U bent hier

NHG-Standaard Incontinentie voor urine bij vrouwen

NHG-Standaard Incontinentie voor urine bij vrouwen(Tweede herziening)

NHG-Werkgroep Incontinentie voor urine bij vrouwen. Teunissen D, Dekker JH, Lagro-Janssen LAM, Berghmans LCM, Uijen JHJM, Mientjes GHC, Wiersma Tj, Damen Z..

Belangrijkste wijzigingen

  • De standaard richt zich alleen op vrouwen met incontinentie voor urine. Het beleid bij mannen met incontinentie voor urine staat beschreven in de NHG-Standaard Mictieklachten bij mannen.
  • De term urge-incontinentie is vervangen door urgency-incontinentie.
  • De standaard bevat een overzicht van kenmerken van de verschillende behandelopties bij stress- en urgency-incontinentie.
  • Het midurethrale bandje bij stressincontinentie heeft een prominentere plaats gekregen in het beleid.

Kernboodschappen

  • Urine-incontinentie komt bij een kwart tot de helft van de volwassen vrouwen voor en kan gepaard gaan met aanzienlijke negatieve gevolgen voor de kwaliteit van leven.
  • De huisarts is alert op signalen voor het bestaan van urine-incontinentie, zoals het verzoek tot het voorschrijven van opvangmaterialen.
  • De huisarts gaat bij vrouwen met urine-incontinentie na of zij behandeling wensen en bespreekt in dat geval de behandelopties.
  • Bij vrouwen met stressincontinentie zijn bekkenbodemspieroefeningen of het dragen van een pessarium eerste keuze. Met vrouwen met ernstige klachten (meerdere keren per week incontinentie met veel hinder) bespreekt de huisarts ook de plaatsing van een midurethraalbandje als initiële behandeloptie.
  • Bij vrouwen met urgency-incontinentie wordt als eerste stap in de behandeling blaastraining aanbevolen. Indien dit onvoldoende effectief is, kan een urologisch spasmolyticum toegevoegd worden. Eerste keus is in dat geval het anticholinergicum tolterodine met vertraagde afgifte.
  • Begeleiding bij oefentherapie bij stress- en urgency-incontinentie kan plaatsvinden in de huisartsenpraktijk of bij een (bekken)fysiotherapeut.
  • Bij oudere vrouwen zijn de behandelopties dezelfde als bij jongere vrouwen, zij het dat bij hen vaker rekening gehouden zal moeten worden met comorbiditeit en gebruik van (andere) medicatie.

InleidingNHG Samenvattingskaart

De NHG-Standaard Incontinentie voor urine bij vrouwen geeft richtlijnen voor de diagnostiek en behandeling van volwassen vrouwen met klachten van stressincontinentie, urgency-incontinentie en gemengde incontinentie. De standaard richt zich alleen op vrouwen. Het beleid bij mannen met incontinentie voor urine staat beschreven in de NHG-Standaard Mictieklachten bij mannen. Urgency-incontinentie is vaak onderdeel van het overactieveblaassyndroom. Dit syndroom kan ook voorkomen zonder incontinentie; indien behandeling noodzakelijk is, is deze hetzelfde als bij urgency-incontinentie. De achtergronden van reflexincontinentie, continue en overloopincontinentie worden kort beschreven, maar de behandeling ervan valt buiten het bestek van deze standaard. De standaard sluit aan op de multidisciplinaire richtlijn Urine-incontinentie bij vrouwen van het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO/Landelijk Expertisecentrum Verpleging en Verzorging (CBO/LEVV), de richtlijn Stress (urine-)incontinentie van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF) en de richtlijn Urine-incontinentie van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) en de Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU).1 )De standaard bevat aanbevelingen over samenwerking met (bekken)fysiotherapeuten, gynaecologen en urologen.

AchtergrondenNHG Samenvattingskaart

BegrippenNHG Samenvattingskaart

Incontinentie voor urine: iedere vorm van ongewild urineverlies.2)

Stressincontinentie (inspanningsincontinentie): urine-incontinentie zonder aandrang, die optreedt bij intra-abdominale drukverhoging, zoals bij sporten, niezen of hoesten.

Urgency-incontinentie (aandrangincontinentie): urine-incontinentie die samengaat met of direct wordt voorafgegaan door een plotselinge onbedwingbare aandrang om te plassen (urgency).

Gemengde incontinentie: urine-incontinentie met zowel kenmerken van stress- als van urgency-incontinentie.

Het overactieveblaassyndroom: syndroom van klachten van plotselinge onbedwingbare aandrang om te plassen, vaak in combinatie met een toegenomen mictiefrequentie en nycturie. Incontinentie is geen verplicht verschijnsel. Oorzaken zoals een urineweginfectie dienen te zijn uitgesloten.

EpidemiologieNHG Samenvattingskaart

Urine-incontinentie komt – afhankelijk van de gehanteerde definitie – voor bij een kwart tot ruim de helft van alle volwassen vrouwen.3) De prevalentie neemt toe met het stijgen van de leeftijd. In de loop van een zwangerschap wordt eenderde van de vrouwen incontinent. Een half jaar na de bevalling is bij meer dan de helft van deze vrouwen spontaan herstel opgetreden.4) Ongeveer eenderde van alle vrouwen met incontinentie voor urine heeft ooit professionele hulp gezocht.3,5)

Bij vrouwen jonger dan vijftig jaar is stressincontinentie de meestvoorkomende vorm; bij oudere vrouwen gaat het vaker om urgency-incontinentie of gemengde incontinentie.6)

FysiologieNHG Samenvattingskaart

Bij vrouwen wordt de blaas afgesloten door circulair dwarsgestreept spierweefsel in de urethrawand en de bekkenbodemspieren. De bekkenbodem spant bij intra-abdominale drukverhoging, zoals bij hoesten, aan om urineverlies te voorkómen. Bij de mictie, defecatie en de coïtus ontspant de bekkenbodem. Bij een gemiddelde vochtinname is de normale mictiefrequentie ongeveer 6 tot 8 keer per 24 uur. De eerste mictiedrang ontstaat wanneer de blaas gevuld is met 150 tot 200 ml urine. Normaliter wordt de aandrang beheerst tot men zich in gepaste omstandigheden bevindt om te plassen. Ter beheersing van de aandrang activeert het sympathisch zenuwstelsel de sfincter van de urethra en de bekkenbodemspieren en ontspant de in de blaaswand gelegen spier (de m. detrusor). Tijdens de mictiefase ontstaat op basis van afferente signalen naar de hersenen een mictiecommando vanuit de motorische hersenschors. Dit commando verloopt vervolgens via het mictiecentrum in de pons naar kernen in het sacrale merg en de nn. pudendi, waar het leidt tot relaxatie van de sfincter van de urethra en bekkenbodemspieren. Hierop volgt reflectoir via de parasympathische kernen een contractie van de m. detrusor, die bij voldoende contractiliteit zorgt voor een residuloze mictie. Via het limbische systeem kunnen ook emotionele factoren en gedragsinvloeden de m. detrusor stimuleren en remmen.

Etiologie/pathofysiologieNHG Samenvattingskaart

Bij stressincontinentie schiet het mechanisme dat de urethra afsluit bij intra-abdominale drukverhoging tekort. Dit is het gevolg van een combinatie van niet goed functionerende sluitspieren van de blaas en urethra (qua kracht, coördinatie en timing van aanspanning), niet-stabiele positie van de urethra in het kleine bekken, en niet-waterdichte afsluiting van de urethra door de urethrale mucosa. Zwangerschap en vaginale bevallingen zijn de belangrijkste risicofactoren.4) Overige risicofactoren zijn onder andere: een postmenopauzale status (urogenitale atrofie), urogenitale prolaps, eerdere operaties in het kleine bekken en condities die gepaard gaan met frequente intra-abdominale drukverhogingen, zoals chronisch hoesten.

Bij urgency-incontinentie treden onwillekeurige detrusorcontracties op, ten gevolge van overprikkeling vanuit het centrale zenuwstelsel of ten gevolge van verhoogde gevoeligheid voor prikkels. De oorzaak is vaak onbekend. Soms speelt een neurologische aandoening een rol, of irritatie van de blaas na een cystitis, na radiotherapie of door cafeïne.7) Urgency-incontinentie kan ook veroorzaakt worden door eerdere operaties in het kleine bekken, zoals voor stressincontinentie. Vanwege de onwillekeurige detrusorcontracties spreekt men ook wel van het overactieveblaassyndroom. Dit syndroom komt ook voor zonder incontinentie.

Reflexincontinentie berust op het reflectoir samentrekken van de blaas in de afwezigheid van een normale mictiedrang. Deze vorm van incontinentie wordt veroorzaakt door suprasacrale laesies – bijvoorbeeld na een herseninfarct of een dwarslaesie of bij de ziekte van Parkinson, multiple sclerose of (diabetische) neuropathie – waardoor de remmende invloed van de hersenschors en hersenstam op de blaas verloren gaat.

Bij overloopincontinentie is de contractiliteit van de blaas verminderd of geheel verloren gegaan. Hierdoor ontbreken detrusorcontracties, waardoor de vrouw geen mictiedrang ervaart. Wanneer de druk in de blaas de maximale urethrale druk overschrijdt, ontstaat urineverlies. Overloopincontinentie kan bijvoorbeeld optreden ten gevolge van diabetische neuropathie, het cauda-equinasyndroom, een afvloedbelemmering of het gebruik van geneesmiddelen met een anticholinerg effect.8)

Continue incontinentie ontstaat ten gevolge van een fistel tussen de vagina en blaas, bijvoorbeeld ten gevolge van een verwonding, een operatie in het kleine bekken of door een zeer langdurige partus. Een fistel kan ook aangeboren zijn.

Richtlijnen diagnostiekNHG Samenvattingskaart

Veel vrouwen zijn terughoudend in het zoeken van hulp voor urine-incontinentie. Een deel van hen staat open voor behandeling.5 )Daarom is het aan te bevelen om ook bij (indirecte) signalen voor het bestaan van urine-incontinentie actief te informeren naar het bestaan daarvan en na te gaan of de vrouw hierover een hulpvraag heeft. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een verzoek om incontinentiematerialen voor te schrijven, of de toevallige bevinding dat een vrouw tijdens lichamelijk onderzoek maandverband draagt als opvangmateriaal.9)

AnamneseNHG Samenvattingskaart

Vragen om vast te stellen om welk type incontinentie het gaat:10)

  • treedt het urineverlies op tijdens activiteiten die drukverhoging in de buik geven, zoals hoesten, niezen, springen, tillen of rennen?
  • gaat het urineverlies gepaard met sterke aandranggevoelens?
  • is er urineverlies zonder dat sprake is van aandrang of activiteiten die drukverhoging in de buik geven?

Vragen ter inschatting van de ernst van de klacht en de impact ervan:11,12)

  • hoe lang bestaat het urineverlies, hoe vaak treedt het op en hoeveel urine verliest de vrouw per keer (enkele druppels, een scheutje of een hele plas)?
  • maakt de vrouw gebruik van opvangmateriaal en zo ja, in welke omstandigheden, welk materiaal en hoeveel?
  • informeer naar de gevolgen voor het dagelijks leven en vermijdingsgedrag, in het bijzonder voor wat betreft werk, recreatie, sociale contacten, seksualiteit, gevoel van eigenwaarde en zelfvertrouwen.

Ga na of er mogelijk sprake is van een andere verklaring voor de klachten:

  • is de mictiefrequentie toegenomen? (denk aan een urineweginfectie of diabetes mellitus)
  • is de mictie pijnlijk en frequent? (denk aan een urineweginfectie)
  • is er sprake van zichtbare hematurie? (denk aan een urineweginfectie, urinesteenlijden of blaastumor)

Informeer naar andere factoren die kunnen bijdragen aan het optreden van ongewenst urineverlies:

  • (recente) zwangerschap en bevalling;
  • gebruik van cafeïnehoudende dranken, vochtinname en toiletgewoonten, zoals de plas te lang ophouden of weinig tijd nemen om te plassen;7,13,14)
  • gebruik van geneesmiddelen: middelen met een anticholinerge werking (zoals tricyclische antidepressiva, urologische anticholinergica en antipsychotica), lisdiuretica, opioïden, benzodiazepinen, calciumantagonisten en systemische oestrogeensuppletietherapie;8)
  • voorgeschiedenis: vaginale bevallingen, operaties of bestraling in het kleine bekken;
  • urogenitale prolaps(klachten): het gevoel dat er een bal in de vagina zit, of dat er iets uit de vagina hangt, of een gedurende de dag toenemend zwaar gevoel in de onderbuik en -rug;
  • comorbiditeit, zoals COPD, astma, chronische obstipatie, hartfalen, diabetes mellitus type 2, overgewicht, neurologische aandoeningen, gewrichtsaandoeningen, visuele, motorische en cognitieve beperkingen.15)

Lichamelijk onderzoekNHG Samenvattingskaart

Verricht het volgende onderzoek:

  • palpatie van de buik, met speciale aandacht voor operatielittekens, tumoren en een palpabele blaas;
  • gynaecologisch onderzoek: uitwendige inspectie van de vulva en vaginaal toucher, met aandacht voor het bestaan van een urogenitale prolaps, en eventuele gradering daarvan (laat de vrouw daartoe maximaal persen), een palpabele blaas, een uterus myomatosus of een tumor van de adnexen.16-19)

Geef tijdens het vaginaal toucher instructie voor het aanspannen van de bekkenbodemspieren, zie kader Instructie aanspannen bekkenbodemspieren. Beoordeel of de juiste spieren worden aangespannen en ontspannen. Leg uit dat het doel van deze instructie is om te beoordelen of de vrouw in staat is om de juiste spieren aan te spannen en te ontspannen. Dit is van invloed op het beleid.20,21)

Lichamelijk onderzoek kan bij zwangere vrouwen bij wie tijdens deze zwangerschap klachten van incontinentie zijn ontstaan achterwege gelaten worden, omdat de zwangerschap dan vrijwel altijd de oorzaak van de incontinentie zal zijn.

Instructie aanspannen bekkenbodemspieren

Vraag de vrouw tijdens het vaginaal toucher te doen alsof ze de plas ophoudt of een wind probeert tegen te houden. Het zijn dezelfde spieren die men gebruikt als men probeert om de mictie te onderbreken. Als de juiste spieren worden aangespannen, voelt de arts deze zich sluiten rond de toucherende vingers en naar craniaal bewegen. Let er bij het aanspannen op dat noch de buikspieren worden aangespannen (met een hand op de buik goed voelbaar) noch de bil-, noch de bovenbeenspieren (de billen komen bij aanspanning van de onderzoeksbank af). Let er ook op of de vrouw in staat is op verzoek de bekkenbodemspieren te ontspannen.

Aanvullend onderzoekNHG Samenvattingskaart

Als de anamnese onvoldoende duidelijkheid geeft over de ernst en frequentie van de incontinentie, kan een mictiedagboek meer inzicht geven.22 )Gebruik van een mictiedagboek wordt ook aanbevolen als hulpmiddel om het effect van de behandeling te evalueren. Vraag de vrouw het dagboek gedurende drie dagen bij te houden. Een mictiedagboek is te vinden als bijlage bij deze standaard op www.nhg.org en op de NHG-Publiekswebsite www.thuisarts.nl. Bespreek het resultaat in een vervolgconsult en besteed hierbij aandacht aan het aantal keren per dag dat de vrouw ongewild urineverlies had, de hoeveelheid daarvan (druppels, scheutje, een hele plas) en de aanleiding voor het ongewilde urineverlies (heftige onbedwingbare mictiedrang of intra-abdominale drukverhoging, zoals tijdens sporten, hoesten of lachen). Let ook op de tijd tussen 2 micties en het aantal micties per 24 uur (normaal is 6 tot 8 keer).

Verricht bij vrouwen met urgencyklachten of andere klachten die kunnen passen bij een urineweginfectie urineonderzoek ter uitsluiting van een urineweginfectie (zie de NHG-Standaard Urineweginfecties).23)

Routinematige residubepaling, bijvoorbeeld door middel van een echo van de blaas (blaasscan), wordt niet aanbevolen, vanwege de kleine a priorikans op een klinisch relevant residu en het feit dat het aantreffen van een residu doorgaans niet leidt tot een ander beleid.24)

EvaluatieNHG Samenvattingskaart

Maak op basis van de anamnese onderscheid tussen:

  • stressincontinentie als het urineverlies optreedt tijdens drukverhogende momenten;
  • urgency-incontinentie indien het urineverlies optreedt gerelateerd aan sterke aandrang;
  • gemengde incontinentie indien het urineverlies zowel optreedt tijdens drukverhogende momenten als gerelateerd aan sterke aandrang.

Stel bij vrouwen met stressincontinentie vast of sprake is van:

  • ernstige klachten (meerdere keren per week urineverlies met veel hinder);
  • een urogenitale prolaps voorbij de hymenring;
  • zwangerschap of bevalling in de afgelopen zes maanden.

Stel vast of de vrouw voldoende controle heeft over haar bekkenbodemspieren. Dit is het geval als de vrouw er na instructie in slaagt om de juiste spieren aan te spannen (te lage spanning in de bekkenbodemspieren) en ze vervolgens weer te ontspannen (te hoge spanning).

Differentieeldiagnostisch zijn de volgende aandoeningen van belang:

  • de overige vormen van urine-incontinentie (reflex-, overloop-, en continue incontinentie; beleid valt buiten het bestek van deze standaard);
  • urineweginfectie (zie de NHG-Standaard Urineweginfecties);
  • urinesteenlijden (zie de NHG-Standaard Urinesteenlijden);
  • urineretentie en tumoren in het kleine bekken (beleid valt buiten het bestek van deze standaard).19)

Richtlijnen beleid NHG Samenvattingskaart

Voor vrouwen met stress-, urgency-, of gemengde incontinentie geldt een aantal algemene aanbevelingen. Daarnaast zijn er per type incontinentie specifieke aanbevelingen voor het beleid. Bij gemengde incontinentie wordt de aanpak bepaald door de klachten die het meest op de voorgrond staan. Bij onvoldoende effect van deze aanpak na zes weken voegt men hieraan de behandeling van het andere type incontinentie toe.

De behandelopties zijn bij oudere vrouwen hetzelfde als bij jongere vrouwen, zij het dat bij hen vaker rekening gehouden zal moeten worden met comorbiditeit en gebruik van medicatie.25)

Vrouwen die na een eerdere operatieve behandeling vanwege stressincontinentie opnieuw of nog steeds last hebben van incontinentie, verwijst de huisarts terug naar de behandelaar in de tweede lijn (zie Consultatie, verwijzing en samenwerking).26)

Voor vrouwen met het overactieveblaassyndroom zonder incontinentie geldt, indien behandeling gewenst is, hetzelfde beleid als bij urgency-incontinentie.

Alle typen incontinentieNHG Samenvattingskaart

Voorlichting

Leg bij stressincontinentie uit dat de klachten veroorzaakt worden doordat de afsluiting van de blaas niet optimaal functioneert en dat de bekkenbodemspieren hierbij een belangrijke rol spelen. Onder invloed van zwangerschap en bevalling kunnen de bekkenbodemspieren slapper worden. Ook bij het ouder worden en het verminderen van de hoeveelheid vrouwelijke hormonen na de menopauze worden de weefsels van blaas, plasbuis en bekkenbodem minder stevig.

Leg bij urgency-incontinentie uit dat de klachten veroorzaakt worden door een toegenomen prikkelbaarheid van de blaas. De oorzaak daarvan is meestal niet bekend. Bij het ouder worden neemt de prikkelbaarheid van de blaas toe. Als gevolg treedt onbedwingbare plotselinge aandrang op om te plassen, moet men ook vaker plassen en kan incontinentie optreden.

Bespreek de ernst van het ongewilde urineverlies en de impact daarvan op het dagelijks leven, zoals vermijdingsgedrag en seksuele problemen. Ga na of de vrouw een hulpvraag heeft en bespreek in dat geval de behandelopties (zie Stressincontinentie en Urgency-incontinentie).

In aansluiting op de gegeven mondelinge voorlichting kan de huisarts de vrouw verwijzen naar de informatie over urine-incontinentie op de NHG-Publiekswebsite www.thuisarts.nl of de betreffende tekst (voorheen NHG-Patiëntenbrief) meegeven (via het HIS). Deze patiënteninformatie is gebaseerd op de NHG-Standaard. Verder kan de huisarts de vrouw voor lotgenotencontact wijzen op het bestaan van de Stichting Bekkenbodem Patiënten.

Niet-medicamenteuze behandeling

  • heroverweeg het gebruik van geneesmiddelen die incontinentie kunnen doen ontstaan of doen toenemen (zie Anamnese);9)
  • optimaliseer – indien mogelijk – de behandeling van comorbiditeit die een rol kan spelen bij het optreden van het urineverlies (zie Anamnese), hoewel effect hiervan op urine-incontinentie niet vaststaat;15,27)
  • adviseer bij obesitas (BMI ≥ 30 kg/m2) gewichtsreductie;28)
  • adviseer te streven naar een normale vochtinname en aandacht te besteden aan goede toiletgewoonten, hoewel dit geen bewezen effect heeft op urine-incontinentie.13,14)

Bespreek met de vrouw de optie om opvangmateriaal te gaan gebruiken. Verwijs vrouwen die dat willen afhankelijk van de zorgverzekeraar naar de apotheek of een (online) leverancier van medische hulpmiddelen. De vrouw kan in de apotheek of van een daarin geschoolde (wijk)verpleegkundige begeleiding krijgen bij de keuze voor en het gebruik van een bepaald product.9,29) Het is aan te bevelen om met vrouwen die gebruik maken van opvangmateriaal periodiek (bijvoorbeeld een keer per jaar) het gebruik te evalueren (aandachtspunten: tevredenheid over het opvangmateriaal, wel of geen behandelwens).9)

Gebruik van blaaskatheters voor incontinentie wordt afgeraden.30)

StressincontinentieNHG Samenvattingskaart

Bespreek met vrouwen met stressincontinentie die behandeling wensen de behandelopties aan de hand van de kenmerken in tabel 1. Het is niet goed mogelijk om te voorspellen welke vrouw het meeste baat bij welke behandeling zal hebben, dus de keuze kan voor een groot deel afhangen van de voorkeur van de vrouw. De eerste stap van de behandeling bestaat uit het doen van bekkenbodemspieroefeningen of het dragen van een pessarium.31,32 )Bespreek met vrouwen met ernstige klachten (meerdere keren per week incontinentie met veel hinder) verwijzing voor het plaatsen van een midurethraalbandje als eerste behandeloptie. Maak hierbij met de vrouw de afweging tussen de voor- en nadelen van een invasieve ingreep in vergelijking met conservatieve behandeling (zie tabel 1).33)

Er is weinig bekend over de effectiviteit van dit beleid bij vrouwen met een prolaps voorbij de hymenring. Bespreek met deze vrouwen ook de conservatieve behandelopties uit tabel 1, waarbij de voorkeur uitgaat naar een pessarium. Bespreek bij onvoldoende effect van conservatieve behandeling de mogelijkheid van verwijzing voor een operatieve ingreep. Afhankelijk van de ernst van de prolaps(klachten) kan deze bestaan uit het plaatsen van een midurethraalbandje, operatieve prolapscorrectie of beide.34)

Voor vrouwen die slechts incontinent zijn bij specifieke activiteiten, zoals bij het sporten, kan het dragen van een grote tampon tijdens die activiteiten een behandeloptie zijn, hoewel het effect daarvan niet goed onderzocht is.35) Het dragen van een pessarium in die situaties is ook een mogelijkheid.

Bespreek met zwangere en pas bevallen vrouwen het gunstige natuurlijke beloop: een half jaar na de bevalling is de incontinentie zonder behandeling genezen bij 55% ten opzichte van 70% door het doen van bekkenbodemspieroefeningen.4,36 )Weeg daarom met de vrouw de optie om tot een half jaar na de bevalling een afwachtend beleid te volgen af tegen de optie om conservatief te behandelen.

