U bent hier

NHG-Standaard Enuresis nocturna

NHG-Standaard Enuresis nocturna (Eerste herziening)

Boomsma LJ, Van Dijk PA, Dijkstra RH, Van der Laan JR, Van der Meulen P, Ubbink JTh, Veraart-Schelfhout LM,Verduijn MM. Huisarts Wet 2006;49(13):663-71.

De tekst van de standaard is geactualiseerd ten opzichte van de eerste versie (Huisarts Wet 1996;39:459-70, tevens in: Thomas S, Geijer RMM, Van der Laan JR, Wiersma Tj, redactie. NHG-Standaarden voor de huisarts deel II. Utrecht: Bunge, 1999).

Belangrijkste wijzigingen en kernboodschappen 

  • Er zijn geen belangrijke inhoudelijke wijzigingen.
  • Door middel van een gestructureerde anamnese kan de huisarts de diagnose enuresis nocturna stellen.
  • Het natuurlijk beloop van enuresis nocturna bij kinderen is gunstig.
  • De aanpak van enuresis nocturna bij kinderen is gedragsmatig en vraagt om afstemming met kind en ouders; medicatie speelt vrijwel geen rol.
  • Bij allochtone kinderen komt enuresis nocturna vaker voor dan bij autochtone kinderen, maar het beleid is in wezen niet anders dan bij autochtone kinderen.

InleidingNHG Samenvattingskaart

De NHG-Standaard Enuresis nocturna geeft richtlijnen voor de beoordeling en behandeling van enuresis nocturna vanaf de leeftijd van 5 jaar. Deze leeftijdsgrens is niet zo absoluut als ouders en kind eerder met enuresis nocturna aan de slag willen. In de standaard komt aan de orde hoe de huisarts onderscheid kan maken tussen enuresis nocturna en pathologische mictiepatronen die het gevolg zijn van anatomische afwijkingen of urineweginfecties.

Enuresis nocturna is een probleem voor het kind zelf, maar ook voor het hele gezin. De huisarts moet dan ook een inschatting maken van de last die de ouders of het kind hebben, wie de eigenlijke hulpvraag heeft en hoe de motivatie van het kind en de ouders is voor een interventie. De standaard beoogt de huisarts een verantwoorde keuze te laten maken uit de behandelingsmogelijkheden bij enuresis nocturna en de behandeling zelf te begeleiden of te delegeren aan andere disciplines. Als de jeugdgezondheidszorg of de thuiszorg al bij het kind met enuresis nocturna betrokken is, stemt de huisarts zijn beleid met hen af en is het belangrijk afspraken te maken over ieders inbreng.

Het natuurlijk beloop van enuresis nocturna is bij kinderen in het algemeen gunstig. Enuresis nocturna komt echter ook voor bij adolescenten en volwassenen bij wie in het verleden niet-succesvolle interventies zijn uitgevoerd. Ook bij hen is het zinvol opnieuw een interventie te overwegen, al is de kans op succes kleiner. Bij patiënten met enuresis nocturna die aan het begin van de puberteit nog bestaat, stelt de huisarts zich actief op bij het aanbieden van een interventie.

AchtergrondenNHG Samenvattingskaart

BegrippenNHG Samenvattingskaart

Enuresis is een blaasontlediging volgens het patroon van een normale mictie op een ongewenst moment en op een ongewenste plaats. Bij andere vormen van ongewenst urineverlies spreekt men van incontinentie.

Enuresis diurna is enuresis overdag of tijdens wakker zijn vanaf 5 jaar.

Er is sprake van enuresis nocturna als een kind van 5 jaar in de afgelopen drie maanden ten minste tweemaal per week ’s nachts in bed heeft geplast of als een kind van 7 jaar of ouder (of een volwassene) ten minste eenmaal per maand in bed plast zonder andere lichamelijke ziekte en zonder andere symptomen. Men spreekt dan van monosymptomatische enuresis nocturna.1) In deze standaard wordt met enuresis nocturna deze monosymptomatische vorm bedoeld.

Primaire enuresis nocturna is vanaf de geboorte aanwezig, terwijl bij secundaire enuresis nocturna het kind na een periode van minimaal zes maanden zindelijkheid weer in bed plast.2) Vooral als er ook sprake is van enuresis diurna moet de huisarts rekening houden met een kleine kans op pathologie zoals een neurologische beschadiging, verminderde blaascapaciteit of een urineweginfectie.

(Patho)fysiologieNHG Samenvattingskaart

Zindelijkheid begint zich in de loop van het tweede levensjaar te ontwikkelen onder invloed van het autonome en het willekeurige zenuwstelsel. Het kind wordt zich bewust van de vulling van de blaas die leidt tot mictiedrang. Voor zindelijkheid is beheersing van de bekkenbodemspieren noodzakelijk. Dit is een rijpingsproces. Vanaf ongeveer 4 jaar zijn de voorwaarden voor zindelijkheid aanwezig. Kinderen met een vertraagde ontwikkeling en vooral kinderen met een geestelijke handicap hebben meer moeite met de zindelijkheidsontwikkeling.3)

Enuresis nocturna komt familiair voor.4) Gegevens over de oorzakelijke betekenis van een verminderde functionele blaascapaciteit en overactiviteit van de m. detrusor zijn wisselend.5) Een tekort aan antidiuretisch hormoon (ADH) speelt geen belangrijke rol bij het ontstaan van enuresis nocturna.6) Obstipatie en enuresis nocturna kunnen tegelijk aanwezig zijn, maar een oorzakelijk verband is niet duidelijk.7)

Slaapdiepte speelt bij kinderen met enuresis nocturna een ondergeschikte rol. De belangrijkste oorzaak van enuresis nocturna is een onvoldoende wekreactie op een volle blaas.8)

Daarnaast spelen psychologische mechanismen een rol, zoals interacties met andere gezinsleden, problemen op school of gezinsproblemen als scheiding of overlijden. Positieve stimuli van de ouders en niet al te sterke negatieve stimuli bevorderen de zindelijkheidstraining. Enuresis nocturna wordt wel in verband gebracht met seksueel misbruik, maar de wetenschappelijke onderbouwing ontbreekt.9) Enuresis en gedragsproblemen beïnvloeden elkaar waarschijnlijk wederzijds. Met de aanpak van enuresis kan echter ook worden begonnen bij kinderen met gedragsproblemen.10) Enuresis nocturna draagt bij aan een negatief zelfbeeld van kinderen. Kinderen met enuresis nocturna bloeien vaak op als zij zindelijk worden.11)

EpidemiologieNHG Samenvattingskaart

Enuresis nocturna komt vaker voor bij jongens dan bij meisjes en blijft bij jongens ook langer bestaan. Van de 4- tot 7-jarige jongetjes heeft circa 12% enuresis nocturna, van de 4- tot 7-jarige meisjes circa 8%. Op de leeftijd van 13 tot 16 jaar is 1 à 2% van de kinderen ’s nachts nog nat. Onder adolescenten en volwassenen blijft de prevalentie van enuresis vrijwel gelijk (ongeveer 0,5%).12) Bij kinderen van Turkse of Marokkaanse afkomst die in Nederland wonen is de prevalentie ongeveer twee keer zo hoog als bij autochtonen of bij leeftijdgenootjes in het land van herkomst.13) Uit de prevalentiecijfers blijkt dat in de leeftijdscategorie van 6 tot 10 jaar jaarlijks ongeveer 15% van de bedplassende kinderen droog wordt zonder behandeling. Een huisarts met een praktijk van 2350 patiënten ziet een à twee nieuwe enuresispatiënten per jaar.

Richtlijnen diagnostiekNHG Samenvattingskaart

De diagnostiek richt zich op het maken van onderscheid tussen enuresis nocturna en plasproblemen ten gevolge van onderliggende pathologie.14)

AnamneseNHG Samenvattingskaart

Bij een klacht over bedplassen gaat de huisarts na wat de hulpvraag is, van wie de hulpvraag komt en hoeveel last de betrokkenen hebben. Zijn het de ouders die niet meer tegen de nachtelijke onrust, het verschonen, de was en de geur kunnen of durft het kind niet meer uit logeren of schaamt het zich? Bij allochtone kinderen is de rol van beide ouders extra belangrijk en ook de mogelijke veronderstellingen die zij hebben over onzindelijk zijn en zindelijk worden.15)

De huisarts informeert naar:16)

Mictiepatroon

  • De aard van de enuresis. Hoe vaak is het kind nat? Is het alleen ’s nachts nat of ook overdag? Verliest het kind steeds kleine beetjes urine of is het in één keer nat?
  • Hoe vaak plast het kind (normaal is drie- tot achtmaal per dag)?
  • Hoe is de urinestraal (moet het kind persen, is de straal onderbroken of slap, nadruppelen)?
  • Heeft het kind een urineweginfectie doorgemaakt (pijn bij het plassen, bloed in de urine)?
  • Is er sprake van broekpoepen of obstipatie?

Functioneren en ontwikkeling

  • Hoe functioneert het kind en hoe ontwikkelt het zich? Zijn er veranderingen op school en in het gezin? Is het kind wel eens een periode droog geweest? Aanvullend kan men gegevens van de jeugdarts opvragen.

Rol ouders

  • Op welke leeftijd waren de ouders droog en komt bedplassen meer voor in de familie (vanwege de eventuele vroege herkenning van een hardnekkige vorm van enuresis)?
  • Hoe verliep de zindelijkheidstraining?
  • Wat denken de ouders over mogelijke oorzaken en wat is er tot nu toe zelf of op advies van andere hulpverleners geprobeerd?

Bij adolescenten en volwassenen

  • Welke interventies zijn in het verleden geprobeerd?
  • Hoe is de motivatie om (opnieuw) een behandelvorm te starten?

