende redenen voor contact met de huisarts. Om het beleid rondom deze aandoening te verbeteren, is inzicht nodig in de huidige praktijk van diagnostiek en behandeling, met bijzondere aandacht voor antibioticaresistentie.  

Onderzoeksvraag 
Wat is de praktijkvariatie in de diagnostiek en behandeling van urineweginfecties bij vrouwen, en hoe verloopt het herstel van de klachten?  

Methode 
Dit onderzoek is de eerste studie die is uitgevoerd binnen het Onderzoekspraktijken Netwerk Huisartsgeneeskunde. De studie vond plaats in november en december 2025. Vrouwen met een verdenking op een urineweginfectie, zonder tekenen van weefselinvasie, werden geïncludeerd. Tijdens de baselinemeting werden gegevens verzameld over klachten, diagnostiek en behandelbeleid. Daarnaast werd bij alle deelnemers volledige diagnostische informatie verzameld (urinedipstick, dipslide en kweek). Na tien dagen volgde een nameting om het beloop van de klachten in kaart te brengen.  

Resultaten 
In 6,5 weken werden via 30 huisartspraktijken 247 deelnemers geïncludeerd. De analyses zijn op dit moment in uitvoering. Tijdens de presentatie zullen we inzicht geven in de variatie in diagnostisch en therapeutisch beleid en het beloop van de klachten laten zien.  

Conclusie 
De inclusie via het Onderzoekspraktijken Netwerk Huisartsgeneeskunde verliep zeer snel met ongeveer 40 inclusies per week. De resultaten zullen inzichten bieden in de praktijkvariatie bij de diagnostiek en behandeling van urineweginfecties bij vrouwen.  

Ellen  van den Haute, Erasmusmc 

Rationale 
Veel huisartsen krijgen vragen over leefstijl en/of welzijn. Dit zijn vragen die niet altijd bij de huisarts terecht hoeven te komen. Daarnaast weten veel mensen niet bij wie ze met deze vragen terecht kunnen. De Welbevinder is een hulpmiddel in ontwikkeling dat tot doel heeft bewoners en zorgverleners, zowel fysiek als digitaal, te begeleiden naar een overzicht van lokaal aanbod voor welzijn en leefstijl vragen. Hoe we de Welbevinder goed kunnen implementeren is nog onduidelijk.  

Onderzoeksvraag 
Wat zijn de belemmerende en bevorderende factoren voor de implementatie van de Welbevinder, vanuit het perspectief van zowel bewoners als zorgverleners?  
 
Methode 
Er werden semigestructureerde interviews afgenomen met 12 zorgverleners en drie focusgroepen gehouden met zes leden van participatieraden. Daarnaast werd er een vragenlijst uitgezet onder bewoners. Alle interviews en focusgroepen werden getranscribeerd en, samen met de open vragen uit de vragenlijst, geanalyseerd aan de hand van een thematische analyse. Hierbij is gebruikgemaakt van het Capability, Opportunity, Motivation and Behaviour model en het Theoretical Domains Framework. 

Resultaten 
Er werd een breed scala aan belemmerende en bevorderende factoren geïdentificeerd. Vier overkoepelende thema’’s kwamen naar voren, die zowel hinderend als ondersteunend konden werken: 1) vertrouwen, 2) communicatie, 3) samenwerking, en 4) toegankelijkheid. Deze thema’s weerspiegelden onder andere het vertrouwen van bewoners in de deskundigheid van zorgverleners, de bekendheid met en informatie over de Welbevinder, interprofessionele samenwerking, en de toegankelijkheid en gebruiksvriendelijkheid van de Welbevinder. 
 
Conclusie 
Deze studie biedt inzicht in de belemmerende en bevorderende factoren voor de implementatie van de Welbevinder, vanuit het perspectief van zowel bewoners als zorgverleners. De belemmerende en bevorderende factoren zullen gebruikt worden om gerichte implementatiestrategieën te ontwikkelen en een procesevaluatie zal worden uitgevoerd om het succes van de Welbevinder te evalueren. 

Aäron  Metselaar, Radboudumc 

Rationale 
Overmatig alcoholgebruik veroorzaakt substantiële gezondheids- en maatschappelijke schade. De huisarts en de praktijkondersteuner spelen een essentiële rol in de signalering van overmatig alcoholgebruik. Echter, in de praktijk wordt dit vaak niet tijdig herkend. Inzicht in indicatoren die samenhangen met overmatig alcoholgebruik kan bijdragen aan gerichtere en vroegtijdigere signalering.  

Onderzoeksvraag 
Welke klinische en psychosociale indicatoren in de huisartsenpraktijk zijn geassocieerd met overmatig alcoholgebruik bij volwassenen?  
 
Methode 
Cross-sectionele studie met gepseudonimiseerde routinezorgdata uit een onderzoeksnetwerk van zes Nederlandse huisartsenpraktijken (Family Medicine Network). Binnen deze praktijken worden patiënten gevraagd contextuele informatie te verstrekken, waaronder gegevens over alcoholgebruik. Volwassenen met overmatig alcoholgebruik (>14 glazen per week voor vrouwen en >21 glazen per week voor mannen) werden vergeleken met volwassenen zonder overmatig alcoholgebruik op gedichotomiseerde klinische en psychosociale indicatoren. De geanalyseerde indicatoren gedurende de observatieperiode waren episodes, consulten, comorbiditeit, redenen voor contact, medicatie, verwijzingen, diagnostiek en psychosociale factoren. De observatieperiode omvatte één jaar vóór en één jaar ná het invullen van het contextformulier. Relatieve risico’s en de bijbehorende significantie werden berekend. Multiple testing werd gecorrigeerd volgens de Benjamini-Hochberg procedure.  

Resultaten 
Van de 23.910 volwassenen gaven 491 (2,1%) aan overmatig alcohol te drinken. Van deze groep is bij 85 personen (17,3%) chronisch alcoholgebruik (ICPC2-code P15) geregistreerd. Geassocieerde klinische indicatoren van overmatig alcoholgebruik waren onder meer jicht, COPD, aanwezigheid van een persoonlijkheidsstoornis, gebruik van diuretica, anxiolytica of benzodiazepinen en verhoogde GGT- of MCV-waarden. Overige geassocieerde indicatoren waren roken, drugsgebruik, lagere opleiding, en meer contacten met de huisarts en/of praktijkondersteuner.  
 
Conclusie 
In dit onderzoek werd een breed scala aan klinische en psychosociale indicatoren gevonden die samenhangen met overmatig alcoholgebruik. Deze indicatoren kunnen verder onderzocht worden zodat zorgverleners in de huisartsenpraktijk vroegtijdig en meer gericht overmatig alcoholgebruik kunnen signaleren. 

Anke  Lambooij, Instituut Verantwoord Medicijngebruik 

Rationale 
De NHG-Standaard Slaapproblemen (2024) adviseert in eerste instantie niet-medicamenteuze behandelingen bij slaapproblemen. Wanneer de huisarts toch benzodiazepines voorschrijft, dan is het advies om dit te beperken tot 5 tot 10 stuks.  

Onderzoeksvraag 
|Het in kaart brengen van landelijke en regionale trends in de behandelduur met hypnotica door huisartsen bij nieuwe gebruikers.  

Methode 
De ontwikkelde voorschrijfindicator beschrijft het aantal nieuwe gebruikers van een slaapmiddel (N05CD + N05CF) dat voor maximaal 20 dagen medicatie verstrekt kreeg in de eerste drie maanden na de start. Nieuwe gebruikers hadden geen slaapmiddel in de voorafgaande 12 maanden en vastgelegd eerste uitgifte tarief. De gebruiksduur werd geschat op basis van het aantal stuks en de doseerinformatie van het slaapmiddel. De indicator is berekend met aflevergegevens bekend bij de Stichting Farmaceutische Kengetallen (SFK) en per tweecijferig postcodegebied bepaald.  

Resultaten 
In het vierde kwartaal van 2024 startten respectievelijk 44.000 patiënten met een slaapmiddel. Dit aantal daalt al enkele jaren gestaag. Van de nieuwe gebruikers kreeg 63,2% voor maximaal 20 dagen medicatie verstrekt. Dit percentage is iets lager dan in 2023, maar vergelijkbaar met de jaren daarvoor. Er zijn flinke verschillen tussen regio’s. In Groningen en Limburg zijn er relatief veel mensen die voor meer dan 20 dagen voorraad kregen (tot 60%). In bijvoorbeeld de Achterhoek, maar ook in delen van de Randstad ligt dit percentage boven 75%.  

Conclusie 
Er zijn duidelijke regionale verschillen in de behandelduur met slaapmiddelen bij patiënten die beginnen met deze medicatie. De aanbevelingen uit de richtlijn worden dus wisselend nageleefd. 

Inge Ronchetti, Spine and Joint Centre 

Rationale/onderbouwing 
Van veel behandelingen voor aanhoudende pijn aan het bewegingsapparaat is bekend dat de effectiviteit beperkt is, of dat klachten op termijn recidiveren. Interdisciplinaire revalidatie is een complexe, arbeidsintensieve en daarmee kostbare behandelvorm voor chronische pijn. Het is daarom van belang niet alleen te weten of de resultaten een klinisch relevente verbetering geven, maar of deze resultaten ook duurzaam zijn.  
 
Onderzoeksvraag 
Dit onderzoek richt zich op deze vraag of de resultaten van een multidisciplinaire behandeling voor aanhoudende pijn tot duurzame resultaten leidt.  

Methode 
In 2017 zijn 734 patiënten, die van 2012 tot 2015 een iMSR programma hebben gevolgd, middels vragenlijsten bevraagd over hun lange termijn resultaten. Als primaire parameters zijn Quebec Backpain Disability Scale voor beperkingen en Visual Analogue Scale voor pijn uitgevraagd, evenals een ‘Global Perceived Effect’ vraag. Daarnaast is gekeken naar verandering in zorgconsumptie. Resultaten Voor pijn en beperkingen beklijven de resultaten op lange termijn, waarbij 58% duurzaam een klinisch relevante pijnafnamen en 62% een relevante afname van beperkingen heeft. Ook zorgconsumptie neemt duurzaam af. Bij ongeveer een kwart van de patiënten nemen de klachten op lange termijn weer toe.  