Tabel 1 Kenmerken behandelopties bij stressincontinentie

Behandeloptie Kenmerken
Bekkenbodemspier-oefeningen31,34)
  • doel: verbeteren van de kracht en coördinatie van de bekkenbodemspieren, zodat de vrouw ze op het juiste moment krachtig genoeg kan aanspannen om ongewild urineverlies te voorkómen
  • niet invasief, geen bijwerkingen
  • de vrouw moet dagelijks oefeningen doen
  • bij de helft van de vrouwen treedt genezing op
  • tweederde van de vrouwen is tevreden over het effect
  • effect bij vrouwen met een prolaps voorbij de hymenring niet bekend
  • vermindert bij vrouwen met een prolaps tot boven de hymenring ook eventuele prolapsklachten
  • effect hangt af van de therapietrouw van de vrouw
  • om effect te behouden moet de vrouw de oefeningen blijven doen
Pessarium32,34)
  • doel: ondersteuning van de urethra en/of de blaashals, zodat de urethra, en dus de blaas, bij drukverhogingen in de buik beter afgesloten wordt
  • niet invasief, geen ernstige bijwerkingen
  • uit één onderzoek blijkt dat na een jaar het effect en tevredenheid vergelijkbaar zijn met bekkenbodemspieroefeningen
  • effect aangetoond bij vrouwen zonder of met prolaps tot boven de hymenring (aanwijzingen voor effect bij prolaps voorbij de hymenring)
  • vermindert ook eventuele prolapsklachten
  • de vrouw hoeft geen dagelijkse oefeningen te doen
  • kan specifiek gedragen worden in situaties waarin het ongewilde urineverlies zich voordoet, zoals tijdens het sporten, want kan door de vrouw zelf ingebracht en verwijderd worden
  • moet regelmatig gereinigd worden (door de vrouw zelf of door de huisarts)
  • de helft van de vrouwen stopt met de behandeling, van wie ruim de helft vanwege bijwerkingen (fluor, vaginale irritatie en drukulcera) en een kwart vanwege onvoldoende effect
  • in zeldzame gevallen kan incontinentie acuut verergeren door het dragen van een pessarium
Plaatsen van een midurethraalbandje33)
  • doel: het optillen en ondersteunen van de urethra door een bandje, waardoor deze de blaas beter kan afsluiten
  • procedure: de ingreep gebeurt met spinaal anesthesie of algehele narcose; er wordt een incisie gemaakt in de vaginavoorwand en, afhankelijk van de methode, twee incisies net boven het schaambeen of twee aan de binnenzijde van het bovenbeen; het bandje wordt spanningsloos onder de urethra gelegd en de uiteinden net onder huidniveau afgeknipt; de ingreep duurt ongeveer dertig minuten; de vrouw kan dezelfde dag naar huis
  • een jaar na de ingreep rapporteren drie van de vier vrouwen genezen te zijn en is bijna iedereen tevreden over het resultaat
  • op langere termijn (maximaal vijf jaar) is dit resultaat iets afgenomen en zeggen twee van de drie vrouwen genezen te zijn
  • postoperatieve complicaties: gemiddeld 6% ontwikkelt urgency(-incontinentie); gemiddeld 6% ontwikkelt urineretentie, die bij de helft (3%) langer dan 6 weken aanhoudt en waarvoor bij 1% heroperatie nodig is; gemiddeld 2% wordt opnieuw geopereerd, onder andere vanwege erosie van het bandje
  • uit één onderzoek blijkt dat plaatsing van een midurethraalbandje bij vrouwen in de tweede lijn met minimaal een keer per week ongewild urineverlies na een jaar effectiever is dan bekkenbodemspieroefeningen (een jaar na plaatsing van het midurethrale bandje rapporteert 91% van de vrouwen veel of zeer veel verbetering, in vergelijking met 32% door bekkenbodemspieroefeningen)
  • effect bij vrouwen met een prolaps voorbij de hymenring niet bekend

Niet-medicamenteuze behandeling stressincontinentie

Bekkenbodemspieroefeningen

Beslis in samenspraak met de vrouw of de behandeling in de huisartsenpraktijk zal plaatsvinden, of dat de vrouw hiervoor verwezen wordt naar een (bekken)fysiotherapeut. Vrouwen die (mogelijk) te weinig controle hebben over hun bekkenbodemspieren (zie Evaluatie) worden in ieder geval naar de (bekken)fysiotherapeut verwezen (zie voor overige verwijscriteria en toelichting over (bekken)fysiotherapeuten de paragraaf Consultatie, verwijzing en samenwerking). Geef bij begeleiding in de huisartsenpraktijk naast de mondelinge instructie (zie kader Instructie voor bekkenbodemspieroefeningen bij stressincontinentie) ook een schriftelijke instructie mee of verwijs hiervoor naar de NHG-Publiekswebsite www.thuisarts.nl.

Instructie voor bekkenbodemspieroefeningen bij stressincontinentie

  • Zie voor instructie voor het aanspannen van de bekkenbodemspieren het kader bij Lichamelijk onderzoek.
  • Een oefensessie duurt ongeveer twee tot drie minuten en bestaat uit een tien keer maximaal aanspannen van de bekkenbodemspieren gedurende zes tot acht seconden en daarna volledig ontspannen van de bekkenbodemspieren gedurende enkele seconden.
  • Instrueer de vrouw om bij het aanspannen van de bekkenbodemspieren normaal te blijven doorademen.
  • Doe per dag drie oefensessies (bouw het aantal aanspanningen per sessie en aantal sessies per dag zo nodig geleidelijk op).
Pessarium

Doorgaans voldoet een ringpessarium. Zie voor instructies voor het aanmeten en gebruiken van een pessarium de instructiefilm Het aanmeten en plaatsen van een pessarium bij een prolaps (bijlage bij de standaard op www.nhg.org.

Medicamenteuze behandeling stressincontinentie

Medicamenteuze behandeling van stressincontinentie, bijvoorbeeld met duloxetine of systemische of lokale oestrogenen, wordt niet aanbevolen vanwege het beperkte effect en de bijwerkingen.37,38)

Urgency-incontinentie

Bespreek dat door middel van blaastraining de tijd tussen twee micties geleidelijk verlengd kan worden.39 )Bij onvoldoende effect kunnen de oefeningen eventueel worden ondersteund met medicatie.40,41 )Zie voor kenmerken van de behandelopties tabel 2. Bij vrouwen met het overactieveblaassyndroom zonder incontinentie geldt hetzelfde beleid.

Tabel 2 Stappenplan en kenmerken behandeling urgency-incontinentie

Stap Kenmerken
Stap 1: blaastraining39)
  • niet invasief, geen bijwerkingen
  • de vrouw moet dagelijks oefeningen doen
  • bij de meeste vrouwen treedt verbetering of genezing op
  • effect hangt af van de therapietrouw van de vrouw
  • om effect te behouden moet de vrouw de oefeningen blijven doen
Stap 2: toevoegen anticholinergica (tolterodine, oxybutyninepleister)40,41)
  • geeft in vergelijking met blaastraining vaker verbetering van de incontinentie, maar niet vaker genezing
  • vergroot als behandeling toegevoegd aan blaastraining de kans op verbetering, maar maakt geen verschil in de kans op genezing (beperkt onderzoek)
  • tweederde van de vrouwen stopt binnen zes maanden vanwege onvoldoende effect en/of bijwerkingen (hoofdpijn, droge mond, obstipatie)
  • absolute contra-indicaties: het nauwekamerhoekglaucoom, verlengde QT-tijd (tolterodine),urineretentie
  • voorzichtigheid is geboden bij elektrolytstoornissen, bradycardie, bestaande hartaandoeningen, ouderen (mogelijk hoger risico op verwardheid) en bij combinatie met medicatie die het QT-interval verlengt, zoals amiodaron, haloperidol, azitromycine en domperidon

Niet-medicamenteuze behandeling urgency-incontinentie

Algemene maatregelen

Adviseer vrouwen eventueel op proef hun cafeïnegebruik (koffie, thee, cola en energiedrankjes) te minderen.7)

Blaastraining

Beslis in samenspraak met de vrouw of de behandeling in de huisartsenpraktijk zal plaatsvinden, of dat de vrouw hiervoor verwezen wordt naar een (bekken-)fysiotherapeut (zie voor verwijscriteria en toelichting over (bekken)fysiotherapeuten de paragraaf Consultatie, verwijzing en samenwerking). Geef bij begeleiding in de huisartsenpraktijk naast mondelinge instructie (zie kader Instructie blaastraining) ook een schriftelijke instructie mee of verwijs hiervoor naar de NHG-Publiekswebsite www.thuisarts.nl.

Instructie blaastraining

  • Stel een mictieschema op met als basisinterval de tijd die de laatste dagen tussen twee micties zat (eventueel met hulp van het mictiedagboek); gewoonlijk is dit dertig tot zestig minuten.
  • Tips voor de vrouw om tussentijdse urgencyklachten te verminderen (eventueel op het toilet):
    • zoek afleiding;
    • probeer te ontspannen (rustig tot tien tellen, rustig naar de buik ademen: inademen door de neus, uitademen door de mond);
    • span de bekkenbodem licht aan en ontspan vervolgens; herhaal dit zolang de urgency terugkomt of aanhoudt (zie voor instructie het kader Instructie aanspannen bekkenbodemspieren bij Lichamelijk onderzoek).
  • De vrouw kan zelf wekelijks het interval tussen twee micties met vijftien tot dertig minuten uitstellen bij afname van het aantal incontinentie-episodes en urgency.

Medicamenteuze behandeling urgency-incontinentie

De voorkeur gaat in eerste instantie uit naar behandeling met anticholinergica, gezien de brede ervaring die hiermee is opgedaan in de praktijk. Op basis van het gebruiksgemak gaat de voorkeur uit naar een preparaat met gereguleerde afgifte. Er zijn geen belangrijke verschillen in effect en bijwerkingen tussen de beschikbare anticholinergica met gereguleerde afgifte.40) Op basis van de kosten gaat de voorkeur daarom uit naar een preparaat dat generiek beschikbaar is. Bij publicatie van deze standaard was alleen tolterodine met gereguleerde afgifte generiek beschikbaar.

  • Start met het anticholinergicum tolterodine met gereguleerde afgifte 4 mg 1 dd 1 tablet.40) Zie voor contra-indicaties van anticholinergica tabel 2.
  • Bij matige leverfunctiestoornissen en ernstig verminderde nierfunctie (eGFR 10 tot 30 ml/min/1,73 m2) is een lagere dosering van tolterodine gewenst (tolterodine met gereguleerde afgifte 2 mg 1 dd 1 tablet).
  • Adviseer de vrouw om ook de blaastraining voort te zetten, indien dit enig resultaat had.

Het is niet mogelijk om de plaats van selectieve bèta-3-agonisten zoals mirabegron te bepalen, omdat er nog te weinig praktijkervaring is opgedaan met dit middel.42) Indien de huisarts besluit dit middel toch voor te schrijven, bespreekt deze met de vrouw dat met dit middel nog weinig ervaring is opgedaan in de (huisartsen)praktijk, wat betekent dat over het effect en de veiligheid in de praktijk nog onzekerheid bestaat. Verlengde QT-tijd is een contra-indicatie voor mirabegron. Voorzichtigheid is geboden bij ernstige lever- of nierfunctiestoornis en ernstige ongecontroleerde hypertensie (> 180/110 mmHg). Belangrijk is dat bijwerkingen worden gemeld bij het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb.

Het gebruik van flavoxaat wordt niet aanbevolen, omdat dit middel niet effectief is.43)

Controles alle typen incontinentieNHG Samenvattingskaart

Niet-medicamenteuze behandelingNHG Samenvattingskaart

  • Controleer minimaal na twee en zes weken na de start met bekkenbodemspieroefeningen of blaastraining. Aandachtspunten zijn het zo nodig herhalen van de instructies voor de oefeningen, en zo nodig het motiveren van de vrouw om de oefeningen voort te zetten.
  • Evalueer het effect na minimaal zes weken en maak daarbij, vooral bij blaastraining, gebruik van een mictiedagboek.22)
  • Zet de behandeling voort indien verbetering is opgetreden. Indien na zes weken ondanks goede therapietrouw nog geen verbetering is opgetreden: heroverweeg de diagnose en het beleid (overweeg alsnog te verwijzen naar een (bekken)fysiotherapeut of voeg bij gemengde incontinentie de behandeling voor het andere type incontinentie toe).
  • Evalueer bij voortzetting van de behandeling het effect na drie maanden. Bij voldoende effect: benadruk het belang van regelmatig oefenen om het effect te behouden.
  • Bij onvoldoende effect heeft het bij goede therapietrouw geen zin om langer door te gaan. Bespreek in dat geval de mogelijkheid om over te stappen op een van de overige behandelopties: bij stressincontinentie een pessarium of verwijzing voor het plaatsen van een midurethraalbandje (zie tabel 1) en bij urgency-incontinentie het toevoegen van medicatie (zie tabel 2).

Zie voor controles bij het gebruik van een pessarium het protocol Aanmeten en plaatsen van een pessarium bij een prolaps. Deze is te vinden via de link naar de gelijknamige instructiefilm (bijlage bij de standaard op www.nhg.org.

Medicamenteuze behandeling (urgency-incontinentie)NHG Samenvattingskaart

  • Controleer minimaal na twee weken na de start met een anticholinergicum en besteed daarbij aandacht aan therapietrouw, bijwerkingen en het motiveren van de vrouw om de behandeling voort te zetten.
  • Evalueer na vier tot zes weken het effect en maak daarbij gebruik van het mictiedagboek.
  • Bij duidelijke verbetering en acceptabele bijwerkingen: continueer de medicatie gedurende drie tot zes maanden en stop deze dan op proef. Indien de klachten daarna recidiveren, kan de medicatie opnieuw voor drie tot zes maanden worden voorgeschreven.
  • Bij onacceptabele droge mond bij gebruik van tolterodine: bespreek met de vrouw de optie om over te stappen op de oxybutyninepleister (een per 3 à 4 dagen, voorzichtigheid is geboden bij ernstige lever- of nierfunctiestoornissen; in dat geval bijvoorbeeld niet vaker dan eens per 4 dagen vervangen). De pleister veroorzaakt minder vaak een droge mond, maar vaker huidirritatie, en is duurder dan tolterodine.
  • Bij blijvend onacceptabele bijwerkingen of onvoldoende effect: stop de medicatie en bespreek de optie om te verwijzen naar de tweede lijn (zie de noot voor de behandelmogelijkheden in de tweede lijn).44)

Consultatie, verwijzing en samenwerkingNHG Samenvattingskaart

Binnen de eerste lijnNHG Samenvattingskaart

Behandeling met bekkenbodemspieroefeningen of blaastraining kan zowel door de huisarts als door een (bekken-)fysiotherapeut toegepast worden. De huisarts kan de begeleiding, na instructie gegeven te hebben aan de vrouw, ook delegeren aan een daarvoor geschoolde praktijkondersteuner of (wijk)verpleegkundige.29) De huisarts verwijst naar een (bekken)fysiotherapeut vrouwen:

  • die onvoldoende controle hebben over hun bekkenbodemspieren, dus die er na instructie niet in slagen om de bekkenbodemspieren aan te spannen, of deze spieren daarna weer te ontspannen, of bij twijfel hierover;
  • die naar inschatting van de huisarts meer begeleiding nodig hebben dan in de betreffende huisartsenpraktijk beschikbaar is;
  • die daar zelf voorkeur aan geven;
  • bij wie na zes weken oefentherapie in de huisartsenpraktijk geen effect is opgetreden (ter overweging).

Wanneer de huisarts twijfels heeft over de diagnose, of wil weten in hoeverre de urine-incontinentie fysiotherapeutisch beïnvloedbaar is, kan de huisarts ook naar een (bekken)fysiotherapeut verwijzen voor een eenmalig bekkenfysiotherapeutisch diagnostisch consult. Dit eenmalige consult levert gegevens op over de aard, ernst en mate van fysiotherapeutische beïnvloedbaarheid van de incontinentie.

De huisarts kan zowel naar een fysiotherapeut met de bekkenbodem als aandachtsgebied als naar een geregistreerde bekkenfysiotherapeut verwijzen. Een geregistreerde bekkenfysiotherapeut heeft extra competenties (zie kader Geregistreerde bekkenfysiotherapeuten versus fysiotherapeuten met de bekkenbodem als aandachtsgebied) en daarom is er bij vrouwen met complexere problematiek, bijvoorbeeld met weinig controle over de bekkenbodemspieren, voorkeur voor verwijzing naar een geregistreerd bekkenfysiotherapeut. Bij verwijzing naar een geregistreerd bekkenfysiotherapeut is het raadzaam om de vrouw voor te lichten over het feit dat deze bevoegd en bekwaam is om inwendig onderzoek te doen en dit onderzoek waarschijnlijk nodig heeft om een behandeling te kunnen instellen.

Geregistreerde bekkenfysiotherapeuten versus fysiotherapeuten met de bekkenbodem als aandachtsgebied

Geregistreerde bekkenfysiotherapeuten hebben zich na de opleiding fysiotherapie in een aanvullende gecertificeerde en door de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO) geaccrediteerde driejarige post-hbo-opleiding gespecialiseerd in onder andere inwendig onderzoek en inwendige behandeling, gericht op bekkenfysiotherapie. Fysiotherapeuten met de bekkenbodem als aandachtsgebied hebben na hun opleiding tot fysiotherapeut een aantal extra scholingen gevolgd op het gebied van bekkenbodemproblematiek.

Specifieke kennis en vaardigheden van een geregistreerde bekkenfysiotherapeut zijn onder andere:

  • het uitvoeren van inwendig functieonderzoek om relevante bekkenfysiotherapeutische diagnostiek uit te voeren en optimale feedback te kunnen geven over de functie van de bekkenbodemspieren;
  • in staat zijn gebruik te maken van apparatuur voor elektrostimulatie en biofeedback. Deze middelen worden vooral gebruikt om spiergroepen of functies, die voor de vrouw onbekend zijn, te leren herkennen en functioneel adequaat te gebruiken.

Een overzicht van geregistreerde bekkenfysiotherapeuten is beschikbaar via: www.defysiotherapeut.com.

BedrijfsartsNHG Samenvattingskaart

  • Consulteer of verwijs naar de bedrijfsarts bij problemen op het werk of (dreigend) ziekteverzuim ten gevolge van de urine-incontinentie (schaamte, toilet te ver weg).

Tweede lijnNHG Samenvattingskaart

Algemene uitgangspunten:

  • de huisarts verwijst naar een medisch specialist met voldoende ervaring en affiniteit met urine-incontinentie. Afhankelijk van de regionale situatie kan dit een gynaecoloog of uroloog zijn;45)
  • verwijzing naar een multidisciplinair team heeft mogelijk meerwaarde bij complexere problematiek, zoals bij gecombineerde incontinentie voor urine en feces of bij incontinentie in combinatie met ernstige aanhoudende seksuele problematiek;
  • bij verwijzing levert de huisarts bij voorkeur ook een recent door de vrouw ingevuld mictiedagboek aan, indien dit beschikbaar is.22)

Verwijs- en consultatiecriteria:

  • vrouwen met stressincontinentie bij wie behandeling met bekkenbodemspieroefeningen na drie maanden en/of een pessarium onvoldoende resultaat oplevert;
  • vrouwen met ernstige stressincontinentie (meerdere keren per week urineverlies met veel hinder) met de wens om geopereerd te worden;
  • vrouwen die na een eerdere operatieve behandeling vanwege stressincontinentie opnieuw of nog steeds last hebben van stress- of urgency-incontinentie;23)
  • vrouwen met urgency-incontinentie bij wie blaastraining en medicamenteuze behandeling onvoldoende resultaat opleveren.42)

Totstandkoming

Nadat werd besloten te beginnen met de herziening van de NHG-Standaard Incontinentie voor urine werd in 2013 een werkgroep geformeerd. Deze bestond uit de volgende leden: dr. L.C.M. Berghmans, als bekkenfysiotherapeut en klinisch epidemioloog verbonden aan het MUMC+ te Maastricht; dr. J.H. Dekker, als huisarts en universitair hoofddocent verbonden aan de afdeling huisartsgeneeskunde van het UMCG te Groningen; prof.dr. A.L.M. Lagro-Janssen, als hoogleraar Vrouwenstudies Medische Wetenschappen en kaderhuisarts urogynaecologie verbonden aan de afdeling Eerstelijnsgeneeskunde/Vrouwenstudies Medische Wetenschappen van het Radboudumc te Nijmegen; dr. G.H.C. Mientjes, apotheekhoudend huisarts te Westbroek; dr. D. Teunissen, huisarts te Deventer, kaderhuisarts urogynaecologie en als senior onderzoeker verbonden aan de afdeling Eerstelijnsgeneeskunde/Vrouwenstudies Medische Wetenschappen van het Radboudumc te Nijmegen; dr. J.H.J.M. Uijen, huisarts te Holten. De volgende personen zijn betrokken geweest ten behoeve van samenwerkingsaspecten met de tweede lijn. Zij zijn daarvoor een keer aanwezig geweest bij een werkgroepvergadering en hebben de tekst van commentaar voorzien: prof.dr. C.H. van der Vaart, hoogleraar gynaecologie, namens de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) en dr. L.M.O. de Kort, uroloog, namens de Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU).

Z. Damen-van Beek, huisarts en wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap, begeleidde de werkgroep en deed de redactie. Dr. Tj. Wiersma was betrokken als senior wetenschappelijk medewerker, M.M. Verduijn als senior wetenschappelijk medewerker Farmacotherapie en dr. J.S. Burgers als hoofd van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap. M.J. Hugenholtz was betrokken als medewerker van de afdeling Implementatie. Door geen van de leden van de werkgroep werd belangenverstrengeling gemeld. In oktober 2014 werd de ontwerpstandaard voor commentaar naar vijftig willekeurig uit het NHG-ledenbestand gekozen huisartsen gestuurd. Er werden tien commentaarformulieren retour ontvangen. Ook werd commentaar ontvangen van een aantal referenten, te weten: M. Danz, apotheker, namens het Zorginstituut Nederland; dr. T. Schalekamp, apotheker, J.J. Luinenburg, apotheker, dr. E.J. Vollaard, apotheker, K. de Leest, apotheker, A.R. Dreijer, aios ziekenhuisfarmacie en P.N.J. Langendijk, ziekenhuisapotheker, allen namens de Werkgroep voor Farmacotherapie en Geneesmiddelinformatie (WFG) en het KNMP Geneesmiddel Informatie Centrum; dr. L. Boomsma, huisarts en senior beleidsadviseur, namens de Landelijke Huisartsen Vereniging (LHV); dr. J.A.H. Eekhof, huisarts en hoofdredacteur van Huisarts en Wetenschap; dr. D. Bijl, arts-epidemioloog en hoofdredacteur van het Geneesmiddelenbulletin; J.J. Oltvoort, senior beleidsmedewerker gezondheidseconomie, namens Nefarma; M. Favié, voorzitter van de Bond van de generieke geneesmiddelenindustrie Nederland (Bogin); dr. H.J.M.G. Nelissen-Vrancken, senior apotheker, namens het Instituut voor Verantwoord Medicijngebruik (IVM); dr. N. Delvaux, als huisarts verbonden aan de KU te Leuven en EBMPracticeNet, namens de Domus Medica te België (de Vlaamse huisartsenvereniging); P.J.H.M. Bezemer-van Mierlo, bedrijfsarts bij Medicum Consult, namens de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde (NVAB); F. Thoolen, J.C. Korver en R. van der Veen, allen huisarts, allen namens InEen; dr. J. Heesakkers, uroloog, namens de werkgroep Functionele en reconstructieve Urologie van de Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU); A. de Graaf, wijkverpleegkundige, namens V&VN Praktijkverpleegkundigen & Praktijkondersteuners, J. Verkerk, verpleegkundige, namens V&VN Urologie Verpleegkundigen, E.C. Hoogendoorn, obstetrieverpleegkundige, namens V&VN Voortplanting, Obstetrie & Gynaecologie, M. Bus, verpleegkundig specialist, namens de Expertgroep richtlijnen Wijkverpleegkundigen van V&VN; dr. P.J. Voorham-van der Zalm, dr. P. Albers-Heitner, C.W.L. van den Bos, allen namens de Nederlandse Vereniging voor Fysiotherapie bij Bekkenproblematiek en pre- en postpartum gezondheidszorg (NVFB); dr. W. Mensink, oud-gynaecoloog, namens de Stichting Bekkenbodempatiënten; dr. P.M. Leusink, huisarts en seksuoloog.

Naamsvermelding als referent betekent overigens niet dat een referent de standaard inhoudelijk op ieder detail onderschrijft. J. van Dongen en F. Edskens hebben namens de NHG-Adviesraad Standaarden (NAS) tijdens de commentaarronde beoordeeld of de ontwerpstandaard antwoord geeft op de vragen uit het herzieningsplan. In februari 2015 werd de standaard besproken en geautoriseerd door de NHG-Autorisatiecommissie (AC).

De zoekstrategie die gevolgd werd bij het zoeken naar de onderbouwende literatuur is te vinden bij de webversie van deze standaard. Daarnaast zijn de procedures voor de ontwikkeling van de NHG-Standaarden in te zien in het procedureboek (zie www.nhg.org).

© 2015 Nederlands Huisartsen Genootschap

Noten

TerugNoot 1: Richtlijnen

De standaard sluit met betrekking tot huisartsgeneeskundig relevante onderwerpen aan op de multidisciplinaire richtlijn Urine-incontinentie bij vrouwen van het Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO/Landelijk Expertisecentrum Verpleging en Verzorging (LEVV), de richtlijn Stress (urine-)incontinentie van het Koninklijk Nederlands Genootschap voor Fysiotherapie (KNGF), de richtlijn Urine-incontinentie van de Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) en Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU) en de richtlijn Prolaps [NVOG 2014, CBO/LEVV 2012, KNGF 2011, NVU/NVOG 2014].

