U bent hier

Laboratoriumdiagnostiek Zwangerschap en zwangerschapswens (LESA)

Dit hoofdstuk is geactualiseerd ten opzichte van de versie van 2006. De aanpassingen zijn gebaseerd op de NHG-Standaard Preconceptiezorg uit 2011 en de herziening van de NHG-Standaard Zwangerschap en kraamperiode uit 2012.

Inhoud

Belangrijkste wijzigingen

ICPC-codering

Inleiding

  1. Ter opsporing van resusfactoren en irregulaire erytrocytenantistoffen
  2. Ter opsporing van hepatitis-B-dragerschap, syfilis, chlamydia, hiv
  3. Ter opsporing van anemie
  4. Ter opsporing van onvoldoende vaccinatiestatus rubella
  5. Ter opsporing van doorgemaakte varicella
  6. Ter opsporing van doorgemaakte parvo B19–infectie (vijfde ziekte)
  7. Ter opsporing van een schildklierfunctiestoornis
  8. Ter opsporing van diabetes mellitus
  9. Bij gebruik van anti-epileptica

Vermelding op het probleemgeoriënteerd aanvraagformulier

Literatuur

Belangrijkste wijzigingen

  • Ook de preconceptiezorg is nu in dit hoofdstuk opgenomen.
  • Het aanvragen van het eerste trimesterbloedonderzoek is in principe geen taak meer van de huisarts, maar van de verloskundige of gynaecoloog, en wordt dus onderscheiden van het aanvullend onderzoek.

ICPC-codering

W78       Zwangerschap bevestigd

A97        Preventief onderzoek

Inleiding

Een aantal bepalingen is aangewezen bij het preconceptieconsult, het eerste zwangerschapsconsult en bij een deel van de zwangeren in een latere fase van de zwangerschap. Deels overlappen die elkaar.1 ,2  Het preconceptieconsult dient voor het verstrekken van gezondheidsinformatie over zwangerschap en geboorte en om mogelijke risico’s van de zwangerschap in kaart te brengen.

Preconceptieconsult

De huisarts verricht bij de vrouw de volgende bepalingen:

  • Bij risicofactoren voor diabetes, zoals BMI ≥ 30, Hindoestaanse afkomst, zwangerschapsdiabetes in voorgeschiedenis: nuchter glucose.
  • Bij klachten die kunnen wijzen op een soa of bij seksueel risicogedrag: chlamydia, gonorroe, hepatitis B en/of HIV (zie ook Hoofdstuk Soa).
  • Bij twijfel aan vaccinatie tegen rode hond: rubella-antistoffen.
  • Bij twijfel aan doorgemaakte waterpokken: varicella-antistoffen.
  • Bij vrouwen die werken in de gezondheidszorg of beroepsmatig contact hebben met kleine kinderen: antistoffen tegen parvovirus B19 (vijfde ziekte).
  • Bij gebruik van anti-epileptica: foliumzuur.
  • Bij de ziekte van Graves: antilichamen tegen de TSH-receptor.

De huisarts adviseert een dragerschapstest op hemoglobinopathie bij vrouwen én mannen die:

  • afkomstig zijn uit het Middellandse Zeegebied, Afrika, Azië, Midden-Oosten, Caribisch gebied;
  • bekend zijn met een microcytair hypochroom bloedbeeld of persisterende anemie na ijzersuppletie (zie de NHG-Standaard Anemie);3
  • een hemoglobinopathie in de familie hebben;
  • een eerder kind in de familie hebben dat met de hielprik is gediagnosticeerd als zijnde ziek of drager van een hemoglobinopathie.