Conclusie 
Dit lange termijn onderzoek laat zien dat een interdisciplinaire revalidatiebehandeling zoals toegepast in deze studie bij een substantieel deel van de behandelde patiënten leidt tot een duurzaam en klinisch relevant resultaat en een blijvend effect heeft op zorgconsumptie: specialistenbezoek, onderzoeken, medicatie en hulpmiddelengebruik en 1e lijns zorg. Deze vorm van revalidatie lijkt hiermee een belangrijk en effectief instrument in de aanpak en bestrijding van het groeiende probleem van aanhoudende pijn. 

Jan-Paul van Wingerden, Spine and Joint Centre 

Rationale/onderbouwing 
Chronische pijn aan het bewegingsapparaat geeft niet alleen persoonlijk leed, maar vormt ook een uitdaging voor de behandelaar. Patiënten reageren vaak niet op conservatieve behandeling en medicatie werkt slechts tijdelijk. Dit onderzoek richt zich op multidisciplinaire revalidatie van chronische pijn. Kenmerkend voor deze specifieke revalidatie is dat deze zich niet op het ‘omgaan met de klacht richt’, maar op herstel van functie en capaciteit.  
 
Methode 
Van de 344 patiënten met chronische pijn die werden doorverwezen naar een Nederlandse poliklinische revalidatiekliniek, kregen 123 behandeling, terwijl 88 op een wachtlijst stonden. De belangrijkste effectparameters waren pijn (visuele analoge schaal), dagelijkse beperkingen (Quebec Back Pain Disability Scale) en bewegingsangst (Tampa Scale voor Kinesiofobie). Gegevens werden verzameld aan het begin van de behandeling, na acht weken, en na drie maanden (follow-up), of na nog eens acht weken voor wachtlijstpatiënten die na de wachtlijst behandeld werden.  
 
Resultaten 
De interventiegroep liet significante, aanhoudende verbetering zien in relatie tot pijn (54,1 ± 22,0 tot 34,8 ± 23,6), dagelijkse beperkingen (45,1 ± 15,3 tot 32,9 ± 15,4) en bewegingsangst (36,5 ± 8,5 tot 30,0 ± 7,3). Vervolgens kregen 51 proefpersonen op de wachtlijst behandeling, met resultaten die vergelijkbaar waren met die van de initiële interventiegroep. Dysfunctionele pijncopingstrategieën namen af tijdens de therapie.  

Conclusie 
De interventie in dit onderzoek bleek effectiever te zijn dan op een wachtlijst geplaatst worden, zelfs wanneer deelnemers op de wachtlijst andere behandelingen kregen. Multidisciplinaire Revalidatie gericht op herstel van functie lijkt een mogelijke optie voor mensen met aanhoudende pijn aan het bewegingsapparaat. 

Presentaties in zaal: Snelbinder (Engels) 

Wikje  Berends-Hoekstra, UMCG 

Rationale 
Gezondheidsproblemen die moeders na de bevalling ondervinden kunnen aanzienlijk langer aanhouden dan de gebruikelijke postpartum zorg tot zes weken bestrijkt. Tot op heden ontbreken landelijke studies die grootschalig gegevens uit de perinatale en huisartsenzorg combineren om langdurige gezondheidsproblemen in relatie tot modus partus te onderzoeken.  

Onderzoeksvraag 
In hoeverre beïnvloedt de modus partus (spontane vaginale partus, vaginale kunstverlossing en keizersnede) de frequentie en het risico op lichamelijke en psychische gezondheidsproblemen in de huisartsenpraktijk van zes weken tot drie jaar postpartum?  

Methode 
In deze observationele cohortstudie werden Nederlandse perinatale elektronische patiëntendossiers (EPD’s) over de periode 2014-2020 gekoppeld aan huisartsen-EPD’s van drie huisartsenregistratienetwerken; AHON (UMCG), FaMe-Net (RUMC) en RNFM (MUMC) over de periode 2015-2023. We includeerden vrouwen die in de à terme periode bevielen van een eenling. Gezondheidsproblemen werden geïdentificeerd op basis van International Classification of Primary Care (ICPC) codes en vrije tekst in huisartsen EPD’s, waarbij vrije tekst werd geanalyseerd met natural language processing. Vrouwen werden gestratificeerd naar pariteit. Frequenties van de meest voorkomende gezondheidsproblemen werden berekend. Met Cox proportional hazards modellen werden associaties tussen modus partus en postpartum gezondheidsproblemen geschat, met spontane vaginale partus als referentiegroep. In totaal werden 10.628 primipara en 11.719 multipara vrouwen geïncludeerd.  

Resultaten 
De frequenties van veelvoorkomende gezondheidsproblemen, waaronder urineweginfecties, buikpijn of -kramp, vermoeidheid en psychische of psychosociale problematiek verschilden niet wezenlijk tussen de groepen. Na correctie voor confounders waren keizersneden en vaginale kunstverlossing geassocieerd met een significant verhoogde hazard (het huidige risico op dyspareunie. Een keizersnede geeft additioneel een verhoogde hazard op anemie, maar geeft een verlaagde hazard op urine-incontinentie en uterovaginale prolaps, vergeleken met spontane vaginale partus.  

Conclusie 
Gezondheidsproblemen bij moeders kunnen tot drie jaar postpartum aanhouden en verschillen per modus partus. Deze bevindingen kunnen het bewustzijn onder moeders en zorgverleners over relevante lange termijn gezondheidsproblemen vergroten en onderstrepen de noodzaak van verlengde postpartum huisartsenzorg. 

Wikje  Berends-Hoekstra, UMCG 

Rationale 
De gezondheid van vrouwen heeft minder wetenschappelijke aandacht gekregen dan die van mannen. Vrouwen leven gemiddeld langer, maar brengen meer jaren door in slechtere gezondheid. Inzicht in de ziektelast bij vrouwen is daarom essentieel, maar blijft schaars, met name bij vrouwen met verschillende sociaaleconomische posities (SEP) en culturele achtergronden. De positie van de huisartsenzorg in het zorgsysteem biedt een unieke kans om patronen in klachtenpresentatie, diagnosestelling en zorgconsumptie systematisch te identificeren.  

Onderzoeksvraag 
Wat zijn de verschillen in ziektelast gedurende de levensloop van vrouwen met verschillende SEP-categorieën (laag, middel, hoog) en culturele achtergronden (Nederlands, Europees, niet-Europees) binnen de huisartsenzorg?  

Methode 
In deze observationele, retrospectieve cohortstudie werden Nederlandse elektronische patiëntendossiers van drie huisartsenregistratienetwerken, AHON (UMCG), FaMe-Net (RUMC) en RNFM (MUMC), over de periode van 2015 tot en met 2023, gekoppeld aan populatiedata van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Ziektelast werd bepaald aan de hand van contactfrequenties, frequenties van symptomen en diagnoses (International Classification of Primary Care codes en huisartsentekstvelden) en medicatievoorschriften. Analyses werden gestratificeerd naar leeftijdsgroepen (18-25, 26-35, 36-45 en 46-55 jaar). Contactfrequentieratio’s werden berekend met een generalised linear mixed model. Met een clusteringalgoritme werden veelvoorkomende combinaties van symptomen, diagnoses en medicatievoorschriften geïdentificeerd. In totaal werden ruim 117.000 vrouwen geïncludeerd, met bijna drie miljoen huisartscontacten.  

Resultaten 
Voorlopige resultaten toonden hoogste contactfrequenties bij vrouwen tussen 46 en 55 jaar, bij een lage SEP en bij vrouwen met een niet-Nederlandse achtergrond. Vrouwen met een lage SEP hadden meer symptomen en diagnoses dan vrouwen met een gemiddelde of hoge SEP. Gedurende de levensloop verschuift het klachten- en diagnosepatroon van meer algemene en reproductie-gerelateerde problematiek naar chronische en metabole aandoeningen, met overeenkomstige veranderingen in medicatiegebruik.  

Conclusie 
Inzicht in de verschillen in ziektelast tussen vrouwen van verschillende leeftijden, SEP en culturele achtergrond, gedurende de levensloop is cruciaal om onderzoeksagenda’s, zorgverleners en vrouwen te informeren en een rechtvaardiger gezondheidszorgsysteem te bevorderen. 

Shifteh  Abedian, UMCG 

Rationale 
De overgang wordt gekenmerkt door een geleidelijke afname van de ovariële hormoonproductie en gaat vaak gepaard met vasomotorische klachten, slaapstoornissen, stemmingsveranderingen en urogenitale klachten, die het dagelijks leven, werk en welzijn kunnen beïnvloeden. Hormoontherapie (HST) is de meest effectieve behandeling voor vasomotorische klachten, en wordt door richtlijnen aanbevolen voor symptomatische vrouwen <60 jaar of binnen tien jaar na de menopauze. In de klinische praktijk start HST meestal tussen 40-55 jaar, maar inzicht in voorschrijfpatronen in de huisartsenpraktijk is beperkt.  

Onderzoeksvraag 
In welke mate wordt HST voorgeschreven bij vrouwen van 40–55 jaar in de huisartsenpraktijk en welke verschillen bestaan er in toedieningsroutes (oraal, transdermaal en vaginaal)?  
 
Methode 
Dit retrospectieve cohortonderzoek maakte gebruik van routinezorgdata uit drie Nederlandse huisartsenregistratienetwerken: AHON (UMCG), FaMe-Net (RUMC) en RNFM (MUMC) over de periode 2015–2023. Vrouwen met een HST-voorschrift werden geïdentificeerd met behulp van Anatomical Therapeutic Chemical (ATC)-codes. Het eerste geregistreerde voorschrift werd gebruikt om de start van de behandeling te bepalen. Vrouwen die tussen de 40 en 55 jaar met HST begonnen werden geïncludeerd in het analysecohort. Tijdstrends in toedieningsroutes over kalenderjaren werden geëvalueerd met logistische regressiemodellen.  