TerugNoot 2: Definities

De standaard sluit met deze omschrijvingen zoveel mogelijk aan bij de definities zoals die zijn opgesteld door de International Continence Society (ICS) en de International Urogynecological Association (IUGA) [Haylen 2010].

TerugNoot 3: Epidemiologie

In een willekeurige steekproef van 1905 Nederlandse vrouwen in de leeftijdscategorie van 45 tot 70 jaar had 57% van de respondenten ‘wel eens’ ongewenst urineverlies [Van der Vaart 2000]. In een andere steekproef, onder patiënten van 60 jaar of ouder die ingeschreven waren in 9 huisartsenpraktijken in het oosten van Nederland (n = 4650), was de prevalentie van urine-incontinentie (in dit onderzoek gedefinieerd als minimaal 2 maal per maand niet-vrijwillig urineverlies) bij vrouwen 29% tegenover 9% bij mannen [Teunissen 2004]. De prevalentie steeg bij vrouwen van 22% bij een leeftijd van 60 tot 64 jaar naar 38% bij een leeftijd van 80 jaar en ouder.

De gemiddelde prevalentie van urine-incontinentie in de huisartsenpraktijk is 16,4 per 1000 patiënten per jaar, waarvan ongeveer 2/3 vrouw is. De prevalentie neemt toe met de leeftijd. Bij vrouwen van 18 tot 44 jaar is de prevalentie het laagst (11 per 1000 vrouwen per jaar). Op de leeftijd van 45 tot 64 jaar is de prevalentie gestegen naar 28 per 1000 vrouwen per jaar, bij vrouwen ouder dan 85 jaar is deze 161 per 1000 vrouwen per jaar [NIVEL 2014]. Uit de prevalentiecijfers in de algemene bevolking in relatie tot die van het NIVEL volgt dat in de huisartsenpraktijk een aanzienlijk deel van de vrouwen met incontinentie niet bekend is.

TerugNoot 4: Prevalentie in zwangerschap en na de bevalling

In een systematische review bespreken Cerruto et al. 25 onderzoeken naar de prevalentie van urine-incontinentie bij vrouwen, in relatie tot obstetrische risicofactoren, zoals het aantal bevallingen, kunstverlossingen en sfincterlesies [Cerruto 2013]. De prevalentie van urine-incontinentie (gedefinieerd als ‘wel eens’ ongewild urineverlies) neemt toe tijdens de zwangerschap en hangt af van leeftijd, lichaamsgewicht en aantal bevallingen. In het eerste trimester krijgt 8% van de nulliparae die van tevoren niet incontinent waren urine-incontinentie. Tot aan het derde trimester stijgt dit percentage naar 30%. Het meestvoorkomende type incontinentie is stressincontinentie. Een half jaar na de bevalling is bij meer dan de helft van de vrouwen de incontinentie spontaan hersteld.

De belangrijkste risicofactoren voor incontinentie tijdens de zwangerschap en na de bevalling waren: hogere leeftijd (> 35 jaar) en overgewicht bij de moeder, pre-existente urine-incontinentie en het aantal doorgemaakte bevallingen [Cerruto 2013]. Volgens Cerruto et al. spreken de resultaten met betrekking tot kunstverlossingen elkaar tegen. Van tangverlossingen wordt echter overwegend een risicoverhogend effect aangetoond tot een jaar na de bevalling [Arya 2001, Baydock 2009, Burgio 2003, Eason 2004, Handa 2011, Persson 2000]. Ruim 30 jaar na de bevalling is de kans op incontinentie door een tangverlossing niet meer verhoogd [Bollard 2003]. De invloed van bevalling met de vacuümpomp is minder onderzocht. In het onderzoek van Arya et al. werd geen effect op het ontstaan van incontinentie aangetoond [Arya 2001].

TerugNoot 5: Hulpzoekgedrag

In een Nederlands onderzoek onder 255 vrouwen van 55 jaar en ouder die minimaal een keer per maand ongewild urineverlies hadden, was 64% (95%-BI 57,3 tot 69,9) niet met deze klacht bekend bij de huisarts [Visser 2012]. De 4 meestgenoemde redenen om geen hulp te vragen waren dat de klachten niet ernstig genoeg waren (73% van de vrouwen), dat de vrouw zelf een manier had gevonden om met de klachten om te gaan (57% van de vrouwen), dat urine-incontinentie er bij het ouder worden nou eenmaal bij hoort (47%, vooral de oudere vrouwen) of de perceptie dat er niets aan te doen is (24% van de vrouwen). Hoewel vrouwen die de eigen klachten als ernstig beoordeelden frequenter de huisarts hadden geconsulteerd, had toch nog bijna de helft van de vrouwen met ernstige of zeer ernstige klachten dit niet gedaan. Deze bevindingen komen overeen met die in eerder onderzoek onder 314 vrouwen van 60 jaar en ouder [Teunissen 2005].

Dat ook onder vrouwen met urine-incontinentie die daarvoor uit zichzelf geen hulp zoeken behoefte kan bestaan aan actieve behandeling blijkt uit het vervolg op het onderzoek van Visser et al. [Visser 2015]. In een clustergerandomiseerde trial werd het effect onderzocht van het aanbieden van diagnostiek en behandeling aan vrouwen ouder dan 55 jaar met urine-incontinentie, die hiervoor niet uit zichzelf hulp hadden gevraagd. Bijna de helft (n = 350) van de door middel van vragenlijsten getraceerde vrouwen met urine-incontinentie (n = 744) stemde in met dit onderzoek; een signaal dat zij openstonden voor een actieve aanpak van hun incontinentie. Follow-up was compleet voor 254 vrouwen (veel vrouwen vielen alsnog uit, meestal vanwege de tijdsinvestering die deelname aan het onderzoek vroeg), van wie 106 gerandomiseerd waren voor de interventie. Het merendeel van hen werd behandeld met bekkenbodemspieroefeningen of blaastraining (gemiddeld 7 behandelingen, range 1 tot 19). Dit bleek effectief, want in de interventiegroep verbeterde de incontinentie bij 34% van de vrouwen versus 17% in de controlegroep, waarin slechts enkele vrouwen (2%) op eigen initiatief ook actief werden behandeld tijdens het onderzoek (OR 1,9; 95%-BI 1,1 tot 3,3).

TerugNoot 6: Prevalentie subtypen urine-incontinentie

In een cross-sectioneel onderzoek uitgevoerd onder 6000 vrouwelijke inwoners van de Verenigde Staten was anamnestisch bij 33% sprake van stressincontinentie, bij 13% van urgency-incontinentie en bij 50% van gemengde incontinentie [Melville 2005]. Het relatieve aandeel van stressincontinentie was 45% bij vrouwen met een leeftijd van 30 tot 49 jaar. Met het stijgen van de leeftijd nam dit aandeel af tot 16% bij 80- tot 90-jarigen. Het relatieve aandeel van urgency-incontinentie steeg van 10% bij vrouwen met een leeftijd van 30 tot 69 jaar naar 20% bij vrouwen van 80 tot 90 jaar. Het aandeel van gemengde incontinentie steeg van 41% op de leeftijd van 30 tot 49 jaar naar 55% bij oudere vrouwen. In een onderzoek in de Nederlandse huisartsenpraktijk had van de incontinente vrouwen jonger dan 65 jaar 60% stressincontinentie, 18% gemengde incontinentie en 16% urgency-incontinentie [Lagro-Janssen 1991a].

TerugNoot 7: Intoxicaties en urine-incontinentie

In theorie kan het (overmatig) gebruik van cafeïne, alcohol of nicotine negatieve invloed hebben op urine-incontinentie. Cafeïne heeft een diuretisch effect en maakt de m. detrusor vesicae gevoeliger voor impulsen. Ook nicotine kan de m. detrusor vesicae gevoeliger maken voor impulsen en zo urgencyklachten veroorzaken of verergeren. Alcohol heeft een effect dat vergelijkbaar is met dat van lisdiuretica. In deze noot staat beschreven welk effect op urine-incontinentie is aangetoond van deze stoffen.

Cafeïne

In een patiëntcontroleonderzoek bij vrouwen in de Verenigde Staten (n = 4309) werd een verhoogde kans op urine-incontinentie gevonden bij vrouwen die meer dan 200 mg cafeïne per dag (meer dan 2 koppen koffie) gebruikten (OR 1,47; 95%-BI 1,07 tot 2,01). Er werd onder andere gecorrigeerd voor leeftijd en rookgedrag [Gleason 2013]. In een prospectief cohortonderzoek bij niet-incontinente verpleegkundigen (n = 65.000) met een leeftijd van 37 tot 79 jaar in de Verenigde Staten werd in 4 jaar tijd bij vrouwen met een cafeïne-inname van meer dan 450 mg/dag (meer dan 4 koppen per dag) een hogere incidentie van incontinentie (minimaal een keer per week; willekeurig welke vorm) gevonden dan bij vrouwen met een cafeïne-inname van minder dan 150 mg/dag (RR 1,19; 95%-BI 1,06 tot 1,34) [Jura 2011]. In het kader van ditzelfde onderzoek werd bij 21.564 verpleegkundigen met milde urine-incontinentie die wel en die niet hun cafeïne-inname minderden in 2 jaar tijd echter geen verschil in progressie van de incontinentie aangetoond [Townsend 2012]. In een dwarsdoorsnedeonderzoek onder 1059 Europese ouderen met een leeftijd tussen de 60 en 89 jaar (50% vrouw) kon geen verband aangetoond worden tussen koffie-inname en urgencyklachten. Naar urine-incontinentie is in dit onderzoek niet gekeken [Nuotio 2001]. In een ander dwarsdoorsnedeonderzoek onder 28.000 Noorse vrouwen werd alleen een verband aangetoond tussen inname van thee en urine-incontinentie en niet voor koffie [Hannestad 2003]. In een observationeel cross-overonderzoek nam bij vrouwen met stressincontinentie (n = 39) en vrouwen met detrusoroveractiviteit (n = 30) het aantal incontinente episodes niet af na vervanging van cafeïnehoudende door cafeïnevrije dranken [Swithinbank 2005]. In een andere RCT (n = 95, voornamelijk vrouwen) klaagden een maand nadat zij hun cafeïnegebruik hadden gereduceerd significant minder vrouwen over frequente mictie en heftige mictiedrang, maar was er geen significant effect op het aantal incontinente episodes [Bryant 2002].

Alcohol

Er is alleen onderzoek gevonden naar het effect van alcohol op het overactieveblaassyndroom. De resultaten zijn wisselend. In het reeds onder cafeïne besproken dwarsdoorsnedeonderzoek onder 1059 Europese ouderen werd geen verband gevonden tussen alcoholconsumptie (wel/niet) en overactieveblaasklachten [Nuotio 2001]. In een ander dwarsdoorsnedeonderzoek in China (n = 14.844, 50% vrouw) werd wel een verhoogde kans op het overactieveblaassyndroom gevonden bij alcoholgebruik (OR 1,4; 95%-BI 1,2 tot 1,6) [Wang 2011]. Het is niet bekend of vermindering van of stoppen met alcoholconsumptie invloed heeft op de klachten van het overactieveblaassyndroom of urine-incontinentie.

Roken

In het eerder besproken dwarsdoorsnede-onderzoek onder 28.000 Noorse vrouwen werd een verband aangetoond tussen roken en het bestaan van urine-incontinentie (1 tot 19 sigaretten per dag: OR 1,3; 95%-BI 1,1 tot 1,6; meer dan 20 sigaretten per dag: OR 2,1; 95%-BI 1,5 tot 2,8) [Hannestad 2003]. Ook in 2 dwarsdoorsnedeonderzoeken bij respectievelijk 3300 perimenopauzale vrouwen en 83.000 verpleegkundigen werd een dergelijk verband tussen roken en urine-incontinentie aangetoond [Danforth 2006, Sampselle 2002]. Daarnaast werd in diverse dwarsdoorsnedeonderzoeken een verband aangetoond tussen roken en klachten van heftige mictiedrang [Nuotio 2001, Tahtinen 2011]. Er zijn echter ook onderzoeken waar geen verband tussen roken en urine-incontinentie of klachten van heftige mictiedrang aangetoond kon worden [Bradley 2005, Burgio 1991, Roe 1999]. Het is niet bekend welk effect stoppen met roken heeft op klachten van het overactieveblaassyndroom of urine-incontinentie.

Conclusie

Er is bewijs van lage kwaliteit voor een negatief verband tussen het gebruik van cafeïne en urine-incontinentie. Voor een verband tussen enerzijds roken en alcohol en anderzijds urine-incontinentie is het bewijs niet consistent. Er is bewijs van lage kwaliteit (door het beperkte onderzoek, en het beperkte aantal patiënten) dat klachten van heftige mictiedrang afnemen door verminderen van de cafeïne-inname.

TerugNoot 8: Incontinentie als bijwerking

Vooral geneesmiddelen met een anticholinerge werking kunnen een nadelige invloed hebben op de continentie. Zij kunnen aanleiding geven tot urineretentie met overloopincontinentie tot gevolg. Daarnaast kunnen zij obstipatie veroorzaken, die ook een nadelige invloed kan hebben op de continentie. Voorbeelden van middelen met een anticholinerge werking zijn:

  • tricyclische antidepressiva, vooral amitriptyline;
  • urologische anticholinergica, zoals tolterodine, solifenacine, oxybutynine;
  • antipsychotica, zoals clozapine, olanzapine, chloorpromazine;
  • alfablokkers, zoals alfuzosine, doxazosine;
  • parasympaticolytische parkinsonmedicatie, zoals biperideen.

Er zijn ook geneesmiddelen die om andere redenen een nadelige invloed op de continentie kunnen hebben, bijvoorbeeld:

  • opioïden (urineretentie, obstipatie, sufheid, verwardheid);
  • lisdiuretica (snelle blaasvulling, meer aandrang);
  • benzodiazepinen (verwardheid, sufheid, beperkingen in mobiliteit);
  • calciumantagonisten (obstipatie, urineretentie, oedeemvorming);
  • lithium (diabetes insipidus);
  • systemische oestrogeensuppletietherapie.
  • [CBO/LEVV 2012, Cody 2012, KNMP 2014]
TerugNoot 9: Opvangmiddelen

Uit een onderzoek onder 370 patiënten (voornamelijk vrouwen) ouder dan 60 jaar met incontinentie voor urine bleek dat vrijwel alle vrouwen opvangmaterialen gebruikten. Slechts de helft van deze vrouwen gebruikte incontinentiematerialen, de overige vrouwen gebruikten inlegkruisjes of maandverband. Eenderde van de vrouwen was ontevreden over het gebruik van opvangmaterialen; veelvoorkomende problemen waren bijvoorbeeld lekkage en huidirritatie. De auteurs concluderen dat begeleiding bij de keuze en het gebruik van opvangmateriaal bij incontinentie van belang is en bevelen daarnaast aan dat de huisarts de behandeling van incontinente patiënten optimaliseert [Teunissen 2009].

De keuze van opvangmaterialen hangt af van de hoeveelheid urineverlies, de voorkeur, vaardigheden en maat van de patiënt, de kosten en de vergoeding. In de apotheek kunnen patiënten bij de keuze en het gebruik van een product begeleid worden door de apothekersassistente en, indien beschikbaar, de continentieverpleegkundige. Als alternatief hiervoor kan een beroep gedaan worden op een bij een thuiszorgorganisatie werkzame daarvoor geschoolde (wijk)verpleegkundige, middels een voor de vrouw kosteloze AIV (advies, instructie en voorlichting).

TerugNoot 10: Voorspellende waarde anamnese incontinentie

In de multidisciplinaire richtlijn Urine-incontinentie bij vrouwen [CBO/LEVV 2012] worden 11 onderzoeken besproken waarin de diagnostische accuratesse van de anamnese bij stress-, urgency- en gemengde incontinentie wordt vergeleken met de resultaten van urodynamisch onderzoek (‘de gouden standaard’). Deze onderzoeken sloten vrouwen in met stressincontinentie, urgency-incontinentie en gemengde incontinentie. Met uitzondering van een onderzoek werden alle onderzoeken in de tweede lijn uitgevoerd. De resultaten zijn samengevat in tabel 3.

Op basis van deze gegevens wordt in de multidisciplinaire richtlijn geconcludeerd dat het type incontinentie vastgesteld kan worden aan de hand van bevindingen bij de anamnese.

De resultaten van het enige onderzoek dat in de huisartsenpraktijk is uitgevoerd komen in grote lijnen overeen met de resultaten gepresenteerd in tabel 3. De positief voorspellende waarden in dit onderzoek zijn 87% voor stressincontinentie, 73% voor urgency-incontinentie en 42% voor gemengde incontinentie [Lagro-Janssen 1991b]. Ook in de populatie in de huisartsenpraktijk kan het type incontinentie dus vastgesteld worden op basis van de anamnese.

Tabel 3 Positief en negatief voorspellende waarden anamnese bij urine-incontinentie*

Soort incontinentie Positief voorspellende waarde gemiddeld (range) Negatief voorspellende waarde gemiddeld (range)
Stressincontinentie 70% (41-95) 69% (49-85)
Urgency-incontinentie 73% (25-81) 91% (79-98)
Gemengde incontinentie 35% (18-70) 90% (80-97)
* overgenomen uit de multidisciplinaire richtlijn Urine-incontinentie bij vrouwen (2012) [CBO/LEVV 2012].
TerugNoot 11: Objectiveren van de hoeveelheid urineverlies

Het objectiveren en kwantificeren van urineverlies is niet eenvoudig. Voor wetenschappelijke doeleinden wordt onder andere gebruikgemaakt van ‘pad-tests’ [Versi 1996]. Hierbij wordt de hoeveelheid urineverlies berekend uit de gewichtstoename van absorptiemateriaal dat gedurende een bepaalde tijd wordt gedragen. Er bestaan ook diverse ernstschalen, waarvan de ICIQ-UI-SF (International Conference on Incontinence Questionnaire-Urinary Incontinence-Short Form) de meest aanbevolen, gevalideerde schaal is. Deze vragenlijst bevat vier vragen ten aanzien van de frequentie, hoeveelheid, impact en het moment van het ongewilde urineverlies [Avery 2004, Klovning 2009]. In de huisartsenpraktijk kan in het algemeen worden volstaan met het vragen naar in de hoofdtekst genoemde parameters.

TerugNoot 12: Impact

De gevolgen van incontinentie variëren afhankelijk van de onderzochte populatie. Zo zijn de gevolgen voor het psychosociaal functioneren bij patiënten in de tweede lijn verstrekkend [Norton 1990]. In minder geselecteerde populaties en vooral onder mensen die geen hulp hebben gezocht blijkt het urineverlies het welbevinden weinig te verstoren [Herzog 1988]. De belangrijkste psychische gevolgen zijn het verlies van zelfvertrouwen en gevoel van eigenwaarde en het optreden van vermijdingsgedrag. Hierbij spelen de angst geroken te worden en de daarmee samenhangende schaamte een belangrijke rol. Ook problemen van praktische aard, zoals klachten over het opvangmateriaal en het steeds moeten verschonen, worden als belemmerend ervaren [Lagro-Janssen 1993]. Incontinentie kan de seksualiteit van de vrouw negatief beïnvloeden door vermindering van het libido, het optreden van urineverlies tijdens coïtus en orgasme, en een pijnlijke blaas tijdens en na het vrijen [Berglund 1991, Klaasen 2008, Lagro-Janssen 1993, Vierhout 1993, Visser 2014]. De beleving van incontinentie en de wijze waarop men daarmee omgaat, is individueel sterk verschillend. Er is weliswaar een verband tussen de objectieve ernst van de incontinentie en de gevolgen die ervaren worden, maar ook lichte incontinentie kan leiden tot een ernstige depressie [Abrams 2015]. Urgency-incontinentie wordt in het algemeen beleefd als een grotere handicap dan stressincontinentie [Wyman 1990]. Comorbiditeit, zoals beperkingen in het bewegingsapparaat, is medebepalend voor de ervaren handicaps. Dit geldt in het bijzonder voor oudere patiënten. De discrepantie tussen de ernst van de incontinentie en de psychosociale gevolgen maakt het noodzakelijk dat de huisarts aan beide facetten aandacht besteedt.

Bij allochtone vrouwen spelen dezelfde aspecten een rol bij urine-incontinentie als bij autochtone vrouwen. Voor moslima’s veroorzaakt urine-incontinentie een belasting van het reinigingsritueel dat voorafgaat aan het bidden. Zij moeten zichzelf na ongewild urineverlies reinigen voordat ze kunnen bidden [Van den Muijsenbergh 2006].

TerugNoot 13: Vochtinname

Theoretisch zou een grote vochtinname incontinentie kunnen verergeren. Een te kleine vochtinname verhoogt de kans op obstipatie, waardoor ook de kans op incontinentie groter zou kunnen worden. Zeer geconcentreerde urine kan in theorie bijdragen aan het ontstaan van een geprikkelde blaas en daardoor aan urgency-incontinentie. Uit beperkt onderzoek van matige kwaliteit blijkt dat hoge of lage vochtinname geen effect heeft op urine-incontinentie, maar een hoge vochtinname lijkt wel klachten van heftige aandrang (urgency) te verergeren en leidt logischerwijs ook tot een toename van het aantal micties en mictievolume [Dowd 1996, Swithinbank 2005, Tomlinson 1999]. Daarom, en vanwege de mogelijkheid dat vrouwen ten gevolge van de incontinentie mogelijk hun vochtinname (sterk) beperken, kan het een overweging zijn om naar vochtinname te informeren en vrouwen te adviseren een normale hoeveelheid vocht in te nemen.

TerugNoot 14: Toiletgewoonten

Theoretisch zouden slechte toiletgewoonten, zoals niet tijdig naar het toilet gaan, niet goed uitplassen of persen bij het plassen een negatief effect kunnen hebben op incontinentie voor urine. Hoewel direct bewijs hiervoor ontbreekt, kan het een overweging zijn hiernaar te informeren en vrouwen hierover te adviseren.

TerugNoot 15: Comorbiditeit

Comorbiditeit kan op verschillende manieren invloed hebben op urine-incontinentie. Het is daarom van belang om in de anamnese na te gaan of de patiënt relevante comorbiditeit heeft, zodat hiermee in het beleid rekening gehouden kan worden [CBO/LEVV 2012].

Relevante comorbiditeit is bijvoorbeeld:

  • urogenitale prolaps (urgency- en stressincontinentie);
  • COPD of astma (hoesten);
  • diabetes mellitus (polyurie, diabetische neurogene blaas);
  • gewrichtsaandoeningen (beperking mobiliteit);
  • hartfalen (nycturie);
  • herseninfarct, ziekte van Parkinson (urgency-incontinentie, mobiliteit);
  • chronische obstipatie (verstoring van de functie van de bekkenbodem);
  • overgewicht (intra-abdominale drukverhoging);
  • visuele beperkingen (beperking mobiliteit);
  • cognitieve beperkingen (verminderde cognitie mictiedrang, apraxie);
  • depressie (motivatie).

In een Nederlands patiëntcontroleonderzoek in de eerste lijn blijkt dat vrouwen met urine-incontinentie (n = 1384) vooral significant vaker een prolaps van de vaginawand hebben (OR 3,88; 95%-BI 2,7 tot 5,60). Daarnaast komen significant vaker voor: COPD (OR 1,56; 95%-BI 1,15 tot 2,11), astma (OR 1,37; 95%-BI 1,01 tot 1,87), diabetes mellitus type 2 (OR 1,55; 95%-BI 1,26 tot 1,91), chronische obstipatie (OR 1,76; 95%-BI 1,40 tot 2,21) en depressie (OR 1,71; 95%-BI 1,34 tot 2,18) [Van Gerwen 2007]. In dit onderzoek kon geen significant verband tussen overgewicht en urine-incontinentie worden aangetoond, terwijl dit in het algemeen wel wordt gevonden. In een systematische review concluderen Hunskaar et al. dat het risico op urine-incontinentie toeneemt naarmate de BMI hoger is. Het relatieve risico stijgt 1,5 tot 2,5 bij een BMI van 30 tot 34 kg/m2 en 1,8 tot 3,7 bij een BMI hoger dan 40 kg/m2 [Hunskaar 2008]. Van Gerwen et al. geven als mogelijke verklaring voor hun afwijkende resultaten ten aanzien van overgewicht dat gegevens met betrekking tot overgewicht ondergerapporteerd of ondergediagnosticeerd waren in de huisartsenpraktijken.

TerugNoot 16: Neurologisch onderzoek

Testen van de sensibiliteit van het zitvlak, de anusreflex en de bulbocavernosusreflex wordt niet aanbevolen, omdat neurologische afwijkingen in het algemeen in de anamnese aan het licht zullen treden.

TerugNoot 17: Gradering ernst urogenitale prolaps

De ernst van een urogenitale prolaps wordt vastgesteld als de vrouw maximaal perst in liggende of zittende houding. Zie tabel 4 voor de gradering volgens de definities die zijn opgesteld door de International Continence Society (ICS) en de International Urogynecological Association (IUGA) [Haylen 2010].

