U bent hier

NHG-Standaard Angst

NHG-Standaard Angst(tweede herziening)

Lieke Hassink-Franke, Berend Terluin, Florien van Heest, Jan Hekman, Harm van Marwijk, Mariëlle van Avendonk.

Belangrijkste wijzigingen

  • Naast de verschillende typen angststoornissen komen ook angstklachten aan bod.
  • Bij de diagnostiek kan gebruik gemaakt worden van de Vierdimensionale Klachtenlijst (4DKL).
  • Voor angstklachten is de behandeling voorlichting met controle(s). Bij angststoornissen met relatief gering lijden en weinig tot geen sociaal disfunctioneren hebben voorlichting en zelfhulp met begeleiding de voorkeur.

Kernboodschappen

  • Denk aan angstklachten of een angststoornis bij frequent spreekuurbezoek of bij lichamelijke klachten die onvoldoende verklaard worden door een somatische oorzaak.
  • De diagnostiek vindt zo nodig verspreid over meerdere consulten plaats.
  • Het onderscheid tussen angstklachten en de verschillende angststoornissen is van belang voor de prognose en de keuze van behandeling.
  • De behandeling gaat uit van het stepped-care model. Bij angstklachten volstaat voorlichting met controles en bij een angststoornis met een geringe ziektelast volstaan voorlichting en zelfhulpadviezen onder begeleiding; bij onvoldoende effect daarvan of bij ernstige ziektelast zijn cognitieve gedragstherapie, een antidepressivum of beide aangewezen.
  • Indien medicatie gestart wordt, hebben SSRI’s een lichte voorkeur boven TCA’s vanwege het kleinere risico op ernstige bijwerkingen.
  • Bij een herstelde angststoornis is begeleiding bij stoppen van het antidepressivum met terugvalpreventie belangrijk.

InleidingNHG Samenvattingskaart

Bij deze herziening van de NHG-Standaard Angststoornissen is ervoor gekozen om naast angststoornissen ook angstklachten te bespreken. Daarom heeft de standaard een nieuwe titel: NHG-Standaard Angst. De angstklachten zijn toegevoegd, omdat er een geleidelijke overgang is van angstklachten naar angststoornissen. In de huisartsenpraktijk komen patiënten ook met (onderliggende) angstklachten of met onvolledig ontwikkelde angststoornissen op het spreekuur. Tevens geeft het hebben van angstklachten een verhoogd risico op een angststoornis.1) De standaard geeft met deze toevoeging ook praktische handvatten voor de aanpak van angstklachten. De standaard sluit aan bij de multidisciplinaire richtlijn Angststoornissen2) en gaat over angst bij volwassenen en kan niet zonder meer op kinderen en jongeren worden toegepast.

Personen met klachten ten gevolge van angst vragen vaak niet rechtstreeks om hulp. De patiënt kan zich van de aard van de klachten (nog) niet als zodanig bewust zijn of ze als passend bij zijn karakter zien (bijvoorbeeld verlegenheid in plaats van een sociale fobie). Schaamte kan ook een belemmering zijn om hulp te vragen. Deze standaard beschrijft hoe angstklachten en een angststoornis te bespreken en te diagnosticeren.

In het beleid staat voorlichting aan de patiënt centraal. Voor een aantal patiënten is goede voorlichting over de aandoening en controle(s) voldoende. Het verdere beleid varieert van zelfhulp tot intensievere psychotherapeutische behandeling al dan niet gecombineerd met antidepressiva. De keuze wordt gebaseerd op de aanwezigheid van angstklachten of een angststoornis, het type angststoornis, de ernst van de klachten, de impact ervan op het functioneren en de voorkeur van de patiënt.

AchtergrondenNHG Samenvattingskaart

BegrippenNHG Samenvattingskaart

Angst is een normale reactie in de context van een reële dreiging. Angst is een gevoel dat verwijst naar dreigend gevaar en gaat gepaard met lichamelijke verschijnselen door activatie van het autonome zenuwstelsel. Het lichaam wordt daardoor geprepareerd voor een fight or flight reactie, met versnelde hartslag en ademhaling, verhoogde spierspanning, specifieke gedachten zoals ‘ik ga dood’ of ‘er overkomt me iets vreselijks’ en gedragingen, zoals verstijven (freeze) of wegvluchten. ‘Normale’ angst past bij de situatie.

Angstklachten : klachten waarbij ‘normale’ angst een rol speelt. De klachten zijn gerelateerd aan problemen die bedreigend zijn of die als dreigend worden ervaren op belangrijke levensgebieden (gezin, relatie, werk, gezondheid, etc.).

Abnormale angst: na geen of een (minimale) prikkel ontstaat een ongewoon heftige en/of langdurige angst, die niet past bij de situatie en die voor derden en vaak ook voor de patiënt oninvoelbaar is. De angst gaat gepaard met onjuiste cognities en disfunctioneel copinggedrag. De overgang van ‘normale’ angst naar ‘abnormale’ angst heeft geen exact afkappunt; er is sprake van een continuüm.

Paniekaanval : plotseling ontstane intense angst, waarbij binnen tien minuten een aantal van de volgende symptomen optreden: kloppend of bonzend hart, versnelde hartslag, transpireren, trillen of beven, ademnood of het gevoel te stikken, pijn of een onaangenaam gevoel op de borst, misselijkheid of maagklachten, tintelingen of dove gevoelens, opvliegers of koude rillingen, duizeligheid, gevoelens van derealisatie of depersonalisatie, angst voor controleverlies of om gek te worden, angst om dood te gaan. Een paniekaanval is op zich nog geen angststoornis, maar kan bij verschillende angststoornissen voorkomen.

Angststoornissen : een verzamelnaam voor verschillende stoornissen met ‘abnormale’ angst, waarbij de angst aanleiding geeft tot aanhoudend subjectief lijden of tot een belemmering van het sociaal functioneren. Abnormale angst kan bij veel psychische aandoeningen voorkomen (depressie, delier, psychose), maar wanneer angst het belangrijkste symptoom is, spreekt men van een angststoornis. De standaard volgt de internationaal geaccepteerde classificatie van angststoornissen volgens de DSM-IVTR. Deze onderscheidt paniekstoornis, agorafobie, specifieke fobie, sociale fobie, obsessieve-compulsieve stoornis, posttraumatische stressstoornis en gegeneraliseerde angststoornis. Hoewel de DSM-IVTR hypochondrie niet tot de angststoornissen rekent maar tot de somatoforme stoornissen, staat ook hierbij angst (voor een ernstige ziekte) vaak centraal. Hypochondrie is daarom in deze standaard opgenomen.