Bij anamnestische aanwijzingen voor mictiepathologie vraagt de huisarts de ouders te kijken hoe het kind plast en daarbij te letten op persen (obstructie), een onderbroken straal (corpus alienum, urethrakèle), een zeer verre straal (meatusstenose) en druppelsgewijs plassen (zoals bij een ectopische urethra).

Lichamelijk onderzoekNHG Samenvattingskaart

Wanneer de anamnese aanwijzingen oplevert voor een pathologisch mictiepatroon of voor andere functiestoornissen, onderzoekt de huisarts:17)

  • de genitalia externa;
  • de buik – palpatie en percussie – in verband met een eventuele volle blaas;
  • de algehele gezondheidstoestand, groei en ontwikkeling.

Aanvullend onderzoekNHG Samenvattingskaart

Bij anamnestische aanwijzingen voor een urineweginfectie (pijn bij plassen, bloed in urine) onderzoekt de huisarts de urine conform de aanbevelingen in de NHG-Standaard Urineweginfecties. Zonder aanwijzingen voor onderliggende pathologie is geen aanvullend onderzoek nodig.

EvaluatieNHG Samenvattingskaart

Er is sprake van enuresis nocturna wanneer een kind van 5 jaar in de laatste drie maanden ten minste tweemaal per week ’s nachts in bed plast of als een kind van 7 jaar of ouder (of een volwassene) ten minste eenmaal per maand in bed plast. Bij enuresis nocturna is het hele bed nat, terwijl het kind overdag volgens een normale mictiepatroon plast en bij lichamelijk onderzoek of urineonderzoek geen afwijkingen zijn gevonden.

Heeft het kind een urineweginfectie, dan behandelt de huisarts eerst de infectie en wordt na enkele weken geëvalueerd of het bedplassen gestopt is. Obstipatie blijft soms lang bestaan en is geen belemmering om het bedplassen aan te pakken.

Bij aanwijzingen voor psychosociale problematiek probeert de huisarts hier een duidelijk beeld van te krijgen, waarna besloten wordt tot zelf behandelen of verwijzen.

De huisarts verwijst de patiënt bij anamnestische aanwijzingen voor onderliggende mictiepathologie of wanneer er tijdens lichamelijk of aanvullend onderzoek afwijkingen zijn gevonden.

Richtlijnen beleidNHG Samenvattingskaart

De behandeling van enuresis nocturna begint niet vóór de leeftijd van 5 jaar. Zowel het kind als de ouders moeten voor de behandeling gemotiveerd zijn.18)

Enuresis nocturna bij kinderen heeft onbehandeld een goede prognose. De aanpak wordt daarom gekenmerkt door geduld en terughoudendheid. Langdurig afwachten heeft echter als nadeel dat het kind zijn zelfvertrouwen verliest. Zindelijk worden is immers een mijlpaal in de ontwikkeling.

De huisarts begint de behandeling met voorlichting in een gesprek met ouders en kind. Vervolgens wordt begonnen met een van de minder intensieve gedragstherapeutische methoden, die gevolgd kan worden door een of meer intensieve methoden. Kies voor een methode die aansluit bij de last die de ouders of het kind hebben en die aansluit bij hun belevingswereld. De aanpak van enuresis nocturna bij allochtone kinderen verschilt niet van die bij autochtone kinderen, maar allochtone ouders kunnen over zindelijk worden cultureel bepaalde specifieke cognities hebben die hun houding tegenover hun kind met enuresis beïnvloeden. De huisarts moet daarop alert zijn en die waar nodig bespreekbaar maken.15)

Veel adolescenten en volwassenen met enuresis nocturna hebben in het verleden geen of beperkte actie ondernomen tegen bedplassen. Zijn de klachten van enuresis al langdurig aanwezig, dan worden de voorgeschiedenis en eerdere behandelingen nogmaals uitgediept. Indien er aanleiding voor is, worden anamnese en lichamelijk onderzoek herhaald of worden de algemene adviezen opnieuw doorgesproken. Bij adolescenten en volwassenen kunnen dezelfde stappen worden doorlopen als bij kinderen, maar bij hen komen vooral de intensievere interventies in aanmerking, zoals plaswekker, wektraining of droogbedtraining.

Als de aanpak van enuresis niet slaagt of als er steeds terugval optreedt, kan een mictiedagboek nadere informatie opleveren die invloed kan hebben op de keuze van de behandeling. In een mictiedagboek worden vochtopname, hoeveelheid urine en mictiefrequentie bijgehouden.19) Ter ondersteuning van de behandeling is soms tijdelijk medicatie geïndiceerd. De plaswekker blijkt ook bij langdurige bedplassers nog effectief, eventueel in tweede instantie.

De huisarts kan de begeleiding (gedeeltelijk) aan een voldoende deskundige praktijkverpleegkundige delegeren.

VoorlichtingNHG Samenvattingskaart

Veel kinderen, vooral jongetjes, van 5 jaar en ouder plassen nog in bed. Bedplassen gebeurt niet met opzet. Bedplassen ligt niet aan te veel drinken, dus het kind mag ’s avonds gewoon drinken. Het kind plast niet in bed omdat het te diep zou slapen. De oorzaak van het bedplassen is dat het kind nog niet geleerd heeft zich ’s nachts bewust te worden van de aandrang te plassen. Bij meer dan de helft van de kinderen die in bed plassen, heeft één van de ouders dat vroeger ook gedaan.

Een groot deel van deze kinderen zal ook zonder behandeling op den duur zindelijk worden. Als het kind en de ouders gemotiveerd zijn, kan de huisarts methoden aanreiken waarmee het kind kan leren zindelijk te worden. Omdat zindelijk worden een leerproces is en niet gepaard gaat met een lichamelijke afwijking, is behandeling met medicijnen zelden geïndiceerd.

Het gesprek met kind en ouder(s) vormt de basis voor een effectieve interventie bij enuresis.20) Een dergelijk gesprek vraagt echter wel een tijdsinvestering van de huisarts. In het gesprek komen de volgende aspecten aan de orde.

  • Duidelijk vertellen: ouders denken al snel dat het kind wel weet dat het bed droog moet blijven. Vaak blijkt dat niet duidelijk te zijn voor het kind.
  • Positieve aandacht: bedplassen is vervelend, maar het kind doet het niet expres. Droog worden is een prestatie. Prijs het kind als het droog is. Straf het kind niet als het in bed heeft geplast, maar voorkom ook dat het kind zich beloond voelt als het wel in bed heeft geplast. Zeg dus dat het jammer is dat het nog niet gelukt is. Geef het kind individuele positieve aandacht, los van het bedplassen. Lees bijvoorbeeld iedere avond een verhaaltje voor.
  • Verantwoordelijkheid bij het kind leggen: niet de ouders moeten droog worden, maar het kind. Het is belangrijk dat het kind de adviezen zo veel mogelijk zelf uitvoert en verantwoordelijkheid draagt voor de gevolgen van het bedplassen.
  • Consequent zijn: wanneer men eenmaal met een bepaalde aanpak of behandeling is gestart, moet men die consequent volhouden. Wel is het goed met de ouders een afspraak te maken over de duur van een bepaalde aanpak.
  • ’s Avonds drinken mag: het heeft geen zin om bedplassende kinderen te verbieden om ’s avonds nog wat te drinken. Dat heeft geen effect op het droog blijven en roept spanningen op.
  • Geen luiers: een kind van 6 jaar of ouder kan ’s nachts beter geen luiers meer dragen. Het kind met luier zal bedplassen als iets vanzelfsprekends ervaren en komt er moeilijker van af. Het kind moet zich bewust worden van het plassen.21)

Niet-medicamenteuze behandelingNHG Samenvattingskaart

De methoden worden kort besproken in volgorde van oplopende intensiviteit, de tijd die het ouders en kinderen kost en het kostenaspect. Opnemen, de kalendermethode en de motivatiemethode zijn minder intensieve methoden die in eerste instantie kunnen worden toegepast. Blaastraining is een intensievere methode die eventueel kan worden gebruikt bij kinderen die vaak moeten plassen. Plaswekker, wektraining en droogbedtraining zijn intensieve methoden die vooral geschikt zijn voor oudere kinderen en ook voor adolescenten en volwassenen.

De methode wordt gekozen in samenspraak met ouders en kind. Bied voorlichtingsmateriaal aan en verwijs naar de informatie over bedplassen op www.thuisarts.nl. De informatie op Thuisarts.nl is gebaseerd op deze standaard of als extra optie in de uitgave van Zwaan en Vijverberg Bedplassen daar wil je vanaf.

Opnemen

Opnemen is een veel toegepaste methode bij kinderen tot 6 jaar die ervoor kan zorgen dat een kind droog slaapt. Tegen deze methode zijn theoretische bezwaren aan te voeren, omdat het de bedoeling is dat het kind leert dat het wakker wordt van een volle blaas. Toch kan opnemen ervoor zorgen dat de blaas in de nacht minder vol wordt zodat het kind de nacht droog doorkomt. De ervaring leert dat als het kind met een keer opnemen droog slaapt, dit op den duur ook lukt zonder opnemen.22)

Kalendermethode

Bij de kalendermethode worden droge en natte nachten met behulp van stickers of tekeningen op een kalender geregistreerd. Deze methode kan het kind helpen droog te worden en is tegelijkertijd voor ouder en huisarts een registratie van het bedplasgedrag. Deze methode wordt meestal gebruikt bij jonge kinderen (tot 8 jaar) en kan gecombineerd worden met een beloningssysteem (zie Motivatiemethode).23)

Motivatiemethode

De motivatiemethode kan worden toegepast bij het wat oudere kind (tot 12 jaar). Bij deze aanpak probeert de ouder het kind te interesseren en te stimuleren door het een cadeautje (motivator) te geven als het droog is.24)

Blaastraining (‘retention control training’)

Door te leren de plas overdag langer op te houden, kan het kind ook ’s nachts langer droog blijven.25) De methode wordt geadviseerd bij kinderen met enuresis nocturna die overdag vaak (meer dan acht keer) moeten plassen en wordt ook gebruikt bij oudere kinderen (tot 13 jaar). Er is veel discussie over het effect van deze methode, die een flinke tijdsinvestering vraagt. Deze methode is geen eerste keus.