Tabel 4 Gradering prolaps (bij maximaal persen) volgens POP-Q systeem

Graad prolaps Positie meest distale deel van de prolaps
1 tot 1 cm boven de hymenring
2 minder dan 1 cm boven of onder de hymenring
3 1 cm of meer voorbij de hymenring
4 complete eversie vagina en uterus
TerugNoot 18: Gynaecologische tumoren

Hoewel dit niet bewezen is, is het denkbaar dat gynaecologische tumoren (zoals een forse uterus myomatosus of een grote adnextumor) urine-incontinentie of frequente mictiedrang kunnen veroorzaken. Het is vanwege het ontbreken van onderzoek niet mogelijk om concrete aanbevelingen te geven voor het beleid bij urine-incontinentie in combinatie met een gynaecologische tumor. In de praktijk zal het beleid afhangen van de grootte en de aard van de tumor. Het vinden van een beperkte uterus myomatosus heeft meestal geen consequenties voor het beleid.

TerugNoot 19: Stresstest

Een positieve stresstest wordt gedefinieerd als het (zichtbaar) optreden van urineverlies bij hoesten of tijdens het uitvoeren van de valsalvamanoeuvre. Het verrichten van een stresstest voor het aantonen van stressincontinentie wordt niet aanbevolen, aangezien de test vooral in de tweede lijn is onderzocht en niet bekend is wat in de eerste lijn de meerwaarde is ten opzichte van de anamnese. Daarnaast is het een emotioneel belastend onderzoek voor de vrouw.

TerugNoot 20: Beoordeling functie bekkenbodemspieren en instructie aanspannen

Er is geen bewijs dat instructie voor het aanspannen van de bekkenbodemspieren tijdens vaginaal toucher positief effect heeft op het resultaat van bekkenbodemspieroefeningen. Het ligt echter wel voor de hand dat de vrouw in staat moet zijn haar bekkenbodemspieren op de juiste manier aan te spannen om effect van bekkenbodemspieroefeningen te kunnen verwachten. Als bij het vaginaal toucher de indruk ontstaat dat de vrouw hier niet toe in staat is, kan hiermee rekening gehouden worden bij het bepalen van het beleid. Consequentie kan bijvoorbeeld zijn dat de vrouw voor oefentherapie wordt verwezen naar een geregistreerd bekkenfysiotherapeut in plaats van dat zij behandeld wordt in de huisartsenpraktijk.

Ook in andere richtlijnen wordt aanbevolen om door middel van een vaginaal toucher instructie te geven voor het aanspannen van de bekkenbodemspieren [CBO/LEVV 2012, NICE 2013, NVU/NVOG 2014]. Ook bij vrouwen met urgency-incontinentie is het correct aanspannen van de bekkenbodemspieren van belang, als methode om heftige mictiedrang te verminderen (zie noot 39).

Om herhaling van het vaginaal toucher (bij het lichamelijk onderzoek en bij de start van de behandeling) te voorkómen, wordt het aanbevolen om de instructie met het lichamelijk onderzoek te integreren.

TerugNoot 21: Te hoge spanning in de bekkenbodemspieren

Bij een onbekend deel van de vrouwen gaat incontinentie voor urine (zowel stress- als urgency-incontinentie) dan wel het overactieveblaassyndroom samen met een te hoge spanning van de bekkenbodemspieren. Dit kan dan ook gepaard gaan met obstipatie en dyspareunie. Met een te hoge spanning in de bekkenbodemspieren wordt hetzelfde bedoeld als de term overactieve bekkenbodemspieren die de International Continence Society (ICS) hanteert [Haylen 2010]. Met deze term wordt bedoeld dat de vrouw niet in staat is de bekkenbodemspieren te ontspannen, zelfs niet als dit functioneel noodzakelijk is, zoals voor defecatie. In de vorige versie van deze standaard werd dit hypertonie van de bekkenbodemspieren genoemd. Om praktische redenen (bij huisartsen is de term overactieve bekkenbodem een minder bekende term en er blijkt verwarring te ontstaan tussen de termen overactieve bekkenbodem en het overactieveblaassyndroom) is er voor gekozen om in deze standaard de beschrijvende term te hanteren.

TerugNoot 22: Mictiedagboek

Het mictiedagboek is een betrouwbaar hulpmiddel bij het vaststellen van de omvang van het urineverlies en bij het vervolgen van het effect van een ingestelde behandeling. De vrouw legt onder andere per tijdstip vast hoeveel ze drinkt, hoeveel ze plast, of en hoeveel ongewild urineverlies ze had en de mogelijke oorzaak daarvan (bijvoorbeeld plotselinge heftige aandrang, niezen). In diverse onderzoeken werden hoge correlatiecoëfficiënten (hoger dan 0,8) gevonden voor de test-hertestovereenkomsten op uitkomstmaten mictiefrequentie, frequentie van ongewild urineverlies en hoeveelheid urineverlies [Groutz 2000, Locher 2001, Nygaard 2000, Wyman 1988]. De betrouwbaarheid van overige gegevens, zoals het drinkvolume is niet onderzocht.

Het staat niet vast welke termijn van bijhouden van het mictiedagboek de voorkeur heeft. Van een eendaags dagboek wordt verondersteld dat dit te zeer onderhavig is aan toevalligheden; een zevendaags dagboek bijhouden is belastend voor de vrouw. In deze standaard is gekozen voor de tussenweg en wordt aanbevolen om het mictiedagboek gedurende drie aaneengesloten dagen in te vullen. Deze standaard sluit daarmee aan op de keuze in de multidisciplinaire richtlijn Urine-incontinentie bij vrouwen [CBO/LEVV 2012].

TerugNoot 23: Urineonderzoek op microscopische hematurie

In de vorige versie van deze standaard werd aanbevolen om onderzoek te verrichten naar microscopische hematurie. Het doel hiervan was om blaasstenen en -tumoren, als oorzaak van incontinentie, op te sporen. Deze aanbeveling wordt in de huidige versie van de standaard niet meer gegeven vanwege het feit dat het beleid bij het vaststellen van hematurie niet duidelijk is, fout-positieve uitslagen (wel hematurie, maar geen blaastumor of -steen) naar verwachting frequent zullen voorkomen, en negatieve uitslagen de aanwezigheid van een blaastumor of -steen niet uitsluiten.

TerugNoot 24: Residu

Geschikte methodes om het residu na mictie te bepalen zijn: het maken van een blaasscan (een echo van de blaas, ook wel bladderscan genoemd) of katheterisatie. De voorkeur gaat uit naar gebruik van een blaasscan (betrouwbaarder, lagere kans op complicaties) [CBO/LEVV 2012].

Bij een klein deel van de patiënten met urgency-incontinentie is sprake van residuvorming na de mictie en dient behandeling met anticholinergica te worden vermeden, vanwege een grotere kans op urineretentie als bijwerking daarvan. Het lichamelijk onderzoek levert geen bijdrage aan de opsporing van deze groep. Uit een onderzoek blijkt dat ook routinematige objectieve residumeting vrijwel geen klinische consequenties oplevert. In dit prospectieve observationele onderzoek werden 408 achtereenvolgende incontinente vrouwen onderzocht. Bij 6% was sprake van een residu (na mictie) van meer dan 149 ml en bij slechts 1,5% had de omvang van het residu dan wel een verminderde urineflow klinische consequenties [Sander 2002].

Conclusie: het nut van routinematige residubepaling bij urine-incontinentie staat niet vast.

TerugNoot 25: Het beleid bij oudere vrouwen

Uit een focusgroeponderzoek onder Nederlandse huisartsen (n = 13, verdeeld over 2 focusgroepen) blijkt dat zij bij oudere patiënten met incontinentie de neiging hebben terughoudend te zijn met behandelen. De belangrijkste redenen die hiervoor genoemd werden waren: de huisartsen hadden lage verwachtingen over het te bereiken effect van de behandeling, patiënten waren niet gemotiveerd voor behandeling, de huisartsen ervoeren een gebrek aan tijd en zowel de huisarts als de patiënt gaf vaak prioriteit aan comorbide problemen [Teunissen 2006]. De terughoudendheid met behandelen wordt bevestigd in een prospectief observationeel onderzoek in Nederland onder patiënten ouder dan 60 jaar (n = 90, voornamelijk vrouwen) die met incontinentie naar de huisarts gingen. In dit onderzoek werden dezelfde redenen voor terughoudendheid gevonden als in het focusgroeponderzoek [Teunissen 2008].

Ook bij oudere vrouwen is echter effect aangetoond van het in deze standaard aanbevolen beleid (zie de bijbehorende noten).

Ten aanzien van het doen van bekkenbodemspieroefeningen en/of blaastraining is het wel van belang dat de huisarts nagaat of de vrouw voldoet aan de volgende voorwaarden (ontleend aan de V&VN-richtlijn Urine-incontinentie bij kwetsbare ouderen (2010) [V&VN 2010]:

  • de vrouw is zich enigszins bewust van de bekkenbodemspieren;
  • de vrouw is in staat selectief deze spieren te (leren) aanspannen en ontspannen;
  • de vrouw is enigszins instrueerbaar;
  • de vrouw kan enigszins zelfstandig trainen;
  • de vrouw is gemotiveerd om te trainen.

Ten aanzien van medicamenteuze behandeling van urgency-incontinentie geldt dat bij oudere vrouwen natuurlijk vaker rekening zal moeten worden gehouden met comorbiditeit en gebruik van overige medicatie. Ten aanzien van het plaatsen van een midurethraalbandje bij stressincontinentie geldt dat bij oudere vrouwen de kans op falen van de behandeling en de kans op complicaties groter lijkt te zijn dan bij jongere vrouwen (zie noot 33).

TerugNoot 26: Incontinentie na operatieve ingreep voor stressincontinentie

Het optreden van urgency-incontinentie na operatieve ingrepen voor stressincontinentie moet gezien worden als een complicatie van de operatie. De behandelaar in de tweede lijn kan beoordelen of er bijvoorbeeld iets gewijzigd kan worden aan de positie van een midurethraal bandje, zodat de klachten verminderen. Hetzelfde geldt voor recidiefstressklachten na een operatie. In dat geval kan bijvoorbeeld een tweede bandje geplaatst worden.

TerugNoot 27: Effectiviteit interventies op niet-urologische factoren

Met name bij oudere vrouwen met incontinentie kunnen niet-urologische factoren een rol spelen bij het ontstaan of verergeren van urine-incontinentie. Er is beperkt onderzoek gedaan naar het effect van beïnvloeding van niet-urologische factoren op urine-incontinentie.

Interventies gericht op het verbeteren van de mobiliteit

In een multicenter enkelblinde RCT met incontinente oudere vrouwen (n = 57) met lichte tot matig ernstige beperking in de mobiliteit werd het effect onderzocht van een fysiotherapeutische interventie die zich richtte op het verminderen van problemen met de toiletgang (bijvoorbeeld het opstaan vanuit bed of een stoel, lopen naar het toilet, broek losmaken) [Van Houten 2007]. De urine-incontinentie verminderde wel in de interventiegroep, maar dit verschil was niet significant ten opzichte van de controlegroep. Patiënten gingen na de interventie wel significant sneller naar het toilet (absolute getallen staan niet genoemd, p = 0,05). In een RCT bij thuiswonende vrouwen ouder dan 70 jaar (n = 61) met minimaal 2 geriatrische beperkingen (cognitieve en/of functionele beperkingen en/of urine-incontinentie) zijn gunstige effecten op incontinentie aangetoond van een interventie die bestond uit de combinatie van bekkenbodem- en fitnessoefeningen [Kim 2011]. Het is echter de vraag in hoeverre de fitnessoefeningen of de bekkenbodemspieroefeningen daarvoor verantwoordelijk waren.

Interventies bij ouderen met cognitieve beperking

In een systematische review worden 3 onderzoeken (1 RCT, 2 met observationele opzet) besproken naar het effect van wisselende conservatieve maatregelen bij ouderen met cognitieve beperking in de thuissituatie [Drennan 2012]. Toiletgang na attenderen was van alle interventies een onderdeel. Dit houdt in dat de verpleging of verzorging patiënten op gezette momenten met daartussen vaste tijdsintervallen, variërend van 1 tot 2 uur, verzocht het toilet te bezoeken om te plassen. Alleen de twee observationele onderzoeken (n = 137, waarvan 2/3 vrouw) hanteerden uitkomstmaten met betrekking tot urine-incontinentie. In het ene onderzoek vielen 44 van de 118 deelnemers voortijdig uit (door verhuizing naar een verzorgingshuis, sterfte of ziekte); in het andere onderzoek 3 van de 9 deelnemers van de interventiearm (door sterfte of ziekte). Mede door nog meer tekortkomingen in de kwaliteit van de onderzoeken komen de auteurs van de systematische review tot de conclusie dat er onvoldoende gegevens zijn om aanbevelingen te doen.

In een Cochrane-review worden 2 RCT’s besproken naar het effect van toiletgang na attenderen, gecombineerd met andere maatregelen tegen incontinentie bij ouderen met een cognitieve beperking in verzorgings- en verpleeghuizen (n = 298, voornamelijk vrouwen) [Ostaszkiewicz 2004]. In het ene onderzoek (n = 20), waar toiletgang na attenderen werd gecombineerd met coaching van de verzorging, worden geen gegevens over voortijdige uitvallers gegeven. Er lijkt in dit onderzoek duidelijke vermindering van het aantal incontinente episodes op te treden, maar de auteurs van de systematische review missen relevante gegevens, zoals standaarddeviaties, waardoor het niet mogelijk is om conclusies te trekken. In het andere onderzoek (n = 278) bestond de interventie naast toiletgang na attenderen uit het toedienen van medicatie, zoals flavoxaat, antibiotica, lokale oestrogenen en daarnaast uit bekkenbodemspieroefeningen. Er was geen significant verschil tussen de onderzoeksgroepen met betrekking tot het aantal patiënten dat overdag incontinent was, maar ’s nachts waren in de interventiegroep significant minder patiënten incontinent dan in de controlegroep (OR 1,80; 95%-BI 1,12 tot 2,89). Op basis van de lage kwaliteit van de onderzoeken en de wisselende interventies concluderen de auteurs dat er onvoldoende gegevens zijn om aanbevelingen te doen voor conservatieve interventies bij incontinente ouderen met cognitieve beperkingen.

Conclusie

Overtuigend bewijs voor effect van interventies gericht op het verbeteren van de mobiliteit van oudere vrouwen of voor interventies gericht op ouderen met een cognitieve beperking op de mate van incontinentie ontbreekt.

TerugNoot 28: Effect afvallen

Overgewicht is geassocieerd met een grotere kans op urine-incontinentie (zie noot 15). In een systematische review worden 6 RCT’s (n = 5166) besproken waarin het effect van niet-chirurgisch afvallen op urine-incontinentie werd onderzocht bij vrouwen met overgewicht of obesitas. Vier onderzoeken waren gecontroleerd, de overige 2 waren dat niet. De gemiddelde BMI van de vrouwen was 35 kg/m2 (minimaal 30 kg/m2) en het doel was om 5 tot 10% gewichtsverlies te bereiken [Vissers 2014]. De meta-analyse werd verricht door de effecten op de belangrijkste uitkomstmaat van elk onderzoek uit te drukken in een gestandaardiseerd effect. De meestgebruikte uitkomstmaat was reductie in het aantal incontinente episodes per tijdseenheid. Het gestandaardiseerde gemiddelde effect op urine-incontinentie was −0,30 (95%-BI −0,47 tot −0,12). Na exclusie van de twee ongecontroleerde onderzoeken was het gestandaardiseerde gemiddelde effect −0,23 (95%-BI −0,40 tot −0,06). Globaal komt dit effect neer op bijna halvering van het aantal incontinente episodes.

Conclusie: bij obesitas (BMI > 30 kg/m2) heeft gewichtsverlies een positief effect op urine-incontinentie.

TerugNoot 29: De rol van (wijk)verpleegkundige en praktijkondersteuner

Uit onderzoek blijkt dat een speciaal hiervoor opgeleide wijkverpleegkundige goed in staat is, na initiële diagnose door de huisarts, patiënten met urine-incontinentie te begeleiden [Albers-Heitner 2012, Albers-Heitner 2008, Albers-Heitner 2013, Albers-Heitner 2011a, Albers-Heitner 2011b, Williams 2005]. Deze wijkverpleegkundigen gaven voorlichting, afgestemd op de specifieke behoeftes en situatie van de vrouw, steunden en motiveerden de patiënten, hielpen bij het invullen van een mictiedagboek en gaven advies bij het kiezen van incontinentiemateriaal. Daarnaast ondersteunden zij de patiënten bij het doen van bekkenbodemspieroefeningen en blaastraining. De wijkverpleegkundigen volgden hiertoe een training en moesten hun competenties bewijzen in een afsluitende toets. Een soortgelijke opleiding is in Nederland ontwikkeld voor praktijkondersteuners. Hoewel bewijs ontbreekt dat ook zij patiënten effectief kunnen begeleiden bij de behandeling voor urine-incontinentie, ligt het voor de hand dat in het kader van de verlengde arm de huisarts de begeleiding bij de behandeling kan delegeren aan de praktijkondersteuner. Voorwaarde hiervoor is dat de praktijkondersteuner aanvullende scholing heeft gevolgd en dat het delegeren gebeurt conform de algemene aanbevelingen die gelden voor het delegeren van taken door de huisarts (zie algemene disclaimer bij NHG-Standaarden over het delegeren van taken).

Met de term ‘geschoolde (wijk)verpleegkundige’ wordt in deze standaard ook de continentieverpleegkundige bedoeld.

TerugNoot 30: Katheters

Gebruik van blaaskatheters is geassocieerd met een verhoogd risico op het ontstaan van asymptomatische bacteriurie en (symptomatische) urineweginfecties [Tambyah 2002]. Het gebruik ervan kan bovendien ongemakkelijk zijn voor de patiënt. Er is geen onderzoek naar de effectiviteit van het gebruik van blaaskatheters bij de behandeling van urine-incontinentie gevonden. In een systematische review, waarin de behandeling van neurogene blaasstoornissen met behulp van katheters werd onderzocht, konden geen onderzoeken worden geïncludeerd [Jamison 2004]. In de Verenso-richtlijn Blaaskatheters - Langdurige blaaskatheterisatie bij patiënten met complexe multimorbiditeit (2011) wordt aanbevolen om bij urine-incontinentie geen blaaskatheter te plaatsen, tenzij daar zwaarwegende argumenten voor zijn, zoals ernstige huidschade bij een bedlegerige patiënt of als een patiënt er vanwege ongemak nadrukkelijk zelf om vraagt [Verenso 2011].

Conclusie: er is in de behandeling van urine-incontinentie geen plaats voor toepassing van een blaaskatheter, uitzonderingssituaties daargelaten. Dit is bijvoorbeeld het geval bij een bedlegerige patiënt met een therapieresistente vorm van urine-incontinentie en daarbij een bedreigde huid.

TerugNoot 31: Effectiviteit bekkenbodemspieroefeningen bij stressincontinentie

Achtergrond

Door het doen van bekkenbodemspieroefeningen wordt het herhaald, willekeurig aanspannen en ontspannen van de bekkenbodemspieren aangeleerd. Het doel is het realiseren en vervolgens behouden van een optimale functie van de bekkenbodemspieren (qua kracht, coördinatie, timing). Hierdoor wordt de urethra beter afgesloten bij intra-abdominale drukverhoging, waardoor ongewild urineverlies wordt tegengegaan [Dumoulin 2014].

Uitgangsvraag

Wat is het effect van bekkenbodemspieroefeningen in vergelijking met geen behandeling bij vrouwen met stressincontinentie?

Relevante uitkomstmaten

  • kans op subjectieve genezing van de klachten;
  • kans op subjectieve verbetering van de klachten;
  • het aantal incontinente episodes per 24 uur;
  • ziektespecifieke kwaliteit van leven;
  • de tevredenheid van de vrouw;
  • bijwerkingen.

Resultaten

Beschrijving onderzoeken

Bekkenbodemspieroefeningen in vergelijking met geen behandeling:

In een systematische review worden 9 RCT’s (n = 426) besproken waarin het effect van bekkenbodemspieroefeningen in vergelijking met geen behandeling, nepbehandeling of placebo werd onderzocht bij vrouwen met stressincontinentie [Dumoulin 2014]. Exclusiecriteria waren: ernstige prolaps (tot voorbij de hymenring), urgency-incontinentie, eerdere operatie vanwege stressincontinentie en neurologische aandoeningen. De gemiddelde leeftijd van de vrouwen varieerde van 46 tot 77 jaar. In alle onderzoeken leerden de vrouwen dagelijks 30 tot 100 bekkenbodemcontracties uit te voeren. De instructies werden gegeven door een fysiotherapeut, gespecialiseerde verpleegkundige of huisarts. De mate van contact met de hulpverlener varieerde van om de dag tot geen contact na instructie. De behandelduur varieerde van 8 weken tot 6 maanden.

Kwaliteit van bewijs

De auteurs van de Cochrane-review beoordelen de kwaliteit van de geïncludeerde onderzoeken als matig. Er was vaak kans op bias vanwege het ontbreken van een heldere omschrijving van de gebruikte methode voor randomisatie en allocatie, het feit dat blindering vanwege de aard van de interventie niet mogelijk was (hoewel eenzijdige blindering van de beoordelaars in een deel van de onderzoeken wel werd toegepast) en het feit dat niet in alle onderzoeken een ‘intention to treat’-analyse is gedaan. Daarnaast was sprake van onnauwkeurigheid doordat onderzoeken vaak maar weinig patiënten includeerden. Er was aanzienlijke heterogeniteit tussen de verschillende onderzoeken, maar deze was grotendeels te verklaren door onderlinge verschillen in de onderzoeksopzet, patiëntenpopulatie en de mate van intensiteit van de interventie. Per onderzoek is ook de invulling van het subjectieve begrip ‘genezing’ of ‘verbetering’ verschillend. De gehanteerde definitie is in veel onderzoeken niet duidelijk, wat betrouwbare kwantificering van het effect bemoeilijkt.

Effectiviteit

De kans op subjectieve genezing (4 onderzoeken, n = 165) was gemiddeld 56% in de interventiegroep versus 6% in de controlegroep (RR 8,38; 95%-BI 3,68 tot 19,07). De kans op subjectieve verbetering of genezing (2 onderzoeken, n = 121) was gemiddeld 55% in de interventiegroep en 3% in de controlegroep (RR 17,33; 95%-BI 4,31 tot 69,64). Het effect bij oudere vrouwen leek vergelijkbaar te zijn met het effect bij jongere vrouwen. Een jaar na het beëindigen van de behandeling was 44% van de vrouwen in de interventiegroep nog genezen of verbeterd, versus geen van de vrouwen in de controlegroep, maar dit werd slechts in een onderzoek gemeten (n = 51). Het aantal incontinente episodes per 24 uur (4 onderzoeken, n = 253) was in de interventiegroepen significant lager dan in de controlegroepen (gemiddeld verschil −1,21; 95%-BI −1,52 tot −0,89). De uitkomsten op de ziektespecifieke kwaliteit van leven (3 onderzoeken, n = 145) waren inconsistent. In de interventiegroepen was gemiddeld 71% van de vrouwen tevreden over de behandeling, terwijl dit in de controlegroepen gemiddeld slechts 13% was (RR 5,32; 95%-BI 2,63 tot 10,74) (2 onderzoeken, n = 105).

Bijwerkingen

In slechts een onderzoek meldden de auteurs dat enkele vrouwen door bekkenbodemspieroefeningen een onaangenaam gevoel of een urineweginfectie kregen.

Conclusie

Er is bewijs van matige kwaliteit voor het bestaan van een effect op urine-incontinentie van bekkenbodemspieroefeningen in vergelijking met geen behandeling bij vrouwen met stressincontinentie (ook bij oudere vrouwen). Er is onzekerheid over het effect op langere termijn.

Van conclusie naar aanbeveling

Het bewijs voor effectiviteit van bekkenbodemspieroefeningen wordt weliswaar beoordeeld als van matige kwaliteit, maar de resultaten van de onderzoeken wijzen allemaal op een positief effect. Er is dus geen twijfel over het feit dat het doen van bekkenbodemspieroefeningen een positief effect heeft op urine-incontinentie. Het effect op langere termijn hangt waarschijnlijk samen met de mate waarin de vrouw de oefeningen blijft doen [Lagro-Janssen 1998].

Aanbeveling

Bespreek met vrouwen met stressincontinentie de optie om bekkenbodemspieroefeningen te gaan doen, met het doel deze spieren te versterken en de timing en coördinatie van het aanspannen ervan te verbeteren.

TerugNoot 32: Het pessarium

Achtergrond

Het veronderstelde werkingsmechanisme van een pessarium is dat deze steun kan geven aan de urethra en/of de blaashals, zodat er een weerstand is bij het toenemen van de intra-abdominale druk en de urethra afgesloten wordt. Ook de sluitingsdruk van de urethra kan groter worden door de druk van het hulpmiddel op de urethra via de vaginavoorwand.