Hieronder worden de typen angststoornissen onderscheiden, omdat ze verschillen in beloop en de behandeling uiteenloopt. Onvolledig ontwikkelde beelden en mengvormen, ook met andere vormen van psychopathologie, komen regelmatig in de huisartsenpraktijk voor.

  • Een paniekstoornis kenmerkt zich door recidiverende, niet-voorspelbare paniekaanvallen, waarbij men tussen de aanvallen door bang is een nieuwe paniekaanval te krijgen. Omdat patiënten bang zijn om buitenshuis een nieuwe aanval te krijgen ontstaat vaak agorafobie, vandaar dat de DSM-IVTR onderscheid maakt in ‘paniekstoornis met of zonder agorafobie’. De paniek is indrukwekkend en belastend voor de patiënt en de mantelzorg. Patiënten met een paniekstoornis doen over het algemeen een groot en vaak acuut beroep op hun omgeving en de gezondheidszorg.
  • Agorafobie kenmerkt zich door angst voor situaties waaruit de patiënt denkt moeilijk te kunnen ontkomen of voor situaties waarin hij moeilijk hulp zou kunnen krijgen als hij plotseling onwel zou worden. Dit leidt tot pogingen deze situaties te vermijden (vermijdingsgedrag). Vaak vermijdt men meerdere situaties, zoals alleen buitenshuis zijn, in een menigte verblijven (drukke straten of warenhuizen, restaurants, kerken) en met de auto, bus of trein reizen.
  • Een specifieke fobie kenmerkt zich door abnormale angst voor een bepaald object, bijvoorbeeld spinnen, slangen of bloed, of voor een bepaalde situatie, zoals hoogte (hoogtevrees), onweer en een kleine ruimte (claustrofobie). Confrontatie met het object of de situatie vermijdt men of doorstaat men met verhoogde lichamelijke waakzaamheid.
  • Een sociale fobie kenmerkt zich door een abnormale angst voor situaties waarin de patiënt wordt blootgesteld aan een mogelijke kritische beoordeling door anderen en waarin hij bang is zich belachelijk te maken. De sociale fobie kan men onderverdelen in een specifieke vorm, waarbij de angst gekoppeld is aan één specifieke situatie, zoals spreken in het openbaar (podiumvrees), trillen of blozen in sociale situaties of de angst dat men zich belachelijk maakt door datgene wat men zegt, en in een gegeneraliseerde vorm waarbij de angst in meer situaties optreedt.
  • Een obsessieve-compulsieve stoornis kenmerkt zich door aanhoudende dwanggedachten of beelden (obsessies) en/of daarbij horende dwanghandelingen (compulsies). De steeds terugkerende gedachten of beelden beleeft men als onvrijwillig, maar wel als een product van de eigen persoon. De dwanghandelingen moeten volgens bepaalde regels worden verricht. Het doel van de dwanghandelingen is het reduceren van angst en het voorkomen van bedreigende gebeurtenissen/situaties, door wassen, controleren, tellen of bidden. Bij een obsessieve-compulsieve stoornis heeft de persoon last van zijn klachten en kosten deze meer dan een uur per dag of verstoren ze in ernstige mate het dagelijks functioneren.
  • Een gegeneraliseerde angststoornis kenmerkt zich door aanhoudende (> 6 maanden) nervositeit, bezorgdheid en een sterke neiging om te piekeren over kleine, dagelijkse problemen en gebeurtenissen, bijvoorbeeld op het gebied van werk, financiën, kinderen en toekomst. Dagen met klachten zijn in de meerderheid en de persoon heeft moeite het piekeren onder controle te houden. Deze stoornis gaat gepaard met symptomen als vermoeidheid, concentratieproblemen, prikkelbaarheid, spierspanning en slaapproblemen.
  • Een posttraumatische stressstoornis (PTSS ) kenmerkt zich door herbelevingen van een traumatische gebeurtenis, bijvoorbeeld in de vorm van terugkerende nachtmerries of herinneringen; deze zijn langer dan een maand aanwezig. Hiernaast kan vermijding van prikkels (situaties, gedachten, activiteiten of mensen) die in verband staan met het trauma voorkomen. Ook kunnen er langdurig symptomen van toegenomen prikkelbaarheid of woede-uitbarstingen zijn, overdreven schrikreacties en/of zich moeilijk kunnen concentreren.

Hypochondrie kenmerkt zich door een aanhoudende angstige preoccupatie met de mogelijkheid een ernstige ziekte te hebben of te krijgen, ondanks adequate medische beoordeling en geruststelling. Onschuldige lichamelijke verschijnselen worden als tekenen van een ernstige ziekte gezien. Deze preoccupatie veroorzaakt een aanzienlijk lijden of beperkingen in het dagelijkse functioneren.

Etiologie, epidemiologie en beloopNHG Samenvattingskaart

Patiënten met een angststoornis zijn bang geworden voor hun eigen angst en voor situaties waarin die angst zou kunnen optreden. Dit wordt anticipatieangst genoemd. Wanneer de angsten gekoppeld zijn aan bepaalde situaties of objecten, gaat de patiënt die situaties of objecten vermijden om minder last te hebben van zijn angst (vermijdingsgedrag). Wanneer hij toch met de angstige situatie of het gevreesde object wordt geconfronteerd, wordt de angst uiteindelijk steeds heviger (figuur). Wanneer het focus van de angst niet te vermijden blijkt, neemt de patiënt vaak zijn toevlucht tot angstreducerend gedrag. Voorbeelden hiervan zijn dwanghandelingen bij obsessieve-compulsieve stoornis, het consulteren van artsen bij hypochondrie en het gebruik van alcohol bij een sociale fobie. Dit neutraliserende gedrag levert kortdurend enige verlichting van de angst op, maar heeft, net als vermijdingsgedrag, als neveneffect dat de patiënt niet leert om de angst op een normale manier te verdragen en te hanteren.

De etiologie en pathogenese van angststoornissen zijn multicausaal; persoonlijkheid, genetische, sociale, en neurobiologische factoren zijn van invloed.4) Angstklachten en angststoornissen gaan vaak samen met depressieve klachten, somatisatie- en spanningsklachten en zijn hiervan niet altijd duidelijk te onderscheiden.