Resultaten 
Van de 142.385 vrouwen (bronpopulatie) ontvingen 16.953 (11,9%) tenminste één HST-voorschrift, goed voor in totaal 75.359 voorschriften. Van hen startten 7.040 (41,5%) met HST tussen 40-55 jaar, met een gemiddelde startleeftijd van 47,4 jaar. De meeste voorschriften betroffen orale HST (74,9%), gevolgd door transdermale (12,0%) en vaginale therapie (3,5%); overige toedieningsvormen waren zeldzaam. Het gebruik van transdermale en vaginale vormen nam toe met de leeftijd en over kalenderjaren. 

Conclusie 
Deze studie geeft inzicht in HST-voorschrijfpatronen in de huisartsenpraktijk rond de menopauze. Inzicht in verschillen in gebruik van orale, transdermale en vaginale toedieningsroutes tussen leeftijdsgroepen kan bijdragen aan gerichtere en meer gepersonaliseerde behandelkeuzes.  

Kuan  Chung, Erasmusmc 

Rationale 
Atopische aandoeningen, waaronder eczeem, astma en allergische rhinitis, zijn veelvoorkomende kinderziekten. Het bestuderen van de prevalentie van atopische aandoeningen specifiek in de eerstelijnszorg is essentieel, omdat dit een klinisch relevantere maat biedt voor de ziektelast dan prevalenties uit de open populatie.  

Onderzoeksvraag 
Wat is de leeftijdsspecifieke prevalentie van eczeem, astma en allergische rhinitis bij kinderen in de huisartsenpraktijk?  

Methode 
Voor deze systematische review hebben we gezocht naar studies over de 1‑jaars en cumulatieve prevalentie van eczeem, astma en allergische rhinitis bij kinderen. Studies uit de eerstelijnszorg met minimaal 100 kinderen, gepubliceerd tot augustus 2025 werden geïncludeerd. Studies uit de tweede lijn of open populatie werden uitgesloten, evenals abstracts, case reports, letters to the editor, commentary’s en reviews. Prevalentie‑schattingen werden gepoold middels een random‑effects meta‑analyse. Schattingen werden gestratificeerd naar leeftijdsgroep.  

Resulaten 
Van de initieel 9.097 geïdentificeerde artikelen, werden na screening 41 studies opgenomen in de review. Alle studies werden uitgevoerd in Westerse landen, tussen 1980 en 2025. De gepoolde prevalentieschattingen per 100 persoonsjaren varieerden voor eczeem van 5,5 (95%-BI: 2,69–8,3) tijdens de late adolescentie (13–17 jaar) tot 10,22 (95%-BI: 1,26–18,8) tijdens de peuter‑ en kleuterleeftijd (3–5 jaar) en voor astma van 2,51 (95%-BI: 0,00–6,66) tijdens de late adolescentie (15–17 jaar) tot 7,07 (95%-BI: 1,01–13,14) tijdens de late schoolleeftijd (8–11 jaar). Pooling was niet mogelijk voor allergische rhinitis door het lage aantal studies; de niet‑gepoolde schattingen varieerden van 0,4 tot 8,4.  

Conclusie 
Onze meta‑analyse is de eerste studie die de ziektelast van atopische aandoeningen bij kinderen in de huisartsenpraktijk weergeeft, middels leeftijdsspecifieke prevalenties. Toekomstig onderzoek zou prioriteit moeten geven aan gestandaardiseerde ziektedefinities en meer onderzoek uit niet‑Westerse landen om de wereldwijde nauwkeurigheid van de prevalentiedata te verbeteren. 

Kirsten  Hoek, Erasmusmc 

Rationale/onderbouwing 
Presently, technologies develop rapidly and make it difficult for general practitioners (GPs) to keep up with the latest innovations. Not only the GPs, but also the training institutions face this challenge. How can they prepare GP residents to assess new innovations when they don’t even know where technological innovations are heading in the near future? To address this challenge, we study how first‑year GP residents perceive technological innovations, and how they envision educational support in their learning about innovations and emerging technologies. 
 
Methode 
We conducted an inductive qualitative thematic framework analysis of six focus groups with 75 first year GP residents at Erasmus Medical Centre.  

Resultaten 
We identified three main themes within our dataset. 1) Residents described feeling pressured by the world around them to adopt innovations by patients and the healthcare system. 2) They simultaneously lacked trust and sufficient understanding of emergent innovations to make informed decisions. Thus, many expressed reticence to assess new technologies, leaving this for other ‘experts’ to decide. 3) To mitigate this situation, residents identified experimentation with innovations, exchanging experiences with innovations among peers, strengthening critical thinking, and gaining more technological awareness as helpful strategies to regain their autonomy in making decisions on using new technologies.  

Conclusie 
Concluding, we found residents trying to gain footing and confidence in a rapidly evolving technological environment. While we see residents having certain reservations about innovation, we also see some adopting a proactive and experimental attitude to cope with change and newness. We recommend creating more space for such experimentation in curricula to foster autonomy and an open but critical perspective on technological innovations.  

Fiona van Zyl-Bonk, Radboudumc 

Achtergrond 
Seksueel geweld is een veelvoorkomend probleem met een grote impact op de gezondheid. Inzicht in het herstelproces van slachtoffers en in hoe zorgverleners passende zorg kunnen bieden, is beperkt.  

Doel 
Inzicht verkrijgen in beschermende en bedreigende factoren in het herstelproces van slachtoffers.  

Methode 
Een retrospectieve kwalitatieve studie onder slachtoffers van seksueel geweld die tussen 2013 en 2021 het Centrum voor Seksueel Geweld hebben geraadpleegd, met behulp van een online vragenlijst. De vragenlijst bevatte twee open vragen over beschermende en bedreigende factoren in hun herstelproces. De antwoorden werden geanalyseerd met behulp van thematische analyse.  

Resultaten 
Zevenenvijftig slachtoffers namen deel aan de studie. Beschermende en bedreigende factoren in het herstelproces werden gevonden op drie niveaus. Op persoonlijk niveau noemden slachtoffers het luisteren naar hun eigen gevoelens over wat goed of niet goed voelt in hun herstel als een beschermende factor, terwijl PTSS-gerelateerde symptomen als een bedreiging werden beschouwd. Op relationeel en sociaal niveau benadrukten slachtoffers het belang van erkenning door anderen. Victim blaming werd gerapporteerd als belemmerend voor hun herstel. Op het niveau van professionele zorg pleitten slachtoffers sterk voor persoonsgerichte zorg. Het uitblijven van behandeling en ervaren onheuse bejegening door professionals werden genoemd als een belangrijke bedreiging op weg naar herstel.  
 
Conclusies 
Het is belangrijk om slachtoffers te stimuleren het vertrouwen in zichzelf en in anderen te herwinnen. Door ervaringen te delen en erkenning te ontvangen, kunnen slachtoffers bepalen welke deskundige, persoonsgerichte zorg het beste bij hen past. Zorgverleners dienen bij PTSS-symptomen tijdig traumatherapie in te zetten. 

Presentaties in zaal: Waalbrug B 

Demi van Os, Radboudumc en AMPHI 

Rationale 
Leefstijl speelt een belangrijke rol in de preventie en behandeling van chronische ziekten. Het is echter onduidelijk hoe vaak verschillende leefstijldomeinen aan bod komen tijdens ketenzorgconsulten die door praktijkondersteuners worden uitgevoerd. 

Onderzoeksvraag 
Welke leefstijldomeinen worden tijdens ketenzorgconsulten bij praktijkondersteuners besproken, wat wordt er geadviseerd en waarnaar wordt verwezen, en verschilt dit tussen chronische aandoeningen?  

Methode 
Mixed-methods design met retrospectieve observatiedata en gestructureerde interviews. Consultverslagen uit drie huisartsenpraktijken in Nijmegen werden geanalyseerd. Daarbij werd onderzocht welke leefstijldomeinen tijdens ketenzorgconsulten voor hart- en vaatziekten, diabetes type 2 en COPD bij praktijkondersteuners werden besproken, geadviseerd en waarnaar werd verwezen. Deze resultaten zijn individueel met vijf praktijkondersteuners besproken in interviews om de bevindingen beter te interpreteren. 

Resultaten 
In het overgrote deel van de ketenzorgconsulten komt leefstijl aan bod, vooral bij patiënten met hart- en vaatziekten en diabetes type 2 en minder vaak bij COPD. Onderwerpen die het meest worden besproken zijn voeding en bewegen. Slaap, sociale verbondenheid, stress, en middelengebruik komen minder vaak ter sprake. Hoe vaak bepaalde domeinen ter sprake komen varieert tussen aandoeningen. Hoewel het bespreken van leefstijl regelmatig in consultverslagen werd vastgelegd, werd leefstijladvies slechts in ongeveer de helft van de consulten genoteerd en bleef het aantal genoteerde verwijzingen naar het sociaal domein beperkt. Praktijkondersteuners geven verschillende verklaringen voor het niet bespreken, adviseren of verwijzen bij bepaalde leefstijldomeinen. Niet alles wat tijdens een consult wordt besproken wordt in de vrije tekst van het dossier vastgelegd. Belangrijker is dat het voor praktijkondersteuners niet altijd duidelijk is naar welke voorzieningen in het sociaal domein patiënten voor bepaalde leefstijldomeinen verwezen kunnen worden.  

Conclusie 
Leefstijl wordt regelmatig besproken tijdens ketenzorgconsulten bij praktijkondersteuners, waarbij de frequentie van besproken leefstijldomeinen varieert tussen domeinen en chronische aandoeningen. Leefstijladvies en verwijzingen naar het sociaal domein zijn beperkter.  

Femke  Panjer, UMCG 

Achtergrond 
Inzicht in hoe kinderen en hun ouders het huisartsconsult ervaren kan bijdragen aan kindgerichte communicatie die beter aansluit bij hun behoeften, zorgen en verwachtingen. Dit is vooral relevant bij acute buikpijn, waarbij diagnostische onzekerheid en besluitvorming onder tijdsdruk vaak een grote rol spelen. Over de motieven, verwachtingen en ervaringen van kinderen en ouders bij een huisartsconsult wegens acute buikpijn is nog weinig bekend. 

Onderzoeksvraag 
Wat zijn de motieven, verwachtingen en ervaringen van kinderen en hun ouders bij een huisartsconsult wegens acute buikpijn?  

