U bent hier

Laboratoriumdiagnostiek Maagklachten (LESA)

Dit hoofdstuk is geactualiseerd ten opzichte van de versie uit 2006. De aanpassingen zijn gebaseerd op de derde herziening van de NHG-Standaard Maagklachten uit 2013.

Inhoud

Belangrijkste wijzigingen

ICPC-codering

Inleiding

  1. Diagnostiek H. pylori
  2. Controle na eradicatie
  3. Bij vermoeden anemie

Vermelding op het probleemgeoriënteerd aanvraagformulier

Literatuur

Belangrijkste wijzigingen

  • De indicatie voor het aanvragen van H. pylori-diagnostiek is verbreed. Voorheen werd de test alleen aanbevolen bij patiënten met recidiverende en persisterende klachten, en na een eradicatiebehandeling. De herziene standaard beveelt de test ook aan bij patiënten uit landen met een hoge H. pylori-prevalentie die een eerste episode van maagklachten doormaken en bij chronisch PPI-gebruik bij patiënten zonder klachten.
  • Voor H. pylori-diagnostiek zijn monoklonale fecestesten of de C-13-ademtest de beste keuze.

ICPC-codering

D02        Maagpijn

D03        Zuurbranden

D84        Ziekte oesofagus

D85        Ulcus duodeni

D86        Ander ulcus pepticum

D90        Hernia diafragmatica/hiatus

Inleiding

De prevalentie van H. pylori in de algemene Nederlandse bevolking is dalende (van 32-43% in 2000 naar 26% in 2008). Actuele cijfers over de prevalentie zijn niet voorhanden. Bij patiënten met maagklachten is de prevalentie naar schatting 20. Bij patiënten met maagklachten uit mediterrane landen, het Midden- en Verre Oosten, Afrika, Midden- en Zuid-Amerika kan de prevalentie oplopen tot 75%.

Ulcera in maag of duodenum worden meestal veroorzaakt door de H. Pylori (bij een ulcus ventriculi in 70% en bij een ulcus duodeni in 90% van de gevallen). Bij 0,1 tot 3% van de H. pylori-geïnfecteerden treedt een maagcarcinoom op. De faciliterende rol van chronisch gebruik van protonpompremmers bij H.pylori-positieve patiënten op het ontstaan van maagcarcinoom is een argument voor H. pylori-diagnostiek bij persisterende of recidiverende maagklachten.

H.pylori-eradicatiebehandeling geneest ongeveer 80% van alle ulcera en is daarin net iets effectiever dan zuurremming alleen. Belangrijker is dat een recidiverend ulcus wordt voorkomen. Bij chronisch NSAID-gebruik verlaagt H.pylori-eradicatie de ulcusrecidiefkans.

Na een geslaagde eradicatiebehandeling is de kans op herbesmetting met H. pylori laag; deze wordt geschat op 1,5% per jaar.

H. pylori-diagnostiek kan op twee manieren plaatsvinden: invasief met endoscopie of niet-invasief met laboratoriumtests. Voor niet-invasieve H. pylori-diagnostiek bestaan drie opties: serologisch onderzoek, een fecestest of een ureumademtest.1

Voor meer details over de indicaties voor en de therapeutische consequenties van de H. pylori-diagnostiek: zie de NHG-Standaard Maagklachten.

1. Diagnostiek H. pylori

Bepalingen

  • fecestest
  • ureumademtest

Indicatie

Diagnostisch onderzoek naar H. pylori wordt aanbevolen:

  • bij een eerste episode van maagklachten bij mensen afkomstig uit mediterrane landen, het Midden- en Verre Oosten, Afrika, Midden- en Zuid-Amerika;
  • bij persisterende of recidiverende klachten of chronisch gebruik van een protonpompremmer (PPI);
  • als bij gastroscopie een ulcus ventriculi wordt gezien (bij een ulcus duodeni wordt uitgegaan van H.pylori besmetting);
  • bij mensen die langdurig NSAID’s moeten gebruiken bij wie ooit een ulcus is vastgesteld en bij wie de H.pylori-status onbekend is.