Eerste zwangerschapsconsult

Meestal vraagt de verloskundige, de verloskundig actieve huisarts of de gynaecoloog de bepalingen aan voor het eerste zwangerschapsconsult. Deze bepalingen worden gedeeltelijk vergoed in het kader van de Prenatale Screening Infectieziekten en Erytrocytenimmunisatie (PSIE). Ingevolge dit landelijk bevolkingsonderzoek krijgt een zwangere vrouw bloedonderzoek aangeboden in het eerste trimester van de zwangerschap ter voorkoming van enkele ernstige ziektes bij ongeboren en pasgeboren kinderen.

De meeste laboratoria hebben een afzonderlijk formulier voor het aanvragen van laboratoriumonderzoek in de zwangerschap. De voor de PSIE benodigde extra gegevens zijn de pariteit en de à terme datum.

Vraag de zwangere toestemming voor de bepalingen van het screeningsprogramma via informed consent. Vraag ook toestemming om haar gegevens te registreren bij de ent-administratie vanwege de wet op de persoonsregistratie.

Weigert de zwangere (een deel van) het screeningsprogramma (bijvoorbeeld bepaling van hiv-antistoffen) of registratie van gegevens, vermeld dit dan op het formulier onder het kopje ‘aanvullende informatie’. Hier kunnen ook aanvullende klinische gegevens (bijvoorbeeld HBsAg-dragerschap of bekende infectie met hiv of lues) worden genoteerd.

Als de zwangere akkoord gaat of geen bezwaren uit, hoeft niets te worden genoteerd.

De aangevraagde bepalingen ingevolge de PSIE omvatten:

  • bloedgroep, resusfactor en irregulaire antistoffen;
  • antistoffen tegen lues, hiv en hepatitis B.

Deze PSIE-bepalingen worden vergoed.

Op indicatie wordt de PSIE aangevuld met de bepalingen genoemd in bovenstaande paragraaf Preconceptieconsult.

1. Ter opsporing van resusfactoren en irregulaire erytrocytenantistoffen

Bepalingen

  • ABO-bloedgroep 
  • resus-D -antigeen
  • resus-c-antigeen
  • irregulaire erytrocytenantistoffen

Resus-D-antistoffenResus-c-antistoffenirregulaire erytrocytenantistoffenResus-D-antistoffenResus-c-antistoffenirregulaire erytrocytenantistoffen

Indicatie

Bepaling van AB0-bloedgroep, resusfactor en irregulaire erytrocytenantistoffen (IEA) bij de zwangere is gebaseerd op het advies van de Gezondheidsraad Zwangerschapsimmunisatie door rode bloedcellen uit 2009. Tijdens het eerste bloedonderzoek wordt voor de 10e zwangerschapsweek de Resus-D- en Resus (c)-bloedgroep (Rhc) bepaald. Alle Rhc-negatieve zwangeren worden in week 27 gescreend op laat gevormde c-IEA (en andere IEA). Het dient om na te gaan of:

  • een zwangere resus-D- of resus-c-negatief is, waardoor resusantagonisme zou kunnen optreden,
  • IEA aanwezig zijn die ontstaan zijn ten gevolge van immunisatie door (foetale) erytrocyten.4

Toediening van anti-resus-D-immunoglobuline aan resus-D-negatieve zwangeren is geïndiceerd als er een verhoogde kans bestaat op foetomaternale bloedtransfusie. In het eerste trimester bij resusnegatieve zwangeren zijn vooral de spontane miskraam na de tiende zwangerschapsweek en een stomp buiktrauma voor de huisarts van belang.5 Sinds juli 2011 is het eerste bloedonderzoek uitgebreid met de bepaling van het Resus(c)-antigeen.

Resus-D-negatieve zwangeren krijgen in de 27e zwangerschapsweek foetaal Resus-(D-)typering aangeboden (PCR op foetaal DNA uit de syncytiotrofoblast geïsoleerd uit maternaal plasma). Resus-D-negatieve vrouwen die zwanger zijn van een Resus-D-positief kind krijgen in week 30 anti-Resus-D-immunoglobuline (anti-D) toegediend omdat dit de kans op resusimmunisatie verder verkleint. Met deze foetale Resustypering kan de navelstrengbloedbepaling bij pasgeborenen van Resus-D-negatieve moeders vervallen. Voor meerlingen blijft deze wel bestaan.