Methode 
Semigestructureerde interviews werden afgenomen bij 14 kinderen (4–18 jaar) met acute buikpijn (≤7 dagen) die deelnamen aan de ISAAK-studie en 11 ouders na een consult in een Nederlandse huisartsenpraktijk. Interviews werden opgenomen, verbatim getranscribeerd en geanalyseerd met reflexieve thematische analyse.  

Resultaten 
Vier thema’s werden geïdentificeerd: (i) van afwachten naar zorg zoeken, (ii) serieus nemen, (iii) geruststelling en (iv) vertrouwen in de huisarts. Ouders en kinderen zoeken zorg wanneer klachten het dagelijks functioneren beïnvloeden of hun zorgen toenemen. Het gevoel serieus genomen te worden blijkt een verbindende rol te spelen tussen geruststelling en vertrouwen. Kinderen voelen zich vooral serieus genomen wanneer de huisarts aandachtig luistert, doorvraagt en persoonlijk contact toont. Ouders ervaren dit wanneer de huisarts zorgen erkent, verwachtingen bespreekt en het kind centraal stelt. Het uitsluiten van ernstige aandoeningen en duidelijke uitleg over bevindingen en vervolgstappen biedt zowel kinderen als ouders geruststelling. Het vertrouwen in de huisarts ondersteunt de acceptatie van het voorgestelde beleid. 

Conclusie 
Bij het consult van een kind met acute buikpijn vormt het gevoel serieus genomen te worden een belangrijke verbindende factor tussen geruststelling en vertrouwen. Huisartsen kunnen dit versterken door verwachtingen en zorgen expliciet te bespreken, het kind actief te betrekken en bevindingen, overwegingen en vervolgbeleid begrijpelijk toe te lichten. Deze communicatieve elementen bieden concrete aanknopingspunten voor praktijkverbetering en onderwijs. 

Marloes  Dankers, Instituut Verantwoord Medicijngebruik 

Rationale 
De NHG-Standaard Diabetes mellitus type 2 (2025) onderscheidt twee stappenplannen: één voor niet-kwetsbare patiënten met zeer hoog HVZ-risico, waarbij SGLT2-remmers de voorkeur hebben, en één voor overige patiënten, waar metformine de eerste keuze is.  

Onderzoeksvraag 
Het in kaart brengen van landelijke en regionale trends in het voorschrijven van bloedglucoseverlagende middelen door huisartsen bij nieuwe DM2-patiënten.  

Methode 
De ontwikkelde voorschrijfindicator beschrijft het aantal nieuwe gebruikers van een bloedglucoseverlagend middel (metformine of SGLT2-remmer)/totaal aantal nieuwe gebruikers van een bloedglucoseverlagend middel exclusief insuline (A10B). Nieuwe gebruikers hadden geen A10B-medicatie in de voorafgaande 12 maanden, een gebruiksduur <31 dagen en vastgelegd eerste uitgifte tarief. Zeer hoog risico was gedefinieerd als gebruik van nitraten, trombocytenaggregatieremmers of lisdiuretica met RAS-remmers. Middelen bij obesitas zijn op basis van Handels Product Kode (HPK) of ontbreken van vergoeding uitgesloten. De indicator is berekend met aflevergegevens bekend bij de Stichting Farmaceutische Kengetallen (SFK) en per tweecijferig postcodegebied bepaald.  

Resultaten 
In 2024 startten respectievelijk 58.600 en 18.200 patiënten zonder en met zeer hoog HVZ-risico met een bloedglucoseverlagend middel. Bij patiënten zonder zeer hoog risico werd metformine het meest gestart (75,9%; regionale spreiding 66,9-82,4%). GLP1-agonisten en SGLT2-remmers werden gestart bij 12,5% en 6,4% van de patiënten. Bij patiënten met zeer hoog risico was metformine ook het meest gekozen middel met 46,6% (34,0-63,0%), een daling van 5,7 procentpunt in vergelijking met 2023. SGLT2-remmers en GLP1-agonisten werden in 2024 bij 41,3% (27,1-58,6%) en 6,3% (1,6%-11,4%) gestart. Rond Valkenburg, Maastricht en Alkmaar startten relatief veel mensen met SGLT2-remmers.  

Conclusie 
Metformine blijft het meest gekozen middel bij nieuwe DM2-patiënten, maar bij patiënten met zeer hoog HVZ-risico is de toegenomen inzet van SGLT2-remmers zichtbaar. De regionale variatie toont ruimte voor verdere verbetering in lijn met de standaard.  

Frederieke van der Mee, Universiteit Maastricht 

Rationale 
Doordat patiënten in toenemende mate online inzage hebben in hun diagnostische testresultaten, hebben huisartsen minder regie over de wijze waarop deze informatie wordt gecommuniceerd. Deze verschuiving brengt nieuwe uitdagingen met zich mee in de communicatie en interactie met patiënten en vraagt om een beter begrip van hoe huisartsen communicatie ervaren en vormgeven binnen een veranderend digitaal zorglandschap.  
 
Onderzoeksvraag 
Het verkennen van ervaringen van huisartsen en de door hen ervaren uitdagingen bij het communiceren over diagnostische testresultaten in de context van toenemende digitale toegankelijkheid.  

Methode 
In 2024 is een kwalitatieve interviewstudie uitgevoerd met Nederlandse huisartsen. Audio-opnames van interviews werden geanonimiseerd, verbatim getranscribeerd en thematisch geanalyseerd. Thema’s met betrekking tot ervaringen en uitdagingen in de communicatie over testresultaten werden geïdentificeerd. 
 
Resultaten 
In totaal werden achttien huisartsen geïnterviewd. Drie overkoepelende thema’s kwamen naar voren: (1) het managen van patiëntverwachtingen; (2) het gebruik van doelgerichte communicatiestrategieën; en (3) het vinden van een balans tussen efficiëntie en patiëntbetrokkenheid bij het communiceren van testresultaten.  

Conclusie 
Huisartsen ervaren online inzage van patiënten in diagnostische testresultaten als een tweesnijdend zwaard: enerzijds kan inzage bijdragen aan een efficiënter zorgproces, anderzijds gaat zij gepaard met communicatieve uitdagingen. Deze uitdagingen vloeien met name voort uit misinterpretatie van klinisch niet-relevante bevindingen en uit gebruik van medisch jargon in radiologieverslagen. Het is daarom van belang om al in een vroeg stadium van het diagnostisch traject de verwachtingen van patiënten te managen en gerichte, afgestemde communicatiestrategieën toe te passen. De resultaten van deze studie benadrukken daarmee de noodzaak van op maat gemaakte communicatie en een verbetering van de informatievoorziening binnen online patiëntportalen om de efficiëntie van arts-patiëntcommunicatie te bevorderen. 

Jesse van Weelderen, Expertisecentrum Palliatieve Zorg Utrecht, UMC Utrecht 

Rationale/onderbouwing 
Patiënten met een beperkte levensverwachting gebruiken vaak potentieel overbodige medicatie (POM), wat geassocieerd is met nadelige gezondheidseffecten. Minderen en stoppen van POMs, ook wel deprescriptie genoemd, wordt onvoldoende uitgevoerd in de eerstelijnszorg. In het PASVORM-project werden medicatiebeoordelingen via samenwerking tussen eerstelijnszorgverleners geïmplementeerd in de eerstelijnszorg met als doel passend voorschrijfgedrag te bevorderen. 
 
Onderzoeksvraag 
Verkennen van ervaringen van patiënten met een beperkte levensverwachting, hun naasten en eerstelijnszorgverleners wat betreft deelname aan en betrokkenheid bij medicatiebeoordelingen, en nagestreefde doelen hiervan. 
 
Methode 
semigestructureerde interviews werden afgenomen met deelnemers uit vijf huisartsenpraktijken, bestaande uit thuiswonende oudere patiënten (≥65 jaar) met een vergevorderde ziekte en levensverwachting <1 jaar die binnen het PASVORM-project een medicatiebeoordeling hebben ontvangen, hun naasten en eerstelijnszorgverleners. Data werden geanalyseerd via inductieve thematische analyse vanuit een fenomenologische benadering.  

Resultaten 
Twintig deelnemers zijn geïnterviewd (4 patiënten, 5 naasten, 3 apothekers, 6 huisartsen, 1 praktijkondersteuner (POH) en 1 verpleegkundig specialist). Drie thema’s karakteriseerden de ervaringen van deelnemers: (1) Belang patiëntgerichtheid: patiënt en diens naaste(n) stonden centraal bij betekenisvolle medicatiebeoordelingen en het formuleren van passend beleid; (2) Gevoelig en complex onderwerp: (de)prescriptie en levenseinde riepen uiteenlopende emotionele reacties op. Overwegingen werden als complex ervaren. Deskundigheid en vertrouwen in de zorgverlener werden daarom als essentieel beschouwd; (3) Omgang met onzekerheid: inschatten van levensverwachting werd door zorgverleners ervaren als inherent onzeker, leidend tot terughoudendheid en het zoeken naar houvast.  
 
Conclusie 
Medicatiebeoordelingen voor patiënten met een beperkte levensverwachting in de eerstelijnszorg worden als waardevol beschouwd en kunnen bijdragen aan passend voorschrijfgedrag en persoonsgerichte zorg. Terughoudendheid wat betreft deprescriptie lijkt voort te komen uit prognostische onzekerheid, emotionele reacties en de wens om (potentiële) schade te vermijden. Aandacht voor patiëntgerichte dialoog, vertrouwde interprofessionele samenwerking, emotionele aspecten en lacunes in kennis en communicatievaardigheden is belangrijk, met als doel kwaliteit van leven te optimaliseren.  

Carlijn  Vermeer, UMC Utrecht  

Objective 
To compare usability and impact on sleep quality of a wrist-type home blood pressure monitoring (HBPM) device and a conventional upper-arm 24-hour ambulatory blood pressure monitoring (ABPM) device.  
 
Methods 
In this randomised crossover study, 60 community-dwelling individuals aged 50-80 years from the Reviving Early Detection of cardiovascular disease in the Utrecht Health Project (RED-LRGP) trial underwent wrist-type HBPM (Omron HEM-9601T) and upper-arm ABPM. HBPM included three nocturnal measurements per night (4 hours after bedtime, 02:00, and 04:00) for five nights, with additional morning and evening daytime measurements. ABPM included a single 24-hour period with hourly cuff inflations. After each monitoring period, participants completed the System Usability Scale (SUS) and visual analogue scale (VAS) for sleep quality. Linear mixed-effects models were used to compare usability (SUS) and sleep quality (VAS) between devices. 
 
