U bent hier

Laboratoriumdiagnostiek Atriumfibrilleren (LESA)

Inhoud

Belangrijkste wijzigingen
ICPC-codering
Inleiding

  1. Ter opsporing van anemie, een schildklieraandoening en diabetes mellitus
  2. Bij vermoeden van hartfalen
  3. Bij aanvang van behandeling met orale anticoagulantia
  4. Bij aanvang en jaarlijkse controle van behandeling met digoxine

Vermelding op het probleemgeoriënteerd aanvraagformulier
Literatuur

Belangrijkste wijzigingen

De bepaling van de eGFR (geschatte glomerulaire filtratiesnelheid) bij aanvang van de behandeling met orale anticoagulantia is toegevoegd.

ICPC-codering

K78 Boezemfibrilleren/-fladderen

Inleiding

Bij atriumfibrilleren is het hartritme volledig onregelmatig en meestal versneld. De diagnose wordt gesteld op basis van een kenmerkend ECG-beeld. Voor informatie over de epidemiologie: zie de NHG-Standaard Atriumfibrilleren.

1. Ter opsporing van anemie, een schildklieraandoening en diabetes mellitus

Bepalingen

  • Hb
  • TSH
  • glucose

Indicatie

Atriumfibrilleren is soms het enige symptoom van hyperthyreoïdie. Anemie kan een uitlokkende factor voor atriumfibrilleren zijn. Diabetes mellitus is een veelvoorkomende comorbiditeit met belangrijke consequenties voor het verdere beleid.

Achtergrondinformatie bij de bepalingen, referentiewaarden en verder beleid

Hb

zie Anemie 

TSH

zie Schildklieraandoeningen

glucose

zie Diabetes mellitus type 2

2. Bij vermoeden van hartfalen

Bepalingen

  • BNP
  • NT-proBNP

Indicatie

Atriumfibrilleren is op zichzelf geen indicatie voor bepaling van het BNP of NT-proBNP. Bij vermoeden van hartfalen is deze bepaling echter wel geïndiceerd.

Achtergrondinformatie bij de bepalingen

Er zijn geen onderzoeken naar het optimale afkappunt voor (NT-pro)BNP voor het aantonen of uitsluiten van hartfalen bij mensen met atriumfibrilleren. Omdat de meeste patiënten met atriumfibrilleren alleen al door de aandoening zelf een verhoogd (NT-pro)BNP hebben, is het mogelijk om het afkappunt voor (NT-pro)BNP hoger te leggen dan 125 pg/ml voor NT-proBNP en 35 tot 77 pg/ml voor BNP om hartfalen te kunnen uitsluiten (en om bij hogere waarden dan het afkappunt ook vaker de aandoening terecht te vermoeden). Door toch dezelfde afkappunten te hanteren als bij patiënten zonder atriumfibrilleren, wordt de negatief-voorspellende waarde van de bepaling hoger en de positief-voorspellende waarde lager.

Is de bloed-NT-proBNP-waarde <15 pmol/l (≈125 pg/ml) of de BNP-waarde <10 tot 22 pmol/l (≈35 tot 77 pg/ml), dan kan hartfalen met meer dan 95% zekerheid in de huisartsenpraktijk worden uitgesloten.

Afkapwaarden

(NT-pro) BNP

<15 pmol/l (≈125 pg/ml)*

BNP

<10 tot 22 pmol/l (≈35 tot 77 pg/ml)*

* In de NHG-Standaard Atriumfibrilleren worden de afkapwaarden in pg/ml aangegeven, echter, volgens internationale afspraken dient er in SI-eenheden gerapporteerd te worden (in dit geval pmol/l).