Het lokale laboratorium bepaalt de Resus-D-bloedgroep direct na de geboorte. Dit gebeurt ook als bij de geboorte geen Resus-D-bloedgroep bekend is van de baby van een Resus-D-negatieve moeder. Een resus-D-negatieve moeder krijgt na de geboorte van een Resus-D-positief kind  anti-resus-D-immunoglobuline (1000IE).

Sanquin screent alle Resus-D en (c-)negatieve zwangeren (18% van alle zwangeren) in week 27 op laat gevormde c-IEA en andere IEA.

Sinds 1 juli 1998 wordt bij iedere zwangere behalve naar resus-D en resus-c ook routinematig onderzoek naar andere irregulaire erytrocytenantistoffen gedaan. Ook deze kunnen namelijk intra-uterien of postpartum hemolytische anemie bij de vrucht veroorzaken.

De prevalentie van resus-D-antistoffen is 0,6% en van irregulaire antistoffen circa 0,25%.4 Als bij de zwangere irregulaire erytrocytenantistoffen zijn vastgesteld, is aanvullend bloedonderzoek door een gespecialiseerd laboratorium (Sanquin of het BIBO) noodzakelijk, omdat niet alle antistoffen klinisch relevant zijn.5 Soms stuurt het laboratorium het afgenomen bloed hiervoor direct door naar Sanquin of BIBO, soms ook is een tweede bloedmonster nodig. Gebruik in dit laatste geval het speciaal ontwikkelde Sanquin/BIBO-aanvraagformulier (formulier 1 Zwangerschapsimmunisatie en formulier 27 Resus D en rhesus c immunisatie). Hierop wordt namelijk naar aanvullende gegevens gevraagd (onder andere over de zwangerschap en of er in het verleden bloedtransfusie is geweest).

Achtergrondinformatie bij de bepalingen

De sensitiviteit van de resus-D- en andere irregulaire erytrocytenantistoffenbepalingen zijn hoog, de specificiteit voor het ontwikkelen van hemolytische ziekte bij de pasgeborene is echter laag.6 Aanvullende gegevens, zoals de bloedgroeptypering van de partner en de hoeveelheid en de biologische activiteit van de antistoffen, kunnen de specificiteit verhogen. Wat betreft irregulaire antistoffen zijn vooral antistoffen tegen de antigenen in het resus-DCcEe, Kell-, Duffy-, Kidd- en MNSs-systeem van belang. Hemolytische ziekte van de foetus of de pasgeborene door IEA waaronder Resus-c wordt opgespoord bij circa 5/100.000 zwangerschappen. Meestal betreft het anti-K- en anti-c-antistoffen.

Referentiewaarden

ABO-bloedgroep

Bloedgroep A, B, AB of O

resus-D -antistoffen

Dichotome testuitslag

resus-c-antistoffen

Dichotome testuitslag

irregulaire erytrocytenantistoffen

Dichotome testuitslag

Verder beleid

Na vaststelling van Resus–D- of andere irregulaire antistoffen geeft Sanquin of BIBO advies over het te volgen beleid.

2. Ter opsporing van hepatitis-B-dragerschap, syfilis, chlamydia, hiv

Bepalingen

  • HBsAg
  • lues TPHA/TPPA
  • C. trachomatis NAAT/PCR
  • hiv-antistoffen

Indicatie

Aanwezigheid van hepatitis B-surface-antigeen (HBsAg) bij een (pre)zwangere wijst op actieve infectie met of dragerschap van het hepatitis–B-virus. Ter preventie van verticale transmissie krijgen pasgeborenen van HBsAg-positieve moeders specifiek immunoglobuline toegediend; daarna volgt actieve immunisatie.