Results 
Sixty participants (mean age 58 years, 57% female, 23% hypertensive) completed questionnaires. HBPM showed higher usability (SUS 71.9 vs. 52.4; p<0.0001) and better sleep quality (VAS 74.6 vs. 58.9; p<0.0001) than ABPM. With five nightly HBPM measurements, nocturnal hypertension was detected in 27% to 39% of participants. This was 26% using single-night ABPM measurement. Non-dipping patterns occurred in 7% to 14% with HBPM versus 25% using ABPM. Sixteen participants without obesity, hypertension, or other relevant comorbidities (27%) were classified as HBPM non-dippers on ³1 night. 
 
Conclusions 
Wrist-type HBPM, combining multi-night automated monitoring with high usability and minimal sleep disruption represents a feasible, patient-centered tool for home-based nocturnal BP assessment that has the potential to capture night-to-night BP variability. 

Chantal  Hulshof, Erasmusmc 

Rationale 
In de beginfase van knieartrose zijn er kansen om de progressie te vertragen, vooral bij mensen met overgewicht of obesitas. Hoewel gewichtsverlies artroseklachten vermindert, is het bewijs voor effectieve leefstijlinterventies in de klinische praktijk beperkt. 

Onderzoeksvraag 
Wat is de effectiviteit van een gecombineerde leefstijlinterventie (GLI) vergeleken met de gebruikelijke zorg op klinische en structurele uitkomsten bij mensen met beginnende knieartrose en overgewicht of obesitas? 

Methode 
Dit pragmatisch gerandomiseerde gecontroleerde onderzoek met twee jaar follow-up werd uitgevoerd in de eerstelijnszorg. Deelnemers waren volwassenen met beginnende knieartrose klachten en overgewicht of obesitas en werden gerandomiseerd (1:1) naar de ‘Beweegkuur’ GLI plus gebruikelijke zorg of alleen gebruikelijke zorg. De tweejarige, in de Nederlandse zorg geïntegreerde GLI, bevordert lichaamsbeweging, voeding en gedragsvaardigheden om een ≥5% gewichtsverlies te bereiken en behouden. De primaire uitkomsten waren gewichtsverlies van ≥5% of ≥5 kg, zelf-gerapporteerde kniepijn en structurele progressie van knieartrose op MRI gedurende 24 maanden. De intention-to-treat-analyses werden uitgevoerd met behulp van lineair mixed models. 

Resultaten 
In totaal deden er 218 deelnemers mee: 109 kregen de GLI plus gebruikelijke zorg en 109 kregen alleen de gebruikelijke zorg. Van de deelnemers waren 142 (65%) vrouw, de gemiddelde leeftijd was 59 jaar (SD 6) en de BMI was 33 kg/m² (SD 5). Er was geen verschil tussen de groepen wat betreft het bereiken van een gewichtsverlies van ≥5% of ≥5 kg (odds ratio (OR) (95% betrouwbaarheidsinterval (BI)): 0,85 (0,42 tot 1,73)), kniepijn in rust en tijdens activiteit (gemiddelde verschil (95% BI): -0,34 (-0.85 tot 0,17) en -0,29 (-0,82 tot 0,24)). Laterale tibiofemorale beenmergoedeem progressie kwam vaker voor in de interventiegroep (OR (95% BI): 2,60 (1,09 tot 6,21)); andere MRI-kenmerken vertoonden geen verschillen. 

Conclusie 
Het toevoegen van een GLI aan de gebruikelijke zorg was niet effectief voor gewichtsverlies, pijnvermindering of het vertragen van structurele progressie van knieartrose. 

Presentaties in zaal: Waalbrug C 

Jorg van Beek, GGD Zuid-Limburg 

Rationale 
Effectieve preventie van luchtweginfecties tijdens het respiratoire seizoen is cruciaal om de druk op de eerstelijnszorg te verlagen en kwetsbare patiënten te beschermen. We hebben door middel van co-creatie met huisartsen en assistenten een praktische toolbox ontwikkeld. Om de toepasbaarheid en effectiviteit van deze toolbox in de praktijk te kunnen beoordelen, moet de implementatie hiervan worden geëvalueerd.  

Onderzoeksvraag 
In welke mate wordt de ontwikkelde luchtweginfectiepreventie toolbox geadopteerd en geïmplementeerd door huisartsen en doktersassistenten en welke determinanten beïnvloeden deze adoptie en implementatie van de toolbox? 
 
Methode 
Een mixed-methods design met kwalitatieve semigestructureerde diepte-interviews, om percepties van Limburgse huisartsenzorgprofessionals in kaart te brengen, en een kwantitatieve online vragenlijst, om bereik, adoptie en implementatie van de toolbox te meten. Zowel de interview topiclijst als de vragenlijst werden gevoed door implementatie- en gedragsveranderingstheorieën, zoals het Meetinstrument voor Determinanten van Innovaties. Deze studie gebruikte twee meetmomenten, aansluitend aan de respiratoire seizoenen van 2024-2025 en 2025-2026. 

Resultaten 
Voorlopige resultaten vanuit de evaluatie van 2024-2025 laten zien dat het bereik laag was; 22% van de vragenlijst respondenten (n=72) kende de toolbox. Onder hen had 61% er vervolgens gebruik van gemaakt. Voornaamste reden voor niet-gebruik was een te lage infectiedruk in de praktijk. Geïnterviewde professionals (n=7) stonden positief tegenover de toolbox. Zowel de vragenlijst als de interviews toonden aan dat de toolbox op meerdere manieren werd ingezet, bijvoorbeeld als communicatiemiddel of als naslagwerk voor infectiepreventiemaatregelen. Een bevorderend onderdeel van de toolbox was volgens respondenten de periodieke berichtgeving over actuele infectiedruk vanuit de GGD.  

Conclusie 
De ontwikkelde toolbox kan verschillende professionals met uiteenlopende behoeften ondersteunen bij hun toepassing van luchtweginfectiepreventie. In het bereik van de toolbox kan winst worden behaald, al is de adoptie onder bereikte professionals hoog. De toolbox heeft potentie als een geschikt hulpmiddel om infectiepreventiegedrag te stimuleren onder wisselende infectiedruk tijdens het respiratoire seizoen. 

Laura  Vriese, Maastricht University 

Rationale 
In de huisartsenpraktijk worden dagelijks beslissingen genomen. Hoewel samen beslissen steeds meer aandacht krijgt, blijft expliciete waardenverheldering – bespreken wat voor de patiënt belangrijk is – vaak onderbelicht. Dit geldt vooral voor patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden, die meer moeite hebben met het vinden, begrijpen en toepassen van gezondheidsinformatie. Wanneer waarden onvoldoende worden verkend, bestaat het risico dat beslissingen minder goed aansluiten bij de context van de patiënt, met mogelijke gevolgen zoals behandelspijt en verminderde therapietrouw. Dit promotieonderzoek richt zich op het versterken van waardenverheldering als essentieel onderdeel van samen beslissen, met specifieke aandacht voor patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden. 
 
Onderzoeksvraag 
Hoe kan waardenverheldering vaker en beter plaatsvinden in huisartsconsulten met patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden, om zo samen beslissen te bevorderen?  

Methode 
Het onderzoek startte met een observationele studie naar huisartsconsulten, waarin weinig expliciete aandacht voor samen beslissen en waardenverheldering werd gevonden. Aanvullend werden interviews gehouden met huisartsen en patiënten om ervaringen en behoeften met/voor waardenverheldering te verkennen. Vervolgens werd een co-creatieproces doorlopen met patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden, huisartsen en experts. In iteratieve sessies werd stapsgewijs toegewerkt naar een passende interventie.  

Resultaten 
Verbetering bleek vooral mogelijk in de communicatie van huisartsen. Zij gaven aan behoefte te hebben aan praktische communicatietraining en concrete voorbeeldzinnen. Dit leidde tot de ontwikkeling van een praktijkgerichte NHG E-learning met direct toepasbare handvatten.  
 
Conclusie 
De nieuw ontwikkelde NHG E-learning ondersteunt huisartsen bij waardenverheldering en daarmee betere gezamenlijke besluitvorming. Vooral bij patiënten met beperkte gezondheidsvaardigheden kan deze E-learning praktische handvatten bieden voor de praktijk.  

Eva  Visser, LUMC 

Rationale 
De kennis over de ecologische impact van de eerstelijnszorg groeit gestaag. Desondanks blijft de implementatie van duurzame zorg in de spreekkamer achter. Een belangrijke route naar verduurzaming binnen de huisartsenpraktijk ligt in gedragsverandering van huisartsen zelf. Echter is onvoldoende bekend welke factoren deze gedragsverandering kunnen bevorderen. Hierin kunnen we leren van de voorlopers die al duurzame huisartsenzorg leveren: groene huisartsen. 
 
Onderzoeksvraag 
Wat waren bevorderende factoren voor groene huisartsen om hun gedrag in de spreekkamer te veranderen van minder duurzaam naar duurzamer? Methode: Deze studie onder groene huisartsen was drieledig: 1) een vragenlijst om groene gedragsveranderingen te identificeren, 2) semigestructureerde interviews om bevorderende factoren te identificeren voor groene gedragsverandering, en 3) focusgroepen om de gevonden bevorderende factoren te prioriteren op basis van hoe helpend en haalbaar deze zijn. Data werden verzameld tussen maart en juni 2025, en gecodeerd aan de hand van het Theoretical Domains Framework (TDF). Prioritering vond plaats aan de hand van de toolkit ‘Prioritizing Implementation Barriers’.  
 