De prevalentie van angststoornissen in de bevolking is hoog (7,7% van de mannen en 12,5% van de vrouwen), echter een deel van de mensen met een angststoornis gaat niet naar de huisarts of wordt niet als zodanig door de huisarts herkend. De prevalentie van angststoornissen in de huisartsenpraktijk is ongeveer 7 per 1000 mannen en 14 per 1000 vrouwen. De incidentie is bij mannen 2 per 1000 per jaar en bij vrouwen 4 per 1000 per jaar. De prevalentie van ‘angststoornissen en/of angstgevoelens’ in de huisartsenregistratiesystemen is bij mannen 19 en bij vrouwen 38 per 1000. Het is aannemelijk dat hieronder de angstklachten vallen.5)

De diagnose angststoornis wordt de laatste decennia vaker gesteld in de huisartsenpraktijk, vooral bij vrouwen. Op basis van herhaald bevolkingsonderzoek is het echter niet aannemelijk dat de prevalentie van angststoornissen toeneemt. Waarschijnlijk herkent de huisarts de stoornis beter. Ook speelt mee dat mensen eerder professionele hulp zoeken. De prevalentie van angststoornissen bij ouderen is slechts iets lager dan bij volwassenen tot 65 jaar. Van de verschillende typen angststoornissen komt de gegeneraliseerde angststoornis bij ouderen het meest voor.6)

De leeftijd waarop een angststoornis ontstaat verschilt per type.7 )Een specifieke fobie ontstaat op een jongere leeftijd (mediaan 8 jaar) dan een gegeneraliseerde angststoornis, een paniekstoornis en een posttraumatische stressstoornis (mediaan 33 tot 40 jaar) en een obsessieve-compulsieve stoornis (gemiddeld 22 tot 36 jaar).

Het beloop verschilt per type angststoornis. Er is meestal sprake van een chronische aandoening. Een paniekstoornis en een gegeneraliseerde angststoornis hebben in het algemeen een wisselend, chronisch beloop met remissies en exacerbaties.8) Het beloop van een obsessieve-compulsieve stoornis is in het algemeen chronisch, met een wisselende ernst van klachten in de tijd. Ook hypochondrie en PTSS blijven vaak lang bestaan. Een specifieke fobie die ontstaan is in de kindertijd verdwijnt vaak op volwassen leeftijd.

Zowel angstklachten als angststoornissen leiden tot vermindering van kwaliteit van leven9) en een verminderd functioneren, ook op het werk.10)

RisicogroepenNHG Samenvattingskaart

Het hebben van angstklachten of een angststoornis in de voorgeschiedenis maakt het risico op het krijgen van een angststoornis aanzienlijk groter.1) Personen met een lagere opleiding en laag inkomen lopen meer risico op het ontwikkelen van een angststoornis. Alleenstaanden en mensen zonder werk hebben vaker een angststoornis. Het is niet duidelijk of dit de oorzaak of het gevolg is van de angststoornis. Ook patiënten die eerder een andere psychische aandoening (met name een depressie) hadden, patiënten met verslavingsproblemen, patiënten met een psychotrauma in het verleden of heden, patiënten met een verstandelijk beperking en frequente praktijkbezoekers hebben een hoger risico op een angststoornis.11) De invloed van de etniciteit van de patiënt op het voorkomen van angststoornissen is onduidelijk.12)

Angststoornissen gaan vaak samen met een depressie of met andere typen angststoornissen.13) Bij ouderen komt een combinatie minder vaak voor dan bij jongere patiënten. De combinatie van twee angststoornissen heeft minder negatieve effecten dan de combinatie van een angststoornis en een depressie. Het hebben van zowel een angststoornis als een depressie geeft ernstiger klachten, vaker een chronisch beloop, langzamer herstel, toegenomen risico op recidief, meer psychosociale beperkingen en een slechtere kwaliteit van leven. Ook leidt de combinatie vaker tot een psychiatrische opname of een suïcidepoging. Door de overlap van symptomen kan de aanwezigheid van de ene stoornis de andere maskeren. Personen met een chronische somatische aandoening hebben ook vaker een angststoornis.14)

Richtlijnen diagnostiekNHG Samenvattingskaart

Veel patiënten informeren de huisarts niet spontaan over hun angsten en presenteren zich met somatische klachten of problemen, die achteraf blijken samen te hangen met angst.15) Diagnostisch gezien is het van belang om angststoornissen van angstklachten te onderscheiden, omdat de behandeling verschilt. Deze diagnostiek vraagt vaak meerdere contacten. Veiligheid en aandacht zijn voorwaarden voor een goed diagnostisch gesprek. De hulpverlener dient, zeker bij psychische problemen, open te staan voor de ‘cultuur’ van de patiënt in de ruimste zin van het woord, of deze cultuur nu te maken heeft met etniciteit, levensfase, sekse, religie, streekgewoonten binnen Nederland of sociaaleconomische status.16)

SignalenNHG Samenvattingskaart

De huisarts denkt in de volgende gevallen aan angstproblematiek:

  • frequent spreekuurbezoek voor wisselende en onderling niet samenhangende, vaak somatische, klachten;
  • aanhoudende aspecifieke klachten of problemen, zoals gespannenheid, prikkelbaarheid, labiliteit, concentratieproblemen, lusteloosheid of slaapproblemen;
  • ‘hyperventilatie’-klachten, zoals benauwdheid, transpireren, droge mond, duizeligheid, licht gevoel in het hoofd, tintelingen in armen en benen;
  • aanhoudende lichamelijke klachten, waarvoor geen lichamelijke oorzaak gevonden wordt en waarbij de patiënt nauwelijks of slechts kortdurend gerustgesteld kan worden; vooral onbegrepen duizeligheid en hartkloppingen moeten aan een angststoornis doen denken; 17)
  • verzoek om slaapmiddelen of kalmerende middelen;
  • alcohol- of drugsproblemen;18)
  • depressieve klachten of een depressie;
  • angststoornis in de voorgeschiedenis of bij familieleden.

AnamneseNHG Samenvattingskaart

De huisarts houdt er rekening mee dat veel mensen zich schamen voor hun angst. De huisarts gaat eerst na of er sprake is van angst. Daartoe kan hij de volgende vragen stellen:

  • Voelt u zich gespannen of angstig?
  • Heeft u angsten zonder dat u weet waarvoor?
  • Maakt u zich veel zorgen?
  • Vindt u de angsten of bezorgdheden/ongerustheid reëel; kunt u ze begrijpen?
  • Belemmeren deze gevoelens u in het dagelijks functioneren thuis, op het werk of in uw vrije tijd?
  • Vindt uw omgeving uw angsten reëel?