Uitgangsvraag

Wat is het effect van het pessarium in vergelijking met niets doen of bekkenbodemspieroefeningen bij de behandeling van stressincontinentie?

Relevante uitkomstmaten

  • kans op subjectieve genezing van de klachten;
  • kans op subjectieve verbetering van de klachten;
  • het aantal incontinente episodes per 24 uur;
  • ziektespecifieke kwaliteit van leven;
  • de tevredenheid van de vrouw;
  • bijwerkingen.

Bewijs

Bron en kwaliteit van bewijs

In een Cochrane-review worden 4 RCT’s (n = 564) beschreven waarin bij vrouwen met stressincontinentie in de tweede lijn het effect van intravaginale hulpmiddelen, zoals een pessarium, wordt onderzocht [Lipp 2011]. In het enige onderzoek dat relevante effect-uitkomstmaten hanteerde, een RCT (n = 446) van goede kwaliteit, werd het effect van een pessarium (ring of schotelvorm, afhankelijk van welk het beste paste) vergeleken met bekkenbodemspieroefeningen of de combinatie van beide interventies (deze laatste behandelarm wordt hier buiten beschouwing gelaten). De gemiddelde leeftijd van de vrouwen was 50 jaar. De behandeling duurde 8 weken en de follow-up was 1 jaar. Na afloop van de interventie werden vrouwen aangemoedigd de interventies voort te zetten. Vrouwen met een prolaps voorbij de hymenring werden uitgesloten van deelname aan het onderzoek.

Een na de Cochrane-review verschenen RCT waarin het effect van een op een ringpessarium lijkend hulpmiddel werd vergeleken met geen behandeling is niet meegenomen, vanwege de lage kwaliteit, gebrek aan power en korte follow-upduur [Cornu 2012].

Effectiviteit

Tussen vrouwen die een pessarium gebruikten en vrouwen die bekkenbodemspieroefeningen deden waren na 3 en na 12 maanden geen significante verschillen aantoonbaar op de uitkomstmaten met betrekking tot subjectieve verbetering van de incontinentie. Bijvoorbeeld was na 12 maanden het aantal incontinente episodes met minimaal 75% gereduceerd bij 35% van de pessariumgebruiksters en bij 40% van de vrouwen die bekkenbodemspieroefeningen deden (RR 0,93; 95%-BI 0,68 tot 1,26). Ook voor de mate van tevredenheid van de vrouwen met de behandeling waren geen significante verschillen aantoonbaar: na 12 maanden was in beide groepen de helft van de vrouwen tevreden over de behandeling (RR 0,97; 95%-BI 0,78 tot 1,21). Na een jaar was 38% van de pessariumgebruiksters en 32% van de vrouwen die bekkenbodemspieroefeningen deden gestopt met de behandeling vanwege gebrek aan effect of ontevredenheid met de behandeling (RR 1,10; 95%-BI 0,80 tot 1,52) [Lipp 2011].

Bijwerkingen

Een regelmatig voorkomende bijwerking van het pessarium is een onprettig gevoel of pijn [Cornu 2012, Lipp 2011].

Conclusie

Er is beperkt bewijs (op basis van 1 RCT) van goede kwaliteit voor een gelijkwaardig effect van een pessarium ten opzichte van bekkenbodemspieroefeningen bij vrouwen met stressincontinentie.

Van conclusie naar aanbeveling

Een onprettig gevoel of pijn door het dragen van een pessarium betekent dat het pessarium niet de goede maat heeft, of niet goed is ingebracht.

Uit observationele onderzoeken blijkt dat ongeveer de helft van de vrouwen die vanwege incontinentie starten met het gebruik van een pessarium dit gebruik voortzetten op de langere termijn, omdat ze tevreden zijn over het effect [Donnelly 2004, Farrell 2004, Farrell 2007].

In een observationeel onderzoek bij vrouwen met urogenitale prolaps in 4 Nederlandse huisartsenpraktijken werd onder andere onderzocht om welke redenen vrouwen stopten met het gebruik van een pessarium. Van de 192 vrouwen die een pessarium kregen kreeg 17% last van fluor en 17% van een drukulcus. Bij 56% werd het pessarium na verloop van tijd verwijderd (mediane in situ duur 5,4 jaar (SD 5,4 jaar). Bij ruim de helft van deze vrouwen waren klachten ten gevolge van het pessarium (vooral fluor en drukulcera) de reden voor verwijdering en bij 24% van deze vrouwen was de reden dat het pessarium niet (meer) effectief was. Bij 2% van de vrouwen verergerde de incontinentie door het dragen van het pessarium [Broens-Oostveen 2004].

Een praktisch nadeel van een pessarium is dat het periodiek schoongemaakt moet worden en dat er kans is op het ontstaan van decubitus van de vaginawand.

Aanbeveling

Bespreek de optie om een pessarium te gebruiken bij vrouwen met stressincontinentie.

TerugNoot 33: Effect en complicaties plaatsen midurethraalbandje

Plaatsing van een midurethraalbandje, ook wel tension free vaginal tape (TVT) of transobturator tape (TOT) genoemd) is bij zowel urologen als gynaecologen ingreep van eerste keuze geworden als conservatieve behandelingen hebben gefaald bij stressincontinentie. Er wordt dan een kunststof bandje via een kleine incisie spanningsloos onder de urethra door naar de buikwand geleid (TVT). De TOT is gebaseerd op hetzelfde principe, maar hierbij wordt het bandje op een andere wijze geplaatst. In deze noot staat een overzicht van het aangetoonde effect en complicaties van het midurethrale bandje in het algemeen, bij oudere vrouwen en in vergelijking met bekkenbodemspieroefeningen.

Bewijs/bron

Algemeen:

In een systematische review en meta-analyse worden 49 RCT’s besproken waarin het effect en bijwerkingen van het plaatsen van een midurethraalbandje werd vergeleken met de traditionele colposuspensieoperatie of met een andere techniek of benadering voor het plaatsen van een midurethraalbandje (bijvoorbeeld minimaal invasief of pubovaginaal). Daarnaast worden 39 onderzoeken besproken met observationele opzet, als aanvulling op de data over bijwerkingen en complicaties [Schimpf 2014]. De onderzoekers sloten alleen onderzoeken in met een minimale follow-upduur van 12 maanden. Na het verschijnen van deze systematische review zijn resultaten gepubliceerd van 5-jaarsfollow-up van 2 in de systematische review besproken RCT’s (n = 268 respectievelijk 404), waarin de TVT met de TOT vergeleken werd [Kenton 2015, Laurikainen 2014]. Daarnaast zijn resultaten van een gelijksoortige RCT (n = 100) met een follow-upduur van 46 maanden gepubliceerd [Nyyssonen 2014]. Verder zijn 2 cohortonderzoeken met langeretermijnfollow-up (17 jaar en 10 jaar) gepubliceerd, met respectievelijk 90 en 603 vrouwen die een TVT-procedure hebben ondergaan [Nilsson 2013, Svenningsen 2013].

In vergelijking met bekkenbodemspieroefeningen:

In een in Nederland uitgevoerde RCT (n = 417) werd bij vrouwen met matig ernstige of ernstige stressincontinentie die verwezen waren naar de tweede lijn het effect van plaatsing van een midurethraalbandje (ook wel TVT, TOT of MUS genoemd) vergeleken met het effect van bekkenbodemspieroefeningen [Labrie 2013]. Matig ernstige incontinentie is gedefinieerd als wekelijks tot dagelijks enkele druppels ongewild urineverlies of meer dan enkele druppels urineverlies minstens een keer per maand, maar minder dan een keer per week. Ernstige incontinentie is gedefinieerd als minimaal een keer per week meer dan druppels ongewild urineverlies [Hanley 2001]. Op een schaal van 0 tot 100 was de gemiddelde score voor impact van urine-incontinentie bij de deelneemsters 42. Vrouwen met een prolaps tot voorbij de hymenring werden geëxcludeerd. In beide onderzoeksgroepen had ongeveer 1 op de 5 vrouwen in het verleden (meer dan 6 maanden voor het onderzoek) al bekkenbodemspieroefeningen gedaan. De bekkenbodemspieroefeningen werden begeleid door een geregistreerde bekkenfysiotherapeut en behelsden 9 sessies in 9 tot 18 weken. De vrouwen leerden om dagelijks 3 maal 8 tot 12 keer hun bekkenbodem aan te spannen. De follow-up was een jaar. Als vervolg op dit onderzoek hebben Labrie et al. geanalyseerd welke factoren voorspellend waren voor het alsnog ondergaan van een operatie na randomisatie voor bekkenbodemspieroefeningen [Labrie 2014].

Oudere vrouwen:

Met betrekking tot oudere vrouwen is een RCT gepubliceerd waarin bij 69 vrouwen ouder dan 70 jaar die verwezen waren naar de tweede lijn het effect werd vergeleken van het plaatsen van een midurethraalbandje met een expectatief beleid. De vrouwen waren minstens een keer per dag incontinent [Campeau 2007]. Verder is een geplande secundaire analyse gepubliceerd van een RCT (n = 170) die door Schimpf et al. ook besproken wordt. Hierin wordt gekeken welke factoren voorspellend zijn voor het falen van een TVT of TOT [Barber 2008].

Kwaliteit

De kwaliteit van de onderzoeken in de systematische review van Schimpf et al. wordt door de auteurs van de systematische review gemiddeld als redelijk beoordeeld, maar zij beschreven niet expliciet welke tekortkomingen de onderzoeken hadden. Beperkend voor de kwaliteit van de meta-analyse en alle afzonderlijk besproken onderzoeken is het risico van attritiebias, doordat naarmate de follow-upduur langer is relatief veel patiënten selectief uitvallen. Het is niet altijd duidelijk in hoeverre de resultaten hiervoor zijn gecorrigeerd. Een andere beperking voor de kwaliteit van de onderzoeken is de uiteenlopende manier waarop effectiviteit, bijwerkingen en complicaties werden bijgehouden, wat de interpretatie en vergelijking van de resultaten bemoeilijkt. De RCT en vervolganalyse van Labrie et al. zijn van goede kwaliteit. Aangezien blindering niet mogelijk was vanwege de aard van de interventies, is er een risico op bias. Daarnaast zijn de resultaten in deze tweedelijnspopulatie niet zonder meer te extrapoleren naar de eerste lijn. De resultaten van de vervolganalyse zijn van beperkte waarde, aangezien zij niet gevalideerd zijn in grotere patiëntenpopulaties.

Effect

Algemeen:

Een jaar na het plaatsen van een midurethraalbandje rapporteerde 73% van de vrouwen die een TVT kregen (n = 1375) en 74% van de vrouwen die een TOT kregen (n = 1084) niet meer incontinent te zijn. Na een jaar was 90% van de vrouwen (n = 647) tevreden over het behandelresultaat. In 4 onderzoeken (n = 335) met een follow-upduur van 2 jaar of langer (range 2 tot 4 jaar) was het subjectieve genezingspercentage 57% in de TVT-groep (n = 193) en 84% in de TOT-groep (n = 142). Er waren geen significante verschillen tussen de verschillende technieken en ook niet met de colposuspensieoperatie. Er waren geen tevredenheidsgegevens uit onderzoeken met een langere follow-upduur [Schimpf 2014]. In de vervolgpublicatie van Laurikainen et al. was na 5 jaar 85% van de vrouwen uit de TVT-groep en 86% van de vrouwen uit de TOT-groep volledig tevreden over het resultaat van de operatie. Dit was iets lager dan de tevredenheidspercentages een jaar na de operatie: respectievelijk 90% en 93% [Laurikainen 2014, Schimpf 2014]. In de vervolgpublicatie van Kenton et al. was na 5 jaar de behandeling succesvol (gedefinieerd als geen vervolgbehandeling voor urine-incontinentie en geen stressincontinentiesymptomen volgens de vrouw) bij 51% van de vrouwen uit de TVT-groep en 43% van de vrouwen uit de TOT-groep (niet-significant verschil). Dit was iets lager dan een jaar na de operatie, want toen was de operatie succesvol bij respectievelijk 62% en 56%. De tevredenheid van de vrouwen nam ook af, respectievelijk van 86% en 90% naar 79% en 85% [Kenton 2015, Schimpf 2014]. In de na de meta-analyse van Schimpf et al. verschenen RCT van Nyyssonen et al. was het subjectieve genezingspercentage na 46 maanden in beide groepen 81%. Respectievelijk 79% en 74% van de vrouwen was tevreden over het resultaat [Nyyssonen 2014]. In het cohortonderzoek van Nilsson et al. was 17 jaar na plaatsen van een TVT bij 87% van de vrouwen de incontinentie subjectief genezen of duidelijk verbeterd [Nilsson 2013]. In het andere cohortonderzoek was 10 jaar na het plaatsen van een retropubische TVT 76% van de vrouwen subjectief genezen en 83% van de vrouwen heel tevreden met het resultaat [Svenningsen 2013].

In vergelijking met bekkenbodemspieroefeningen:

Van de 202 vrouwen die gerandomiseerd waren voor bekkenbodemspieroefeningen werden 99 tijdens het onderzoek alsnog geopereerd vanwege ontevredenheid over het effect van bekkenbodemspieroefeningen. Dit gebeurde na gemiddeld 31,7 ± 12,7 weken. Na 12 maanden gaf 32% van de vrouwen die alleen bekkenbodemspieroefeningen kregen (n = 103) zeer veel of veel verbetering aan op de PGI-I (patient global impression of improvement, in dit onderzoek de primaire uitkomstmaat), ten opzichte van 91% van de vrouwen die meteen een midurethraalbandje hadden gekregen (n = 215) en 94% van de vrouwen die initieel bekkenbodemspieroefeningen kregen en later alsnog een bandje hebben gekregen (n = 99). Subjectieve genezing (bevestigend antwoord op de vraag of tijdens lichamelijke activiteit, hoesten of niezen ongewild urineverlies voorkwam) trad op bij respectievelijk 16%, 85% en 87% van de vrouwen [Labrie 2013]. De kans op het alsnog ondergaan van een operatie na randomisatie voor bekkenbodemspieroefeningen was hoger bij vrouwen jonger dan 55 jaar, hoger opleidingsniveau, ernstige urine-incontinentie en bij hoge impact van de incontinentie op de kwaliteit van leven [Labrie 2014].

Oudere vrouwen:

In de RCT van Campeau et al. was bij de oudere vrouwen die een midurethraalbandje kregen (n = 31) na een half jaar de ziektespecifieke kwaliteit van leven significant gestegen, in vergelijking met de oudere vrouwen in de controlegroep (n = 27). De ziektespecifieke kwaliteit van leven werd gemeten met de I-QOL, een gevalideerde vragenlijst met score 0 tot 100, waarbij hogere scores hogere kwaliteit van leven impliceren. De stijging in de interventiegroep was 38,7 ± 22,4 (tot een gemiddelde score van 96,5 ± 15,5) en in de controlegroep 2,7 ± 16,4 (tot een gemiddelde score van 61,6 ± 19,8; p < 0,0001). Genezings- of verbeteringspercentages werden niet gemeten [Campeau 2007]. In de geplande subanalyse van een RCT uit de meta-analyse van Schimpf et al. bleek leeftijd de enige factor te zijn die onafhankelijk was geassocieerd met de kans op falen van de operatie. Van vrouwen van 50 jaar of jonger had na 1 jaar ongeveer 12% nog of weer stressincontinentie, maar van 80-jarigen was dit 50% (OR 1,7; 95%-BI 1,1 tot 2,6 per decennium). Er was geen verschil tussen de TVT en TOT [Barber 2008].

Complicaties

Algemeen:

Gemiddeld 2% van de vrouwen had heroperatie nodig in verband met erosie van het bandje; overactieve blaas/urgencyklachten treden op bij gemiddeld 6%; gemiddeld 3% heeft urineretentie die binnen 6 weken postoperatief herstelt; 3% heeft urineretentie die niet na 6 weken herstelt; 1% moet opnieuw geopereerd worden vanwege urineretentie; blaasperforatie treedt bij 3% van de vrouwen op en bij 2% komen de uiteinden van het bandje bloot te liggen [Schimpf 2014]. De daarna gepubliceerde (vervolgen op) RCT’s met follow-upduur van 5 jaar laten zien dat ook dan de novo urgency-incontinentie) voorkomt (door Laurikainen et al. en Kenton et al. gerapporteerd: prevalentie respectievelijk 3% en 9%). De relatie met de operatie zal niet altijd even duidelijk zijn. Daarnaast komen recidiverende urineweginfecties regelmatig voor (door Laurikainen et al. en Kenton et al. gerapporteerd: prevalentie in beide onderzoeken 6%). Het is echter niet duidelijk in hoeverre deze prevalentie verschilt van vrouwen die niet geopereerd zijn. Problemen met de blaaslediging kwamen na 5 jaar ook nog voor. Nyyssonen et al. rapporteren dat 12% van de vrouwen het subjectieve gevoel had de blaas niet volledig te kunnen legen tijdens de mictie. Laurikainen et al. rapporteren dat 5% van de vrouwen een klinisch relevant residu had na de mictie (in dit onderzoek gedefinieerd als > 100 ml). Problemen met de tape (erosie, expulsie) kwamen zelden voor meer dan 1 jaar postoperatief [Kenton 2015, Laurikainen 2014, Nyyssonen 2014].

In vergelijking met bekkenbodemspieroefeningen:

In het onderzoek van Labrie et al. traden bij 41 van de 314 geopereerde vrouwen in totaal 65 per- en postoperatieve complicaties op. Dit varieerde van complicaties die over het algemeen geen klinische gevolgen hebben, zoals blaasperforatie (2%), blauwe plekken (6%), perforatie van de vagina (3%) tot complicaties die wel klinische gevolgen hebben, zoals veel bloedverlies (1%) en urgency-incontinentie (6%). Heroperatie, bijvoorbeeld omdat de uiteinden van het bandje bloot waren komen te liggen, of om het bandje losser te maken, was nodig bij 6 vrouwen (2%). Door bekkenbodemspieroefeningen traden geen bijwerkingen op [Labrie 2013].

Oudere vrouwen:

Complicaties kwamen bij de oudere vrouwen die geopereerd werden in de RCT van Campeau et al. regelmatig voor: bij 23% trad een blaasperforatie op (zonder klinische consequenties) en urineretentie trad op bij 13%, waarvan de helft over was nadat de vrouw een week een verblijfskatheter gedragen had. Bij 2 vrouwen (6%) moest het bandje operatief losser gemaakt worden. Bij een vrouw (3%) trad de novo urgency-incontinentie op [Campeau 2007].

Conclusie

Algemeen:

Door het plaatsen van een midurethraalbandje zijn na een jaar ongeveer drie op de vier vrouwen met stressincontinentie niet meer incontinent. Op langere termijn lijkt dit effect iets af te nemen en zijn globaal twee op de drie vrouwen subjectief genezen. De interpretatie van langeretermijnresultaten wordt bemoeilijkt vanwege het risico op attritiebias door selectieve uitval van deelnemers naarmate de follow-up van het onderzoek langer is. De meestvoorkomende complicaties zijn het de novo optreden van urgency-incontinentie en blaasledigingsstoornissen.

In vergelijking met bekkenbodemspieroefeningen:

Er is beperkt bewijs (1 onderzoek) van goede kwaliteit dat het plaatsen van een midurethraalbandje bij vrouwen met minimaal een keer per week stressincontinentie in de tweede lijn effectiever is dan het doen van bekkenbodemspieroefeningen. Er zijn aanwijzingen dat vrouwen met een leeftijd jonger dan 55 jaar, hoog opleidingsniveau, ernstige urine-incontinentie en bij wie de incontinentie grote impact op de kwaliteit van leven heeft, vaker alsnog worden geopereerd nadat ze bekkenbodemspiertraining hadden gedaan.

Oudere vrouwen:

Ook bij oudere vrouwen lijkt het plaatsen van een midurethraalbandje effectief te zijn, maar bij hen lijkt de kans op falen van de behandeling wel groter dan bij jongere vrouwen en de kans op complicaties is mogelijk ook iets hoger (beperkt bewijs).

Van conclusie naar aanbeveling

Het verschil in effectiviteit tussen het plaatsen van een midurethraalbandje en bekkenbodemspieroefeningen is in een onderzoek duidelijk aangetoond. De grootte van het verschil in effectiviteit is op basis van dit ene onderzoek niet betrouwbaar vast te stellen, omdat zowel het effect van het plaatsen van een midurethraalbandje als het effect van bekkenbodemspieroefeningen per onderzoek verschillend is, en het verschil in effectiviteit dus waarschijnlijk ook. Het plaatsen van een midurethraalbandje kan gepaard gaan met ernstige bijwerkingen, terwijl bekkenbodemspieroefeningen veilig zijn. Ook bij vrouwen met ernstige klachten kunnen bekkenbodemspieroefeningen effectief zijn. Alleen bij vrouwen met meerdere keren urine-incontinentie per week die daarvan veel hinder ondervinden vindt de werkgroep dat het plaatsen van een midurethraalbandje als initieel beleid een optie is.

Aanbeveling

Bespreek de optie om te verwijzen voor het plaatsen van een midurethraalbandje met vrouwen met stressincontinentie:

  • die meerdere keren per week incontinent zijn en daarvan veel hinder ondervinden;
  • bij wie conservatieve therapie (bekkenbodemspieroefeningen en/of een pessarium) na drie maanden onvoldoende effectief is.
TerugNoot 34: Conservatieve behandeling urine-incontinentie bij prolaps voorbij de hymenring

In de meeste onderzoeken naar de effectiviteit van behandelingen van urine-incontinentie worden vrouwen met een milde prolaps (maximaal tot boven de hymenring) ingesloten, maar vrouwen met ernstiger prolaps worden meestal uitgesloten van deelname. Het bestaan van een milde prolaps heeft dus geen consequenties voor het beleid. Het is echter nauwelijks bekend wat het effect van het aanbevolen beleid is bij vrouwen met een prolaps voorbij de hymenring. Het effect van bekkenbodemspieroefeningen of het plaatsen van een midurethraalbandje is niet specifiek bij deze groep onderzocht. Het pessarium is slechts onderzocht in observationele onderzoeken. Uit een observationeel onderzoek blijkt dat een pessarium mogelijk positief effect heeft op urine-incontinentie bij vrouwen met een prolaps voorbij de hymenring (n = 100). Van de 17 stressincontinente vrouwen waren er 8 niet meer incontinent door het dragen van een pessarium [Clemons 2004]. Uit ander observationeel onderzoek blijkt dat incontinentie ook juist kan verergeren of ontstaan door het dragen van een pessarium. In een observationeel onderzoek was dit bij 2% van de vrouwen reden om het gebruik van het pessarium te staken [Broens-Oostveen 2004].

Overwegingen

Op basis van pathofysiologische overwegingen is van bekkenbodemspieroefeningen weinig effect te verwachten bij een prolaps voorbij de hymenring, maar dit zal mede afhangen van de mate waarin de prolaps voorbij de hymenring komt. Van een pessarium kan op basis van dezelfde pathofysiologische overwegingen ook bij ernstigere prolaps effect verwacht worden. Naarmate de prolaps ernstiger is, valt te verwachten dat daarbij ook prolapsklachten optreden, zoals een balgevoel. In dat geval zal het beleid zich (ook) op de prolaps moeten richten. In de richtlijn Prolaps (NVOG 2015) wordt aanbevolen om aan vrouwen met een prolaps voorbij de hymenring als eerste stap in de behandeling van de prolaps een pessarium aan te bieden. Bij onvoldoende effect of bij duidelijke voorkeur van de vrouw hiervoor wordt de mogelijkheid van operatieve correctie aangeboden. De meerwaarde van operatieve correctie van de prolaps boven een pessarium staat volgens deze richtlijn niet vast [NVOG 2014]. Bij vrouwen met stressincontinentie en een prolaps voorbij de hymenring is het de vraag welke operatie de voorkeur heeft. Op basis van beperkt onderzoek wordt in de richtlijn Urine-incontinentie 2e en 3e lijnszorg van de Nederlandse Vereniging voor Urologie (NVU) en Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie (NVOG) [NVU/NVOG 2014] aanbevolen om de optie van gecombineerde chirurgische behandeling (vaginale prolapsoperatie in combinatie met het plaatsen van een midurethraalbandje) te bespreken met de vrouw, aangezien vrouwen hierna vaker hersteld zijn van de incontinentie dan na de enkelvoudige ingrepen.

Aanbeveling

Bespreek met vrouwen met stressincontinentie in combinatie met een prolaps voorbij de hymenring de conservatieve behandelopties uit tabel 1, waarbij vooral naarmate de prolaps ernstiger is de voorkeur in eerste instantie uitgaat naar een pessarium. Bespreek bij onvoldoende effect van conservatieve behandeling de mogelijkheid van verwijzing voor een operatieve ingreep. Afhankelijk van de ernst van de prolaps en het wel of niet bestaan van prolapsklachten zal in de tweede lijn bepaald moet worden of dit kan in de vorm van een midurethraalbandje, prolapsoperatie of gecombineerde operatie.