Resultaten 
We ontvingen 24 ingevulde vragenlijsten, voerden 12 interviews en organiseerden twee focusgroepen met 4 en 5 deelnemers. Uit de analyse kwamen 29 actiegerichte bevorderende factoren verspreid over tien TDF-domeinen. Prioritering resulteerde in een cluster van zeer helpend en haalbaar gescoorde bevorderende factoren (alle scores boven de 2,3 op een 1-4 Likert scale). De hoogstgescoorde (3,9) haalbaarheidsfactor was: ‘start gemakkelijk, bouw het langzaam op’; de hoogste scores (4,0) voor hoe helpend een factor was betroffen: duurzame zorg als onderdeel van professionele identiteit, duurzaamheid in richtlijnen, kennis over duurzame zorg, en ondersteunende materialen voor patiënten.  

Conclusie 
We identificeerden 29 bevorderende factoren die huisartsen kunnen helpen om duurzamer te handelen in de spreekkamer, allen hoog scorend op hoe helpend en haalbaar ze waren. Deze bevorderende factoren kunnen andere (aankomend) huisartsen helpen op hun weg naar duurzame huisartsenzorg in de spreekkamer. 

Joost  Vanhommerig, Nivel 

Rationale 
Kwetsbaarheid bij ouderen in de huisartsenpraktijk voorspelt functionele achteruitgang, toename van zorggebruik en mortaliteit. Desondanks vindt proactieve identificatie en vastlegging van kwetsbaarheid door huisartsen weinig plaats en is het zelden gekoppeld aan advance care planning (ACP). Kwetsbaarheidsindexen (frailty index: FI) kunnen patiënten identificeren die het levenseinde naderen, maar hun associatie met ACP en registratie daarvan blijft onderbelicht.  

Onderzoeksvraag 
Wat is het verband tussen kwetsbaarheid en geregistreerde levenseindegesprekken (o.b.v. ICPC code A20 ‘gesprek over levenseinde/behandelwensen’) in het laatste levensjaar (o.b.v. ICPC code A96 ‘dood/overlijden’)?  
 
Methode 
Dit observationeel onderzoek is uitgevoerd met gegevens van Nivel Zorgregistraties Eerste Lijn (2024) van 424 huisartsenpraktijken, bij n=484.810 patiënten van 65 jaar en ouder. Kwetsbaarheid werd geoperationaliseerd via een eerder (door Rockwood et al.) ontwikkelde FI-score o.b.v. multimorbiditeit en polyfarmacie en ingedeeld in de volgende groepen: niet kwetsbaar (FI <0,09), matig kwetsbaar (0,09-0,24) en kwetsbaar (≥0,25). Associaties tussen respectievelijk A20-registratie en éénjaarssterfte met leeftijd, geslacht, multimorbiditeit en FI-strata werden geanalyseerd met multivariabele logistische regressie.  
 
Resultaten 
Kwetsbare (n=33.395; 7%) en matig kwetsbare (n=188.016; 39%) patiënten hadden in 2024 respectievelijk een 5,4 en 2,7 keer hogere éénjaarssterfte t.o.v. niet-kwetsbare patiënten (n=263.399; 54%; P<0.001). Van de kwetsbare patiënten die binnen één jaar overleden had 44% een geregistreerd levenseinde/behandelwensengesprek gehad in het laatste levensjaar, bijna twee keer zo vaak als kwetsbare patiënten die >1 jaar leefden (24%).  

Conclusie 
Signalering van kwetsbaarheid op basis van ICPC registratie in het elektronisch patiëntendossier identificeert betrouwbaar kwetsbare ouderen met een verhoogde sterftekans en kan worden gebruikt bij het initiëren van ACP. Proactieve ACP-gesprekken kunnen gepersonaliseerde levenseindezorg verbeteren.  

Sofie  Jacobse, Erasmusmc 

Rationale 
Samen beslissen (SDM) is vooral onderzocht binnen behandel- en screeningscontexten. De diagnostische fase, die vaak gepaard gaat met onzekerheid, biedt echter belangrijke maar nog onderbelichte kansen voor SDM. Het is nog onduidelijk in hoeverre artsen bereid zijn SDM te gebruiken in het diagnostisch proces. 
 
Onderzoeksvraag 
Deze studie onderzocht de intenties van huisartsen in opleiding om SDM toe te passen bij diagnostische beslissingen en verkende hoe deze intenties samenhangen met werkervaringervaring, kennis, diagnostisch vertrouwen en onzekerheidstolerantie. Methode: Er werd een vignette-studie uitgevoerd onder 121 eerstejaars huisartsen in opleiding aan het Erasmus MC. Deelnemers beoordeelden zes klinische testcasussen met hoge equipoise (meerdere gelijkwaardige opties) en twee referentiecasussen met lage equipoise. Voor elke casus werd de intentie om SDM toe te passen gemeten met Likert-schaalitems die vier kernstappen van SDM weerspiegelden. Met lineaire mixed-effects modellen werden de verbanden onderzocht tussen SDM-intentie en eerdere werkervaring, casusspecifieke kennis, diagnostisch vertrouwen en scores op de Physicians’ Reactions to Uncertainty (PRU).  
 
Resultaten 
Deelnemers rapporteerden in alle testcasussen positieve intenties om SDM toe te passen (μ = 3,73/5). Een groter diagnostisch vertrouwen ging gepaard met een lagere SDM-intentie (β = -0,46, p < .001), terwijl meer werkervaring geassocieerd was met een hogere SDM-intentie (β = 0,13, p = .046). Casusspecifieke kennis en onzekerheidstolerantie lieten geen significante verbanden zien.  

Conclusie 
Aios staan positief tegenover het gebruik van SDM in casuïstiek over diagnostische beslissingen. Meer werkervaring en meer diagnostische onzekerheid zijn geassocieerd met een hogere SDM-intentie. Toekomstig onderzoek moet uitwijzen in hoeverre SDM in de praktijk ook daadwerkelijk wordt toegepast in diagnostische consulten. 

Aline  Westendorp, Amsterdam UMC 

Rationale 
De LIfestyle for BRAin Health (LIBRA) score, bruikbaar in een eerstelijnssetting, voorspelt het risico op dementie gebruikmakend van modificeerbare factoren. Voor een risicovoorspelling op maat, is het belangrijk om geslachtsverschillen in de werkzaamheid van de originele (LIBRA1) en herziene (LIBRA2) scores te identificeren. 

Onderzoeksvraag 
Wat zijn verschillen in de werkzaamheid van de LIBRA scores tussen mannen en vrouwen? 

Methode 
Uit de AGES-Reykjavik Studie, een prospectief cohortonderzoek uit IJsland, werden deelnemers zonder dementie op baseline geselecteerd. Met 11 van de 12 LIBRA1 en 13 van de 15 LIBRA2 factoren werden gewogen LIBRA1 en LIBRA2 somscores berekend. Incidentie van dementie werd vastgesteld door een multidisciplinair panel, gebruikmakend van onder andere cognitieve testen en beeldvorming, en daarnaast werden medische dossiers geraadpleegd gedurende een follow-up van maximaal 12 jaar. Cox regressie, gestratificeerd naar geslacht, werd gebruikt om de associatie tussen LIBRA1 en LIBRA2 en dementie te schatten en om de interactie tussen geslacht en LIBRA1 en LIBRA2 te bepalen. De werkzaamheid werd geëvalueerd met de Area Under the Curve (AUC). 

Resultaten 
De studiepopulatie bestond uit 5,343 mensen (58% vrouw) met een gemiddelde leeftijd op baseline van 76.6 jaar (SD=5.7). Tijdens een gemiddelde follow-up van 8.4 jaar (SD=3.4) kreeg 22.0% van de vrouwen en 18.6% van de mannen dementie. De werkzaamheid van LIBRA1 en LIBRA2 voor het voorspellen van het 10-jaarsrisico op dementie was vergelijkbaar tussen vrouwen (AUC=0.58 [95% CI: 0.55-0.61]) en mannen (AUC=0.57 [95% CI: 0.54-0.60]). Het toevoegen van leeftijd en opleidingsniveau resulteerde in een betere werkzaamheid voor vrouwen (AUC=0.77 [95% CI: 0.75-0.79]) en voor mannen (AUC=0.80 [95% CI: 0.77-0.82]). De interactie tussen geslacht en LIBRA1 en LIBRA2 was niet significant (p-waarden 0.46 en 0.51). 

Conclusie 
De werkzaamheid van LIBRA was slecht, maar er was geen significant geslachtsverschil. Door toevoeging van leeftijd en opleidingsniveau verbeterde de werkzaamheid van LIBRA aanzienlijk. 

Maroucha van den Berg, Amsterdam UMC  

Rationale 
Mensen met diabetes type 2 (T2D) hebben een verhoogd risico op hartfalen (HF), met name HF met behouden ejectiefractie (HFpEF). Linkerventrikel diastolische disfunctie (LVDD) betreft een verminderde ventrikelfunctie zonder symptomen, terwijl HFpEF wordt gekenmerkt door bijkomende klinische tekenen van congestie. HFpEF wordt vaak laat gediagnosticeerd, zelfs bij personen met een hoog risico. Vroegtijdige herkenning van HFpEF en LVDD bij T2D-patiënten is cruciaal progressie te beperken. 

Onderzoeksvraag 
Kunnen predictiemodellen HFpEF en LVDD voorspellen bij T2D-patiënten in eerstelijnszorg?  

Methoden 
In totaal ondergingen 844 T2D-patiënten zonder bekend HF uit het Dutch Diabetes Care System (DCS)-cohort tussen 2019 en 2022 een echocardiografie. Vijftien routinematig verzamelde klinische variabelen met betrekking tot demografische gegevens, medicatie, biomarkers en comorbiditeiten werden geëvalueerd als predictoren met behulp van een terugblikperiode van vijf jaar. Logistische regressie werd gebruikt voor HFpEF (ESC’21- en NHG’24-definities); multinomiale regressie voor LVDD (ASE/EACVI’25). De voorspellers werden geselecteerd door middel van backwards selection en interne validatie door middel van bootstrapping.  