Plaswekkermethode

Een plaswekker leert het kind wakker te worden van het gevoel van een volle blaas, waaruit het kind enkele druppels urine verliest. Het is een bewezen effectieve en veilige behandelingsvorm die al bij kinderen vanaf 5 jaar kan worden toegepast, maar ook bij volwassenen effectief is gebleken. Een goede begeleiding vergroot de kans op succes.26) Bij begeleiding van de plaswekkermethode door de huisarts oriënteert de arts zich over het praktische gebruik van de wekker. De kans op succes is afhankelijk van de leeftijd van het kind en ligt rond 70%. Bij mislukken kan de plaswekker later opnieuw worden toegepast.

Wektraining

Bij de wektraining wordt gebruikgemaakt van de plaswekker in combinatie met een wekschema en ‘motivators’.27) Deze intensievere methode vergt meer tijd en kan worden toegepast bij kinderen ouder dan 8 jaar, adolescenten en volwassenen.

Droogbedtraining

De droogbedtraining is een intensieve methode die bestaat uit een combinatie van een plaswekker en andere gedragstherapeutische maatregelen. Deze methode kan zowel ambulant als klinisch worden toegepast. De training is geschikt voor kinderen ouder dan 8 jaar bij wie andere methoden geen effect hadden. De droogbedtraining lijkt in het algemeen niet geschikt voor de algemene huisartsenpraktijk. De huisarts kan patiënten voor deze behandeling verwijzen naar een instelling voor JGZ, GGZ of (kinder)ziekenhuis.28) Het slagingspercentage is hoog (tot 90%).

Medicamenteuze behandelingNHG Samenvattingskaart

Omdat niet-medicamenteuze behandeling veel tijd en energie van kind, ouder en hulpverlener vergt, vraagt men vaak naar een medicamenteuze behandeling van het bedplassen. De verwachting dat medicatie het enuresisprobleem snel kan oplossen, is in het algemeen echter onjuist. Als niet-medicamenteuze behandelingen hebben gefaald, kan eventueel medicatie worden voorgeschreven. Alleen van het tricyclische antidepressivum imipramine en het vasopressineanalogon desmopressine is een beperkt effect bij enuresis aangetoond. Het blijkt dat in de behandelde groepen wel het aantal natte nachten afneemt, maar dat de kinderen niet geheel droog worden. De maximale behandelduur is drie maanden. Na staken van de behandeling is er een grote kans op terugval; dit kan het stoppen moeilijk maken. Het effect van imipramine en desmopressine lijkt vergelijkbaar.29)

Als voor medicamenteuze behandeling wordt gekozen, gaat de voorkeur uit naar desmopressine.30)

Start bij desmopressine voor het slapen met 120 microg sublinguaal ‘melt’-tablet (lyofilisaat) of 0,2 mg orale tablet. Afhankelijk van het effect is de onderhoudsdosering 120-240 microg sublinguaal ‘melt’-tablet of 0,1-0,4 mg orale tablet. Gebruik van neusspray bij enuresis wordt niet meer aanbevolen. Bij gebruik van desmopressine moet de vochtinname worden beperkt van één uur voor tot acht uur na toediening en moet worden voorkomen dat overdag veel vocht wordt ingenomen. Het effect treedt meestal direct in, maar het kind wordt meestal niet alle nachten droog. Beperk de voorschrijfduur tot maximaal drie maanden en beoordeel regelmatig het effect van de behandeling. Als bijwerkingen treden regelmatig misselijkheid, maag- en hoofdpijn op en ook psychiatrische reacties en convulsies zijn beschreven.

Bij logeerpartijtjes of tijdens vakanties kan desmopressine kortdurend worden gebruikt als alternatieven ontbreken.

Bij adolescenten en volwassenen die langdurig desmopressine gebruiken, kan de huisarts in overleg met de patiënt proberen het middel uit te sluipen en afhankelijk van het effect een gedragsmatige aanpak in te zetten.

ControlesNHG Samenvattingskaart

Houd een eenmaal gekozen methode enige maanden vol. Spreek maandelijkse controles af. Bespreek als de patiënt zindelijk is geworden in een afsluitend gesprek de kans op terugval en welk beleid dan wordt gevolgd. Bespreek bij falen van de behandeling de mogelijke oorzaken en overleg met ouders en kind om een andere methode toe te passen of om voorlopig af te wachten.

Consultatie en verwijzingNHG Samenvattingskaart

Samenwerking met de thuiszorg of de jeugdgezondheidszorg, die ervaring heeft in de begeleiding van kinderen met enuresis, is een aandachtspunt voor de huisarts.

Verwijzen is alleen noodzakelijk als de huisarts een behandeling niet zelf begeleidt. Dit betreft vooral de droogbedtraining. Er zijn regionale verschillen in het aanbod van deze methode.

Bij aanwijzingen voor een pathologisch mictiepatroon verwijst de huisarts naar de kinderarts of (kinder)uroloog. In sommige gevallen is er sprake van psychopathologie en is een psychotherapeutische aanpak aangewezen.

Totstandkoming

In december 2004 is begonnen met de herziening van de NHG-Standaard Enuresis nocturna. De werkgroep bestond uit L.J. Boomsma, P.A. van Dijk, R.H. Dijkstra, J.H. van der Laan, P. van der Meulen, J. Th.Ubbink, mevrouw L.M. Veraart-Schelfhout, allen huisarts en betrokken bij eerdere versies van deze standaard, en mevrouw M.M. Verduijn, apotheker.

In het voorjaar van 2006 was een conceptversie gereed voor commentaar van huisartsen en referenten. Een conceptversie is besproken in een focusgroep van twaalf huisartsenopleiders. Daarnaast traden als referent op: dr. F.J.M. van Leerdam, jeugdarts VUmc, Amsterdam; drs J. van Engeldorp Gastelaars, apotheker namens het Wetenschappelijk Instituut Nederlandse Apothekers te Den Haag; P. Leusink, arts-seksuoloog; dr. A.C. van Loenen, klinisch farmacoloog en hoofdredacteur van het Farmaceutisch Kompas. Vermelding als referent betekent overigens niet dat iedere referent de standaard inhoudelijk op elk detail onderschrijft.

In september 2006 werd de standaard becommentarieerd en geautoriseerd door de NHG-Autorisatiecommissie.

De begeleiding van de werkgroep berustte bij L.J. Boomsma, huisarts en wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richlijnontwikkeling en Wetenschap van het NHG.

© 2006 Nederlands Huisartsen Genootschap

Noten

TerugNoot 1:

Definities

Na het vierde jaar zijn de fysiologische voorwaarden voor zindelijkheid aanwezig. Twintig procent van de kinderen is voor de derde verjaardag zindelijk en 65% voor de vierde [Van Leerdam 2005].

In de literatuur hanteert men verschillende definities voor enuresis nocturna. De verschillen betreffen het aantal natte nachten per maand en het leeftijdscriterium. De DSM III-R gaat uit van twee natte nachten in de laatste vier weken bij kinderen van 5 of 6 jaar oud en ten minste één natte nacht bij kinderen van 7 jaar en ouder. De DSM IV gaat uit van twee natte nachten per week in de laatste vier weken en in de laatste drie opeenvolgende maanden bij kinderen ouder dan 5 jaar, zonder een andere lichamelijke ziekte en zonder andere symptomen (monosymptomatisch). Naast de frequentie en de leeftijd geeft de DSM IV aan dat er sprake moet zijn van beperkingen in het functioneren [APA 1990 (DSM III-R), APA 1994 (DSM IV)]. De standaard hanteert de in Nederland gebruikelijke definitie en leeftijdsgrenzen [Hirasing 1994, Van Leerdam 2005].

TerugNoot 2:

Primaire en secundaire enuresis

Bij primaire enuresis zou vooral sprake zijn van een rijpingsstoornis; hierbij is training mogelijk. Bij secundaire enuresis werd in het verleden wel een relatie gelegd met stressvolle gebeurtenissen. Mogelijk zou deze vorm van enuresis een symptoom zijn van een onderliggende ziekte, zodat lichamelijk onderzoek en urineonderzoek zin zouden hebben [Oudshoorn 1992]. In onderzoek kon men dit echter niet bevestigen. Bij een transversaal onderzoek in een universiteitsziekenhuis (n=170) werden kinderen met primaire en secundaire enuresis nocturna vergeleken. Er werden geen verschillen gevonden in geslacht, leeftijd waarop kinderen overdag zindelijk werden, urineweginfecties, vesico-ureterale reflux, voorkomen van ADHD of residu na mictie. De enige verschillen waren het vaker voorkomen van obstipatie bij kinderen met primaire enuresis (75 en 58%, p=0,04) en de leeftijd waarop kinderen zelf leerden te defeceren (secundair op 2,1 jaar en primair op 2,4 jaar). De auteurs concludeerden dat de pathogenese van primaire en secundaire enuresis dezelfde is [Robson 2005]. Ook in een cohortonderzoek onder 1652 kinderen, van wie er 66 in bed plasten, waren er geen verschillen in gedrag of emotionele problemen tussen kinderen met primaire en secundaire enuresis [Hirasing 1997].

TerugNoot 3:

Enuresis bij kinderen met een vertraagde ontwikkeling

Een cohort van kinderen die regulier onderwijs volgden (n=5360) is vergeleken met 2571 kinderen die speciaal onderwijs volgden. Het bleek dat enuresis bij kinderen in het speciaal onderwijs ongeveer twee- (jongens) tot driemaal (meisjes) vaker voorkwam dan bij kinderen in het reguliere onderwijs (prevalentie totaal respectievelijk 14 en 6%). Het verschil was nog duidelijker bij kinderen die scholen voor verstandelijk gehandicapten bezochten (OR jongens 3,21; 95%-BI 2,3-4,6; OR meisjes 4,25; 95%-BI 2,6-6,9) [Spee-van der Wekke 1998].