TerugNoot 35: Tampon

In een systematische review wordt een kleine cross-over-RCT besproken waarin 18 vrouwen afwisselend tijdens het sporten een tampon droegen of geen behandeling kregen. Door de tampon was het urineverlies in opvangmateriaal tijdens het sporten niet significant minder dan met geen behandeling (gemiddeld verschil 14,3 gram; 95%-BI-38,4 tot 9,8). Er werden geen subjectieve uitkomstmaten, zoals tevredenheid van de vrouw, gerapporteerd [Lipp 2011]. Gezien dit beperkte onderzoek met zeer weinig patiënten en weinig relevante uitkomstmaten is de conclusie dat er te weinig bekend is over het effect van de tampon. Op basis van positieve ervaringen geeft de werkgroep echter toch in overweging om met vrouwen die alleen bij bepaalde activiteiten, zoals bij het sporten, incontinent zijn, de optie te bespreken om tijdens die activiteiten een tampon te dragen. Het voordeel hiervan is dat vrijwel elke vrouw hiermee bekend is en het dus makkelijk te proberen is.

TerugNoot 36: Beleid bij zwangere en pas bevallen vrouwen

Achtergrond

Stressincontinentie voor urine treedt regelmatig op in de zwangerschap of na de bevalling [Cerruto 2013].

Uitgangsvraag

Wat is het effect van bekkenbodemspieroefeningen bij incontinentie in de zwangerschap of na de bevalling?

Relevante uitkomstmaten

  • incontinentie aan het eind van de zwangerschap en op korte en lange termijn na de bevalling

Bewijs

Bron

In een Cochrane-review worden 6 RCT’s (n = 1641) naar het effect van bekkenbodemspieroefeningen bij urine-incontinentie in de zwangerschap of na de bevalling besproken [Boyle 2012]. Bij 3 onderzoeken werden de oefeningen tijdens de zwangerschap gestart, bij de overige minimaal 3 maanden postnataal. De aard en intensiteit van de interventies wisselde nogal tussen de onderzoeken en is niet altijd adequaat beschreven. De controlegroepen kregen het gebruikelijke beleid, dat vaak bestond uit enige (schriftelijke) instructie voor bekkenbodemspieroefeningen. Zowel primi- als multiparae werden geïncludeerd.

Naast deze review is een systematische review verschenen die grotendeels dezelfde onderzoeken bespreekt en die tot vergelijkbare bevindingen komt [Morkved 2014]. Om die reden wordt deze review hier verder niet beschreven.

Kwaliteit van het bewijs

De auteurs van de Cochrane-review beoordelen de kwaliteit van de ingesloten onderzoeken als redelijk. Aspecten met negatieve invloed op de kwaliteit waren: het feit dat blindering vanwege de aard van de interventie niet mogelijk was; onnauwkeurigheid die ontstond doordat onderzoeken met weinig patiënten waren gedaan en heterogeniteit tussen onderzoeken. Per onderzoek is ook de invulling van het subjectieve begrip ‘genezing’ of ‘verbetering’ verschillend. De gehanteerde definitie is in veel onderzoeken niet duidelijk, wat betrouwbare kwantificering van het effect bemoeilijkt. Voor deze factoren is gecorrigeerd in de analyse.

Effectiviteit

Antenatale bekkenbodemspieroefeningen in vergelijking met geen behandeling:

De kans op incontinentie laat in de zwangerschap (2 RCT’s, n = 304) was niet significant lager in de groep die bekkenbodemspieroefeningen deed in vergelijking met de controlegroep (RR 0,81; 95%-BI 0,56 tot 1,18). Ook de kans op incontinentie 0 tot 3 maanden na de bevalling (2 RCT’s, n = 292) en 6 tot 12 maanden na de bevalling (2 RCT’s, n = 869) verschilde niet significant tussen de groepen.

Postnatale bekkenbodemoefeningen in vergelijking met geen behandeling:

De kans op incontinentie 6 tot 12 maanden na de bevalling (3 RCT’s, n = 673) was door het doen van bekkenbodemspieroefeningen niet significant lager (RR 0,60; 95%-BI 0,35 tot 1,03). Ook na 6 jaar (1 RCT, n = 516) was er geen verschil tussen de groepen.

Overall was de kans op nog bestaan van de urine-incontinentie door het doen van bekkenbodemspieroefeningen (ante- en/of postnataal) 6 tot 12 maanden na de bevalling 31% en bij geen behandeling 45%. Dit overall effect was wel significant (RR 0,58; 95%-BI 0,39 tot 0,87).

De auteurs merken op dat in onderzoeken met een interventie van goede kwaliteit het effect groter was.

Bijwerkingen

Slechts 2 RCT’s rapporteerden over bijwerkingen. In een RCT stopten 2 van de 43 vrouwen met bekkenbodemspieroefeningen vanwege pijn in de bekkenbodem; in een andere RCT traden geen bijwerkingen op.

Conclusie

Er is onduidelijkheid over het effect van bekkenbodemspieroefeningen bij zwangere en pas bevallen vrouwen met urine-incontinentie.

Van conclusie naar aanbeveling

Het effect van bekkenbodemspieroefeningen lijkt bij zwangere of pas bevallen vrouwen kleiner te zijn dan bij andere vrouwen. Mogelijk is dit te verklaren door de grote mate van spontaan herstel.

Aanbeveling

Bespreek met zwangere of pas bevallen vrouwen met urine-incontinentie het normale beloop (bij de helft van de vrouwen gaat de incontinentie vanzelf over binnen een half jaar na de bevalling). Bespreek met de vrouw wat haar voorkeur heeft: meteen starten met bekkenbodemspieroefeningen of een expectatief beleid volgen tot een half jaar na de bevalling.

TerugNoot 37: Duloxetine

Achtergrond

De werkzaamheid van serotonine-noradrenalineheropnameremmers (SNRI’s) bij (stress)incontinentie berust op blokkade van de heropname van neurotransmitters in het sacrale ruggenmerg, waardoor de contractiliteit van de urethrale sfincter toeneemt. Alleen het effect van SNRI duloxetine is onderzocht.

Uitgangsvraag

Wat zijn het effect en de bijwerkingen van duloxetine in vergelijking met placebo en andere behandelopties bij vrouwen met stressincontinentie?

Relevante uitkomstmaten

  • het aantal patiënten dat subjectief niet genezen is;
  • het aantal patiënten dat subjectief niet verbeterd is;
  • aantal incontinente episodes per tijdseenheid;
  • de ziektespecifieke kwaliteit van leven.

Resultaten

Beschrijving onderzoeken

In een Cochrane-review worden 8 dubbelblinde placebogecontroleerde RCT’s (n = 3944) besproken waarin het effect van SNRI duloxetine bij vrouwen met stressincontinentie werd vergeleken met placebo [Mariappan 2005]. Daarnaast wordt een RCT (n = 200) besproken waarin het effect van behandeling met duloxetine in combinatie met nepbekkenbodemspieroefeningen (het in liggende houding optillen van billen en heupen met de voeten op de grond en de knieën gebogen) werd vergeleken met dat van placebo in combinatie met echte bekkenbodemspieroefeningen. Vrouwen in de interventiegroepen kregen dagelijks duloxetine 20 tot 80 mg gedurende 2 tot 36 weken. De follow-up was maximaal 36 weken. Er is geen onderzoek gevonden waarin het effect van duloxetine werd vergeleken met het effect van operatie. Later is nog een systematische review van Li et al. verschenen [Li 2013]. Deze review wordt hier niet besproken, omdat in deze review grotendeels dezelfde onderzoeken werden ingesloten, maar als uitkomstmaat het aantal vrouwen dat minimaal 50% minder incontinente episodes had rapporteerde, waardoor de resultaten minder goed te vergelijken zijn met de resultaten van andere interventies in andere noten.

Aanvullend bespreken Bump et al. de langetermijneffecten van duloxetine aan de hand van resultaten van het open-labelvervolg van 5 RCT’s (n = 3939), waarvan de kortetermijnresultaten in de Cochrane-review aan bod komen [Bump 2008].

Kwaliteit van het bewijs

De auteurs van de systematische review beoordelen het risico op bias in de onderzoeken als laag (adequate randomisatie en allocation concealment, adequaat beleid met betrekking tot uitvallers). Beperkend voor de meta-analyse is dat per onderzoek de invulling van het subjectieve begrip ‘genezing’ of ‘verbetering’ verschillend is. De gehanteerde definitie is in veel onderzoeken onduidelijk, wat betrouwbare kwantificering van het effect bemoeilijkt. In de meeste onderzoeken werd een ‘intention to treat’-analyse verricht. Het betreft allemaal onderzoeken die gesponsord zijn door de fabrikant van duloxetine.

Effectiviteit

Met 80 mg duloxetine trad genezing van incontinentie op bij gemiddeld 11% van de patiënten, versus 8% van de placebogebruikers (RR op geen genezing 0,97; 95%-BI 0,93 tot 1,00). Verbetering trad op bij 54% van de gebruikers van duloxetine 80 mg en bij 39% van de placebogebruikers (RR op geen verbetering 0,74; 95%-BI 0,68 tot 0,81). Het effect van duloxetine 40 mg was vergelijkbaar met het effect van duloxetine 80 mg. Het effect van duloxetine 20 mg was vergelijkbaar met placebo. Berekend werd dat er per 100 vrouwen met duloxetine 3 meer genazen en 15 meer duidelijk verbeterden dan met placebo. Het aantal incontinente episodes werd met duloxetine ongeveer gehalveerd, terwijl met placebo gemiddeld 25% reductie optrad. De ziektespecifieke kwaliteit van leven (gemeten met score op de gevalideerde vragenlijst I-QOL, met score 0 tot 100 waarbij hoge scores hogere kwaliteit van leven impliceren) nam met duloxetine 80 mg gemiddeld met 4,5 punten meer toe dan met placebo (95%-BI 2,83 tot 6,18).

In het onderzoek dat behandeling met duloxetine en nepbekkenbodemspieroefeningen vergeleek met placebo en echte bekkenbodemspieroefeningen nam het aantal incontinente episodes in de duloxetinegroep af met 57% en in de placebogroep met bekkenbodemspieroefeningen met 35% (p < 0,05) [Mariappan 2005]. Het effect van duloxetine bleef gedurende de open-labelfollow-upperiode van 30 maanden bestaan [Bump 2008].

Bijwerkingen

Van de duloxetinegebruiksters meldde 86% bijwerkingen, versus 58% van de placebogebruiksters (RR 1,31; 95%-BI 1,24 tot 1,39). Misselijkheid kwam het meest voor, gevolgd door obstipatie, droge mond, duizeligheid, moeheid en slapeloosheid. Van de duloxetinegebruiksters stopte 18% vanwege bijwerkingen voortijdig met deelname aan het onderzoek, versus 4% van de placebogebruiksters (RR 4,5; 95%-BI 3,44 tot 5,89). De auteurs hebben berekend dat ongeveer 1 op 8 duloxetinegebruiksters voortijdig stopt met de behandeling. Er zijn geen gegevens over bijwerkingen op lange termijn bekend.

Conclusie

Er is bewijs van hoge kwaliteit dat duloxetine bij de behandeling van stressincontinentie effectiever is dan placebo, maar het effect is klein. Er is bewijs van matige kwaliteit dat duloxetine in combinatie met nepbekkenbodemspieroefeningen het aantal incontinente episodes meer doet afnemen dan placebo in combinatie met echte bekkenbodemspieroefeningen. Er is bewijs van hoge kwaliteit dat duloxetine vaker dan placebo bijwerkingen veroorzaakt en dat deze vaker dan bij placebo reden zijn om voortijdig met de behandeling te stoppen.

Van conclusie naar aanbeveling

Het verschil tussen het effect van duloxetine en placebo is klein, terwijl bijwerkingen vaak voorkomen. Hierdoor is de balans tussen effect en bijwerkingen negatief. Duloxetine is in Nederland niet op de markt voor behandeling van stressincontinentie.

Aanbeveling

Bij de behandeling van stressincontinentie is geen plaats voor duloxetine.

TerugNoot 38: Oestrogenen

Achtergrond

Oestrogenen spelen een rol bij de conditie van urogenitale weefsels. Atrofie van deze weefsels, door oestrogenentekort na de menopauze, kan urine-incontinentie (mede) veroorzaken.

Uitgangsvraag

Wat is het effect van suppletie van oestrogenen bij postmenopauzale vrouwen op urine-incontinentie?

Relevante uitkomstmaten

  • aantal vrouwen met (subjectief) nog urine-incontinentie;
  • urine-incontinentie (subjectief) niet verbeterd;
  • bijwerkingen.

Resultaten

Beschrijving onderzoeken

In een Cochrane-review worden 22 (quasi-)RCT’s besproken waarin het effect van oestrogenen in vergelijking met placebo, bekkenbodemspieroefeningen of geen behandeling bij postmenopauzale vrouwen met urine-incontinentie werd onderzocht [Cody 2012]. In de meeste van de ingesloten onderzoeken hadden de vrouwen stressincontinentie. De behandeling was systemisch (oraal of parenteraal) of lokaal (intravaginaal of intravesicaal). De dosering van het oestrogeen verschilde per onderzoek. De behandelduur in alle onderzoeken bedroeg 3 tot 6 maanden, met uitzondering van één onderzoek, waarin de behandelduur slechts 3 weken bedroeg. De follow-up was steeds beperkt tot het einde van de behandeling.

Kwaliteit van het bewijs

De kwaliteit van de besproken onderzoeken wordt door de auteurs beoordeeld als redelijk. Beperkend voor de meta-analyse is dat de behandelregimes tussen onderzoeken nogal verschillen en dat de onderzoeken op uiteenlopende wijze hun uitkomsten rapporteren. Per onderzoek verschilt de invulling van het subjectieve begrip ‘genezing’ of ‘verbetering’ van incontinentie. De gehanteerde definitie is in veel onderzoeken onduidelijk, wat betrouwbare kwantificering van het effect bemoeilijkt. Er werd gecorrigeerd voor statistische heterogeniteit.

Effectiviteit

Systemische oestrogenen in vergelijking met placebo:

Er was geen statistisch significant verschil in de kans op het nog bestaan van urine-incontinentie (4 RCT’s, n = 231) en de kans dat de incontinentie niet verbeterd was (5 RCT’s, n = 6151). In een grote RCT (n = 5920) werd zelfs een negatief effect aangetoond van systemische oestrogenen (OR voor geen verbetering 1,59; 95%-BI 1,39 tot 1,82).

Lokale oestrogenen in vergelijking met placebo: er was alleen een statistisch significant effect aantoonbaar van lokale oestrogenen op de kans dat de incontinentie niet verbeterd was (46% versus 89%; RR 0,52; 95%-BI 0,32 tot 0,87) (4 RCT’s, n = 196). Er was geen effect op de kans op het nog bestaan van incontinentie (2 RCT’s, n = 144). Het grootste effect werd overigens aangetoond in het onderzoek waarin oestrogenen intravesicaal werden toegediend (n = 42).

Lokale oestrogenen in vergelijking met bekkenbodemspieroefeningen:

De kans dat de incontinentie niet verbeterd was, was met vaginale oestrogeencrème significant groter dan met bekkenbodemspieroefeningen (91% versus 38%; RR 2,30; 95%-BI 1,50 tot 3,52) (2 RCT’s, n = 69). De kans op genezing was in deze onderzoeken geen uitkomstmaat.

Bijwerkingen

Van de vrouwen die behandeld werden met oestrogenen meldde een op de vier vaginale bloedingen en een op de vijf gevoeligheid van de borsten. Het is niet bekend of er verschil was in systemische of lokale behandeling. Andere bijwerkingen werden niet systematisch gerapporteerd.

Conclusie

Behandeling met systemische oestrogenen is bij urine-incontinentie niet effectief in vergelijking met placebo of geen behandeling. Mogelijk wordt de kans op urine-incontinentie zelfs groter bij vrouwen die systemische oestrogenen gebruiken. Behandeling met lokale oestrogenen geeft vaker verbetering van de incontinentie dan placebo, maar niet vaker genezing. Het effect van lokale oestrogenen is aanzienlijk kleiner dan het effect van bekkenbodemspieroefeningen.

Van conclusie naar aanbeveling

Er zijn geen gegevens over het effect van oestrogenen op urine-incontinentie op langere termijn bekend. Het is vanwege de verschillen in behandelregimes in de onderzoeken niet mogelijk om een aanbeveling te doen over het type oestrogeen en dosering. Systemisch toegediende oestrogenen veroorzaken een toename van de kans op mamma- en endometriumcarcinoom en hart- en vaatziekten. Oestrogenen zijn niet geregistreerd voor de behandeling van urine-incontinentie.

Aanbeveling

Toepassing van systemische oestrogenen in de behandeling van urine-incontinentie bij vrouwen wordt ontraden, vanwege het gebrek aan effectiviteit en de mogelijk ernstige bijwerkingen. Toepassing van lokale oestrogenen wordt niet aangeraden, vanwege het geringe effect.

TerugNoot 39: Effectiviteit blaastraining en bekkenbodemspieroefeningen bij urgency-incontinentie

Achtergrond

Bij urgency-incontinentie wordt van oudsher blaastraining als eerstekeusbehandeling toegepast. Door middel van blaastraining probeert de vrouw het interval tussen twee micties te verlengen door uitstel van de mictie bij aandrang. Het werkingsmechanisme van blaastraining bij urgency-incontinentie is niet goed bekend. Om verlenging van de tijdsintervallen tussen micties te bereiken kan de vrouw gebruikmaken van strategieën, zoals afleiding, ontspanning en bekkenbodemspiercontracties. Deze bekkenbodemspiercontracties zijn vooral op coördinatie gericht en minder op kracht (in tegenstelling tot de bekkenbodemspieroefeningen bij stressincontinentie). De bekkenbodemspiercontracties stimuleren via het mictiecentrum in de sacrale wervelkolom de n. pudendus, met als effect inhibitie van de activiteit van de m. detrusor vesicae [Berghmans 2002, Dumoulin 2014].

Uitgangsvraag

Wat is het effect van blaastraining en of bekkenbodemspieroefeningen, bij urgency-incontinentie in vergelijking met geen behandeling of andere conservatieve behandelingen?

Relevante uitkomstmaten

  • subjectieve genezing van de klachten;
  • subjectieve verbetering van de klachten;
  • het aantal incontinentiemomenten per tijdseenheid;
  • ziektespecifieke kwaliteit van leven.

Resultaten

Beschrijving onderzoeken

In een Cochrane-review worden 2 RCT’s (n = 32) besproken waarin het effect van blaastraining bij vrouwen met urgency-incontinentie werd vergeleken met geen behandeling [Wallace 2004]. De gemiddelde leeftijd van de vrouwen varieerde tussen 45 en 67 jaar. Blaastraining bestond uit voorlichting en een mictieschema met steeds meer tijd tussen 2 micties. De duur van de behandeling en follow-up was 6 weken.

In een andere Cochrane-review wordt een RCT (n = 128) besproken waarin het effect van bekkenbodemspieroefeningen bij vrouwen met urgency-incontinentie of gemengde incontinentie met voornamelijk aandrangklachten werd vergeleken met een placebogeneesmiddel [Dumoulin 2014]. De gemiddelde leeftijd van de vrouwen was 67 jaar. De helft van de vrouwen had meer dan 10 incontinente episodes per week. De bekkenbodemspieroefeningen omvatten ook aanleren van bekkenbodemcontracties om urgency te verminderen. Er was om de 2 weken contact met de begeleidend nurse practitioner. De behandeling duurde 8 weken en de follow-up was tot aan het eind van de behandeling.

In een enkelblinde RCT (n = 184) werd bij vrouwen met urgency-incontinentie het effect van blaastraining vergeleken met het effect van bekkenbodemspieroefeningen, medicatie (tolterodine 4 mg met gereguleerde afgifte) en de combinatie van blaastraining, bekkenbodemspieroefeningen en leefstijladviezen [Kafri 2013]. De vrouwen waren gemiddeld 57 jaar. Ook in dit onderzoek behelsden de bekkenbodemspieroefeningen een combinatie van het aanleren van bekkenbodemcontracties om urgency te verminderen en bekkenbodemspieroefeningen zoals bij stressincontinentie. De behandeling duurde 12 weken, de follow-up was 12 maanden. De groep die anticholinergica gebruikte wordt in deze buiten beschouwing gelaten (n = 42).

Kwaliteit van het bewijs

De auteurs van de systematische reviews waarderen de kwaliteit van de geïncludeerde onderzoeken als redelijk. Bias is in de meeste onderzoeken niet uit te sluiten, vanwege de slechte beschrijving van de randomisatieprocedure. Vanwege de aard van de interventie is blindering van patiënt en behandelaar niet mogelijk, maar in twee van de drie onderzoeken waren de effectbeoordelaars wel geblindeerd. Het was meestal onduidelijk in hoeverre een ‘intention to treat’-analyse werd toegepast. Er is een risico op onnauwkeurigheid vanwege het kleine aantal deelnemers per onderzoek. Per onderzoek is ook de invulling van het subjectieve begrip ‘genezing’ of ‘verbetering’ verschillend. De gehanteerde definitie is in veel onderzoeken niet duidelijk, wat betrouwbare kwantificering van het effect bemoeilijkt. De kwaliteit van de RCT van Kafri is matig, onder andere omdat er per groep te weinig vrouwen ingesloten konden worden, waardoor het onderzoek te weinig power had. Daarnaast was er geen controlegroep.

Effectiviteit

Blaastraining in vergelijking met geen behandeling (2 RCT’s, n = 32):

De kans op ‘subjectieve genezing’ (1 RCT, n = 18) was 11% in de blaastraininggroep versus 0% in de groep die geen behandeling kreeg (RR 3,00; 95%-BI 0,14 tot 65,16). De kans op ‘subjectieve verbetering’ was in dit onderzoek 89% versus 0% (RR 17,00; 95%-BI 1,13 tot 256,56). In het andere onderzoek was bij vrouwen met urgency-incontinentie (n = 14) het aantal incontinente episodes per week aan het eind van de behandeling in de blaastraininggroep gemiddeld 5 en in de groep die geen behandeling kreeg 18 [Wallace 2004].

Blaastraining in vergelijking met bekkenbodemspieroefeningen en in vergelijking met de combinatie (1 RCT, n = 123):

Het aantal incontinente episodes per week nam significant af in alle groepen (gemiddeld globaal van 6 keer per week naar 3 keer per week). De score op de I-QOL (een gevalideerd instrument om de ziektespecifieke kwaliteit van leven te meten, score 0 tot 100, waarbij hoge scores hogere kwaliteit van leven impliceren) nam significant toe in alle groepen (globaal van 74 naar 88). Er waren geen significante verschillen tussen de groepen [Kafri 2013].

Bekkenbodemspieroefeningen in vergelijking met geen behandeling (1 RCT, n = 128):

De kans op subjectieve verbetering of genezing was door bekkenbodemspieroefeningen 73% en met placebo 32% (RR 2,26; 95%-BI 1,53 tot 3,35). Ook het aantal incontinente episodes per 24 uur werd door bekkenbodemspieroefeningen significant kleiner, namelijk gemiddeld 0,4 versus 1,2 in de controlegroep (gemiddeld verschil −0,77; 95%-BI −1,22 tot −0,32) [Dumoulin 2014].

Bijwerkingen

Deze worden niet vermeld met betrekking tot blaastraining en/of bekkenbodemspieroefeningen.

Conclusie

Er is bewijs van matige kwaliteit dat blaastraining en bekkenbodemspieroefeningen, eventueel in combinatie, vaker verbetering of genezing van urgency-incontinentie geven dan geen behandeling.

Van conclusie tot aanbeveling

Er is een duidelijke pathofysiologische verklaring voor het effect van bekkenbodemspiercontracties ter vermindering van heftige mictiedrang.

Aanbeveling

Adviseer vrouwen met urgency-incontinentie blaastraining, waarbij de vrouw leert om heftige mictiedrang te verminderen door het aanspannen van de bekkenbodemspieren, en vervolgens deze spieren te ontspannen, als eerste stap in de behandeling.

TerugNoot 40: Effectiviteit en bijwerkingen anticholinergica

Achtergrond

De rationale voor het gebruik van anticholinergica bij urgency-incontinentie is dat deze de parasympatische activiteit blokkeren en daardoor de contractiliteit van de m. detrusor vesicae verminderen.

Uitgangsvraag

Wat zijn het effect en de bijwerkingen van anticholinergica in vergelijking met placebo of blaastraining bij vrouwen met urgency-incontinentie?

Relevante uitkomstmaten

  • kans op subjectieve genezing van de klachten;
  • kans op subjectieve verbetering van de klachten;
  • (stoppen vanwege) bijwerkingen;
  • deel van de patiënten waarbij het aantal incontinente episodes minimaal is gehalveerd;
  • gemiddelde reductie aantal incontinente episodes;
  • tevredenheid van de patiënten over de behandeling.