Wat betreft de niet-invasieve testmogelijkheden geeft de NHG-Standaard Maagklachten de voorkeur aan de monoklonale feces-antigeentest (goedkoop) of de C-13-ureumademtest (niet algemeen beschikbaar), omdat beide bruikbaar zijn zowel in populaties met een lage en een hoge H. pylori-prevalentie als ter controle van H. pylori-eradicatietherapie.1 Zijn deze tests niet beschikbaar of kan de patiënt het PPI-gebruik niet stoppen, dan is de serologiebepaling een acceptabel alternatief. Het gebruik van serologische sneltests in de huisartsenpraktijk wordt afgeraden omdat de testeigenschappen matig zijn.1

Achtergrondinformatie bij de bepalingen

De testeigenschappen van de monoklonale fecestest en de ureumademtest zijn vergelijkbaar en veel beter dan die van serologisch onderzoek (ELISA, zie tabel 1). Slechtere testeigenschappen en een dalende H. pylori-prevalentie in Nederland zijn de belangrijkste reden om de serologische test niet meer te adviseren. In een populatie met een lagere H. pylori-prevalentie zal de positief voorspellende waarde van dezelfde test dalen (en de negatief voorspellende waarde stijgen). Omdat de gegevens over testeigenschappen uit onderzoek komen waarin de frequentie van H. pylori hoger is dan op dit moment in Nederland, betekent dit dat in de praktijk een positieve testuitslag minder betrouwbaar is dan aangegeven in het desbetreffende onderzoek. Bij de ureumademtest drinkt de patiënt ureum dat gemerkt is met niet-radioactief C-13 of radioactief C-14. Voorafgaand aan de feces- en ureumademtest mag de patiënt twee weken geen protonpompremmer en vier weken geen antibioticum gebruiken omdat die de testuitslag negatief kunnen beïnvloeden. Een protonpompremmer kan worden vervangen door een H2-receptorantagonist, die één dag voor de test moet worden gestopt, of door een antacidum, dat niet gestopt hoeft te worden.

 

Sensitiviteit (%)
Specificiteit (%)
Positief voorspellende waarde
Negatief voorspellende waarde
C-13- en C-14-ureumademtests 

Review

94,7

95,7

 

 

eerstelijnsonderzoek (NL)

92,3

93,4

87,8

95,9

Fecestests monoklonaal

Voor eradicatie

94

97

LR+: 24 , LR-: 0,07

 

Na eradicatie

93

96

LR+: 17 , LR-: 0,1

 

Serologisch onderzoek (ELISA)

Meta-analyse

85

79

 

 

eerstelijnsonderzoek (NL)

93

90

96

83,3

Tabel 1 Testeigenschappen H.pylori-testen1

Referentiewaarden

fecestest

Dichotome testuitslag

ureumademtest

Dichotome testuitslag

Verder beleid

De huisarts schrijft bij een positieve uitslag een eradicatiebehandeling voor en continueert daarna de protonpompremmer gedurende 1 maand, waarna geprobeerd wordt het gebruik af te bouwen.1 Het is belangrijk de patiënt uit te leggen dat bij een geslaagde H. pylori-eradicatie de klachten soms niet direct verbeteren en dat deze soms (tijdelijk) terugkeren na het staken van zuurremmers.

2. Controle na H. pylori-eradicatietherapie

Bepalingen

  • fecestest
  • ureumademtest

Indicatie

Controle op de effectiviteit van H. pylori-eradicatietherapie kan het best worden uitgevoerd met de fecestest of de ureumademtest.1 Deze tests zijn vanaf zes weken na antimicrobiële behandeling betrouwbaar.

Controle via een serologische bepaling heeft niet de voorkeur; dit is pas zinvol zes maanden na antimicrobiële behandeling en alleen als de uitslag vergeleken wordt met een antistoftiter van vóór de eradicatietherapie.

Achtergronden bij de bepalingen en referentiewaarden

Zie paragraaf 1 Diagnostiek

Verder beleid

De huisarts schrijft indien H.pylori nog aanwezig is na een eerste eradicatiebehandeling, schrijf dan een andere eradicatiebehandeling voor.

3. Bij vermoeden van anemie

Bepalingen

  • Hb

Indicatie

Geadviseerd wordt het hemoglobinegehalte te bepalen bij een vermoeden van anemie.

Achtergrondinformatie bij de bepalingen, referentiewaarden en verder beleid

Zie hoofdstuk Anemie

Vermelding op het probleemgeoriënteerd aanvraagformulier

Maagklachten

Diagnostiek H. pylori-infectie

‪ Fecestest

 Ureumademtest

Controle behandeling (6 wk na behandeling)

‪ Fecestest

 Ureumademtest

Bij vermoeden van anemie

‪ Hb

Literatuur

  1. NHG-Standaard Maagklachten, 2013.