Resultaten 
De prevalentie van HFpEF was 37% (ESC) en 12% (NHG); LVDD was aanwezig bij 71%. Predictoren voor beide HFpEF-modellen waren onder meer huidig/voormalig roken, vrouwelijk geslacht en hogere leeftijd. Belangrijke Predictoren voor LVDD waren onder meer vrouwelijk geslacht, voorgeschiedenis van myocardinfarct, hogere leeftijd en verhoogde systolische bloeddruk. De ESC-HFpEF- en NHG-HFpEF-modellen vertoonden een bescheiden discriminatie (AUC 0,70 [95%-BI: 0,66-0,74] en 0,73 [95%-BI: 0,68-0,78]) en een uitstekende kalibratie (Brier-scores 0,205 en 0,096), die na interne validatie gehandhaafd bleven. Het LVDD-model vertoonde een lagere discriminatie (AUC 0,68 voor normaal, 0,61 voor mild, 0,61 voor ernstig LVDD) en een goede kalibratie voor normale en ernstige, maar niet voor milde categorieën (totale Brier-score 0,208).  

Conclusie 
Bij T2D-patiënten in de eerstelijnszorg maken routinematig beschikbare klinische variabelen een bescheiden voorspelling mogelijk van HFpEF, maar niet van LVDD. Tevens bieden ze inzicht in de risicofactoren voor HFpEF bij deze populatie. 

Presentaties in zaal: De Oversteek  

Mirjam  Deelen, LUMC 

Rationale 
Urineweginfecties (UWI’s) behoren wereldwijd tot de meest voorkomende bacteriële infecties en worden doorgaans behandeld met antibiotica. Paradoxaal genoeg kan antibioticagebruik het microbioom verstoren en mogelijk het risico op toekomstige infecties vergroten.  

Onderzoeksvraag 
Het doel van dit onderzoek was te bepalen of orale antibiotica geassocieerd zijn met een verhoogde incidentie van UWI’s bij volwassenen in het jaar na antibioticagebruik, vergeleken met het jaar ervoor, met stratificatie naar geslacht, leeftijd en antibioticumgroep.  

Methode 
De opzet was een self-controlled case series-design met gebruik van routinezorgdata uit het Extramuraal LUMC Academisch Netwerk (ELAN), dat elektronische patiëntendossiers bevat van circa één miljoen personen uit meer dan 140 huisartspraktijken in de regio’s Leiden en Den Haag. Volwassenen (≥ 18 jaar oud) met ten minste één UWI tussen 2015 en 2024 werden geïncludeerd. Met multilevel conditionele Poisson-regressie analyses werden incidentieratio’s (IRR’s) bepaald, waarbij de UWI-incidentie tijdens risicoperiodes (15-365, 15-90, 91-180, 181-365 dagen na antibioticagebruik) werd vergeleken met de controleperiode (365-15 dagen voor antibioticagebruik).  

Resultaten 
In totaal traden 206.428 UWI’s op bij 82.337 volwassenen (79,9% vrouwen). De IRR bedroeg 1,03 (95%-BI: 1,03-1,04) in de 365 dagen na antibioticagebruik en was het hoogst in de eerste 90 dagen (IRR: 1,30; 95%-BI: 1,39-1,31). In deze periode bedroeg de IRR 1,43 bij vrouwen ≤ 50 jaar oud (95%-BI: 1,41-1,45), 1,20 bij vrouwen > 50 jaar oud (95%-BI: 1,19-1,21), 1,92 bij mannen ≤ 50 jaar oud (95%-BI: 1,82-2,03), 1,68 bij mannen > 50 jaar oud (95%-BI; 1,65-1,71) en 1,41 voor β-lactamantibiotica (95%-BI: 1,39-1,43).  

Conclusie 
Orale antibiotica zijn geassocieerd met een verhoogde UWI-incidentie bij vrouwen en mannen, met name in de eerste 90 dagen na gebruik. Dit suggereert dat antibioticagebruik een risicofactor vormt voor UWI’s en onderstreept het belang van een afwachtend antibioticabeleid in de huisartspraktijk, bijvoorbeeld bij patiënten met ongecompliceerde UWI’s. 

Marieke  Perry, Radboudumc 

Rationale 
Dementiediagnostiek kan in Nederland volgens de richtlijnen plaatsvinden in de eerstelijn of op een geheugenpolikliniek. De PRIMED-studie (PRImary care vs. MEmory clinic Diagnostics) vergelijkt deze trajecten op patiëntrelevante uitkomstmaten, met dagelijks functioneren als primaire uitkomstmaat. De inclusie voor het onderzoek in huisartsenpraktijken verliep trager dan verwacht. ZonMw en de Radboudumc METC voorspelden inclusieproblemen omdat gedacht werd dat ouderen voorkeur voor de geheugenpolikliniek zouden hebben.  

Onderzoeksvraag 
Hoe vaak werden ouderen met geheugenklachten uitgenodigd voor deelname aan PRIMED, waarom weigerden zij deelname, en waarom nodigden zorgverleners (huisartsen, praktijkondersteuners) geschikte patiënten niet niet uit voor deelname?  

Methoden 
We voerden een retrospectieve, observationeel onderzoek uit binnen de PRIMED-studie. Twintig huisartsenpraktijken identificeerden patiënten vanaf 70 jaar met geheugenklachten (ICPC‑code P20) door in het huisartsinformatiesysteem (HIS) zes maanden terug te kijken (tussen juli 2023–maart 2024). Per patiënt werd beoordeeld of deze was uitgenodigd voor deelname en wat de reden was voor niet‑uitnodigen of weigeren. Deze beoordeling was gebaseerd op HIS‑notities en interpretaties van door zorgverleners gevoerde gesprekken met patiënt en/of naasten.  

Resultaten 
Van de 199 correct gecodeerde patiënten, voldeden 147 aan de inclusiecriteria van PRIMED, en werden er 43 uitgenodigd voor deelname. Uit deze groep namen 4 patiënten (9,3%) deel aan PRIMED, 15 (34,9%) verkozen eerstelijnsdiagnostiek, 14 (32,6%) wilden geen (vervolg)diagnostiek, 4 (9,3%) vonden deelname te belastend en 6 (14,0%) weigerden om andere of onduidelijke redenen. Van de 104 niet-uitgenodigde patiënten wensten volgens zorgverleners 72 (69,2%) geen diagnostiek, verkozen 7 (6,7%) eerstelijnsdiagnostiek, konden 18 (17,3%) nog worden benaderd voor PRIMED en waren de redenen bij 7 (6,7%) onduidelijk.  

Conclusie 
De meeste oudere patiënten met geheugenklachten verkiezen eerstelijnsdiagnostiek of geen diagnostiek, wat contrasteert met de academische focus op vroege diagnostiek in gespecialiseerde centra. 

Marjolein  Schoonakker, LUMC 

Rationale/onderbouwing 
Type 2 diabetes (T2D) is een chronische metabole aandoening waarbij optimale glykemische controle vaak moeilijk te bereiken is ondanks standaardzorg met leefstijladviezen en medicatie. Een vasten-nabootsend dieet (fasting-mimicking diet; FMD) is ontwikkeld om de metabole effecten van vasten te simuleren met beperkte voedselinname.  

Onderzoeksvraag 
Leidt een maandelijks 5-daags FMD, toegevoegd aan gebruikelijke zorg, tot verbetering van de glykemische controle bij patiënten met T2D die uitsluitend metformine en/of leefstijlaanpassingen gebruiken?  

Methode 
In deze gerandomiseerde, gecontroleerde studie met geblindeerde effectbeoordeling werden 100 patiënten met T2D uit de huisartspraktijk geïncludeerd. De interventiegroep (n = 51) volgde gedurende 12 maanden maandelijks 5 dagen een FMD naast gebruikelijke zorg; de controlegroep (n = 49) ontving alleen gebruikelijke zorg. Daarnaast werden focusgroepen gehouden en een modelgebaseerde kosteneffectiviteitsanalyse uitgevoerd.  

Resultaten  
53% van de deelnemers met FMD gebruikte minder medicatie en/of verbeterde het HbA1c (≥5 mmol/mol), tegenover 8% in de controlegroep. Lichaamsgewicht nam af met −3.6 kg (95% BI −5.2 tot −2.1) en levervet op MRI met −2.8% (95% BI −4.7 tot −0.8). Visceraal vet op MRI-doorsnede nam af met 37.9 cm² (95% BI −54.7 tot −21.0), subcutaan vet met 20.9 cm² (95% BI −34.5 tot −7.3) en spieroppervlakte met 1.6 cm² (95% BI −4.6 tot 1.4). Focusgroepgesprekken suggereerden dat het FMD-programma haalbaar was en kan fungeren als “teachable moment” voor bredere leefstijlveranderingen. Een kosten-baten analyse suggereert dat het programma mogelijk kosteneffectief is op lange termijn.  

Conclusie 
Een maandelijks FMD als aanvulling op gebruikelijke zorg verbetert glykemische controle, lichaamssamenstelling en vermindert levervet bij T2D en lijkt ook haalbaar en kosteneffectief op lange termijn.  

Mathé  Delissen, UMC Utrecht 

Rationale 
De Numeric Rating Scale (NRS; 0-10) was tot Oktober 2024 een vast onderdeel van de ingangsklacht pijn/druk thorax van de Nederlandse Triage Standaard (NTS).  
 
Onderzoeksvraag 
Is een eenmalige pijnscore zinvol bij de triage doordat deze goed correleert met een uiteindelijke diagnose van een acuut coronair syndroom (ACS) of andere potentieel levensbedreigende aandoeningen (pLBA)? 
 
Methode 
In een observationele studie met gegevens van 9 huisartsenposten werden 2.322 triagegesprekken van patiënten met pijn/druk op de borst geanalyseerd uit de periode 2014-2017. De patiënt-gerapporteerde en de triagist-geregistreerde pijnscores werden gekoppeld deze aan ACS/andere pLBA. 
 
Resultaten 
Gesprekken waar de pijnscore werd besproken met de patiënt duurden gemiddeld één minuut langer. Vrouwen hadden een hogere gemiddelde score dan mannen (6,6 (SD 1,8) vs. 6,0 (SD 2,0), p<0,001). Triagisten schatten de score zelf in zonder de patiënt te vragen in 35.0% van de gevallen en in 9.0% werd de patiënt-gerapporteerde score op- of afgeschaald. Een patiënt-gerapporteerde score >7 bleek bij vrouwen een voorspeller voor een ACS/andere pLBA (OR 2,14; 95% BI 1,12-4,06), maar niet bij mannen (OR 1,18; 95% BI 0,64-2,10). Ook de triagist-geregistreerde pijnscore was een voorspeller voor een ACS/andere pLBA (OR 2,02; 95% BI 1,17-3,41), maar niet bij mannen (OR 1,40; 95% BI 0,83-2,28). Echter in beide gevallen was sprake van een niet-significante interactieterm voor geslacht.  
 