De Treponema Pallidum Hemagglutination Assay (TPHA) of een modificatie hiervan (TPPA) zijn aangewezen voor screening op lues.

De diagnostiek van een hiv-infectie berust op het aantonen van antistoffen tegen hiv. Sinds januari 2004 is het advies bij alle zwangeren de hiv-status te bepalen, tenzij zij hiertegen bezwaar hebben.7 De kans op overdracht van het virus van moeder op kind kan aanmerkelijk verkleinen door:

  • medicamenteuze behandeling tijdens de zwangerschap;
  • geboorte van het kind via een keizersnede;
  • af te zien van borstvoeding.

Bij een positieve bepaling voor hepatitis B, syfilis of hiv- verricht het laboratorium een confirmatietest en vraagt tegelijkertijd een tweede bloedmonster af te nemen ter uitsluiting van foutpositieve uitslagen, bijvoorbeeld door het verwisselen van buizen. Bij een positieve bepaling voor hepatitis B is het ook nodig na te gaan of er sprake is van een recente infectie dan wel dragerschap.

Het voordeel van onderzoek naar hepatitis B en hiv bij hoogrisicogroepen vóór de zwangerschap is dat behandeling nog mogelijk is en eerder nagedacht kan worden over de consequenties voor vrouw en toekomstig kind.

Bij vrouwen met een zwangerschapswens en klachten die kunnen wijzen op een soa of seksueel risicogedrag is ook onderzoek naar Chlamydia aanbevolen. Chlamydia-infecties kunnen leiden tot salpingitis, infertiliteit en ectopische zwangerschap. Onbehandelde chlamydia kan vroeggeboorte en ernstige conjunctivitis of pneumonie bij de neonaat veroorzaken.

Achtergrondinformatie bij de bepalingen, referentiewaarden en verder beleid

HBsAg

zie Leveraandoeningen

Lues TPHA/TPPA,

C. trachomatis NAAT/PCR

Hiv-antistoffen

zie Seksueel overdraagbare aandoeningen 

3. Ter opsporing van anemie

Bepalingen

  • Hb

Indicatie

Bepaling van het Hb bij zwangeren wordt aanbevolen omdat aannemelijk is dat zij een verhoogde kans hebben op anemie.

Achtergrondinformatie bij de bepalingen

Zie Anemie

Referentiewaarden1

Amenorroeduur in weken     
Hb in mmol/l

t/m 13

7,1

14-17

6,8

18-21

6,5

22-37

6,3

Vanaf 38

6,5

Post partum dag 1-5

6,5

Post partum na dag 6

7,2

Verder beleid

De meest waarschijnlijke oorzaken van anemie bij zwangeren van Nederlandse origine zijn ijzergebrek en (minder frequent) foliumzuurtekort. De kans op ijzergebreksanemie is vergroot bij:

  • vrouwen met slechte voedingsgewoonten;
  • zwangere tieners;
  • vrouwen met binnen een jaar een nieuwe zwangerschap;
  • vrouwen met een meerlingzwangerschap.

Bepaal MCV bij een Hb onder de grenswaarde tijdens de zwangerschap. Verricht aanvullende diagnostiek bij zwangeren met een zeer laag Hb (< 5,6 mmol/l) volgens de NHG-Standaard Anemie [link Laboratoriumdiagnostiek Anemie].
Houd bij zwangeren van niet-Noord-Europese afkomst rekening met een hemoglobinopathie als oorzaak van anemie:

  • Bij vrouwen uit het Middellandse Zeegebied of Midden- en Zuidoost-Azië, en bij Surinaamse Hindoestanen en Javanen is waakzaamheid voor dragerschap van thalassemie geboden.
  • Dragerschap van het sikkelcelgen komt vooral voor bij negroïde vrouwen, zoals Surinaamse creolen en vrouwen van Afrikaanse afkomst, en leidt slechts zelden tot anemie.