Resultaten

Beschrijving van de onderzoeken

In een systematische review worden 72 RCT’s (n = 20.000, overwegend vrouwen) besproken waarin het effect en bijwerkingen van anticholinergica bij incontinentie werd onderzocht [Shamliyan 2012]. Anticholinergica werden vergeleken met placebo of met elkaar. Onderzocht werden fesoterodine, oxybutynine, tolterodine, solifenacine, darifenacine en het niet in Nederland op de markt zijnde trospium. Bij eenderde van de onderzoeken hadden de vrouwen urgency-incontinentie, bij 1/3 betrof het gemengde incontinentie en bij 1/3 werd het type incontinentie niet beschreven. De behandelingen duurden 2 tot 3 maanden. Er was geen follow-up op langere termijn.

In een Cochrane-review worden 86 RCT’s (n = 31.249, overwegend vrouw) besproken waarin het effect en bijwerkingen van verschillende anticholinergica bij incontinentie met elkaar worden vergeleken, maar niet met placebo [Madhuvrata 2012b]. In de Cochrane-review worden extra analyses verricht naar het effect van preparaten met snelle afgifte versus preparaten met vertraagde afgifte (oxybutynine, tolterodine en het niet in Nederland op de markt zijnde propiverine). Alleen de resultaten van deze extra analyses worden in deze noot besproken. In een andere Cochrane-review worden 10 RCT’s (n = 706) besproken waarin het effect van behandeling met anticholinergica wordt vergeleken met het effect van blaastraining of waarin het effect van anticholinergica (oxybutynine, tolterodine en het niet in Nederland op de markt zijnde probantheline), in combinatie met blaastraining wordt vergeleken met het effect van blaastraining alleen [Rai 2012]. Het merendeel van de deelnemers was vrouw. Een deel van de onderzoeken includeerde alleen vrouwen jonger dan 65 jaar, maar ten minste 3 onderzoeken includeerden ook oudere vrouwen (gemiddelde leeftijd in 2 onderzoeken was 82 jaar). Overigens werd niet in alle onderzoeken de leeftijd van de deelnemers vermeld. De behandelingen duurden ongeveer 3 maanden en de follow-up was maximaal 1 jaar.

In een netwerkmeta-analyse wordt aan de hand van 69 RCT’s (n = 26.229) een overzicht gegeven van de (kans op) bijwerkingen van anticholinergica (fesoterodine, oxybutynine, solifenacine, tolterodine en de niet in Nederland op de markt zijnde trospium en propiverine) ten opzichte van placebo en ten opzichte van elkaar [Kessler 2011]. Er is geen onderscheid gemaakt tussen tabletten met normale afgifte en tabletten met vertraagde afgifte. De gemiddelde leeftijd van de deelnemers was 59 jaar (29 tot 82 jaar) en het gemiddelde percentage vrouwen in de onderzoeken was 76%. De gemiddelde behandelduur was 8 weken (range 2 tot 52 weken).

Kwaliteit van bewijs

De kwaliteit van de besproken onderzoeken is redelijk goed. Er is kans op bias omdat in veel publicaties onvoldoende informatie wordt gegeven over de randomisatieprocedure en allocatie. Positief aspect was dat alle medicatie-onderzoeken dubbelblind waren, maar in de onderzoeken naar het effect van oefentherapie was dit vanzelfsprekend niet mogelijk. In de minderheid van de onderzoeken werd een ‘intention to treat’-analyse uitgevoerd.

Effectiviteit

Anticholinergica versus placebo:

De kans op subjectieve genezing (28 RCT’s, n = 12.953) was met anticholinergica 11% hoger in vergelijking met placebo (42% versus 31%). De kans op subjectieve verbetering (18 RCT’s, n = 15.842) was 16% hoger (56% versus 40%). Op basis van gepoolde analyse van het aangetoonde effect per middel concluderen de auteurs dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat het ene anticholinergicum effectiever was dan het andere [Shamliyan 2012]. Er waren geen overtuigende verschillen in effect tussen preparaten met snelle afgifte en preparaten met gereguleerde afgifte (7 RCT’s, n = 2707) [Madhuvrata 2012a].

Anticholinergica versus blaastraining:

De kans op ‘subjectief geen verbetering’ (7 RCT’s, n = 346) was in de met anticholinergica behandelde groep significant kleiner dan in de groep die blaastraining kreeg: 42% versus 57% (RR 0,74; 95%-BI 0,61 tot 0,91). Er was geen significant verschil in de kans op ‘subjectief geen genezing’ (32% versus 57%; RR 0,58; 95%-BI 0,16 tot 2,21) (2 RCT’s, n = 65) [Rai 2012].

Anticholinergica in combinatie met blaastraining versus blaastraining alleen (3 RCT’s, n = 164):

De kans op ‘subjectief geen verbetering’ was bij de combinatiebehandeling kleiner dan in de groep die alleen blaastraining kreeg: 25% versus 47% (RR 0,57; 95%-BI 0,38 tot 0,88). Er was geen significant verschil in de kans om niet genezen te zijn na afloop van de behandeling (RR 0,93; 95%-BI 0,75 tot 1,16) (op basis van 1 RCT, n = 52) [Rai 2012].

Bijwerkingen

Bijwerkingen kwamen significant vaker voor bij anticholinergica dan bij placebo. Naarmate de dosering hoger was, nam de kans op bijwerkingen toe. Op basis van gepoolde analyse schatten de auteurs dat per 1000 behandelde patiënten er 4 tot 63 stoppen vanwege bijwerkingen. Er waren geen overtuigende verschillen tussen de middelen [Shamliyan 2012]. Ook waren er geen overtuigende significante verschillen in bijwerkingen aantoonbaar tussen preparaten met snelle afgifte en preparaten met vertraagde afgifte [Madhuvrata 2012b]. Uit de netwerkmeta-analyse blijkt ook dat de verschillende anticholinergica vergelijkbaar zijn met betrekking tot bijwerkingen. Alleen oraal oxybutynine in een dosering van meer dan 10 mg per dag onderscheidt zich in negatieve zin [Kessler 2011]. Gastro-intestinale bijwerkingen komen het meest voor. Naarmate de dosering hoger is, nemen de bijwerkingen van anticholinergica toe. Bij gebruikers van transdermaal oxybutinine komen gastro-intestinale bijwerkingen minder vaak voor (op placeboniveau), maar huidreacties komen juist significant vaker dan bij orale anticholinergica. Er was geen duidelijke relatie tussen bijwerkingen en leeftijd, geslacht of duur van de behandeling. De kans op bijwerkingen was hoger bij anticholinergica dan bij blaastraining: 39 versus 2% (RR 14,50; 95%-BI 0,46 tot 8,50). De kans op voortijdig stoppen was bij anticholinergica 7% en bij blaastraining 3% (RR 1,98; 95%-BI 0,46 tot 8,50) (op basis van 2 onderzoeken, n = 139) [Rai 2012].

Conclusie

Voor de behandeling van urgency-incontinentie is er veel zekerheid over het bestaan van een klinisch relevant effect van anticholinergica ten opzichte van placebo en minder zekerheid over het effect ten opzichte van blaastraining. Daarnaast is er minder zekerheid over een klinisch relevant effect van anticholinerga en blaastraining ten opzichte van blaastraining alleen.

Er is veel zekerheid dat bijwerkingen bij anticholinergica klinisch relevant vaker voorkomen dan bij placebo of blaastraining. Er is redelijk veel zekerheid over de onderlinge uitwisselbaarheid van anticholinergica voor wat betreft effectiviteit en bijwerkingen.

Van conclusie naar aanbeveling

Er zijn nauwelijks data over het effect van anticholinergica op langere termijn.

Uit een systematische review blijkt dat in de praktijk het percentage patiënten dat voortijdig stopt met anticholinergica fors hoger is dan in de RCT’s [Sexton 2011]. Uit retrospectieve verzekeringsdata bleek namelijk dat 43 tot 83% van de patiënten binnen 30 dagen de behandeling onderbrak. Na 6 maanden haalde slechts 28% nog herhaalrecepten op, in vergelijking met bijvoorbeeld 56% bij statines en bisfosfonaten. De auteurs plaatsen daarom vraagtekens tussen de verhouding van het effect en de bijwerkingen van anticholinergica.

In Nederland zijn tolterodine en oxybutynine (tabletten) als enige anticholinergica generiek verkrijgbaar, waardoor deze middelen veel goedkoper zijn. Oxybutyninetabletten zijn geen voorkeursmiddel, omdat daarbij relatief veel bijwerkingen optreden. Vanwege het gebruiksgemak gaat de voorkeur uit naar een preparaat met gereguleerde afgifte, dus tolterodinetabletten met gereguleerde afgifte of oxybutininepleisters. Vanwege de kosten gaat van deze middelen de voorkeur uit naar het generiek beschikbare tolterodine met gereguleerde afgifte. Oxybutyninepleisters kunnen een alternatief voor tolterodine zijn bij vrouwen die met tolterodine last hebben van een droge mond of vrouwen die geen tabletten willen slikken.

Aanbeveling

Bespreek met vrouwen met urgency-incontinentie bij wie blaastraining onvoldoende effectief is de optie om anticholinergica te gebruiken, als aanvulling op de blaastraining. De voorkeur gaat hierbij uit naar het generiek verkrijgbare tolterodine met gereguleerde afgifte. Bij wens om geen pillen te slikken, of bij droge mond bij gebruik van tolterodine, zijn oxybutyninepleisters een alternatief.

TerugNoot 41: Anticholinergica bij ouderen

Anticholinergica staan op de STOPP-lijst (Screening Tool of Older Persons’ potentially inappropriate Prescriptions)/Beers-criteria en zijn als zodanig opgenomen in de multidisciplinaire richtlijn (MDR) Polyfarmacie bij ouderen (2012) en in een publicatie van Gallagher et al. [Gallagher 2008]. De belangrijkste reden daarvoor is de potentiële cognitieve achteruitgang van oudere patiënten, doordat anticholinergica de bloed-hersenbarrière kunnen passeren en aangrijpen op muscarinereceptoren. Deze receptoren zijn betrokken bij cognitieve processen.

De gerapporteerde frequentie van bijwerkingen in het centrale zenuwstelsel (CZS) bij het gebruik van anticholinergica is echter laag: duizeligheid (1 tot 3%) en verwardheid (< 1%) [Paquette 2011]. Hierbij is echter sprake van een duidelijke onderrapportage van dergelijke bijwerkingen: uit een recente systematische review van 314 trials bleek dat in 77% van de RCT’s CZS-uitkomsten niet werden gemeten of gerapporteerd. In de overige onderzoeken was onduidelijk of deze uitkomsten structureel werden geregistreerd (na actieve navraag) of alleen na spontane melding door deelnemers werden geregistreerd [Paquette 2011]. Bovendien werd in slechts 8 effectiviteitsonderzoeken afzonderlijk over patiënten van 65 jaar en ouder gerapporteerd (n = 3624). In enkele van deze onderzoeken was cognitieve beperking reden voor exclusie; in overige onderzoeken werd hierover niet gerapporteerd. De aanwezigheid van comorbiditeit is onduidelijk. Onderzoek onder patiënten met pre-existente verminderde cognitie is beperkt van omvang en kwaliteit.

De claim dat anticholinergica veilig kunnen worden gebruikt bij oudere patiënten moet daarom met terughoudendheid worden geïnterpreteerd, omdat er te weinig gegevens zijn om dit te kunnen bevestigen. Anderzijds is er geen wetenschappelijk bewijs dat de toepassing van anticholinergica bij urgency-incontinentie leidt tot cognitieve achteruitgang, omdat geen bijwerkingenonderzoek is verricht bij oudere patiënten. Er is dus geen absolute contra-indicatie voor het gebruik van anticholinergica bij ouderen. Voorschrijvers moeten wel zeer alert zijn op bijwerkingen, waaronder verwardheid. Mocht verwardheid optreden, dan dient het anticholinergicum gestaakt te worden.

TerugNoot 42: Effectiviteit en bijwerkingen selectieve bèta-3-adrenoreceptoragonisten

Achtergrond

Mirabegron is geregistreerd voor de behandeling van het overactieveblaassyndroom bij volwassenen. De werking berust op selectieve bèta-3-adrenerge activiteit. Bèta-3-adrenerge receptoren zijn vooral in de blaas aanwezig. Stimulatie daarvan heeft als effect dat het gladde spierweefsel van de blaas ontspant en dat de blaas zich beter kan vullen. Dit effect hebben anticholinergica ook, maar dan via een antagonistische werking op muscarinereceptoren (M3-receptoren) van de blaas. Van mirabegron wordt gezegd dat het effectiever is dan anticholinergica en minder bijwerkingen veroorzaakt.

Uitgangsvraag

Wat zijn het effect en de bijwerkingen van mirabegron in vergelijking met anticholinergica of placebo bij urgency-incontinentie?

Relevante uitkomstmaten

  • kans op subjectieve genezing van de klachten;
  • kans op subjectieve verbetering van de klachten;
  • (stoppen vanwege) bijwerkingen;
  • gemiddelde reductie aantal incontinente episodes;
  • tevredenheid van de patiënten over de behandeling;
  • de ziektespecifieke kwaliteit van leven.

Resultaten

Bron

In een NICE-rapport worden 6 dubbelblinde RCT’s (n = 7531) besproken waarin het effect van mirabegron bij patiënten met het overactieveblaassyndroom (8 of meer micties per 24 uur gedurende de afgelopen 3 maanden en minimaal 3 keer heftige onbedwingbare aandrang met of zonder incontinentie in de afgelopen 3 dagen) wordt vergeleken met placebo of tolterodine [Edwards 2013]. Tweederde van de deelnemers was incontinent en het gemiddelde aantal incontinente episodes per 24 uur was 2,5. De behandeling en follow-up bedroegen in deze onderzoeken 12 weken. Er werden enkele subanalyses verricht voor vrouwen en voor patiënten die al eerder met anticholinergica waren behandeld. Verder wordt een RCT (n = 2452) besproken waarin gedurende een jaar het effect en de bijwerkingen door tolterodine met gereguleerde afgifte 4 mg werden vergeleken met mirabegron 50 en 100 mg [Chapple 2013]. In een geplande subanalyse van 4 van de in de systematische review van Edwards et al. besproken RCT’s (n = 5117) werden het effect en de bijwerkingen bij 65- en 75-plussers (respectievelijk n = 1381 en n = 380) geëvalueerd [Wagg 2014]. Drie van deze onderzoeken hadden een follow-up van 12 weken, in het vierdeonderzoek was de follow-up een jaar (dit was de eerder genoemde RCT van Chapple et al. en hierin waren 592 65-plussers en 158 75-plussers ingesloten) [Chapple 2013].

Kwaliteit van het bewijs

De kwaliteit van de besproken onderzoeken was goed. Beperkend voor interpretatie van het effect is dat (subjectieve) genezing of verbetering van de incontinentie niet als uitkomstmaat werd gehanteerd. De interpretatie van de klinische relevantie van een afname van het aantal incontinente episodes per 24 uur als uitkomstmaat is minder eenduidig [Edwards 2013]. In de langer lopende RCT van Chapple geldt daarnaast een risico op selectiebias. In deze RCT werden namelijk alleen patiënten geïncludeerd die een eerdere kortlopende trial volledig volbracht hadden. Deze patiënten werden wel weer opnieuw gerandomiseerd (voor behandeling met mirabegron of tolterodine) en gebruikten tussen de trials door 30 dagen geen medicatie, maar de kans bestaat dat hierdoor een groep patiënten is geselecteerd die de medicatie in het algemeen goed verdraagt. Er is geen statistische analyse verricht van eventuele verschillen tussen de onderzoeksgroepen, wat de interpretatie van de resultaten bemoeilijkt [Chapple 2013]. Beperkend voor de kwaliteit van de geplande subanalyse van Wagg is het relatief kleine aantal ouderen, vooral 75-plussers dat in de onderzoeken was geïncludeerd, waardoor de resultaten minder betrouwbaar zijn. Wagg et al. presenteren de analyse van bijwerkingen alleen beschrijvend, zonder statistische analyse [Wagg 2014].

Effectiviteit

Bij vrouwen (n = 1900) nam het aantal incontinente episodes per 24 uur af met gemiddeld 0,47 (95%-BI −0,67 tot −0,26). De ziektespecifieke kwaliteit van leven steeg in 2 van de 3 RCT’s die deze uitkomstmaten hanteerden statistisch significant door mirabegron 50 mg ten opzichte van placebo. De stijging was zowel in de mirabegron- als in de placebogroepen boven de drempelwaarde voor klinische relevantie, die op basis van consensus al eerder afgesproken was. De effecten van mirabegron 25 mg in vergelijking met placebo waren kleiner dan die van mirabegron 50 mg. Het effect van mirabegron 25 en 50 mg verschilde niet significant van het effect van tolterodine met gereguleerde afgifte 4 mg (3 RCT’s). Deze onderzoeken hadden echter onvoldoende power om uitspraken te kunnen doen over superioriteit of non-inferioriteit van mirabegron ten opzichte van tolterodine. Er was geen statistisch significant verschil in effect tussen patiënten die wel versus die niet al eerder met anticholinergica behandeld werden [Edwards 2013]. De follow-up na 1 jaar in de RCT van Chapple liet zien dat het effect van zowel mirabegron als tolterodine aanhoudt en ongeveer gelijk blijft. Ten opzichte van de uitgangssituatie verminderde na 1 jaar het aantal incontinente episodes per 24 uur door mirabegron 50 mg met gemiddeld 1,05 en met tolterodine met 1,33 [Chapple 2013]. In de geplande subanalyse bleek na 12 weken het effect van mirabegron 25 en 50 mg op de frequentie van incontinentie bij 65- en 75-plussers niet significant te verschillen van het effect bij overige patiënten. Op de data na 1 jaar follow-up werd geen effectiviteitsanalyse verricht [Wagg 2014].

Bijwerkingen

Het aantal patiënten dat last had van bijwerkingen was bij mirabegrongebruikers hetzelfde als bij tolterodinegebruikers (respectievelijk 59,7% en 62,6%) [Chapple 2013]. In beide groepen stopten evenveel patiënten vanwege bijwerkingen voortijdig met de behandeling (respectievelijk 5,9% en 5,7%). De kans op de meest relevante bijwerkingen, zoals verlenging van de QT-tijd, hartritmestoornissen, hypertensie en urineretentie was met beide middelen gelijk, met uitzondering van een klein verschil in kans op hartritmestoornissen (3,9% van mirabegrongebruikers versus 6% van de tolterodinegebruikers). De aard en ernst van de hartritmestoornissen worden niet nader beschreven. De meestgerapporteerde bijwerkingen in het algemeen waren: hypertensie (± 10% in beide groepen), urineweginfecties (± 6% in beide groepen), droge mond (3% van mirabegrongebruikers, 8% van tolterodinegebruikers), nasofaringitis (± 3,5% in beide groepen), hoofdpijn (4,1% van mirabegrongebruikers, 2,5% van tolterodinegebruikers) en obstipatie (± 3% in beide groepen). In de geplande subanalyse verschilde het percentage 65- en 75-plussers dat last had van bijwerkingen niet wezenlijk van de overige patiënten. Er was een trend dat 65-plussers en, vooral, 75-plussers zowel met mirabegron 50 mg als met tolterodine 4 mg iets vaker vanwege bijwerkingen stopten met de behandeling dan de gehele patiëntengroep. Na een jaar was 6,9% van de 65-plussers die mirabegron 50 mg gebruikten (n = 289) gestopt en 7,6% van de tolterodinegebruikers (n = 303). Bij 75-plussers was dit respectievelijk 8,0% (n = 75) en 7,2% (n = 83). De aard van de bijwerkingen was vergelijkbaar met die in de gehele patiëntengroep [Chapple 2013, Wagg 2014].

Conclusie

Er is bewijs van hoge kwaliteit dat mirabegron 50 mg bij vrouwen effectiever het aantal incontinente episodes per 24 uur vermindert dan placebo. Er is bewijs van lage kwaliteit (vanwege het beperkte aantal onderzoeken en onvoldoende power) dat het effect van mirabegron 25 of 50 mg niet significant verschilt van het effect van tolterodine met gereguleerde afgifte 4 mg. Er is bewijs van matige kwaliteit (vanwege het beperkte onderzoek en risico op selectiebias) dat bijwerkingen bij mirabegron 50 mg even vaak voorkomen als bij tolterodine mga 4 mg, met uitzondering van de droge mond, die bij tolterodine duidelijk vaker voorkomt. Er is bewijs van matige kwaliteit (vanwege het beperkte aantal patiënten) dat mirabegron bij ouderen na 12 weken even effectief is als bij overige patiënten, maar er zijn geen gegevens voor de langere termijn. Er is daarnaast bewijs van matige kwaliteit dat oudere patiënten vaker dan jongere patiënten met de behandeling (zowel mirabegron als tolterodine) stoppen vanwege bijwerkingen.

Van conclusie naar aanbeveling

De meerwaarde van mirabegron ten opzichte van anticholinergica is dubieus. Er is nog geen ervaring met de toepassing van mirabegron in de eerste lijn, in het bijzonder bij (oudere) patiënten met comorbiditeit. Het effect van mirabegron op de meest relevante uitkomstmaten, namelijk subjectieve genezing of verbetering van de klachten, is niet bekend. Interpretatie van de klinische relevantie van de afname van het aantal incontinente episodes is lastig. Het anticholinergicum oxybutynine in pleistervorm veroorzaakt net als mirabegron minder vaak een droge mond dan tolterodine mga 4 mg. Er zijn helaas geen directe vergelijkingen tussen mirabegron en oxybutyninepleister gemaakt. Het aantal patiënten dat stopt vanwege bijwerkingen is in onderzoeken zowel voor mirabegron als voor tolterodine relatief laag (6%). Van anticholinergica is bekend dat daarmee in de praktijk veel meer patiënten stoppen [Sexton 2011]. Het is niet bekend hoe dit zal zijn voor mirabegron.

Aanbeveling

Het is vanwege de beperkte praktijkervaring die met mirabegron is opgedaan niet mogelijk om de plaats van dit middel in de huisartsenpraktijk te bepalen. Indien de huisarts besluit dit middel toch voor te schrijven, bespreekt deze met de vrouw dat met dit middel nog weinig ervaring is opgedaan in de (huisartsen)praktijk, wat betekent dat er onzekerheid bestaat over het effect en veiligheid in de praktijk.

TerugNoot 43: Flavoxaat

Er is weinig onderzoek gedaan naar het effect van flavoxaat op urine-incontinentie. In enkele ongecontroleerde onderzoeken werden gunstige effecten van flavoxaat beschreven. In een placebogecontroleerde cross-over-RCT bleek behandeling met placebo effectiever dan met flavoxaat: 47% van de deelnemers (n = 19) gaf de voorkeur aan behandeling met placebo [Meyhoff 1983].

Conclusie

Flavoxaat heeft geen effect op urine-incontinentie.

TerugNoot 44: Behandelmogelijkheden in de tweede lijn bij urgency-incontinentie

Het beleid dat in de tweede lijn over het algemeen wordt gevolgd na verwijzing van een vrouw met urgency-incontinentie is als volgt.

In eerste instantie zal de medisch specialist behandeling met (een ander) anticholinergicum of bèta-3-adrenoreceptoragonist toepassen. Bij onvoldoende effect daarvan zijn er de volgende opties [CBO/LEVV 2012]:

  • intravesicale injecties met botox (wordt het meest toegepast; effect op korte termijn aangetoond in beperkt niet gerandomiseerd onderzoek). Tijdelijke urineretentie is de belangrijkste bijwerking;
  • neuromodulatie (door middel van een elektrode die wordt ingebracht in het derde sacrale foramen; niet overal beschikbaar, dure methode, langetermijneffectiviteit: tweederde is niet meer incontinent of duidelijk verbeterd; eenderde heeft een heroperatie nodig, meestal vanwege pijn op de plaats van de electrode of vanwege afname van het klinisch effect);
  • transcutane of percutane tibiale zenuwstimulatie (TENS of PTNS; uitwendige elektroden; effectiviteit bij urgency-incontinentie niet aangetoond);
  • operatieve blaasaugmentatie (wordt als laatste behandeloptie toegepast; verbetering treedt op bij 50% van de patiënten, postoperatief frequent urineweginfecties en zelfkatheterisatie noodzakelijk).
TerugNoot 45: Gynaecologen met specialisatie in urogynaecologische problematiek

Gynaecologen die gespecialiseerd zijn in urogynaecologische problematiek zijn: de gynaecoloog met aandachtsgebied urogynaecologie (de GUA) en de subspecialist urogynaecologie.

Bij verwijzingen naar NHG-Producten: zie www.nhg.org.

Abrams P, Smith AP, Cotterill N. The impact of urinary incontinence on health-related quality of life (HRQoL) in a real-world population of women aged 45-60 years: results from a survey in France, Germany, the UK and the USA. BJU 2015;115:143-52.

