U bent hier

Seksueel overdraagbare aandoeningen (LESA Laboratoriumdiagnostiek)

Inhoud

  1. Diagnostiek chlamydia
  2. Diagnostiek gonorroe
  3. Diagnostiek syfilis
  4. Controle na behandeling syfilis
  5. Diagnostiek hepatitis B
  6. Diagnostiek hiv
  7. Diagnostiek trichomoniasis
  8. Diagnostiek herpes-simplex type 1 en 2

1. Diagnostiek chlamydia (inclusief LGV)

Bepalingen

  • C. trachomatis NAAT/PCR

Indicatie

  • bij klachten, zoals urethritis: direct;
  • na een risicocontact: na 3 weken.

Achtergrondinformatie bij de bepaling

  • Vrouwen: bij voorkeur vaginale wat (door de vrouw zelf afgenomen).
  • Mannen: bij voorkeur eerstestraalsurine.
  • Bij anale seks en/of anale klachten bij mannen die (ook) seks hebben met mannen (MSM): ook rectale swab.
  • bij MSM met klachten van proctitis en een positieve chlamydiatest: ook diagnostiek naar lymfogranuloma venereum (LGV middels LGV-specifieke NAAT of (indien niet voorhanden) Chlamydia trachomatis-specifieke serologie).

Referentiewaarden

C. trachomatis NAAT/PCR

dichotome testuitslag

Verder beleid

  • Bij een negatieve testuitslag en klachten: herhaal de test ten minste drie weken na het potentiële risicocontact.
  • Bij een positieve testuitslag: verricht onderzoek naar de andere seksueel overdraagbare aandoeningen, besteedt aandacht aan partnerwaarschuwing en behandel de patiënt conform de NHG-Standaard Het soa-consult.  

2. Diagnostiek gonorroe

Bepalingen

  • N. gonorrhoeae NAAT/PCR
  • N. gonorrhoeae kweek

Indicatie

  • bij klachten, zoals urethritis: direct;
  • na een risicocontact: na 3 weken.

Achtergrondinformatie bij de bepalingen

Een infectie met Neisseria gonorrhoeae wordt bij voorkeur aangetoond via NAAT/PCR-onderzoek op materiaal afgenomen uit (afhankelijk van de klachten) vagina, urethra, anus, conjunctiva en/of keel.

  • Vrouwen: bij voorkeur vaginale wat (door de vrouw zelf afgenomen).
  • Mannen: bij voorkeur eerstestraalsurine.
  • Bij anale seks en/of anale klachten bij mannen die (ook) seks hebben met mannen (MSM): ook rectale swab.
  • Bij keelklachten: ook uitstrijk van de farynx.
  • Bij een contra-indicatie voor ceftriaxon: kweek met resistentiebepaling; het materiaal mag niet in de koelkast worden bewaard. 

Referentiewaarden

N. gonorrhoeae

  • NAAT/PCR
  • kweek
dichotome testuitslag

Verder beleid

  • Bij een negatieve testuitslag en klachten: herhaal de test ten minste drie weken na het potentiële risicocontact.
  • Bij een positieve testuitslag: verricht onderzoek naar de andere seksueel overdraagbare aandoeningen, besteedt aandacht aan partnerwaarschuwing en behandel de patiënt conform de NHG-Standaard Het soa-consult.  

3. Diagnostiek syfilis

Bepalingen

  • l TPHA/TPPA
  • l FTA-ABS
  • l VDRL/RPR

Indicatie

  • bij klachten, zoals een hard en pijnloos ulcus: direct;
  • na een risicocontact: na 3 maanden.

Achtergrondinformatie bij de bepalingen

  • voor de diagnostiek van syfilis (lues) is de primaire test de Treponema pallidum hemagglutination assay (TPHA) of een modificatie hiervan (TPPA).
  • bij positieve serologie moet de diagnose worden bevestigd door middel van de FTA-ABS-test of immunoblot. 
  • de venereal disease research laboratory-(VDRL-)test en de rapid plasma reagin-(RPR-)test worden gebruikt om onderscheid te maken tussen actieve en genezen infecties met Treponema pallidum.
  • bij een ulcus kan ook een NAAT/PCR op een ulcusuitstrijk worden verricht.

Referentiewaarden

TPHA

< 1:80

VDRL/RPR

< 1:8

FTA-ABS-test

dichotome testuitslag

Verder beleid

  • Bij een negatieve testuitslag en klachten: herhaal de test ten minste drie maanden na het potentiële risicocontact.
  • Een positieve TPHA-uitslag is suggestief voor een actieve of doorgemaakte infectie.
  • Als de VDRL-titer laag is, kan de syfilisserologie na drie tot vier weken worden herhaald.
  • Bij een positieve testuitslag: verricht onderzoek naar de andere seksueel overdraagbare aandoeningen, besteedt aandacht aan partnerwaarschuwing en behandel de patiënt conform de NHG-Standaard Het soa-consult.  