TerugNoot 4:

Enuresis en erfelijkheid

Ongeveer 38% van de vaders en 25% van de moeders van kinderen met enuresis nocturna hebben hetzelfde probleem gehad (tegen respectievelijk 11 en 9% van een controlegroep zindelijke kinderen) [Järvelin 1991]. In ander onderzoek bleek dat van de 158 in bed plassende kinderen 56% een ouder had met enuresis nocturna in de jeugd [Hirasing 1991]. Als beide ouders in bed plasten, is de kans dat het kind het ook doet 77%. Als één ouder in bed plaste, heeft het kind 43% kans dat hij dat ook doet. Plasten de beide ouders niet in bed, dan heeft het kind een kans van 15% op enuresis nocturna [Van Leerdam 2005]. Verschillende delen van chromosomen zijn verantwoordelijk gesteld voor enuresis nocturna, onder meer op de chromosomen 4, 8, 12, 13 en 22 [Gontard 1997].

TerugNoot 5:

Blaascapaciteit

De normale blaascapaciteit kan bij kinderen goed worden geschat met de formule van Koff: blaascapaciteit = (leeftijd + 2) x 30 ml [Koff 1983]. Veel klinisch onderzoek naar de blaascapaciteit is onder narcose uitgevoerd; in dat geval neemt de capaciteit toe [Scholtmeijer 1993]. Urodynamisch onderzoek op een kinderurologische polikliniek wees uit dat 75% van de bedplassers een kleinere blaascapaciteit heeft dan verwacht, terwijl bij 44% een detrusor-instabiliteit werd vastgesteld [Scholtmeijer 1993]. Uit patiëntcontroleonderzoek onder 67 kinderen op een urologische polikliniek bleek dat er geen verschil was tussen de functionele blaascapaciteit (maximaal vastgesteld overdag) bij kinderen met en zonder enuresis, maar de nachtelijke blaascapaciteit (gemeten met een luier) bij kinderen met enuresis was significant lager dan bij de controles [Kawauchi 2003]. Bij urodynamisch onderzoek van 24 kinderen met enuresis nocturna vond Mayo negentien kinderen met normale waarden, twee kinderen met instabiele detrusorcontracties berustend op onrijpheid en drie kinderen met disfunctionele blaasontlediging gepaard gaande met encopresis of urineweginfecties [Mayo 1990].

TerugNoot 6:

Antidiuretisch hormoon

De secretie van antidiuretisch hormoon (ADH) vertoont een circadiaan ritme met een piek in de nacht, zodat ’s nachts minder urine wordt geproduceerd. Onderzoek naar ADH-spiegels in serum is verricht in een kleine groep patiënten met ernstige therapieresistente enuresis nocturna (15 kinderen van 11 tot 17 (gemiddeld 13,8) jaar), bij wie de nachtelijke urineproductie groter bleek dan overdag doordat er geen nachtelijke piek in ADH-secretie optrad [Rittig 1989]. In een transversaal onderzoek onder 263 kinderen van 5 tot 15 jaar bleken de blaascapaciteit en de urineosmolariteit (een indirecte maat voor de ADH-secretie) toe te nemen met de leeftijd, maar significante verschillen tussen bedplassers en niet-bedplassers werden niet aangetoond [Korzeniecka-Korzerska 2005].

In een gerandomiseerd onderzoek naar de werking van desmopressine (n=55) bleek geen significant verschil in excretie van ADH en urinevolume tussen responders, non-responders en controlepersonen [Evans 1992].

TerugNoot 7:

Enuresis en obstipatie

Enuresis en obstipatie komen vaak en ook regelmatig samen voor [Mayo 1990]. In een groot cohortonderzoek onder 5350 kinderen van 5 tot 19 jaar hadden 679 kinderen enuresis nocturna. Van deze laatste groep had 7% ook obstipatie (gedefinieerd als minder dan drie defecaties per week) versus 1,5% van de controlegroep (p=0,000) [Cayan 2001]. De auteurs stellen dat obstipatie serieuze aandacht verdient bij kinderen met enuresis, hoewel het slechts ging om één van de zestien kinderen met enuresis. In het onderzoek dat beschreven is in noot 2 was het aantal kinderen met obstipatie onder bedplassers veel groter dan onder niet-plassers. Dit onderzoek betrof een selecte groep in een universiteitsziekenhuis [Robson 2005]. In een Nederlandse aanbeveling wordt geadviseerd eerst de obstipatie aan te pakken en dan de enuresis [Hirasing 2004]. Obstipatie en vooral encopresis kunnen echter zeer hardnekkig zijn. Dat wil niet zeggen dat de aanpak van enuresis nocturna pas zin heeft als de obstipatie of encopresis is opgelost. De aanpak van enuresis blijkt dan vaak makkelijker dan de aanpak van andere aandoeningen en verdient dan ook de voorkeur [Van Leerdam 2005].

TerugNoot 8:

Enuresis en slaapdiepte

Ouders geven vaak aan dat hun kind met enuresis nocturna te diep slaapt, maar enuresis nocturna komt voor in alle fases van de slaap [Mikkelsen 1980]. Het slaappatroon van bedplassers is normaal en het optreden van enuresis nocturna blijkt geen relatie te hebben met de slaapdiepte [Wille 1994]. Polysomnografisch onderzoek bij 21 kinderen met enuresis en 6 (!) controles liet geen verschillen zien, ook niet op het moment van enuresis [Bader 2002].

Een interessante waarneming is dat kinderen met een verstoorde ademhaling tijdens de slaap, al of niet met apneus, significant vaker ook enuresis nocturna vertonen. Bij slaaponderzoek onder 160 kinderen bleek het voorkomen van enuresis gerelateerd aan het aantal episoden van gestoorde slaap [Brooks 2003]. Daarvoor zijn verschillende verklaringen: Een verstoorde ademhaling tijdens de slaap heeft invloed op de wekbaarheid. De gestoorde luchtwegpassage vraagt een hogere intra-abdominale druk, die wordt doorgegeven aan de blaas en ook de intrathoracale druk is verhoogd, waardoor de bloedtoevoer naar het hart is afgenomen. Het hart reageert met de vorming van natriuretische peptiden, die via een aantal tussenstappen – waaronder het renine-angiotensine-aldosteroncomplex – aanleiding zijn tot het uitblijven van een ADH-piek, met een verhoogde urineproductie tot gevolg [Brooks 2003, Umlauf 2003]. In de literatuur is nog geen goed onderzoek gevonden over de therapeutische consequenties van deze hypothese.

Het is wel duidelijk dat kinderen met enuresis nocturna niet reageren op de prikkel van een volle blaas [Van Leerdam 2005].

TerugNoot 9:

Andere oorzaken van enuresis

De leeftijd waarop met de zindelijkheidstraining wordt begonnen, heeft op het ontstaan of persisteren van bedplassen geen invloed. Enuresis houdt geen verband met de gezinsgrootte of de rangorde in het gezin [Oudshoorn 1992]. Er wordt gesuggereerd dat enuresis nocturna verband zou houden met seksueel misbruik [Gosnell 1997]. In de literatuur worden veel verschijnselen genoemd die zouden wijzen op het bestaan van seksueel misbruik, maar de voorspellende waarde van de verschillende items is niet bekend [Bruinsma 1994]. Gezien het ontbreken van gegevens bestaat er onvoldoende reden om bij enuresis nocturna zonder bijkomende aanwijzingen aan seksueel misbruik te denken.

TerugNoot 10:

Enuresis en gedragsproblemen

Kinderen met enuresis nocturna zouden meer gedragsproblemen hebben, maar een systematische review van onderzoeken van doorgaans matige kwaliteit kon dat niet bevestigen. Ook vond men geen duidelijke aanwijzingen dat bepaalde gedragsproblemen vaker samengaan met bedplassen [Redsell 2000].

De combinatie van hyperactiviteit bij kinderen en enuresis nocturna wordt vaak genoemd [Oudshoorn 1992]. Bij 120 kinderen met enuresis nocturna die een kinderpolikliniek bezochten werd vaker de diagnose ADHD gesteld dan in de open populatie, maar een echte controlegroep ontbrak [Baeyens 2004]. In andere onderzoeken kon de relatie tussen ADHD en enuresis niet worden bevestigd [Hirasing 1997, Redsell 2001, Van Leerdam 2005].

TerugNoot 11:

Enuresis en zelfvertrouwen

Kinderen met enuresis nocturna (n=50) die waren verwezen naar een universiteitsziekenhuis, hadden een duidelijk lager zelfbeeld dan een vergelijkbare controlegroep (n=77) [Theunis 2002]. Het ging om een algemeen lager zelfbeeld, maar ook om de eigen indruk van de fysieke verschijning en intellectuele prestaties. Jongens lijken er meer last van te hebben dan meisjes. Volgens een cohortonderzoek onder 114 kinderen met enuresis in de eerste lijn hebben het aantal natte nachten per week en het aantal pogingen om zindelijk te worden invloed op het zelfbeeld [Collier 2002].

In een review over psychologische implicaties bij de behandeling van enuresis nocturna was de conclusie dat het zelfvertrouwen van kinderen van 8 jaar en ouder significant toeneemt wanneer hun enuresis met succes is behandeld [Howe 1992]. Het kind is opgewekter, minder angstig, gedraagt zich adequater en zou initiatiefvoller zijn [Verhulst 1993, Hirasing 2002].

TerugNoot 12:

Epidemiologie

Getallen over de prevalentie van enuresis nocturna wisselen sterk, afhankelijk van de onderzoeksmethode, de onderzochte populatie en de gehanteerde definitie.