Albers-Heitner CP, Joore MA, Winkens RA, Lagro-Janssen AL, Severens JL, Berghmans LC. Cost-effectiveness of involving nurse specialists for adult patients with urinary incontinence in primary care compared to care-as-usual: an economic evaluation alongside a pragmatic randomized controlled trial. Neurourol Urodyn 2012;31:526-34.

Albers-Heitner CP, Berghmans B, Joore M, Lagro-Janssen T, Severens J, Nieman F, et al. The effects of involving a nurse practitioner in primary care for adult patients with urinary incontinence: the PromoCon study (Promoting Continence). BMC Health Serv Res 2008;8:84.

Albers-Heitner CP, Winkens R, Berghmans B, Joore M, Nieman F, Severens J, et al. Consumer satisfaction among patients and their general practitioners about involving nurse specialists in primary care for patients with urinary incontinence. Scand J Caring Sci 2013;27:253-9.

Albers-Heitner CP, Lagro-Janssen TA, Venema PP, Berghmans BL, Winkens RR, De Jonge AA, et al. Experiences and attitudes of nurse specialists in primary care regarding their role in care for patients with urinary incontinence. Scand J Caring Sci 2011a;25:303-10.

Albers-Heitner CP, Lagro-Janssen TA, Joore MM, Berghmans BL, Nieman FF, Venema PP, et al. Effectiveness of involving a nurse specialist for patients with urinary incontinence in primary care: results of a pragmatic multicentre randomised controlled trial. Int J Clin Pract 2011b;65:705-12.

Arya LA, Jackson ND, Myers DL, Verma A. Risk of new-onset urinary incontinence after forceps and vacuum delivery in primiparous women. Am J Obstet Gynecol 2001;185:1318-23.

Avery K, Donovan J, Peters TJ, Shaw C, Gotoh M, Abrams P. ICIQ: a brief and robust measure for evaluating the symptoms and impact of urinary incontinence. Neurourol Urodyn 2004;23:322-30.

Barber MD, Kleeman S, Karram MM, Paraiso MF, Ellerkmann M, Vasavada S, et al. Risk factors associated with failure 1 year after retropubic or transobturator midurethral slings. Am J Obstet Gynecol 2008;199:666-7.

Baydock SA, Flood C, Schulz JA, MacDonald D, Esau D, Jones S, et al. Prevalence and risk factors for urinary and fecal incontinence four months after vaginal delivery. J Obstet Gynaecol Can 2009;31:36-41.

Berghmans B, Van Waalwijk van Doorn E, Nieman F, De Bie R, Van den Brandt P, Van Kerrebroeck P. Efficacy of physical therapeutic modalities in women with proven bladder overactivity. Eur Urol 2002;41:581-7.

Berglund AL, Fugl-Meyer KS. Sexual problems in women with urinary incontinence. A retrospective study of medical records. Scand J Caring Sci 1991;5:13-6.

Bollard RC, Gardiner A, Duthie GS, Lindow SW. Anal sphincter injury, fecal and urinary incontinence: a 34-year follow-up after forceps delivery. Dis Colon Rectum 2003;46:1083-8.

Boyle R, Hay-Smith EJ, Cody JD, Morkved S. Pelvic floor muscle training for prevention and treatment of urinary and faecal incontinence in antenatal and postnatal women. Cochrane Database Syst Rev 2012;10:CD007471.

Bradley CS, Kennedy CM, Nygaard IE. Pelvic floor symptoms and lifestyle factors in older women. J Womens Health (Larchmt) 2005;14:128-36.

Broens-Oostveen MC, Mom RM, Lagro-Janssen ALM. De genitale prolaps; behandeling en beloop in vier huisartspraktijken. Ned Tijdschr Geneeskd 2004;148:1444-8.

Bryant CM, Dowell CJ, Fairbrother G. Caffeine reduction education to improve urinary symptoms. Br J Nurs 2002;11:560-5.

Bump RC, Voss S, Beardsworth A, Manning M, Zhao YD, Chen W. Long-term efficacy of duloxetine in women with stress urinary incontinence. BJU Int 2008;102:214-8.

Burgio KL, Matthews KA, Engel BT. Prevalence, incidence and correlates of urinary incontinence in healthy, middle-aged women. J Urol 1991;146:1255-9.

Burgio KL, Zyczynski H, Locher JL, Richter HE, Redden DT, Wright KC. Urinary incontinence in the 12-month postpartum period. Obstet Gynecol 2003;102:1291-8.

Campeau L, Tu LM, Lemieux MC, Naud A, Karsenty G, Schick E, et al. A multicenter, prospective, randomized clinical trial comparing tension-free vaginal tape surgery and no treatment for the management of stress urinary incontinence in elderly women. Neurourol Urodyn 2007;26:990-4.

CBO/LEVV. Richtlijn Urine-incontinentie bij vrouwen (2012). http://www.diliguide.nl/document/692/file/pdf/.

Cerruto MA, D’Elia C, Aloisi A, Fabrello M, Artibani W. Prevalence, incidence and obstetric factors’ impact on female urinary incontinence in Europe: a systematic review. Urol Int 2013;90:1-9.

Chapple CR, Kaplan SA, Mitcheson D, Klecka J, Cummings J, Drogendijk T, et al. Randomized double-blind, active-controlled phase 3 study to assess 12-month safety and efficacy of mirabegron, a beta(3)-adrenoceptor agonist, in overactive bladder. Eur Urol 2013;63:296-305.

Clemons JL, Aguilar VC, Sokol ER, Jackson ND, Myers DL. Patient characteristics that are associated with continued pessary use versus surgery after 1 year. Am J Obstet Gynecol 2004;191:159-64.

Cody JD, Jacobs ML, Richardson K, Moehrer B, Hextall A. Oestrogen therapy for urinary incontinence in post-menopausal women. Cochrane Database Syst Rev 2012;10:CD001405.

Cornu JN, Mouly S, Amarenco G, Jacquetin B, Ciofu C, Haab F. 75NC007 device for noninvasive stress urinary incontinence management in women: a randomized controlled trial. Int Urogynecol J 2012;23:1727-34.

Danforth KN, Townsend MK, Lifford K, Curhan GC, Resnick NM, Grodstein F. Risk factors for urinary incontinence among middle-aged women. Am J Obstet Gynecol 2006;194:339-45.

Donnelly MJ, Powell-Morgan S, Olsen AL, Nygaard IE. Vaginal pessaries for the management of stress and mixed urinary incontinence. Int Urogynecol J Pelvic Floor Dysfunct 2004;15:302-7.

Dowd TT, Campbell JM, Jones JA. Fluid intake and urinary incontinence in older community-dwelling women. J Community Health Nurs 1996;13:179-86.

Drennan VM, Greenwood N, Cole L, Fader M, Grant R, Rait G, et al. Conservative interventions for incontinence in people with dementia or cognitive impairment, living at home: a systematic review. BMC Geriatr 2012;12:77.

Dumoulin C, Hay-Smith EJ, Mac Habee-Seguin G. Pelvic floor muscle training versus no treatment, or inactive control treatments, for urinary incontinence in women. Cochrane Database Syst Rev 2014;5:CD005654.

Eason E, Labrecque M, Marcoux S, Mondor M. Effects of carrying a pregnancy and of method of delivery on urinary incontinence: a prospective cohort study. BMC Pregnancy Childbirth 2004;4:4.

Edwards SJ, Karner C, Trevor N, Barton S, Nherera L. Mirabegron for the treatment of symptoms associated with overactive bladder STA REPORT (2013). London: BMJ-TAG. http://www.nice.org.uk/guidance/ta290/resources/overactive-bladder-mirab....

Farrell SA, Singh B, Aldakhil L. Continence pessaries in the management of urinary incontinence in women. J Obstet Gynaecol Can 2004;26:113-7.

Farrell SA, Baydock S, Amir B, Fanning C. Effectiveness of a new self-positioning pessary for the management of urinary incontinence in women. Am J Obstet Gynecol 2007;196:474-8.

Gallagher P, Ryan C, Byrne S, Kennedy J, O’Mahony D. STOPP (Screening Tool of Older Person’s Prescriptions) and START (Screening Tool to Alert doctors to Right Treatment). Consensus validation. Int J Clin Pharmacol Ther 2008;46:72-83.

Gleason JL, Richter HE, Redden DT, Goode PS, Burgio KL, Markland AD. Caffeine and urinary incontinence in US women. Int Urogynecol J 2013;24:295-302.

Groutz A, Blaivas JG, Chaikin DC, Resnick NM, Engleman K, Anzalone D, et al. Noninvasive outcome measures of urinary incontinence and lower urinary tract symptoms: a multicenter study of micturition diary and pad tests. J Urol 2000;164:698-701.

Handa VL, Whitcomb E, Weidner AC, Nygaard I, Brubaker L, Bradley CS, et al. Sexual function before and after non-surgical treatment for stress urinary incontinence. Female Pelvic Med Reconstr Surg 2011;17:30-5.

Hanley J, Capewell A, Hagen S. Validity study of the severity index, a simple measure of urinary incontinence in women. BMJ 2001;322:1096-7.

Hannestad YS, Rortveit G, Daltveit AK, Hunskaar S. Are smoking and other lifestyle factors associated with female urinary incontinence? The Norwegian EPINCONT Study. BJOG 2003;110:247-54.

Haylen BT, De Ridder D, Freeman RM, Swift SE, Berghmans B, Lee J, et al. An International Urogynecological Association (IUGA)/International Continence Society (ICS) joint report on the terminology for female pelvic floor dysfunction. Int Urogynecol J 2010;21:5-26.

Herzog AR, Fultz NH, Brock BM, Brown MB, Diokno AC. Urinary incontinence and psychological distress among older adults. Psychol Aging 1988;3:115-21.

Hunskaar S. A systematic review of overweight and obesity as risk factors and targets for clinical intervention for urinary incontinence in women. Neurourol Urodyn 2008;27:749-57.

Jamison J, Maguire S, McCann J. Catheter policies for management of long term voiding problems in adults with neurogenic bladder disorders. Cochrane Database Syst Rev 2004;2:CD004375.

Jura YH, Townsend MK, Curhan GC, Resnick NM, Grodstein F. Caffeine intake, and the risk of stress, urgency and mixed urinary incontinence. J Urol 2011;185:1775-80.

Kafri R, Deutscher D, Shames J, Golombp J, Melzer I. Randomized trial of a comparison of rehabilitation or drug therapy for urgency urinary incontinence: 1-year follow-up. Int Urogynecol J 2013;24:1181-9.

Kenton K, Stoddard AM, Zyczynski H, Albo M, Rickey L, Norton P, et al. 5-year longitudinal follow-up after retropubic and transobturator midurethral slings. J Urol 2015;193:203-10.

Kessler TM, Bachmann LM, Minder C, Lohrer D, Umbehr M, Schunemann HJ, et al. Adverse event assessment of antimuscarinics for treating overactive bladder: a network meta-analytic approach. PLoS One 2011;6:e16718.

Kim H, Yoshida H, Suzuki T. The effects of multidimensional exercise on functional decline, urinary incontinence, and fear of falling in community-dwelling elderly women with multiple symptoms of geriatric syndrome: a randomized controlled and 6-month follow-up trial. Arch Gerontol Geriatr 2011;52:99-105.

Klaasen R, Hilkens C, Teunissen D, Lagro-Janssen T. Urine-incontinentie heeft een negatieve invloed op het seksuele functioneren van vrouwen. Tijdschr Seksuologie 2008;32:20-7.

Klovning A, Avery K, Sandvik H, Hunskaar S. Comparison of two questionnaires for assessing the severity of urinary incontinence: The ICIQ-UI SF versus the incontinence severity index. Neurourol Urodyn 2009;28:411-5.

KNGF. KNGF-richtlijn Stress (urine-)incontinentie (2011). https://www.fysionet-evidencebased.nl/images/pdfs/richtlijnen/sui_2011/s... .

KNMP. Informatorium Medicamentorum. Den Haag: KNMP, 2014.

Labrie J, Lagro-Janssen AL, Fischer K, Berghmans LC, Van der Vaart CH. Predicting who will undergo surgery after physiotherapy for female stress urinary incontinence. Int Urogynecol J 2015;26:329-34.

Labrie J, Berghmans BL, Fischer K, Milani AL, Van der Wijk I, Smalbraak DJ, et al. Surgery versus physiotherapy for stress urinary incontinence. N Engl J Med 2013;369:1124-33.

Lagro-Janssen ALM. Urine-incontinentie bij vrouwen in de huisartspraktijk. Nijmegen: Katholieke Universiteit Nijmegen, 1991a.

Lagro-Janssen ALM, Debruyne FMJ, Van Weel C. Diagnostiek in de huisartspraktijk van incontinentia urinae bij vrouwen goed mogelijk door gerichte anamnese. Ned Tijdschr Geneeskd 1991b;135:1441-44.

Lagro-Janssen ALM, Smits AJA, Van Weel C. Urine-incontinentie en kwaliteit van leven. Tijdschrift voor sociale gezondheidszorg 1993;137:378-82.

Lagro-Janssen T, Van Weel C. Long-term effect of treatment of female incontinence in general practice. Br J Gen Pract 1998;48:1735-38.

Laurikainen E, Valpas A, Aukee P, Kivela A, Rinne K, Takala T, et al. Five-year results of a randomized trial comparing retropubic and transobturator midurethral slings for stress incontinence. Eur Urol 2014;65:1109-14.

Li J, Yang L, Pu C, Tang Y, Yun H, Han P. The role of duloxetine in stress urinary incontinence: a systematic review and meta-analysis. Int Urol Nephrol 2013;45:679-86.

Lipp A, Shaw C, Glavind K. Mechanical devices for urinary incontinence in women. Cochrane Database Syst Rev 2011:CD001756.

Locher JL, Goode PS, Roth DL, Worrell RL, Burgio KL. Reliability assessment of the bladder diary for urinary incontinence in older women. J Gerontol A Biol Sci Med Sci 2001;56:M32-5.

Madhuvrata P, Singh M, Hasafa Z, Abdel-Fattah M. Anticholinergic drugs for adult neurogenic detrusor overactivity: a systematic review and meta-analysis. Eur Urol 2012a;62:816-30.

Madhuvrata P, Cody JD, Ellis G, Herbison GP, Hay-Smith EJ. Which anticholinergic drug for overactive bladder symptoms in adults. Cochrane Database Syst Rev 2012b;1:CD005429.

Mariappan P, Ballantyne Z, N’Dow JM, Alhasso AA. Serotonin and noradrenaline reuptake inhibitors (SNRI) for stress urinary incontinence in adults. Cochrane Database Syst Rev 2005:CD004742.

Melville JL, Katon W, Delaney K, Newton K. Urinary incontinence in US women: a population-based study. Arch Intern Med 2005;165:537-42.

Meyhoff HH, Gerstenberg TC, Nordling J. Placebo--the drug of choice in female motor urge incontinence? Br J Urol 1983;55:34-7.

NICE. Urinary incontinence (2013). http://www.nice.org.uk/nicemedia/live/14271/65143/65143.pdf .

Nilsson CG, Palva K, Aarnio R, Morcos E, Falconer C. Seventeen years’ follow-up of the tension-free vaginal tape procedure for female stress urinary incontinence. Int Urogynecol J 2013;24:1265-9.

NIVEL. NIVEL Zorgregistraties eerste lijn (2014). http://www.nivel.nl/NZR/zorgregistraties-eerstelijn .

Norton PA. Prevalence and social impact of urinary incontinence in women. Clin Obstet Gynecol 1990;33:295-7.

Nuotio M, Jylha M, Koivisto AM, Tammela TL. Association of smoking with urgency in older people. Eur Urol 2001;40:206-12.

NVOG. Richtlijn prolaps (2014). Utrecht: Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie. http://nvog-documenten.nl/uploaded/docs/Definitieve%20richtlijn%20Prolap....

NVU/NVOG. Richtlijn urine-incontinentie voor de tweede- en derdelijnszorg (2014). Utrecht: Nederlandse Vereniging voor Urologie en Nederlandse Vereniging voor Obstetrie en Gynaecologie. http://www.nvog-documenten.nl/uploaded/docs/Definitieve%20versie%20Richt... .

Nygaard I, Holcomb R. Reproducibility of the seven-day voiding diary in women with stress urinary incontinence. Int Urogynecol J Pelvic Floor Dysfunct 2000;11:15-7.

Nyyssonen V, Talvensaari-Mattila A, Santala M. A prospective randomized trial comparing tension-free vaginal tape versus transobturator tape in patients with stress or mixed urinary incontinence: subjective cure rate and satisfaction in median follow-up of 46 months. Scand J Urol 2014;48:309-15.

Ostaszkiewicz J, Johnston L, Roe B. Timed voiding for the management of urinary incontinence in adults. Cochrane Database Syst Rev 2004:CD002802.

Paquette A, Gou P, Tannenbaum C. Systematic review and meta-analysis: do clinical trials testing antimuscarinic agents for overactive bladder adequately measure central nervous system adverse events? J Am Geriatr Soc 2011;59:1332-9.

Persson J, Wolner-Hanssen P, Rydhstroem H. Obstetric risk factors for stress urinary incontinence: a population-based study. Obstet Gynecol 2000;96:440-5.

Rai BP, Cody JD, Alhasso A, Stewart L. Anticholinergic drugs versus non-drug active therapies for non-neurogenic overactive bladder syndrome in adults. Cochrane Database Syst Rev 2012;12:CD003193.

Roe B, Doll H. Lifestyle factors and continence status: comparison of self-report data from a postal survey in England. J Wound Ostomy Continence Nurs 1999;26:312-9.

Sampselle CM, Harlow SD, Skurnick J, Brubaker L, Bondarenko I. Urinary incontinence predictors and life impact in ethnically diverse perimenopausal women. Obstet Gynecol 2002;100:1230-8.

Sander P, Mouritsen L, Andersen JT, Fischer-Rasmussen W. Should measurement of maximum urinary flow rate and residual urine volume be a part of a “minimal care” assessment programme in female incontinence? Scand J Urol Nephrol 2002;36:124-7.

Schimpf MO, Rahn DD, Wheeler TL, Patel M, White AB, Orejuela FJ, et al. Sling surgery for stress urinary incontinence in women: a systematic review and metaanalysis. Am J Obstet Gynecol 2014;211:71.

Sexton CC, Notte SM, Maroulis C, Dmochowski RR, Cardozo L, Subramanian D, et al. Persistence and adherence in the treatment of overactive bladder syndrome with anticholinergic therapy: a systematic review of the literature. Int J Clin Pract 2011;65:567-85.

Shamliyan T, Wyman JF, Ramakrishnan R, Sainfort F, Kane RL. Benefits and harms of pharmacologic treatment for urinary incontinence in women: a systematic review. Ann Intern Med 2012;156:861-74.

Svenningsen R, Staff AC, Schiotz HA, Western K, Kulseng-Hanssen S. Long-term follow-up of the retropubic tension-free vaginal tape procedure. Int Urogynecol J 2013;24:1271-8.

Swithinbank L, Hashim H, Abrams P. The effect of fluid intake on urinary symptoms in women. J Urol 2005;174:187-9.

Tahtinen RM, Auvinen A, Cartwright R, Johnson TM, Tammela TLJ, Tikkinen KAO. Smoking and bladder symptoms in women. Obstet Gynecol 2011;118:643-8.

Tambyah PA, Knasinski V, Maki DG. The direct costs of nosocomial catheter-associated urinary tract infection in the era of managed care. Infect Control Hosp Epidemiol 2002;23:27-31.

Teunissen D, Van Weel C, Lagro-Janssen T. Urinary incontinence in older people living in the community: examining help-seeking behaviour. Br J Gen Pract 2005;55:776-82.

Teunissen D, Van den Bosch W, Van Weel C, Lagro-Janssen T. Urinary incontinence in the elderly: attitudes and experiences of general practitioners. A focus group study. Scand J Prim Health Care 2006;24:56-61.

Teunissen TA, Van den Bosch WJ, Van den Hoogen HJ, Lagro-Janssen AL. Prevalence of urinary, fecal and double incontinence in the elderly living at home. Int Urogynecol J Pelvic Floor Dysfunct 2004;15:10-13.

Teunissen TAM, Lagro-Janssen ALM. Sex differences in the use of absorbent (incontinence) pads in independently living elderly people: do men receive less care? Int J Clin Pract 2009;63:869-73.

Teunissen TAM, Van den Bosch WJHM, Van Weel C, Lagro-Janssen ALM. Handelt de huisarts bij ouderen anders dan de NHG-Standaard Incontinentie voor urine adviseert? En zo ja, waarom? Huisarts Wet 2008;51:70-5.

Tomlinson BU, Dougherty MC, Pendergast JF, Boyington AR, Coffman MA, Pickens SM. Dietary caffeine, fluid intake and urinary incontinence in older rural women. Int Urogynecol J Pelvic Floor Dysfunct 1999;10:22-8.

Townsend MK, Resnick NM, Grodstein F. Caffeine intake and risk of urinary incontinence progression among women. Obstet Gynecol 2012;119:950-7.

V&VN. Richtlijn Urine-incontinentie bij kwetsbare ouderen (2010). Utrecht: Verpleegkundigen & Verzorgenden Nederland (V&VN). http://www.platformouderenzorg.nl/uploads/files/guidelines/richtlijn_uri....

Van den Muijsenbergh ME, Lagro-Janssen TA. Urinary incontinence in Moroccan and Turkish women: a qualitative study on impact and preferences for treatment. Br J Gen Pract 2006;56:945-9.

Van der Vaart CH, De Leeuw JRJ, Roovers JP, Heintz AP. De invloed van urine-continentie op de kwaliteit van leven bij thuiswonende Nederlandse vouwen van 45-70 jaar. Ned Tijdschr Geneeskd 2000;144:894-7.

Van Gerwen M, Schellevis F, Lagro-Janssen T. Comorbidities associated with urinary incontinence: a case-control study from the Second Dutch National Survey of General Practice. J Am Board Fam Med 2007;20:608-10.

Van Houten P, Achterberg W, Ribbe M. Urinary incontinence in disabled elderly women: a randomized clinical trial on the effect of training mobility and toileting skills to achieve independent toileting. Gerontology 2007;53:205-10.

Verenso. Richtlijn Blaaskatheters, langdurige blaaskatheterisatie bij patiënten met complexe multimorbiditeit (2011). http://www.verenso.nl/assets/Uploads/Downloads/Richtlijnen/VerensoRichtl....

Versi E, Orrego G, Hardy E, Seddon G, Smith P, Anand D. Evaluation of the home pad test in the investigation of female urinary incontinence. Br J Obstet Gynaecol 1996;103:162-7.

Vierhout ME, Gianotten WL. Ongewenst urineverlies bij vrouwen tijdens seksuele activiteit; een inventariserend onderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd 1993;137:913-6.

Visser E, De Bock GH, Berger MY, Dekker JH. Impact of Urinary Incontinence on Sexual Functioning in Community-Dwelling Older Women. J Sex Med 2014;11:1757-65.

Visser E, De Bock GH, Kollen BJ, Meijerink M, Berger MY, Dekker JH. Systematic screening for urinary incontinence in older women: who could benefit from it? Scand J Prim Health Care 2012;30:21-8.

Visser E, De Bock GH, Messelink EJ, Schram AJ, Kollen BJ, Gemert SB, et al. Active encouragement of older women with urinary incontinence in primary care to undergo diagnosis and treatment: A matched-pair cluster randomized controlled trial. Maturitas 2015;80:212-9.

Vissers D, Neels H, Vermandel A, De Wachter S, Tjalma WAA, Wyndaele JJ, et al. The effect of non-surgical weight loss interventions on urinary incontinence in overweight women: a systematic review and meta-analysis. Obes Rev 2014;15:610-7.

Wagg A, Cardozo L, Nitti VW, Castro-Diaz D, Auerbach S, Blauwet MB, et al. The efficacy and tolerability of the beta3-adrenoceptor agonist mirabegron for the treatment of symptoms of overactive bladder in older patients. Age Ageing 2014;43:666-75.

Wallace SA, Roe B, Williams K, Palmer M. Bladder training for urinary incontinence in adults. Cochrane Database Syst Rev 2004;1:CD001308.

Wang Y, Xu K, Hu H, Zhang X, Wang X, Na Y, et al. Prevalence, risk factors, and impact on health related quality of life of overactive bladder in China. Neurourol Urodyn 2011;30:1448-55.

Williams KS, Assassa RP, Cooper NJ, Turner DA, Shaw C, Abrams KR, et al. Clinical and cost-effectiveness of a new nurse-led continence service: a randomised controlled trial. Br J Gen Pract 2005;55:696-703.

Wyman JF, Harkins SW, Fantl JA. Psychosocial impact of urinary incontinence in the community-dwelling population. J Am Geriatr Soc 1990;38:282-8.

Wyman JF, Choi SC, Harkins SW, Wilson MS, Fantl JA. The urinary diary in evaluation of incontinent women: a test-retest analysis. Obstet Gynecol 1988;71:812-7.