Indien deze vragen leiden tot een vermoeden van angstklachten of een angststoornis, informeert de huisarts verder naar de volgende aspecten om het vermoeden te versterken of af te zwakken:

  • duur en het beloop van de klachten (continu of aanvallen);
  • duur en frequentie van eventuele aanvallen;
  • ernst van de klachten, de mate van subjectief lijden en invloed van de klachten op het sociaal functioneren;
  • situaties waarin de angst optreedt;
  • vermijden van bepaalde situaties of activiteiten;
  • gebruik van alcohol, drugs of benzodiazepinen;
  • mogelijke aanleiding van de angststoornis: bij verdenking op een posttraumatische stressstoornis vraagt de huisarts specifiek naar traumatische ervaringen, waarbij de patiënt bepaalt wat er besproken wordt. Bijvoorbeeld bij slachtoffers van oorlog, vervolging en geweld (slachtoffers van kampen in de Tweede Wereldoorlog, (ex-)asielzoekers), beroepsgerelateerde problematiek (militairen, politie-, brandweer- en ambulancepersoneel) en slachtoffers van familiaal huiselijk geweld of kindermisbruik;
  • begeleidende symptomen: hartkloppingen, transpireren, duizeligheid, trillen, benauwdheid, pijnklachten, maagklachten, tintelingen, dove gevoelens, warmte- of koudesensaties, derealisatie- of depersonalisatiegevoelens, rusteloosheid, snel vermoeid zijn, concentratieproblemen, prikkelbaarheid, slaapproblemen;
  • waar is de patiënt bang voor: controleverlies, gek worden of doodgaan (paniekstoornis), hulpeloosheid als hij onwel zou worden (agorafobie), specifieke objecten of situaties (specifieke fobie), negatieve beoordeling door anderen (sociale fobie), alle mogelijke narigheid die het leven kan vergezellen (gegeneraliseerde angststoornis), herbeleving van een traumatische gebeurtenis (posttraumatische stressstoornis), ernstige lichamelijke ziekte (hypochondrie), dwanggedachten (obsessieve-compulsieve stoornis);
  • dwanghandelingen (bijvoorbeeld voortdurend handen wassen of dingen controleren) en de tijd die hieraan dagelijks wordt besteed (bij een obsessieve-compulsieve stoornis);
  • relatie met stress, overbelasting, relatie- of werkproblemen;
  • aanwezigheid van suïcidale gedachten of plannen;19)
  • aanwezigheid van eventuele comorbiditeit: sombere stemming en/of interesseverlies, hallucinaties of wanen, geheugenstoornis.

De huisarts gaat bij specifieke lichamelijke klachten met een gerichte anamnese na of een somatische aandoening waarschijnlijk is en of de klachten bijwerkingen van geneesmiddelen kunnen betreffen.

Als een hulpmiddel bij het maken van onderscheid tussen een angststoornis, depressie, spanningsklachten (distress) of somatisatie (veel lichamelijke klachten) kan de huisarts gebruikmaken van de Vierdimensionale Klachtenlijst (4DKL).20) Het invullen kan de patiënt helpen de klachten te verwoorden en onder ogen te zien.

Lichamelijk en aanvullend onderzoek 21)NHG Samenvattingskaart

Verricht bij anamnestische aanwijzingen voor een somatische aandoening gericht lichamelijk, aanvullend en/of laboratoriumonderzoek. Bij oudere patiënten (> 65 jaar) is nader onderzoek eerder nodig, omdat bij hen het risico op een somatische aandoening – zoals een ritmestoornis – toeneemt, terwijl het risico van een eerste manifestatie van een angststoornis op latere leeftijd kleiner is.7 )

Bij oudere patiënten met een bekende angststoornis die frequent het spreekuur bezoeken met klachten moet de huisarts alert blijven; er kan een nieuwe somatische aandoening ontstaan.

Bij aanhoudende angst voor een somatische aandoening (hypochondrie) kan gericht lichamelijk en/of aanvullend onderzoek nodig zijn. Probeer in dat geval het onderzoek zoveel mogelijk te laten aansluiten bij de angsten van de patiënt. Vermijd herhaald onderzoek, omdat dat het angstreducerend gedrag van de patiënt kan versterken en daarmee de angst in stand kan houden.

EvaluatieNHG Samenvattingskaart

Beoordeel in overleg met de patiënt of er sprake is van angstklachten of een angststoornis.

  • Bij angstklachten is de angst invoelbaar gerelateerd aan (subjectief) bedreigende omstandigheden of gebeurtenissen.
  • Bij een angststoornis gaat het om ‘abnormale’ angst die gepaard gaat met aanhoudend subjectief lijden en/of sociaal disfunctioneren.

Probeer bij aanwezigheid van een angststoornis in overleg met de patiënt te differentiëren tussen een van de eerdergenoemde angststoornissen (zie Begrippen), waarbij wordt aangetekend dat onvolledig ontwikkelde beelden en mengvormen regelmatig in de huisartsenpraktijk voorkomen.

Beoordeel op grond van anamnese en eventueel lichamelijk of aanvullend onderzoek of een somatische oorzaak (mede) een rol speelt. Bij een minderheid van de patiënten is sprake van een louter lichamelijke achtergrond.

Differentiaal-diagnostisch komen de volgende aandoeningen of problemen in aanmerking:

  • Somatische aandoeningen: oorzaak afhankelijk van de klacht die op de voorgrond staat; bij hartkloppingen bijvoorbeeld hyperthyreoïdie en hartritmestoornissen.
  • Angstklachten bij een somatische aandoening: de grens tussen reële angst voor de (gevolgen van) ziekte en een angststoornis is soms moeilijk aan te geven. Gelet moet worden op de aanwezigheid van anticipatieangst, vermijdingsgedrag en angstreducerend gedrag, omdat die op een angststoornis duiden.
  • Depressie: sombere stemming en interesseverlies (zie NHG-Standaard Depressie).
  • Psychotische stoornis, psychotische depressie: hallucinaties of wanen.
  • Delier: somatische oorzaak, wisselend bewustzijn, onvermogen de aandacht te richten en/of vast te houden, hallucinaties of wanen (zie NHG-Standaard Delier bij ouderen).
  • Dementie: geheugenstoornis en andere cognitieve stoornissen (zie NHG-Standaard Dementie).
  • Somatisatie of somatoforme stoornissen anders dan hypochondrie: 22) somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten waarbij de angst voor een ernstige ziekte niet voorop staat.