Kinderen. Eén onderzoek betreft interviews met ouders van 2070 kinderen tussen 4 en 16 jaar, aselect getrokken uit bevolkingsregisters van Zuid-Hollandse gemeenten. Als definitie was gekozen voor twee of meer nachten per maand nat in de afgelopen zes maanden. De prevalentie bij jongens van 4 tot 7 jaar was 12% en bij meisjes van 4 tot 7 jaar 8%. Bij 8- tot 11-jarigen was de prevalentie gedaald naar respectievelijk 7 en 4% [Verhulst 1985]. In de Tweede Nationale Studie naar ziekten en aandoeningen in de huisartspraktijk was de prevalentie bij 5- tot 14-jarigen 12,6 per 1000 jongens en 6,8 per 1000 meisjes. In deze Tweede Nationale Studie werd in de leeftijdsgroep van 5-14 jaar een incidentie gevonden van 5,7 per 1000 jongens en 3,4 per 1000 meisjes [Van der Linden 2004].

Adolescenten. in de Tweede Nationale Studie vond men in de groep van 15 tot 24 jaar een incidentie van 0,4 per 1000 mannen en 0,1 per 1000 vrouwen [Van der Linden 2004]. Lang niet iedereen met enuresis nocturna gaat daarmee naar de huisarts. In een groep van 107 adolescenten (13 tot 23 jaar) met enuresis nocturna bleek dat 20% daarvoor nooit een arts had geraadpleegd, dat 40% geen behandeling had gekregen, dat 22% niet op behandeling met desmopressine reageerde en dat 23% zich aan behandeling onttrok [Nappo 2002].

Volwassenen. onder 13.081 Nederlandse volwassenen (van 18 tot 64 jaar) was de totale prevalentie van merendeels secundaire enuresis 0,5%. Vijftig procent van de mannen en 35% van de vrouwen met enuresis hadden voor dit probleem nooit een arts bezocht en 38% van de mannen en 26% van de vrouwen hadden geen actie ondernomen om droog te worden [Hirasing 1997].

TerugNoot 13:

Epidemiologie bij speciale groepen

In het onderzoek van Spee-van der Wekke werd gekeken naar verschillen in prevalentie van enuresis bij Surinaamse/Antilliaanse en Turkse/Marokkaanse kinderen ten opzichte van Nederlandse kinderen. De prevalentie in de eerste groep verschilde niet significant. Bij Turkse en Marokkaanse kinderen was de prevalentie anderhalf (13 versus 19%, speciaal onderwijs) tot tweemaal hoger (6 versus 13%, regulier onderwijs) dan bij de Nederlandse kinderen [Spee-van der Wekke].

Onderzoek op consultatiebureaus in Amsterdam onder 1506 3- tot 4-jarigen, 2422 5- tot 6-jarigen en 2081 11- tot 12-jarigen gaf aan dat onder allochtone en autochtone kinderen van 3 tot 4 jaar de prevalentie van enuresis niet significant verschilde. Bij 5- tot 6-jarige kinderen plaste 9,8% van de autochtone kinderen nog in bed versus 17% van de Surinaamse en Antilliaanse kinderen, 31% van de Noord-Afrikaanse kinderen en 26% van de Turkse kinderen. In de leeftijdsgroep van 11 tot 12 jaar waren deze percentages respectievelijk 4, 5, 11 en 8 [Van der Wal 1996].

Vragenlijstonderzoek via scholen onder 1703 Turkse kinderen in Turkije wees op een totale prevalentie van enuresis van 13,7% [Gümüs 1999]. In vergelijkbaar onderzoek onder 5754 schoolkinderen van 7 tot 12 jaar in een ander Turks gebied werd een prevalentie van 11,5% gevonden. Deze prevalenties zijn vergelijkbaar met die onder autochtone kinderen in West-Europese landen, de Verenigde Staten en Australië [Serel 1997].

Conclusie: onder Turkse en Marokkaanse kinderen die zich als allochtoon in Nederland vestigen, komt enuresis nocturna vaker voor dan in hun thuisland.

TerugNoot 14:

Pathologie bij enuresis

Urologische aandoeningen betreffen obstructie als gevolg van meatusstenose, vesico-ureterale reflux, urethrakleppen, anatomische variaties van de genitalia externa of traumata. Niet-urologische aandoeningen zijn bijvoorbeeld encopresis en diabetes mellitus. Een gestructureerde anamnese maakt de eerste schifting tussen enuresis nocturna en incontinentie als begeleidend symptoom bij een andere aandoening mogelijk. Bestaat er een lichamelijke afwijking of abnormale urinelozing, dan is er geen sprake van enuresis nocturna [Scholtmeijer 1993, Hirasing 1994].

TerugNoot 15:

Allochtone ouders en enuresis

Allochtone ouders geven soms andere oorzaken voor enuresis. Naast diep slapen, veel drinken en kou noemen ze ook luiheid, het bezeten zijn door geesten of demonen of het boze oog als mogelijke oorzaken. Bij de behandeling staat straffen vaak centraal en ontbreekt positieve feedback. Bij deze kinderen is de behandeling van enuresis vaak moeilijker dan bij autochtone kinderen [Most-van Spijk 1993, Van der Wal 1996].

Vragenlijst

Vraag Ja Nee Onbekend
Heeft overdag natte plekjes in de broek   
Droge periodes overdag zijn korter dan 30 minuten   
De mictiefrequentie overdag is 8 of meer   
De mictiefrequentie is overdag 3 of minder   
Kan vaak de plas niet ophouden (ja is niet ophouden)   
Gaat hurken of knijpt om de plas op te houden   
Moet persen om te plassen   
Heeft een onderbroken of staccatostraal   
Heeft een slappe straal   
Druppelt steeds na   
Heeft periodes met pijn bij het plassen   
Heeft ooit bloed bij de urine gehad   
Heeft ooit een urineweginfectie doorgemaakt   
Komt ’s nachts het bed uit om te drinken   
Slaat regelmatig dagen met defecatie over   
Heeft alleen een nat plekje in bed (geen kleddernat bed)   
TerugNoot 16:

Vragenlijst

Bij de jeugdgezondheidszorg wordt geadviseerd onderstaande vragenlijst te gebruiken om te differentiëren tussen enuresis nocturna en andere vormen van incontinentie volgens het Richtsnoer Enuresis nocturna (1994). Bevestigende antwoorden zijn een reden om nader onderzoek te overwegen.

De vragen zijn in gewijzigde vorm opgenomen in de gewone anamnese [Hirasing 1994].

TerugNoot 17:

Lichamelijk onderzoek

Lichamelijk onderzoek levert zelden afwijkingen op bij kinderen bij wie op basis van de anamnese enuresis nocturna wordt vastgesteld. Als bij een kind met enuresis nocturna het vermoeden is gerezen van ernstige obstipatie, is een rectaal toucher te overwegen, maar dit is voor een kind een belastend onderzoek [Hirasing 1994]. In een recentere versie van het Richtsnoer is de plaats van lichamelijk onderzoek nog meer naar de achtergrond geraakt [Hirasing 2004].

TerugNoot 18:

Motivatie van kind en ouders

Omdat bij zindelijkheidstraining het initiatief van de ouders uitgaat, ervaren zij een mislukking soms als een persoonlijk falen, waarvan zij zichzelf of het kind de schuld geven. Mutatis mutandis neemt het kind zijn ouders het bedplassen kwalijk en voelt zich daar weer schuldig over [Oudshoorn 1992]. Schuldgevoelens en boosheid over en weer kunnen de hulpverlening bemoeilijken.

De aanvangsleeftijd en de vereiste motivatie zijn algemene adviezen [Hirasing 1994, Hirasing 2004]. Het kind moet weten dat slechts hulpmiddelen worden aangereikt om zelf droog te worden. De betrokkenheid van het kind is een van de belangrijkste gunstige prognostische factoren [Devlin 1990].

TerugNoot 19:

Drink- en mictielijst

Onderstaand voorbeeld van een drink- en mictielijst is ontleend aan Hirasing 2004.

Datum Vochtinname Plassen Urineverlies Ontlasting
  Tijdstip Hoeveelheid (ml) Soort Tijdstip Hoeveelheid (ml) Tijdstip Hoeveelheid Tijdstip Hoeveelheid
          
          
          
          
          
          
          
TerugNoot 20:

Enuresisgesprek

Een gesprek met kind en ouders is zinvol, zo bleek in een onderzoek onder 51 kinderen dat werd uitgevoerd in de universiteitskliniek in Freiburg. Zes maanden na het ‘Enuresisgespräch’ (een lang gesprek waarbij het kind de eerste 15 minuten aanwezig is) waren 25 van de 51 kinderen (49%) met een lange bedplascarrière droog. De ouders van alle 25 (droge) kinderen hadden na het gesprek uit eigen beweging het aantal therapeutische maatregelen drastisch verminderd en hun aandacht en tijd voor het kind opgevoerd. Deze uitkomst was des te opvallender omdat het kinderen betrof met een lange therapeutische geschiedenis (minstens zeven behandelingsvormen achter de rug) [Haug-Schnabel 1990]. Een gesprek over enuresis kan al bijdragen aan de oplossing, gezien het vaak geregistreerde gegeven dat het vastleggen van de uitgangssituatie al een aanzienlijk effect oplevert [Devlin 1990].

Voor het kind is het niet altijd duidelijk dat het bed droog moet blijven. Het kind prijzen is een belangrijk onderdeel van de aanpak, evenals het zelf dragen van verantwoordelijkheid [Devlin 1990, Hirasing 1994]. Het is niet zinvol ’s avonds drinken te verbieden [Hirasing 1994]. De gesprekken krijgen structuur als het kind een (mictie)dagboekje (zie noot 19) bijhoudt.