4. Controle na behandeling syfilis

Bepalingen

  • VDRL/RPR

Indicatie

  • Zes en twaalf maanden na behandeling

Referentiewaarden

VDRL/RPR

< 1:8

Verder beleid

  • Een positieve VDRL/RPR-test (titer 1:8 of hoger) is suggestief voor een actieve infectie.
  • De behandeling is succesvol als de titer van de VDRL-test een factor 4 daalt in een periode van 12 maanden en daarna niet meer stijgt.

5. Diagnostiek hepatitis B

Bepalingen

  • HBsAg
  • IgM-anti-HBc
  • HbeAg

Indicatie

  • bij klachten, zoals een hepatitis: direct;
  • na een risicocontact: na 3 maanden.

Referentiewaarden

HBsAg

IgM-anti-HBc

HBeAg

Zie Leveraandoeningen

 

Verder beleid

  • Bij een negatieve testuitslag en klachten: herhaal de test ten minste drie maanden na het potentiële risicocontact.
  • Bij een positieve testuitslag: verricht onderzoek naar de andere seksueel overdraagbare aandoeningen, besteedt aandacht aan partnerwaarschuwing en behandel de patiënt conform de NHG-Standaard Het soa-consult.  

6. Diagnostiek hiv

Bepalingen

  • hiv-antistoffen en  hiv-p24-antigeen (duo- of combotest)

Indicatie

  • bij klachten zoals een griepachtig beeld: direct;
  • na een risicocontact: na 3 maanden.

Achtergrondinformatie bij de bepalingen

  • Antilichamen verschijnen binnen drie à vier weken tot drie maanden na de infectie. Viraal p24-antigeen kan twee à drie weken na de infectie aantoonbaar zijn.
  • Een confirmatietest met een andere testmethode (meestal Western blot) is noodzakelijk bij een positieve hiv-test.
  • Bij vermoeden van een acute hiv-infectie kan met een PCR hiv-RNA worden aangetoond, op zijn vroegst elf dagen na infectie.

Referentiewaarden

hiv-antistoffen

hiv-p24-antigeen

dichotome testuitslag

Verder beleid

  • Bij een negatieve testuitslag en klachten: herhaal de test ten minste drie maanden na het potentiële risicocontact.
  • Bij een positieve testuitslag: verricht onderzoek naar de andere seksueel overdraagbare aandoeningen, besteedt aandacht aan partnerwaarschuwing en verwijs de patiënt voor behandeling en begeleiding naar de internist-infectioloog.

7. Diagnostiek trichomoniasis

Bepalingen

  • microscopie
  • T. vaginalis NAAT/PCR
  • fluorkweek

Indicatie

  • bij klachten, zoals vaginitis: direct
  • na een risicocontact: na 4 weken

Achtergrondinformatie bij de bepalingen

  • Vrouwen: NAAT/PCR, fluorkweek of fysiologisch zoutpreparaat.
  • Mannen: NAAT/PCR van urine of NAAT/PCR of specifieke trichomonaskweek van urethra-uitstrijk.

Referentiewaarden

T. vaginalis

  • microscopie
  • NAAT/PCR
  • fluorkweek

dichotome testuitslag

Verder beleid

  • bij een negatieve testuitslag en klachten: herhaal de test ten minste vier weken na het potentiële risicocontact.

8. Diagnostiek herpes-simplex virus type 1 en 2

Bepalingen

  • HHV NAAT/PCR
  • serologisch onderzoek (op indicatie)

Indicatie

  • NAAT/PCR uitstrijk ulcusmateriaal: bij twijfel aan de diagnose herpes genitalis.
  • Serologie:
    • eventueel bij patiënten met een partner met genitale herpes; 
    • vrouwen bij wie in het laatste trimester (> 34 weken) van de zwangerschap voor het eerst symptomen optreden.

Achtergrondinformatie bij de bepalingen

  • Typespecifieke antistoffen in het bloed zijn acht tot twaalf weken na besmetting aantoonbaar.

Referentiewaarden

HHV

  • NAAT/PCR
  • Serologisch onderzoek

dichotome testuitslag

Verder beleid

Verwijs vrouwen in het laatste trimester (> 34 weken) van hun zwangerschap naar de gynaecoloog bij een primaire infectie (typespecifieke antistoffen afwezig en symptomen van herpes genitalis). In dit geval is er een risico op een herpes neonatorum.