Richtlijnen beleidNHG Samenvattingskaart

Bij de bespreking van de aanpak van de angst wordt allereerst nagegaan of huisarts en patiënt het eens zijn over de definiëring van het probleem: angstklachten of angststoornis. Indien er geen overeenstemming is over de diagnose, is het van belang na te gaan waar de discrepantie zit en te proberen met de patiënt op één lijn te komen.

Patiënten met angst neigen hun problemen door anderen te laten oplossen. Daarmee leren ze niet hun angst te overwinnen. De huisarts activeert de patiënt zodanig dat deze de klachten onder ogen ziet en er zelf mee aan de slag gaat met ondersteuning van anderen en/of de huisarts. Besteed bij het beleid aandacht aan de motivatie voor en de mogelijkheden van verandering, de behandelmogelijkheden, de voorkeur van patiënt en respons op eerdere behandelingen.

Bij angstklachten is voorlichting met regelmatige controles meestal voldoende. Bij een angststoornis hangt de keuze van een behandeling af van het type, de ernst van de klachten en de aanwezigheid van comorbiditeit. Maak de uiteindelijke keuze in overleg met de patiënt na uitleg over werkzaamheid, bijwerkingen en duurzaamheid van de verschillende behandelingen (tabel 1). Bij psychosociale hulpverlening wordt het effect vooral bepaald door niet-specifieke aspecten zoals een geslaagde arts-patiënt relatie, empathie, het bieden van hoop, het opstellen van een gestructureerd behandelplan en een voor de patiënt én arts overtuigende rationale van de aanpak en niet zozeer door de specifieke interventie. Deze niet-specifieke behandelfactoren bepalen het uiteindelijke behandelresultaat voor een groter deel dan de specifieke interventie (30% respectievelijk 15%).23)

Tabel 1 Behandelopties

ICPC-codeDiagnoseStap 1Stap 2Stap 3
P01AngstklachtenVoorlichting, evt. PST  
P74Angststoornis   
P74.02

P74.01
Gegeneraliseerde angststoornis
Sociale fobie
Paniekstoornis met of zonder agorafobie
VoorlichtingCGT (zelfhulp)CGT
(door therapeut)
of
antidepressivum
P79.1
P75
Specifieke fobie
Hypochondrie
VoorlichtingCGT (zelfhulp)CGT
(door therapeut)
P02.01PTSSVoorlichting en verwijzen (CGT of EMDR)  
P79.2OCSVoorlichting en verwijzen  
PTSS = posttraumatische stressstoornis; OCS = obsessieve-compulsieve stoornis; PST = problem-solving treatment; CGT = cognitieve gedragstherapie; EMDR = Eye Movement Desensitisation and Reprocessing

De behandeling gaat uit van het stepped-care model: start met de zo min mogelijk invasieve, op bewijs of consensus gebaseerde, interventies die de angst terugdringen.24)

  • De behandeling start altijd met voorlichting; dit is bij sommige patiënten voldoende om de angstklachten te laten uitdoven (stap 1).
  • Bij angststoornissen met relatief gering lijden en weinig tot geen sociaal disfunctioneren: start na voorlichting ook met zelfhulp (op basis van cognitieve gedragstherapeutische technieken) met begeleiding door de huisarts of begeleiding op afstand (bijvoorbeeld internet) (stap 2).
  • Indien de patiënt geen zelfhulp wil doen, bij onvoldoende effect of wanneer er sprake is van ernstig lijden en/of aanzienlijk sociaal disfunctioneren of psychische comorbiditeit: start met cognitieve gedragstherapie of een antidepressivum (stap 3).
  • In geval van een obsessieve-compulsieve stoornis of een posttraumatische stressstoornis is het veelal verstandig om direct te verwijzen, omdat deze aandoeningen specialistische behandeling behoeven.
  • Combinatietherapie van psychotherapie en antidepressiva heeft meerwaarde als deze behandelingen alleen onvoldoende effect hebben.
  • Bij een combinatie van een angststoornis en een ernstige depressie is medicamenteuze behandeling of een combinatiebehandeling (eerst medicatie, gevolgd door cognitieve gedragstherapie wanneer de depressie voldoende is opgeklaard) geïndiceerd.13 )

Bij alcohol- of drugsproblemen is het belangrijk dat de patiënt eerst van de verslaving af komt, omdat dan duidelijk wordt of en welke angstproblematiek overblijft.18 )Overweeg, als dit niet lukt, een behandeling van de verslaving en de angststoornis tegelijkertijd.

VoorlichtingNHG Samenvattingskaart

Angstklachten

Leg uit dat angstklachten regelmatig voorkomen en vaak van voorbijgaande aard zijn. Bijna altijd zijn de klachten gerelateerd aan (dreigende) problemen of zorgen op belangrijke levensgebieden (gezin, relatie, werk, sociaal en gezondheid). Het is goed om te kijken of die problemen aangepakt kunnen worden. Leg uit dat de belasting mogelijk de belastbaarheid van de patiënt heeft overschreden. Stem bij werkgerelateerde oorzaken het beleid zo mogelijk af met de bedrijfsarts.

Angststoornis

Leg uit dat angststoornissen regelmatig voorkomen. Vaak verdwijnen ze niet vanzelf, maar met uitleg en behandeling kan de duur en de ernst van de klachten aanmerkelijk verminderen. De huisarts geeft uitleg over de vicieuze cirkel waarin de patiënt terecht is gekomen en over de factoren die de angst uitlokken en in stand houden, zie (figuur). Bewustwording van het ontstaansmechanisme van de angst kan bijdragen aan vermindering van de klachten, doordat de patiënt de irrealiteit van de angst inziet. Het streven is dat de patiënt leert de controle over de angst te hervinden, waardoor de angst kan worden beheerst. Adviseer om niet toe te geven aan de neiging om angstige situaties te vermijden. Angst heeft de neiging om na zestig tot negentig minuten vanzelf af te nemen. De patiënt moet de angst doormaken om te kunnen ervaren dat het gevreesde niet gebeurt. Hierdoor zal de angst uiteindelijk uitdoven.