TerugNoot 21:

Luiers

Het is niet bewezen dat het uitlaten van een luier resulteert in sneller droog worden, maar in observationeel onderzoek bleken kinderen met katoenen luiers sneller zindelijk te worden dan met papieren luiers. Hierbij speelt echter mogelijk de bias van het soort ouders/gezin dat katoenen luiers gebruikt. Hoe dan ook, een luier verhindert dat een kind voelt dat het nat is, zodat de werkgroep adviseert om luiergebruik te ontmoedigen [Blankespoor 2003].

TerugNoot 22:

Opnemen

Opnemen van het kind wordt vaak toegepast: op 3- tot 4-jarige leeftijd wordt een derde van de kinderen ’s nachts opgenomen [Van Londen 1986]. Over de effectiviteit van opnemen zijn onvoldoende onderzoeksgegevens bekend. De ervaring leert dat sommige kinderen met opnemen ’s nachts droog blijven en dat zij dan op den duur ook zonder opnemen droog blijven. Alleen bij wat oudere kinderen wordt geadviseerd ze goed wakker te maken [Van Londen 1986]. Op theoretische gronden is bezwaar aan te voeren tegen deze methode. Door het opnemen leert het kind nooit het signaal van een volle blaas te herkennen. Bovendien zou het kind de eigen wekdrempel hoger maken. Het wordt steeds moeilijker om het kind wakker te krijgen. Wordt het kind opgenomen op een moment dat de blaas onvoldoende is gevuld, dan treden er geen leermomenten op [Van Londen 1986, Verhulst 1993].

TerugNoot 23:

Kalendermethode

De kalendermethode kan worden toegepast bij kinderen tot de leeftijd van circa 8 jaar. De tijdsinvestering is 5 minuten per dag en de methode wordt gedurende vier tot twintig weken toegepast. Het succespercentage zou 54 tot 60 zijn binnen zes maanden [Van Londen 1986, Hirasing 1991]. De methode wordt ook wel gecombineerd met opnemen. De effectiviteit van deze eenvoudige interventies is in kleine onderzoeken aangetoond en daarmee lijken deze methoden zinvol als eerste stap [Glazener 2004a].

TerugNoot 24:

Motivatiemethode

De motivatiemethode is gebaseerd op principes uit de leerpsychologie. Wanneer toevallig gedrag wordt gevolgd door iets prettigs, zal de betrokkene een volgende keer dit gedrag weer vertonen. Wanneer deze koppeling zich vaker herhaalt, zal het gedrag regel worden. Het gedrag is dan aangeleerd. Dit geldt ook voor het leren om niet in bed te plassen. De motivatiemethode bij bedplassen houdt in dat de ouders het kind iets in het vooruitzicht stellen als het lukt om droog te blijven. De bedoeling is dat de beloning stimulerend is voor het kind. De ouders moeten genoeg beloningen in reserve houden om een goede stimulans te kunnen blijven geven. De methode is geschikt voor kinderen tot 12 jaar en kost 5 tot 10 minuten per dag gedurende twee tot zes maanden. Het succespercentage is ongeveer 60 [Van Londen 1986].

TerugNoot 25:

Blaastraining

Blaastraining is geschikt voor kinderen met enuresis nocturna die overdag vaker dan acht keer plassen. De relatie tussen bedplassen en een kleine blaascapaciteit is controversieel. In oudere Nederlandse onderzoeken wordt blaastraining effectief en zinvol genoemd [Van Londen 1986, Paschalis 1992], maar recente onderzoeken geven aan dat blaastraining niet zo effectief is als een plaswekkermethode of droogbedtraining [Glazener 2004b]. Op grond van methodologische bezwaren tegen een deel van de onderzoeken is geen zekere uitspraak over het effect te doen. De methode is geschikt voor kinderen tot 13 jaar en kost 1 tot 2 uur per dag. Effect kan optreden na drie tot vijf weken [Van Londen 1986].

TerugNoot 26:

Plaswekkers

Er zijn verschillende soorten plaswekkers: de meest gebruikte is de plaswekker met broekje (Elther-wekker). Verder zijn er plaswekkers met onderlegger (Eastleigh-wekker) en de polsplaswekker (bijvoorbeeld sentry-wekker of andere kleine apparaatjes die aan de kleding kunnen worden bevestigd). Ook zijn er systemen die werken met een trilkussen in plaats van een alarm, of met een wekker op afstand, zodat het kind zijn bed uit moet om hem af te zetten. Ziektekostenverzekeringen vergoeden een deel van de kosten wanneer de plaswekker is voorgeschreven door de huisarts. In sommige plaatsen wordt de plaswekker door de thuiszorg of door de ziektekostenverzekering uitgeleend, al of niet met begeleiding.

In een onderzoek in de eerste lijn onder 241 kinderen met enuresis nocturna die dezelfde plaswekker (in broekvorm) kregen, was na enkele weken 85% (95%-BI 80-90%) van de kinderen droog. Na twee jaar was nog 70% (95%-BI 63-76%) van de kinderen droog, zonder significante verschillen tussen de verschillende leeftijdsgroepen (5 tot 16 jaar) of het geslacht. Helaas kende het onderzoek geen controlegroep, maar werd het succespercentage afgezet tegen het spontane genezingspercentage dat ligt op 15 tot 18 per jaar [Leerdam 2005].

In een systematische review met 22 gerandomiseerde onderzoeken met 1125 kinderen bleken de plaswekkers effectief (OR om na veertien nachten droog te worden 0,3; 95%-BI 0,2-0,4). Er waren geen significante verschillen tussen de verschillende soorten plaswekkers.

Vergeleken met andere behandelingsvormen blijken plaswekkersystemen effectiever dan een placebo, de aanwezigheid van een niet-werkend apparaat, gedragsinterventies, blaastraining en op korte termijn gelijkwaardig aan medicatie. De combinatie van een plaswekker en medicatie leverde in eerste instantie een hoger succespercentage op, maar op langere termijn was er geen verschil met alleen de plaswekker. De terugval na toepassing van de plaswekker lijkt minder dan na gebruik van desmopressine (OR 0,1; 95%-BI 0,02-0,8), maar overtuigend rechtstreeks vergelijkend onderzoek ontbreekt [Glazener 2003].

De plaswekker is een veilige behandelingsmethode. In een onderzoek naar de psychische gevolgen van deze behandeling werden geen aanwijzingen gevonden voor nadelige effecten [Stromgren 1990].

Ook kinderen die zowel overdag als ’s nachts nat zijn hebben baat bij een plaswekker: 37 kinderen met enuresis diurna en nocturna werden vergeleken met 37 kinderen met alleen enuresis nocturna. Bij de kinderen die dag en nacht nat waren, was het succespercentage 65 (95%-BI 47-79%) in gemiddeld 49 dagen (22-134 dagen) en bij kinderen die alleen ’s nachts nat waren werd 76% (95%-BI 58-88%) droog in 52 dagen (variërend van 22 tot 121 dagen) [Van Leerdam 2005].

In een groep van 111 kinderen van 5 tot 7 jaar met enuresis nocturna bleek de plaswekker ook effectief bij 70% van de 5-jarigen, bij 73% van de 6-jarigen en bij 90% van de 7-jarigen. Het resultaat bij de 7-jarigen was significant beter dan dat bij de 5- en 6-jarigen (p=0,02) [Van Zwet 1998].

Ook bij adolescenten en volwassenen bleek de plaswekker effectief [Hirasing 2004].

TerugNoot 27:

Wektraining

De wektraining is een effectieve behandeling [Azrin 1974]. In een vergelijking van drie groepen (n=127) kreeg de eerste groep een plaswekker met een directe beloning bij het ’s nachts opstaan en goed plassen op het toilet. De tweede groep kreeg een plaswekker met ’s morgens een beloning na succesvol plassen. De derde groep kreeg alleen een plaswekker. De succespercentages waren respectievelijk 98, 84 en 73. De 98% uit de eerste groep die zindelijk werden, waren dat binnen gemiddeld zes weken. De terugval bleek slechts 8% te zijn, hetgeen lager is dan bij welke andere methode. De methode kan worden toegepast bij kinderen vanaf 8 jaar [Van Londen 1989].

De wektraining geeft bovendien snel resultaat. Het succespercentage ligt hoger dan bij alleen de plaswekker, maar deze methode is geen eerste keus [Glazener 2004b]. Ook voor deze methode geldt dat ze goed door de huisarts kan worden toegepast. De huisarts moet zich goed oriënteren over de praktische uitvoering van de methode. De hier gegeven instructie is ontleend aan Van Londen 1989.

TerugNoot 28:

Droogbedtraining

De droogbedtraining bestaat uit een trainingsnacht en een supervisiefase. Het programma voor de trainingsnacht bestaat uit: a om het uur wakker maken; b om het uur een grote beker water drinken om de drang tot plassen te stimuleren; c oefenen om ’s nachts zelfstandig naar het toilet te gaan; d blaastrainingsoefeningen door het plassen op het toilet uit te stellen; e na een nat incident worden extra oefeningen gedaan.

De supervisiefase duurt twee of meer weken, waarbij de ouders worden geïnstrueerd verschillende oefeningen te doen met het kind. Het programma is zodanig aangepast dat het in zijn geheel door ouders kan worden uitgevoerd.

In een Nederlands onderzoek werd het effect van droogbedtraining nagegaan bij 36 kinderen van 6 tot 14 jaar. De ouders werden getraind door het schoolartsenteam. Met deze training werden 31 kinderen (86%) droog (het grootste deel binnen twee maanden). Zes maanden na behandeling bleek 75% van de kinderen nog steeds droog te zijn. Droogbedtraining is daarmee effectiever dan het gebruik van alleen een plaswekker [Hirasing 1991].

Er bestaat discussie of de droogbedtraining ambulant of klinisch moet worden uitgevoerd. Een ziekenhuisopname zou een cirkel van negatieve ervaringen van niet gelukte behandelingen doorbreken. Kind en ouders kunnen even afstand nemen van elkaar. Een opname zou ook praktischer zijn door de constante aanwezigheid van begeleiding. Vooral bij de oudere leeftijdsgroepen zou klinische training de voorkeur hebben. Een dergelijke training is echter ook succesvol en goed uitvoerbaar buiten het ziekenhuis. Ook in psychosociaal en financieel opzicht lijkt dit de voorkeur te hebben [Hirasing 1991, Messer 1991].