Screening op hemoglobinopathiedragerschap vindt plaats bij:

  • het preconceptieconsult;
  • het eerste zwangerschapsonderzoek bij hoogrisicovrouwen vanwege hun herkomst;
  • anemie bij een vrouw uit genoemde hoogrisicogroepen.

De NHG-Standaard Zwangerschap en kraamperiode geeft per zwangerschapsduur grenswaarden aan voor anemie. De huisarts moet er rekening mee houden dat ook de referentiewaarden voor andere hematologische parameters, zoals ferritine, foliumzuur en vitamine B12, in de zwangerschap afwijkend zijn.8

4. Ter opsporing van onvoldoende vaccinatiestatus rubella

Bepalingen

  • rubella-IgG-antistoffen

Indicatie

Tijdens de zwangerschap is er een verminderde afweer tegen virussen en intracellulaire micro-organismen. Zwangeren hebben meer kans op infecties, deze kunnen ernstiger verlopen en kunnen soms ook effect hebben op de foetus. Dit is onder meer het geval bij varicella, parvovirus en rubella. De vaccinatiestatus van vooral rubella (‘rode hond’) is van belang, omdat infectie in de vroege zwangerschap het congenitaal rubellasyndroom kan geven. De rubellatiter wordt alleen bepaald bij vrouwen van wie het onwaarschijnlijk of onzeker is dat zij in het verleden gevaccineerd zijn.

Achtergronden bij de bepaling

Rubella serologie is gewoonlijk gebaseerd op enzymatische immunoassays (EIA’s).9

Referentiewaarden

Rubella-IgG-antistoffen

IgG-titer ≥ 1:32 of een IgG-spiegel ≥ 15 IU/ml

Een IgG-titer van 1:32 of hoger of een IgG-spiegel van 20 IU/ml of hoger geldt als voldoende bescherming. Bij lagere waarden kan de interpretatie afhankelijk zijn van de gebruikte methode en het laboratorium en wordt overleg gepleegd.

Verder beleid

Bij onvoldoende bescherming is preconceptionele vaccinatie mogelijk. Vanwege theoretische bezwaren luidt het advies om het vaccin niet toe te dienen aan zwangeren (er zijn overigens geen gevallen van het congenitale rubellasyndroom beschreven na vaccinatie tijdens de zwangerschap).

Een daadwerkelijke rubella-infectie tijdens de zwangerschap kan worden aangetoond door enkele weken na het (vermoedelijke) contact de IgM-titer te bepalen. Een Ig-M titer van 1:100 of hoger wijst op een recente infectie; prenataal onderzoek naar de conditie van de vrucht is dan geïndiceerd.

5. Ter opsporing van doorgemaakte varicella

Bepaling

  • varicella-IgG-antistoffen

Indicatie

Geadviseerd wordt de varicella-titer te bepalen bij vrouwen die anamnestisch geen waterpokken hebben doorgemaakt. Van alle Nederlandse vrouwen heeft 93% voor het 5e levensjaar varicella gehad. Een zwangere die geen waterpokken heeft gehad en nauw contact heeft met een varicella-patiënt, loopt risico op besmetting, wat gevaar kan opleveren voor de zwangere en de foetus. ‘Nauw contact’ is omschreven als:

  • behorend tot het zelfde huishouden;
  • gezichtscontact op minder dan 2 meter gedurende tenminste 5 minuten; verblijf in dezelfde ruimte gedurende meer dan een uur.

Zwangeren hebben bij een infectie met het varicellazostervirus een verhoogde kans op een varicellapneumonie (5 - 10%) met een verhoogde mortaliteit. Bovendien is er 5% kans op partus prematurus en circa 10% kans op transplacentaire infectie van de foetus. Een maternale infectie tussen de 13e en 20e week leidt in 2% van de gevallen tot congenitaal varicellasyndroom (o.a. huiddefecten, oogdefecten, hypoplastische ledematen); en voor de 13e week in 0,4% van de gevallen. Bij maternale infectie met het varicellazostervirus na de 20e week is geen congenitaal varicellasyndroom beschreven.