De huisarts kan de patiënt wijzen op het bestaan van een patiëntenvereniging: de Angst, Dwang en Fobie stichting (www.adfstichting.nl). Deze stichting geeft informatie en advies, organiseert lotgenotencontact, verzorgt cursussen en zelfhulpgroepen. In aansluiting op de gegeven mondelinge voorlichting, kan de huisarts de patiënt verwijzen naar de informatie over angststoornis, fobie, hyperventilatie, hypochondrie, paniekaanvallen of posttraumatische stressstoornis op de website www.thuisarts.nl of de betreffende NHG-Patiëntenbrief meegeven (via het HIS of de NHG-ConsultWijzer). Deze patiënteninformatie is gebaseerd op de NHG-Standaard.

Niet-medicamenteuze behandelingNHG Samenvattingskaart

Angstklachten

In eerste instantie is voorlichting met controle(s) voldoende. Indien de angst gepaard gaat met depressieve klachten, is ook Problem Solving Treatment (PST), naast voorlichting een optie als eerste stap, mits uitgevoerd door een hulpverlener die hierin getraind is.25) PST is ook te gebruiken bij patiënten met veel actuele psychosociale problematiek. De focus ligt op het (terug) krijgen van controle over problemen.

Angststoornissen

Bij de behandeling van een gegeneraliseerde angststoornis, sociale fobie, paniekstoornis, specifieke fobie en hypochondrie (tabel 1) neemt cognitieve gedragstherapie een belangrijke plaats in.26) De huisarts kan tijdens de consultvoering gebruikmaken van de principes van cognitieve gedragstherapie, zie (kader). Bij onvoldoende effect of ernstiger klachten verwijst de huisarts voor cognitieve gedragstherapie naar een daartoe opgeleide psycholoog of psychiater. Voor het leren van ontspanningstechnieken is weinig bewijs van effectiviteit.27) De laatste jaren zijn op mindfulness gebaseerde interventies in opkomst. Deze techniek wordt vaak geïntegreerd in cognitieve therapie (Mindfulness Based Cognitive Therapy). Op mindfulness gebaseerde cognitieve therapie is effectief bij veel angststoornissen.28)

Cognitieve gedragstherapie

Cognitieve gedragstherapie omvat de aanpak van cognities en gedrag.

Cognities: de angstige gedachten houden de angststoornis in stand, bijvoorbeeld de neiging om (ook onschuldige) lichamelijke gewaarwordingen te interpreteren als signalen van een naderende catastrofale gezondheidsverstoring, zoals een hartinfarct of hersenbloeding (‘catastrofaal interpreteren’). Om de cirkel te doorbreken wordt de patiënt bij cognitieve therapie aangemoedigd angstige gedachten op realiteitswaarde te beoordelen en bij te stellen. Meer rationele gedachten over de beangstigende verschijnselen doet de angst verminderen. De patiënt kan dit leren door in een dagboek zijn gedachten en gevoelens bij te houden. In het dagboek beschrijft hij de situatie, het gevoel daarbij en de automatische gedachte(n). De patiënt wordt gevraagd om tegenover deze automatische gedachte(n) reëlere gedachte(n) te plaatsen.

Gedrag: in de therapie gaat het om de verandering van gedrag dat op korte termijn angstreductie bewerkstelligt (vermijden, controleren, geruststelling vragen), maar op lange termijn de angst onderhoudt of versterkt. Vermijdingsgedrag kan worden aangepakt door exposure in vivo. Het principe van deze aanpak berust op het gegeven dat bij gedoseerde blootstelling aan de gevreesde situatie de angst na enige tijd uitdooft. Angstreducerend gedrag (controleren, handen wassen) van de patiënt kan worden tegengegaan door afspraken te maken dit gedrag geleidelijk minder uit te voeren.

Bij hypochondrie ziet de huisarts de patiënt terug na een eventueel aanvullend onderzoek of verwijzing wegens ‘hardnekkige ongerustheid’ en bespreekt de resultaten. Evalueer of de patiënt gerustgesteld is. Een hypochondrische patiënt is bij een normale uitslag kortdurend gerustgesteld, maar daarna duikt de angst voor een ziekte weer op. In een consult na een onderzoek kan de huisarts deze cirkel benoemen en de angst tot onderwerp van gesprek en beleid maken. Bied bij blijvende ongerustheid cognitieve gedragstherapie aan. Cognitieve gedragstherapie bij hypochondrie beoogt de patiënt te leren een reëlere kijk op de lichamelijke gewaarwordingen te ontwikkelen.29) Dit gebeurt door erkenning van de klachten, adequate uitleg en heldere, gestructureerde afspraken en niet door (meer) medisch onderzoek. Samen met de patiënt kan een ‘behandelcontract’ gemaakt worden, waarin wordt vastgelegd dat de behandeling deze keer een andere invalshoek heeft. Niet de lichamelijke klachten, maar de angst en bezorgdheid erover staan centraal. Het doel van de behandeling is vermindering van de angst en niet van de lichamelijke klachten. Door zichtbaar te maken dat de klachten kunnen worden onderhouden door bijvoorbeeld het zoeken van geruststelling bij derden kan men de patiënt duidelijk maken dat een vicieuze cirkel is ontstaan. Vervolgens wordt samen met de patiënt getracht deze cirkel te doorbreken, zodat minder geruststelling nodig is en de patiënt meer controle over de klachten krijgt.

  • Bij relatief gering lijden en weinig tot geen sociaal disfunctioneren als gevolg van de angststoornis is zelfhulp met begeleiding op afstand een eerste optie (stap 2). Deze behandeling vindt plaats op basis van cognitief gedragstherapeutische technieken via boeken of internet met begeleiding door de huisarts.30) Hoe meer persoonlijke begeleiding door de huisarts bij zelfhulp, des te meer effect te bereiken is. De begeleiding van de huisarts bestaat uit het beantwoorden van vragen, het bespreken van de voortgang en het motiveren om door te gaan. De begeleiding kan zich beperken tot een regelmatig (eens per twee tot vier weken) steunend (eventueel telefonisch) consult of mailcontact. Voor informatie over actuele internetprogramma’s en boeken kan de huisarts zich tot de Angst, Dwang en Fobie stichting wenden. De huisarts gaat na of de patiënt kan lezen en toegang tot internet heeft.
  • Indien de patiënt geen zelfhulp wil, of deze na zes tot acht weken niet tot verbetering heeft geleid, of bij ernstig lijden en of aanzienlijk sociaal disfunctioneren, bespreekt de huisarts in overleg met de patiënt de start van intensievere vormen van cognitieve gedragstherapie of een antidepressivum (zie Medicamenteuze behandeling). Bij een sociale fobie en een paniekstoornis is een psychotherapeutische behandeling (cognitieve gedragstherapie) even effectief als een antidepressivum. Wel is het risico op terugval na staken van de behandeling kleiner na psychotherapie.31)

Medicamenteuze behandelingNHG Samenvattingskaart

  • Bij angstklachten zijn medicamenteuze interventies niet nodig.
  • Bij examen- of podiumvrees kan incidenteel de bètablokker propranolol (10 tot 40 mg) een half tot 2 uur voor de te leveren prestatie worden ingenomen.32) Laat de patiënt dit middel vooraf aan het betreffende moment al eens uitproberen.