In een groep van 91 kinderen met gedrags- en emotionele problemen en enuresis nocturna bleek na een droogbedtraining dat 92% zindelijk was en dat 58% minder gedrags- en emotionele problemen had dan vóór de interventie [Van Leerdam 2005].

Uit een systematische review van zestien onderzoeken met 1081 kinderen bleek dat een complexe behandeling van droogbedtraining met een plaswekker effectief was. Het relatieve risico voor terugval was 0,25 (95%-BI 0,16-0,39) [Glazener 2004b].

TerugNoot 29:

Imipramine

Imipramine wordt sinds de jaren vijftig van de vorige eeuw gebruikt bij enuresis, maar het werkingsmechanisme is onbekend. Imipramine heeft een anticholinerge werking en vermindert de prikkelbaarheid van de blaas. Het zou ook de slaapdiepte beïnvloeden. Het effect lijkt dosisafhankelijk te zijn. Het effect moet snel intreden, anders heeft verder gebruik geen zin.

In een systematische review van 54 artikelen waarin bij 3379 kinderen de werking van de verschillende tricyclische antidepressiva werd vergeleken, bleek imipramine te leiden tot één minder natte nacht per week, een klinisch minimaal verschil. De kans om veertien dagen droog te blijven nam met een factor 5 toe (OR 5,0; 95%-BI 2,4-10,4). Er waren geen duidelijke verschillen tussen de diverse tricyclische antidepressiva. Tricyclische antidepressiva waren ongeveer even effectief als een plaswekker, maar de terugval na toepassing van een plaswekker was minder groot. Bijwerkingen zijn een droge mond en obstipatie. Verder worden slaapproblemen, angst, convulsies en hoofdpijn gemeld. Een geringe overdosering kan leiden tot een letale vergiftiging of ernstige bijwerkingen, vooral bij jonge kinderen [Glazener 2000a]. Bij het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb zijn daarover geen gegevens gevonden (www.lareb.nl, geraadpleegd 22 mei 2006).

Start met imipramine bij kinderen jonger dan 12 jaar met 25 mg/dag; bij kinderen ouder dan 12 jaar met 50 mg/dag. De maximale dosis is 75 mg. De behandelduur is maximaal drie maanden waarna het middel in zes à acht weken wordt uitgeslopen. Bij eerder resultaat wordt na één maand uitgeslopen. Bij het plotseling staken na een behandelduur langer dan vijf à acht weken kunnen onttrekkingsverschijnselen optreden: maag-darmstoornissen, angst, agitatie, slapeloosheid en een griepachtig beeld met transpireren, hoofdpijn, rillingen, spierpijn en malaise. Mogelijk is dit het gevolg van (‘rebound’) cholinerge activering. De verschijnselen beginnen één tot twee dagen nadat men met het medicijn is gestopt, en duren meestal niet langer dan twee tot drie weken. Het risico hierop is groter bij een hogere dosering en bij een langere behandelduur [KNMP, Informatorium Medicamentorum 2006].

In een systematische review werd de werkzaamheid van amfetamineachtige en andere stoffen dan imipramine en desmopressine beoordeeld, maar in geen van de onderzoeken waren de resultaten over de effectiviteit betrouwbaar [Glazener 2000b]. Ook complementaire behandelingen zoals acupunctuur en hypnose bleken onvoldoende effectief [Glazener 2005].

TerugNoot 30:

Desmopressine

Desmopressine is een synthetisch analogon van vasopressine. Het wordt bij diabetes insipidus gebruikt, maar ook bij enuresis. De effectiviteit van orale toediening is vergelijkbaar met die van nasale en mucosale toediening, maar goed vergelijkend onderzoek ontbreekt. In een systematische review van 41 onderzoeken bij 2760 kinderen met enuresis nocturna verminderde zowel oraal als nasaal gebruik van desmopressine het aantal natte nachten met ten minste één, maar dit effect werd klinisch niet van belang geacht (OR –1,6, 95%-BI –1,9 - –1,2). Met desmopressine nam de kans om veertien dagen droog te blijven 4,6 keer toe (95%-BI 1,4-15). Na staken van de behandeling verdween het effect. De verschillen tussen orale of nasale toediening waren niet significant [Glazener 2002]. Een nieuw, snel reagerend smelttablet van desmopressine bleek effectiever dan placebo bij 72 kinderen, maar werd niet vergeleken met andere toedieningsvormen [Vande Walle 2006].

In de meeste onderzoeken worden weinig en in het algemeen slechts lichte bijwerkingen gemeld, zoals hoofdpijn, buikpijn en prikkeling van het neusslijmvlies. Het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb ontving 43 meldingen van bijwerkingen bij gebruik van desmopressine: Bij acht meldingen ging het om een psychiatrische reactie van kinderen tussen 6 en 12 jaar bij wie nervositeit, agressie of psychotische stoornissen ontstonden. Na staken van de medicatie verdwenen deze klachten bij de helft van de kinderen [Anon. 2005]. Er zijn enkele relatief ernstige bijwerkingen beschreven ten gevolge van hyponatriëmie en daarmee gepaard gaande verwardheid, coma of convulsies. Het betrof vier overigens gezonde kinderen die in verband met hun enuresis desmopressine intranasaal gebruikten, in één geval in combinatie met imipramine. Desmopressine mag niet gecombineerd worden met imipramine (of met andere tricyclische antidepressiva) of met andere middelen met een antidiuretische werking zoals SSRI’s, chloorpromazine of carbamazepine, omdat daardoor het risico op hyponatriëmie en waterintoxicatie hoger wordt. Bij gebruik van desmopressine moet de vochtinname beperkt worden van één uur voor tot acht uur na toediening en moet worden voorkomen dat overdag veel vocht wordt ingenomen [Commissie Farmaceutische Hulp 2005].

In een klein onderzoek bleken imipramine en desmopressine bij enuresis een vergelijkbaar effect te hebben [Stenberg 1993].

Indien de huisarts overgaat tot medicamenteuze behandeling houdt hij rekening met de grote kans op terugval na staken van het gebruik, waardoor het moeilijk kan zijn een behandeling af te sluiten.

Desmopressine is in eerste instantie effectiever dan een plaswekker, maar na drie maanden waren patiënten die een plaswekker hadden gebruikt vaker droog dan na gebruik van desmopressine (OR 1,4; 95%-BI 0,1-2,7). De toevoeging van desmopressine aan een plaswekker verminderde het aantal natte nachten per week met nog één extra, maar na staken van de medicatie was er geen verschil met de toepassing van alleen een plaswekker [Sukhai 1989, Glazener 2001, Glazener 2002].

Desmopressine wordt wel gepropageerd voor tijdelijk gebruik tijdens een vakantie. In uitzonderingsgevallen kan men hiertoe zijn toevlucht nemen, maar de kans op terugval na de vakantie is groot.

De combinatie van desmopressine met oxybutynine is mogelijk nog effectiever dan alleen desmopressine, zo bleek uit een onderzoek onder 145 kinderen in een universiteitsziekenhuis, maar gegevens over de terugval ontbraken [Lee 2005].

Toevoeging maart 2016: desmopressine neusspray heeft geen plaats meer in de behandeling van enuresis nocturna. Het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) heeft voor de desmopressine-bevattende neussprays de indicatie 'enuresis nocturna bij kinderen' doorgehaald.

De reden voor het doorhalen van deze indicatie voor de neussprays is dat uit onderzoek is gebleken dat ernstige bijwerkingen, zoals hyponatriëmie, watervergiftiging en convulsies vaker optraden bij het gebruik van neussprays. Voor kinderen die niet makkelijk een tablet innemen, biedt de smelttablet een alternatief [Gebu 2007].

Anonymus. Desmopressine en psychiatrische effecten. Gebu 2005;42:14.

American Psychiatric Association (APA). Diagnostic and statistical manual of mental disorders. 3rd ed. Washington: APA, 1990.

American Psychiatric Association (APA). Diagnostic and statistical manual of mental disorders. 4th ed. Washington: APA, 1994.

Azrin NH, Sneed TJ, Foxx RM. Dry-bed training: rapid elimination of childhood enuresis. Behav Res Ther 1974;12:147-56.

Bader G, Neveus T, Kruse S, Sillen U. Sleep of primary enuretic children and controls. Sleep 2002;25:579-83.

Baeyens D, Roeyers H, Hoebeke P, Verte S, Van Hoecke E, Walle JV. Attention deficit/hyperactivity disorder in children with nocturnal enuresis. J Urol 2004;171:2576-9.

Blankespoor MN, Van Leerdam FJM. Zindelijkheid en luiergebruik. Tijdschr Jeugdgezondheidszorg 2003;35:16.

Brooks LJ, Topol HI. Enuresis in children with sleep apnea. J Pediatr 2003;142:515-8.

Bruinsma F. Incesthulpverlening. Diagnostiek, opvang en behandeling van incest. Utrecht: SWP, 1994.

Cayan S, Doruk E, Bozlu M, Duce MN, Ulusoy E, Akbay E. The assessment of constipation in monosymptomatic primary nocturnal enuresis. Int Urol Nephrol 2001;33:513-6.

College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG). Beperking indicatie desmopressine-bevattende neussprays. Gebu, 2007;41:69

Collier J, Butler RJ, Redsell SA, Evans JH. An investigation of the impact of nocturnal enuresis on children’s self-concept. Scand J Urol Nephrol 2002;36:204-8.

Commissie Farmaceutische Hulp. Farmacotherapeutisch kompas 2005. Amstelveen: College voor zorgverzekeringen, 2005.

Devlin JB, O’Cathain C. Predicting treatment outcome in nocturnal enuresis. Arch Dis Child 1990;65:1158-61.