Als de infectie met het varicellazostervirus wordt overgedragen van de moeder op de neonatus tussen de 5e dag vóór tot de 2e dag na de bevalling, dan kan deze ernstig verlopen. De pasgeborene is dan transplacentair geïnfecteerd maar heeft geen maternale antistoffen meegekregen. Een infectie met het varicellazostervirus via broertjes of zusjes direct na de geboorte heeft in het algemeen een normaal beloop.

Achtergronden bij de bepaling

Voor het bepalen van varicellaspecifieke antistoffen geldt de fluorescent-antibody-to-membrane-antigen-test (FAMA) als gouden standaard. Deze test is echter bewerkelijk en geen routinediagnostiek. De complementbindingsreactie (CBR) is weinig gevoelig; de indirecte immuunfluorescentietest (IFT) en enzymatische immunoassay (EIA) zijn meer geschikt. De grenswaarde voor de met EIA aangetoonde aanwezigheid van beschermende antistoffen van >100 IU/L kwam in 98,7% van de gevallen overeen met een positief resultaat in de FAMA-test (titer ≥ 2).

Referentiewaarden

Varicella-IgG-antistoffen

IgG-spiegel van >100 IU/l of > 150 IU/l afhankelijk van het gebruikte standaardserum en de gebruikte test

 De laboratoria geven aan of de zwangere beschermd is of niet.10

Verder beleid

Aan vrouwen met een zwangerschapswens die werkzaam zijn in de gezondheidszorg of (beroepsmatig) in contact komen met kleine kinderen, kan een vaccinatie worden aangeboden als zij onvoldoende beschermd zijn.

6. Ter opsporing van doorgemaakte parvo B19–infectie (vijfde ziekte)

Bepalingen

  • parvo B19 IgG-antistoffen

Indicatie

Zwangeren die werkzaam zijn in basisonderwijs, kinderopvang of gezondheidszorg hebben een verhoogd risico op contact met parvovirus B19. Veel volwassenen hebben als kind de vijfde ziekte doorgemaakt en zijn levenslang beschermd.

Als vrouwen beroepsmatig met jonge kinderen in contact komen, adviseert de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde om voorafgaand aan de zwangerschap serologie op het parvovirus B19 te bepalen.

Bij niet immune zwangeren leidt een infectie met parvovirus B19 in een deel van de gevallen tot verticale transmissie. In de eerste 20 weken van de zwangerschap veroorzaakt infectie in 9% van de gevallen spontane abortus of intra-uteriene vruchtdood. Bij kinderen geboren na maternale infectie met parvovirus B19 virus zijn geen congenitale afwijkingen beschreven.

Bij een zwangere < 20 weken zwanger met klachten passend bij of een nauw contact met een kind met de vijfde ziekte, bijvoorbeeld in het eigen gezin, kan bepaling van IgG en IgM antistoffen informatie geven over immuniteit en besmetting.12

Achtergronden bij de bepaling

Bepaling van parvovirus B19 IgM- en IgG-antistoffen vindt gewoonlijk plaats met behulp van enzymatische immunoassays (EIA’s).11 De sensitiviteit van de verschillende tests varieert van 90 - 97%. De specificiteit ligt tussen 70 en 96%.13-15 Fout-positieve uitslagen worden gezien bij de aanwezigheid van IgM antistoffen voor CMV, Epstein Barr virus, herpesvirusgroep en reumafactoren.

Referentiewaarden

parvo B19 IgG-antistoffen

Dichotome testuitslag

De laboratoria geven aan of de zwangere beschermd is of niet.

Verder beleid

Bij seronegatieve vrouwen die beroepsmatig met jonge kinderen in contact komen zijn maatregelen nodig, zoals het mijden van de werkplek bij uitbraak van de vijfde ziekte.