Bij de meeste angststoornissen hebben serotonerge tricyclische antidepressiva (serotonerge TCA’s: clomipramine en imipramine) en selectieve serotonine heropname remmers (SSRI’s) een gunstig effect op het beloop. Het effect van beide soorten antidepressiva is vergelijkbaar bij de paniekstoornis, obsessieve-compulsieve stoornis, gegeneraliseerde angststoornis en posttraumatische stressstoornis. Vanwege het bijwerkingenprofiel, een eenvoudiger doseringsschema en daardoor een betere therapietrouw is er een lichte voorkeur voor SSRI’s bij de behandeling van angststoornissen. Voor sociale fobie is alleen van SSRI’s het effect onderzocht.33) Binnen de groep van SSRI’s is de effectiviteit onderling vergelijkbaar. Het advies is om met een beperkt aantal middelen ervaring op te doen. Bij de geneesmiddelkeuze spelen verschillende afwegingen een rol zoals comorbiditeit, ervaren en geanticipeerde bijwerkingen, eerdere ervaringen van de patiënt, positieve respons van een eerstegraads familielid, potentiële interacties met andere geneesmiddelen (www.fk.cvz.nl) of gezondheidsproblemen, het effect op de rijvaardigheid (www.geneesmiddeleninhetverkeer.nl) en op werk waar verminderde concentratie risicovol kan zijn, en de kosten (tabel 2).

Regelmatig voorkomende bijwerkingen van SSRI’s zijn initiële toename van de angst, maagdarmstoornissen bij de start van de behandeling, hoofdpijn, seksuele disfunctie en slaapstoornissen. Bijwerkingen van TCA’s zijn droge mond, obstipatie en vooral bij ouderen cognitief disfunctioneren en verwardheid.34)

Tabel 2 Factoren die een rol spelen bij de keuze van een antidepressivum

Bij comorbide psychische stoornissen als een depressie en boulimia nervosa, kies voor een SSRI.
Na een recent hartinfarct, bij hartfalen, hartritmestoornissen, bemoeilijkte mictie (urineretentie) en onbehandeld glaucoom, kies voor een SSRI. Overweeg een ECG bij patiënten, die niet in aanmerking komen voor een SSRI, met een verhoogde gevoeligheid voor cardiovasculaire bijwerkingen voorafgaand aan start met TCA.
Bij het gelijktijdig gebruik van een NSAID (ook diclofenac+misoprostol combinatiepreperaat), anticoagulantia, acetylsalicylzuur, clopidogrel of oraal corticosteroïd kies voor een serotonerg TCA of combineer een SSRI met adequate maagbescherming (zie NHG-Standaard Maagklachten).35)
Kies bij ouderen bij voorkeur een SSRI met zo min mogelijk interacties zoals citalopram en sertraline en start met een lagere dosering.36 )Bepaal na vijf tot negen dagen na de start van een SSRI, indien een diureticum wordt gebruikt, het natriumgehalte. Herhaal deze controle bij dosisverhoging. Vervang bij een hyponatriëmie zo mogelijk het SSRI door een TCA. Bepaal het natriumgehalte ook zonder gebruik van diuretica indien zich een intercurrente ziekte (diarree, braken) voordoet, waarbij het risico op elektrolytstoornissen is verhoogd.
Bij de ziekte van Parkinson kunnen extrapiramidale bijwerkingen optreden bij gebruik van SSRI’s. Er bestaat een relatieve contra-indicatie voor TCA’s bij cognitieve stoornissen, vanwege de anticholinerge effecten. De keuze voor een serotonerg TCA of een SSRI wordt bepaald door het bijwerkingenprofiel in relatie tot de klinische kenmerken van de patiënt, aangezien er geen verschil ten aanzien van de effectiviteit bestaat (zie NHG-Standaard Parkinson).
Bij al dan niet gelijktijdig gebruik van serotonerge medicatie, zoals triptanen, en SSRI’s of serotonerge TCA ’s (maar ook minder voor de hand liggende geneesmiddelen zoals tramadol, sint-janskruid) kan het zeldzame, maar potentieel fatale serotoninesyndroom optreden. Dit syndroom is vooral berucht bij gebruik van MAO-remmers.37)
Verwijs bij zwangerschap(swens) of bij lactatie, teneinde de plaats en de keuze van medicatie te laten beoordelen.38)

Bij het starten met een antidepressivum is het belangrijk de volgende punten te bespreken:

  • motivatie van de patiënt voor het gebruik van een antidepressivum;
  • verbetering treedt (soms) pas na een paar weken op;
  • mogelijke bijwerkingen34 )en wat te doen als deze zich voordoen;
  • minimale behandelduur van zes tot twaalf maanden na remissie;
  • afbouwen in overleg met de huisarts;
  • noodzaak controles.