Conclusie 
Er is een zwakke relatie tussen een hoge pijnscore en ACS/andere pLBA bij vrouwen, maar niet bij mannen. Daarnaast wordt pijnscore wordt vaak simpelweg geschat of aangepast. Dit maakt de NRS-pijnscore niet van toegevoegde waarde voor telefonische triage van pijn op de borst op de huisartsenpost. 

Kim van Bergen, Maastricht University 

Rationale 
Correcte en snel vindbare vastlegging van reanimatiewensen is essentieel om zorg te leveren in lijn met patiëntvoorkeuren. Door het NHG wordt geadviseerd deze wensen via ICPC-code A20 te registreren. Er is echter onvoldoende bekend over hoe reanimatiewensen in de praktijk daadwerkelijk worden geregistreerd en wat de kwaliteit en vindbaarheid is. 

Onderzoeksvraag 
In welke mate zijn reanimatiewensen van patiënten ≥ 65 jaar correct gedocumenteerd in het elektronisch patiëntendossier, waar worden deze wensen buiten ICPC-code A20 vastgelegd en in hoeverre kunnen AI-taalmodellen deze voorkeuren betrouwbaar identificeren?  

Methode 
Dit retrospectief, observationeel onderzoek gebruikt data uit het Research Network Family Medicine Maastricht (RNFM). Alle A20-episoden t/m oktober 2025 werden inhoudelijk beoordeeld en handmatig geclassificeerd om zowel het aandeel met reanimatiewensen te bepalen als de inhoud vast te stellen. In een tweede dataset werden 1.134 journaalregels uit de periode 1-3-2024 t/m 30-4-2024 beoordeeld op de aanwezigheid en inhoud van reanimatiewensen. Van journaalregels met reanimatiewensen is daarnaast vastgesteld onder welke ICPC-code deze zijn geregistreerd. Tot slot werd een AI-taalmodel getraind op gelabelde journaalregels om de aanwezigheid van een duidelijke reanimatiewens te voorspellen. Prestatie van het model werd beoordeeld met ROC-AUC.  

Resultaten 
31,8% van de A20-episoden had betrekking op reanimatiewensen; 97,7% van de episode titels was eenduidig. Van de journaalregels over reanimatiewensen bevatte 28,9% een duidelijke wens binnen een juist gedocumenteerde ICPC A20-episode, 49,2% een duidelijke wens buiten een A20-episode en 21,1% geen eenduidige reanimatiewens. Naast ICPC-categorie A20 waren wensen voornamelijk ondergebracht in chronische, cardiopulmonale en geriatrische categorieën. Het taalmodel presteerde goed (AUC 0,908; sensitiviteit 88,9%; specificiteit 83,9%).  

Conclusie 
Reanimatiewensen van ouderen worden in de huisartsenzorg frequent inconsistent vastgelegd en zijn niet betrouwbaar in het dossier vindbaar via ICPC-code A20 alleen. AI-taalmodellen kunnen vrije tekst effectief screenen en zo mogelijk huisartsen ondersteunen bij het identificeren en verbeteren van documentatie. 

Jelena  Slowig, Universiteit Maastricht 

Rationale 
Kwetsbare thuiswonende ouderen hebben vaak complexe zorgvragen die gecoördineerde samenwerking tussen eerstelijnsprofessionals vereisen. Huisartsenteams organiseren hiervoor multidisciplinaire overleggen (MDO’s). Het behouden van MDO’s blijkt uitdagend door wisselende teamleden, tijdsdruk en uiteenlopende verwachtingen en financieringsstromen. Het doel van deze studie was om samen met huisartsenteams en andere eerstelijnsprofessionals borgingsinterventies te ontwerpen die de duurzaamheid van MDO’s versterken.  

Onderzoeksvraag 
Hoe ontwikkelen eerstelijnsprofessionals borgingsinterventies voor hun MDO, en welke interventies worden hierbij ontworpen?  

Methode 
We voerden een participatief actieonderzoek uit met eerstelijnsprofessionals verbonden aan zeven MDO-teams. Participanten waren onder meer huisartsen, verpleegkundig specialisten, praktijkondersteuners huisartsen en wijkverpleegkundigen. Voorafgaand identificeerden we binnen elk van de deelnemende MDO’s bevorderende aspecten, belemmeringen en behoeften voor borging, gevolgd door een prioritering van deze behoeften. Voor de ontwikkeling van borgingsinterventies richtte elk MDO een eigen actiegroep op; in totaal kwamen de zeven actiegroepen 42 keer bijeen. Gegevens werden verzameld via observaties, veldnotities en notulen van alle vergaderingen en geanalyseerd middels inhoudsanalyse.  

Resultaten 
De resultaten richten zich op de ontworpen borgingsinterventies. Het ontwikkelproces werd gekenmerkt door iteratieve plan-do-check-act cycli. Elke actiegroep ontwikkelde een borgingsplan met verschillende interventies, die globaal in twee categorieën kunnen worden onderverdeeld: interventies gericht op het realiseren van randvoorwaarden voor borging en interventies gericht op het borgen van het proces, de inhoud of het team van het MDO zelf. Interventies voor het realiseren van randvoorwaarden omvatten onder andere het opzetten van digitale infrastructuren en werken volgens de wet AVG. Overige interventies waren gericht op het opzetten van netwerkkaarten en contactlijsten, uitbreiden van de teamsamenstelling, opstellen van werkafspraken en invoering van periodieke MDO-evaluaties. 

Conclusie 
De borgingsplannen werden beïnvloed door context specifieke behoeften zoals, beschikbare middelen, lokale dynamiek en persoonlijke voorkeuren. De borging van MDO’s blijkt een adaptief en iteratief proces, waarbij teams eerst de bestaande implementatiepraktijk evalueren en aanpassen voordat concrete borgingsinterventies worden ontworpen. 

Elise  Boersma-van Dam, Nivel 

Rationale 
Sociaaleconomische positie (SEP) is een sterke voorspeller van gezondheidsuitkomsten en zorggebruik. Ook in Nederland rapporteren mensen met een lage SEP vaker een slechtere gezondheid en een hogere prevalentie van chronische aandoeningen. Om het zorggebruik in de eerstelijnszorg te monitoren, verzamelt Nivel Zorgregistraties onder andere routinegegevens uit een steekproef van circa tien procent van alle Nederlandse huisartsenpraktijken. De representativiteit van deze steekproef wat betreft SEP is essentieel voor accurate nationale schattingen.  

Onderzoeksvraag 
In hoeverre zijn patiënten in huisartsenpraktijken binnen Nivel Zorgregistraties een goede afspiegeling van de Nederlandse bevolking qua SEP? En welke verschillen in zorggebruik in de huisartsendagpraktijk en op de huisartsenspoedposten bestaan er tussen SEP-groepen? 
 
Methode 
In dit retrospectieve observationele onderzoek zijn gegevens van circa 1,8 miljoen patiënten uit huisartsenpraktijken en bijna twee miljoen patiënten van huisartsenspoedposten uit 2024 gebruikt. Deze gegevens zijn gekoppeld aan sociaaleconomische indicatoren uit CBS-microdata, waaronder huishoudinkomen en opleidingsniveau. Representativiteit van de dagzorgpopulatie werd beoordeeld door vergelijking met de Nederlandse bevolking. Verschillen in zorggebruik en morbiditeit tussen SEP-groepen in de dagzorg en spoedposten zijn geanalyseerd met multilevel regressiemodellen.  

Resultaten 
Eerste analyses laten zien dat de ingeschreven populatie bij deelnemende huisartsenpraktijken in Nivel Zorgregistraties een goede afspiegeling vormt van de Nederlandse bevolking wat betreft inkomen, vermogen, financiële welvaart, opleidingsniveau en sociaaleconomische categorie. Verschillen in zorggebruik en morbiditeitspatronen tussen SEP-groepen in dagzorg en op huisartsenspoedposten worden gepresenteerd op de NHG-Wetenschapsdag.  
 

Conclusie 
De populatie in de deelnemende huisartsenpraktijken binnen Nivel Zorgregistraties vormt een goede afspiegeling van de Nederlandse bevolking op het gebied van SEP. Hierdoor zijn de gegevens goed bruikbaar voor onderzoek naar sociaaleconomische verschillen in zorggebruik in de huisartsenzorg. 

Workshop 1 in zaal: Waalbrug A 

Eefje Dons, Huisarts docent Evidence Based Medicine Eerstelijnsgeneeskunde Radboudmc 

Via social media zoals TikTok, Insta en Snapchat wordt veel medische misinformatie verspreid. Hoe kun je daar tijdens een consult het beste op reageren? In deze workshop leer je welke communicatiestrategieën evidence-based zijn en oefen je deze in rollenspellen. 

Workshop 2 in zaal: Keizer Traianus 

Astrid de Graaf en Inge Douwes, NSPOH 

Wicked problems zijn vraagstukken waarin verschillende perspectieven, belangen en oorzaken door elkaar lopen. Vaak is het zelfs niet helemaal duidelijk wat het probleem precies is. 

Als huisarts kom je ze dagelijks tegen: hardnekkige zorgvragen die blijven terugkomen, ondanks goede zorg en richtlijnen. Leefstijl die niet verandert, recidiverende mentale klachten, groeiende gezondheidsverschillen, of preventieprogramma’s die vooral de al mondige en gezonde groep bereiken. Patiënten met lage gezondheidsvaardigheden, taalbarrières, armoede of stapeling van problemen blijven vaker buiten beeld.  

In deze workshop duiken we samen in de wereld van wicked problems. We verkennen wat deze vraagstukken zo hardnekkig maakt, hoe je ze kunt ontrafelen en hoe je verschillende perspectieven zichtbaar maakt. Aan de hand van concrete casussen gaan we praktisch aan de slag. Stap voor stap zoeken we naar mogelijke oplossingsrichtingen — niet perfect of definitief, maar wel betekenisvol en toepasbaar in de praktijk. 

Terug naar het hele programma