U bent hier

Overgevoeligheid (LESA Laboratoriumdiagnostiek)

Samenvatting Overgevoeligheid (actualisering mei 2018; herzien t.o.v. versie van 2012).

Inhoud

  1. Diagnostiek inhalatieallergenen

1. Diagnostiek inhalatieallergenen

Bepalingen

  • Specifiek IgE tegen …
  • Inhalatieallergeenscreeningstest (indien positief uitsplitsing: huisstofmijt, kat, hond, graspollen, boompollen, kruiden, schimmels)

Indicatie

Onderzoek naar inhalatieallergenen is geïndiceerd bij patiënten:

  • met langdurige of frequent recidiverende rinitis zonder duidelijke oorzaak: bij voorkeur gericht allergieonderzoek, indien anamnese niet eenduidig: overweeg inhalatieallergeenscreeningstest.
  • bij wie men astma vermoedt:
    • kinderen 1-6 jaar: verricht screeningsonderzoek bij anamnestische aanwijzingen voor een allergie waarbij het allergeen onduidelijk is en als de uitslag directe consequenties heeft voor het beleid;
    • alle kinderen van 6 jaar en ouder en volwassenen.

Afkapwaarden

Inhalatieallergeenscreeningstest

Dichotome testuitslag

Allergeenspecifiek IgE (sIgE)

≤ 0,35 kU/l

De relatie tussen een sIgE-concentratie en de kans op het hebben van een klinische allergie is per allergeen verschillend. Een concentratie boven de afkapwaarde (0,35 kU/l) toont sensibilisatie voor dit specifieke antigeen, maar bepaalt niet of de patiënt daadwerkelijk allergisch is.

Verder beleid

  • Beoordeel de uitslagen in de context van de klachten. Houd rekening met eventuele asymptomatische sensibilisatie en kruisreacties tussen verschillende allergenen (vooral tussen pollen en plantaardige voedingsmiddelen).
  • Bij kinderen jonger dan 6 jaar met episodisch piepen, al dan niet met hoesten of kortademigheid, maakt een positieve test de diagnose (allergisch) astma waarschijnlijker.

 

Het verrichten van een voedselallergeenscreeningstest of allergeenspecifieke IgE-tests bij vermoeden van voedselovergevoeligheid wordt niet aanbevolen (zie paragraaf voedselovergevoeligheid).