Evans JH, Meadow SR. Desmopressin for bed wetting: length of treatment, vasopressin secretion, and response. Arch Dis Child 1992;67:184-8.

Glazener CM, Evans JH. Tricyclic and related drugs for nocturnal enuresis in children. Cochrane Database Syst Rev 2000a;CD002117.

Glazener CM, Evans JH. Drugs for nocturnal enuresis in children (other than desmopressin and tricyclics). Cochrane Database Syst Rev 2000b;CD002238.

Glazener CM, Evans JH. Alarm interventions for nocturnal enuresis in children. Cochrane Database Syst Rev 2001;CD002911.

Glazener CM, Evans JH. Desmopressin for nocturnal enuresis in children. Cochrane Database Syst Rev 2002;CD002112.

Glazener CM, Evans JH. Simple behavioural and physical interventions for nocturnal enuresis in children. Cochrane Database Syst Rev 2004a;CD003637.

Glazener CM, Evans JH, Peto RE. Complex behavioural and educational interventions for nocturnal enuresis in children. Cochrane Database Syst Rev 2004b;CD004668.

Glazener CM, Evans JH, Cheuk DK. Complementary and miscellaneous interventions for nocturnal enuresis in children. Cochrane Database Syst Rev 2005;CD005230.

Gosnell J. Enuresis-the cause that dares not speak its name. BMJ 1997;315:435.

Gumus B, Vurgun N, Lekili M, Iscan A, Muezzinoglu T, Buyuksu C. Prevalence of nocturnal enuresis and accompanying factors in children aged 7-11 years in Turkey. Acta Paediatr 1999;88:1369-72.

Haug-Schnabel G. The enuresis interview. The situation of children with bed-wetting careers. Acta Paedopsychiatr 1990;53:45-53.

Hirasing RA, Reus H. Droog-bedtraining bij enuresis nocturna. Ned Tijdschr Geneeskd 1991;135:1750-3.

Hirasing RA. Richtsnoer ‘Enuresis nocturna’. Ned Tijdschr Geneeskd 1994;138:1360-6.

Hirasing RA, Van Leerdam FJM, Bolk-Bennink LF. Enuresis nocturna in adults. Scand J Urol Nephrol 1997;31:533-6.

Hirasing RA, Van Leerdam FJ, Bolk-Bennink LF, Bosch JD. Bedwetting and behavioural and/or emotional problems. Acta Paediatr 1997;86:1131-4.

Hirasing RA, Van Leerdam FJ, Bolk-Bennink LF, Koot HM. Effect of dry bed training on behavioural problems in enuretic children. Acta Paediatr 2002;91:960-4.

Hirasing RA, Van Leerdam FJM, Sukhai RN, Van Capelle JW, Froeling FMJA, Vijverberg MAW. Uitwerking richtsnoer ‘Enuresis nocturna’ voor kinderen met hardnekkige klachten. Ned Tijdschr Geneeskd 2004;148:17-21.

Howe AC, Walker CE. Behavioral management of toilet training, enuresis, and encopresis. Pediatr Clin North Am 1992;39:413-32.

Jarvelin MR, Moilanen I, Kangas P, Moring K, Vikevainen-Tervonen L, Huttunen NP, et al. Aetiological and precipitating factors for childhood enuresis. Acta Paediatr Scand 1991;80:361-9.

Kawauchi A, Tanaka Y, Naito Y, Yamao Y, Ukimura O, Yoneda K, et al. Bladder capacity at the time of enuresis. Urology 2003;61:1016-8.

Koff SA. Estimating bladder capacity in children. Urology 1983;21:248.

Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie. Informatorium Medicamentorum. Den Haag: KNMP, 2006.

Korzeniecka-Kozerska A, Zoch-Zwierz W, Wasilewska A. Functional bladder capacity and urine osmolality in children with primary monosymptomatic nocturnal enuresis. Scand J Urol Nephrol 2005;39:56-61.

Lee T, Suh HJ, Lee HJ, Lee JE. Comparison of effects of treatment of primary nocturnal enuresis with oxybutynin plus desmopressin, desmopressin alone or imipramine alone: a randomized controlled clinical trial. J Urol 2005;174:1084-7.

Mayo ME, Burns MW. Urodynamic studies in children who wet. Br J Urol 1990;65:641-5.

Messer AP, De Jong TP. Droog-bedtraining en diagnostiek bij enuresis nocturna. Ned Tijdschr Geneeskd 1991;135:1724-5.

Mikkelsen EJ, Rapoport JL. Enuresis: psychopathology, sleep stage, and drug response. Urol Clin North Am 1980;7:361-77.

Most-van Spijk MW, Schulpen TWJ, Wolters WHG. Hardnekkig bedplassen bij Turkse en Marokkaanse kinderen. Kind en Adolescent 1993;14:12-20.

Nappo S, Del Gado R, Chiozza ML, Biraghi M, Ferrara P, Caione P. Nocturnal enuresis in the adolescent: a neglected problem. BJU Int 2002;90:912-7.

Oudshoorn DN. Hardnekkige enuresis nocturna [Dissertatie]. Utrecht: Rijksuniversiteit Utrecht, 1992.

Paschalis AP, Kimmel HD, Kimmel E. Further study of diurnal instrumental conditioning in the treatment of enuresis. J Behav Ther Exper Psychiatry 1992;3:153-6.

PSNZ. Best practice evidence-based guideline Nocturnal enuresis ‘Bedwetting’ (2005). Paediatric Society of New Zealand. http://www.paediatrics.org.nz. 11-9-2006. Geraadpleegd: 11-9-2006.

Redsell SA, Collier J. Bedwetting, behaviour and self-esteem: a review of the literature. Child Care Health Dev 2001;27:149-62.

Rittig S, Knudsen UB, Norgaard JP, Pedersen EB, Djurhuus JC. Abnormal diurnal rhythm of plasma vasopressin and urinary output in patients with enuresis. Am J Physiol 1989;256:F664-71.

Robson WL, Leung AK, Van Howe R. Primary and secondary nocturnal enuresis: similarities in presentation. Pediatrics 2005;115:956-9.

Scholtmeijer RJ, Nijman JM. Routinematig urodynamisch onderzoek bij kinderen met enuresis niet geïndiceerd. Ned Tijdschr Geneeskd 1993;137:808-10.

Serel TA, Akhan G, Koyuncuoglu HR, Ozturk A, Dogruer K, Unal S, et al. Epidemiology of enuresis in Turkish children. Scand J Urol Nephrol 1997;31:537-9.

Spee-van der Wekke J, Hirasing RA, Meulmeester JF, Radder JJ. Childhood nocturnal enuresis in The Netherlands. Urology 1998;51:1022-6.

Stenberg A, Lackgren G. Treatment with oral desmopressin in adolescents with primary nocturnal enuresis. Efficacy and long-term effect. Clin Pediatr (Phila) 1993;Spec No:25-7.

Stromgren A, Thomsen PH. Personality traits in young adults with a history of conditioning-treated childhood enuresis. Acta Psychiatr Scand 1990;81:538-41.

Sukhai RN, Mol J, Harris AS. Combined therapy of enuresis alarm and desmopressin in the treatment of nocturnal enuresis. Eur J Pediatr 1989;148:465-7.

Theunis M, Van Hoecke E, Paesbrugge S, Hoebeke P, Vande Walle J. Self-image and performance in children with nocturnal enuresis. Eur Urol 2002;41:660-7.

Umlauf MG, Chasens ER. Sleep disordered breathing and nocturnal polyuria: nocturia and enuresis. Sleep Med Rev 2003;7:403-11.

Van der Linden MW, Westert GP, De Bakker DH, Schellevis FG. Tweede Nationale Studie naar ziekten en verrichtingen in de huisartspraktijk: klachten en aandoeningen in de bevolking en in de huisartspraktijk. Utrecht/Bilthoven: NIVEL/RIVM, 2004.

Van der Wal MF, Pauw-Plomp H, Schulpen TWJ. Bedplassen bij Nederlandse, Surinaamse, Marokkaanse en Turkse kinderen van 3-4, 5-6 en 11-12 jaar. Ned Tijdschr Geneeskd 1996;140:2410-4.

Van Leerdam FJM. Enuresis, a major problem or a simple developmental delay? [Dissertatie]. Amsterdam: Vrije Universiteit, 2005.

Van London A, Van London-Barentsen WM. In bed plassen. Deventer: Van Loghum Slaterus, 1986.

Van Zwet JML, Wiertz YDBM, Bolk-Bennink LF, Van Leerdam FJM, Hirasing RA. Plaswekker ook succesvol bij 5-7-jarigen met enuresis nocturna. Ned Tijdschr Geneeskd 1998;142:897-900.

Vande Walle JG, Bogaert GA, Mattsson S, Schurmans T, Hoebeke P, Deboe V, et al. A new fast-melting oral formulation of desmopressin: a pharmacodynamic study in children with primary nocturnal enuresis. BJU Int 2006;97:603-9.

Verhulst FC, Van der Lee JH, Akkerhuis GW, Sanders-Woudstra JA, Donkhorst ID. De prevalentie van enuresis bij kinderen van 4-16 jaar: een epidemiologisch onderzoek. Ned Tijdschr Geneeskd 1985;129:2260-3.

Verhulst FC, Sanders-Woudstra JA. Het kind met enuresis. In: Verhulst FC, redactie. Kinderpsychiatrie voor de praktijk. Houten/Zaventem: Bohn Stafleu Van Loghum, 1993.

Von Gontard A, Hollmann E, Eiberg H, Benden B, Rittig S, Lehmkuhl G. Clinical enuresis phenotypes in familial nocturnal enuresis. Scand J Urol Nephrol Suppl 1997;183:11-6.

Wille S. Nocturnal enuresis: sleep disturbance and behavioural patterns. Acta Paediatr 1994;83:772-4.