Als bij een zwangere met een recent risicocontact geen immuniteit aantoonbaar is, kan bij vermoeden van een recente infectie herhaling van het onderzoek drie weken na de eerste bepaling de infectie aantonen. Voor het verdere beleid zie LCI-Richtlijn Erythema infectiosum (vijfde ziekte). Bijlage I Parvovirus B19-infectie en zwangerschap. Richtlijnen voor de praktijk.12 Therapeutische mogelijkheden bij een primaire infectie tijdens de zwangerschap zijn er niet.

7. Ter opsporing van een schildklierfunctiestoornis

Bepalingen

  • TSH
  • vrij T4
  • TSH-R-antistoffen

Indicatie

Tijdens de zwangerschap neemt de behoefte aan schildklierhormoon toe. Gezonde zwangeren kunnen aan deze extra behoefte voldoen door meer schildklierhormoon te produceren. Bij een maternale hypothyreoïdie is dit niet mogelijk. Dan is verhoging van de dosis levothyroxine nodig om ervoor te zorgen dat de zwangere euthyreoot blijft. Euthyreoïdie is noodzakelijk voor een goede ontwikkeling van het embryo.

On(der)behandelde hypothyreoïdie verhoogt het risico op zwangerschapscomplicaties.

Hyperthyreoïdie geeft een verhoogd risico op een thyreotoxische storm bij de moeder, vooral rond bevalling en kraambed. Bovendien is er een verhoogd risico op intra-uteriene groeivertraging en op vroeggeboorte.

Bepaal daarom bij een schildklieraandoening (in de voorgeschiedenis) bij aanvang van de zwangerschap het TSH en vrij T4.

Bepaal daarnaast bij deze patiënten, met uitzondering van degenen met subklinische hypothyreoïdie, de TSH-R-antistoffen, tenzij deze in het verleden al zijn bepaald. TSH-R-antistoffen kunnen de placenta passeren en ook de foetale TSH-receptoren stimuleren. Hierdoor kan foetale en/of neonatale hyperthyreoïdie ontstaan. TSH-R-antistoffen kunnen ook aanwezig zijn bij zwangeren die in het verleden succesvol behandeld zijn voor hyperthyreoïdie en die een normale of zelfs een verlaagde schildklierfunctie hebben. De TSH-R-antistoffentiter heeft een voorspellende waarde voor het ontstaan van foetale en/of neonatale hyperthyreoïdie.

Achtergrondinformatie bij de bepalingen, referentiewaarden en verder beleid

TSH, vrij T4

TSH-R-antistoffen

zie Schildklieraandoeningen

 

8. Ter opsporing van diabetes mellitus: glucose

Indicatie

Bij een vermoeden van of verhoogd risico op diabetes mellitus wordt het nuchtere glucose bepaald.2  Het gaat om vrouwen met:

  • zwangerschapsdiabetes in de voorgeschiedenis;
  • een BMI > 30 (kg/m2) bij de eerste prenatale controle;
  • een eerder kind met een geboortegewicht > P95 of > 4500 gram;
  • een eerstegraadsfamilielid met diabetes;
  • directe afkomst uit gebieden waarin diabetes veel voorkomt: Zuid-Azië (o.a. Hindoestanen), Midden-Oosten, Marokko en Egypte, en Afro-Caribische afkomst;
  • onverklaarde intra-uteriene vruchtdood in de voorgeschiedenis;
  • polycysteus ovarium syndroom.

Achtergrondinformatie bij de bepalingen en referentiewaarden

Glucose, nuchter

zie Diabetes mellitus type 2

Verder beleid

Zwangeren met diabetes worden verwezen naar de gynaecoloog en internist.

9. Bij gebruik van anti-epileptica

Bepalingen

  • foliumzuur

Indicatie

Het gebruik van anti-epileptica is geassocieerd met congenitale aandoeningen.