3. Bij aanvang van behandeling met orale anticoagulantia

Bepalingen

  • eGFR

Indicatie

Bij een verminderde nierfunctie (eGFR< 50 ml/min) is behandeling met de directe orale anticoagulantia (DOAC’s, in de NHG-Standaard nog NOAC’s genoemd) gecontra-indiceerd. Een eGFR < 30 ml/min is een relatieve contra-indicatie voor behandeling met cumarinederivaten aangezien daarbij de stabiliteit van de instelling op de medicatie is verminderd. Als er in het jaar voorafgaand aan de start van de behandeling met cumarinederivaten een eGFR is bepaald en deze niet verlaagd was (eGFR > 50 ml/min), hoeft de eGFR niet opnieuw te worden bepaald.1,3

Achtergrondinformatie bij de bepalingen

Het laboratorium schat de nierfunctie (glomerulaire filtratiesnelheid) aan de hand van het serumcreatininegehalte met behulp van de MDRD-formule (meestal afgekort als ‘eGFR’, estimated Glomerular Filtration Rate). Zie voor meer informatie Nieraandoeningen.

Referentiewaarden4

eGFR

> 50 ml/min/1,73m2*

*Deze waarde is gebaseerd op de G-Standaard die is verwerkt in de huisartsinformatiesystemen en wijkt derhalve af van de waarde genoemd in Nieraandoeningen.4

Verder beleid

Terughoudendheid met het voorschrijven van een DOAC is geboden bij patiënten met een ernstig verminderde nierfunctie (eGFR <30/min/1,73 m2). Patiënten met een eGFR < 30ml/min/1,73 m2 die desondanks een DOAC wensen, worden naar de tweedelijn verwezen. Bij een eGFR tussen de 30-49 ml/min/1,73m2 dient de dosering van de DOAC te worden aangepast afhankelijk van de ernst van de nierfunctiestoornis en het voorgeschreven medicament. Bij langdurig gebruik van DOAC’s dient de eGFR jaarlijks gecontroleerd te worden. In geval van cumarinederivaten zijn frequentere controles van de INR en een lagere startdosering geïndiceerd bij een eGFR < 30 ml/min/1,73 m. 2.3,4 

4. Bij aanvang en jaarlijkse controle van behandeling met digoxine

Bepalingen

  • eGFR
  • kalium

Indicatie

Bij een verminderde nierfunctie (eGFR < 50 ml/min/1,73m2)* is er een verhoogd risico op toxiciteit van digoxine.Bij een verlaagde kaliumconcentratie is de gevoeligheid van het hartweefsel voor digoxine verhoogd. 4

Achtergrondinformatie bij de bepalingen

Zie Nieraandoeningen

Referentiewaarden2

eGFR

> 50 ml/min/1,73m2*

kalium

3,5-5,0 mmol/l

*Deze waarde is gebaseerd op de G-Standaard die is verwerkt in de huisartsinformatiesystemen en wijkt derhalve af van de waarde genoemd in het hoofdstuk Nieraandoeningen.

Verder beleid

Bij een eGFR < 50ml/min zijn de oplaad- en onderhoudsdoseringen van digoxine lager. Dit geldt ook bij een verlaagde kaliumconcentratie. 

Vermelding op het probleemgeoriënteerd aanvraagformulier

Atriumfibrilleren

Opsporing onderliggende aandoening

□  Hb, TSH, glucose (nuchter)

Vermoeden hartfalen

□ (NT-pro)BNP

Controle digoxinegebruik (bij aanvang en jaarlijks)

□ kalium, eGFR

Bij aanvang behandeling met orale anticoagulantia

□ eGFR

Literatuur

  1. NHG-Standaard Atriumfibrilleren, 2013
  2. Hooijkaas H, Mohrmann K, Souverijn JHM, Smeets LC, Tax GHM (red). Handboek medische laboratoriumdiagnostiek. Houten: Prelum Uitgevers, 2013
  3. Federatie van Nederlandse Trombosediensten. De kunst van het doseren. Richtlijn, leidraad en informatie voor het doseren van vitamine K-antagonisten. 3e versie, Voorschoten, 2014
  4. NHG-Standpunt Anticoagulantia, 2016.
  5. Informatorium Medicamentorum. 's-Gravenhage: KNMP, 2014.