Achtergrondinformatie bij de bepalingen

Sommige anti-epileptica veroorzaken enzyminductie in de lever waardoor foliumzuur sneller afgebroken wordt. Ook remmen anti-epileptica de resorptie van foliumzuur in de dunne darm. Samen kan dit resulteren in een foliumzuurdeficiëntie. De bepaling van foliumzuur kan uit serum plaatsvinden.

Referentiewaarden

foliumzuur

Afhankelijk van het laboratorium en de referentiepopulatie

Het advies is de referentiewaarden die door het regionale laboratorium worden gehanteerd te gebruiken.

Verder beleid

De NHG-Standaard Preconceptiezorg adviseert vrouwen die anti-epileptica gebruiken te verwijzen naar de neuroloog en tevens het foliumzuurgehalte te bepalen. Als er een foliumzuurdeficiëntie bestaat, wordt een hogere dosis foliumzuur dan gewoonlijk (5 mg in plaats van 0,4 of 0,5 mg/dag) aanbevolen.

Vermelding op het probleemgeoriënteerd aanvraagformulier

Zwangerschapswens en zwangerschap

□ glucose (nuchter; bij klachten/verhoogd risico)

□ rubella (indien niet gevaccineerd)

□ varicella (indien niet doorgemaakt)

□ parvovirus B19 (5e ziekte, bij verhoogd risico)

□ foliumzuur (bij gebruik anti-epileptica)

□ TSH, vrij T4 (schildklierafwijking (in de voorgeschiedenis))

□ TSH-R-antistoftiter (bij hypothyreoïdie en Graves (in de VG))

□ Hb-elektroforese (bij verhoogd risico op thalassemie)

Bij zwangerschap tevens:

□ prenatale screening (ABO-, RhD, RHc bloedgroep, irr. antistoffen, HBsAg, lues, hiv)

□ Hb

pariteit: ……………

zwangerschapsduur: ……………

Bij zwangerschapswens tevens:

□ chlamydia, HBsAg, hiv (bij verhoogd risico)

Literatuur

  1. NHG-Standaard Preconceptiezorg.
  2. NHG-Standaard Zwangerschap en kraamperiode
  3. NHG-Standaard Anemie.
  4. Gezondheidsraad Zwangerschapsimmunisatie door rode bloedcellen. Den Haag: Gezondheidsraad, 2009; publicatienr. 2009/04. ISBN 978-90-5549-753-9.
  5. NHG-Standaard Miskraam.
  6. Persoonlijke mededeling MAM Overbeeke, Sanquin Diagnostiek (CLB), Amsterdam.
  7. College voor Zorgverzekeringen. Rapport implementatie standaard HIV screening voor zwangere vrouwen. Publicatienummer 02/124. Amstelveen: CvZ, 2002.
  8. Steegers EAP, Thomas CMG, De Boo ThM, Knapen MFCM, Merkus JMWM. Klinisch-chemische referentiewaarden in de zwangerschap. Maarssen: Elsevier/Bunge, 1999.
  9. LCI-richtlijn Rode hond.
  10. LCI-richtlijn Varicella en herpeszostervirusinfectie
  11. LCI-richtlijn Erythema infectiosum (vijfde ziekte)
  12. LCI-Richtlijn Erythema infectiosum (vijfde ziekte), Bijlage I Parvovirus B19-infectie en zwangerschap. Richtlijnen voor de praktijk.
  13. Lamont RF, Sobel JD, Vaisbuch E et al. Parvo B19 infection in human pregnancy. British Journal of Gynealogy and Obstetrics 2011;118:175-86.
  14. Bruu AL, Nordbo SA. Evaluation of five commercial tests for detection of immunoglobulin M antibodies to human parvovirus B19. J Clin Microbiol 1995;33:1363–5.
  15. Tolfvenstam T, Ruden U, Broliden K. Evaluation of serological assays for identification of parvovirus B19 immunoglobulin M. Clin Diagn Lab Immunol 1996;3:147–50.