Aandachtspunten bij medicamenteuze behandeling

  • Informeer vooraf naar het gebruik van zelfmedicatie, zoals passiflora, valeriaan en sint-janskruid, omdat door combinatie van deze middelen met reguliere medicijnen interacties kunnen ontstaan.40)
  • Start bij SSRI’s direct met de standaarddosering of indien bijwerkingen verwacht worden met de helft van de dosering om na een tot twee weken te verhogen tot de standaarddosering. Start bij hoogbejaarden bij voorkeur met een lagere dosering.
  • Start bij TCA’s met een lage dosering om de bijwerkingen te beperken en verhoog daarna geleidelijk tot de streefdosis. Start TCA’s met 25 mg (bij ouderen met 10 mg) voor de nacht en hoog de dosis per 2 tot 3 dagen met 25 mg op, zodat in 2 weken tijd de standaarddosering is bereikt. Evalueer het effect 4 tot 6 weken na instelling. Eventueel kan de dosering bij onvoldoende effect omhoog tot de maximum dosering. Bij ouderen is het raadzaam om een lagere begindosering (halveren of een derde) te hanteren en de dosering langzamer op te bouwen.
  • Instrueer de patiënt contact op te nemen bij het optreden van onacceptabele bijwerkingen, maar leg ook uit dat bijwerkingen vaak (snel) verdwijnen, vooral enige toename van angst- en paniekverschijnselen (met name bij de paniekstoornis) in de eerste weken na de start van de behandeling. Bij een gegeneraliseerde angststoornis, sociale fobie en paniekstoornis kan bij de start van de behandeling, om initiële angsttoename op te vangen, gedurende twee tot vier weken een benzodiazepine gegeven worden. Een behandeling die uitsluitend bestaat uit het voorschrijven van een benzodiazepine is ongewenst, vanwege het risico op afhankelijkheid en bijwerkingen.
  • Gebruikers van benzodiazepinen hebben een verhoogd risico op verkeersongevallen, valpartijen en verslechtering van cognitieve functies. Als er toch een benzodiazepine wordt voorgeschreven doe dit dan zo kort mogelijk in een zo laag mogelijke dosering en maak afspraken over de wijze van gebruik, de duur van de medicatie en wanneer en hoe de medicatie gestopt zal worden.41 )Voor het stoppen van langdurig benzodiazepinegebruik: zie NHG-Standaard Slaapproblemen en slaapmiddelen.
  • Voor veel patiënten zijn bijwerkingen zoals seksuele disfunctie, droge mond en gewichtstoename, een reden om te stoppen met het middel. Op alle controleafspraken (eerste na een tot twee weken) worden de eerdergenoemde punten en de therapietrouw besproken.
  • Indien zes weken na het instellen op de maximumdosering geen of onvoldoende effect bereikt is, of als er sprake is van onacceptabele bijwerkingen, schrijft de huisarts bij voorkeur een ander SSRI voor. Bij het overzetten van het ene op het andere antidepressivum dient rekening te worden gehouden met de volgende aandachtspunten:
    • Er is geen bewijs voor de beste methode van overzetten. De ervaring leert dat eerst helemaal afbouwen tot nul en dan met het nieuwe middel starten niet altijd nodig is. Een standaard dagdosering van het ene middel kan van de ene dag op de andere vervangen worden door een standaard dagdosering van een ander middel. Bij onzekerheid doet de huisarts er goed aan bij het overzetten van het ene op het andere antidepressivum de apotheker of de psychiater te raadplegen.
    • Indien er wederom geen respons optreedt of onacceptabele bijwerkingen optreden, heroverweeg de diagnose, bouw de medicatie af of overleg met een psychiater.

Tabel 3 Overzicht geneesmiddelen bij angststoornissen

GeneesmiddelStartdosis gedurende 2 wk
(mg / dag)
Langzaam ophogen tot streefdosis
(mg / dag)
Maximum dosis (mg / dag)Opmerkingen indicatiegebied
SSRI    
sertraline50
ouderen 25
150
ouderen 100
200
ouderen 150
 
paroxetine10-20 ’s ochtends20-40 ’s ochtends50-60 ’s ochtends (afhankelijk van de indicatie; sociale fobie en gegeneraliseerde angststoornis max. 50)
ouderen 40
 
citalopram *1020-30
ouderen 20
40
ouderen 20
 
TCA   Niet bij sociale fobie
clomipramine25 a.n.
ouderen 10 a.n.
100-150 (in 2 tot 3 giften)
Kies evt. voor 75 met vertraagde afgifte (1-2 dd)
ouderen 30-50 (in 2 tot 3 giften)
250 (in 2 tot 3 giften)
ouderen 30-50 (in 2 tot 3 giften)
 
imipramine *25 a.n.
ouderen 10 a.n.
100-150 (in 2 tot 3 giften)
ouderen 30-50 (in 2 tot 3 giften)
300 (in 2 tot 3 giften)
ouderen 30-50 (in 2 tot 3 giften)
 
Bètablokker   Bij examen- en podiumvrees
propranolol*10 (een ½ tot 2 uur voor de te leveren prestatie) 40 
Benzodiazepine   Als ondersteuning bij start van behandeling,
max. 2-4 wk
diazepam5-10 40Langere halfwaardetijd, cave cumulatief effect
oxazepam30 (in 3 tot 4 giften) 100-150 (in 3 tot 4 giften) 
SSRI = selectieve serotonine heropname remmer, TCA = tricyclisch antidepressivum, * = off-label gebruik (geen geregistreerde indicatie)

ControlesNHG Samenvattingskaart

Angstklachten

  • Stimuleer de patiënt om de oorzaken van de klachten in kaart te brengen en aan te pakken, al of niet met professionele hulp.
  • Laat de patiënt met angstklachten na een tot twee weken terugkomen om te beoordelen of de klachten verbeteren. Laat de patiënt eerder terugkomen als de klachten verergeren.
  • Als de klachten verbeteren of over zijn is verdere actie niet nodig. Als dat niet zo is, beoordeelt de huisarts of er niet alsnog sprake is van een angststoornis of andere problematiek. Een oriënterend gesprek met een praktijkondersteuner of psycholoog kan dan nuttig zijn om de angstklachten beheersbaar te maken.

Angststoornis

  • Als de huisarts zelf behandelt, zijn in het begin wekelijkse of tweewekelijkse controles geïndiceerd. De huisarts bespreekt de klachten, het functioneren alsmede het doel van de behandeling en de afspraken. Indien medicatie is voorgeschreven gaat de huisarts bij de controles na of er bijwerkingen zijn en past zo nodig de dosering hierop aan.
  • Bij voldoende effect van de niet-medicamenteuze of medicamenteuze behandeling kan de controlefrequentie geleidelijk worden verminderd tot eens per drie maanden. Consulten kunnen, wanneer de toestand van de patiënt dat toelaat, worden afgewisseld met telefonische contacten. Evalueer bij de vervolgcontacten het beloop van de klachten, het functioneren thuis en op het werk. Overleg, zo mogelijk, met de bedrijfsarts met het oog op (gedeeltelijke) continuering of hervatting van werk. Als de klachten zijn verdwenen, is controle niet meer nodig. Laat de patiënt benoemen welke klachten een voorbode kunnen zijn van de terugkeer van de angststoornis en adviseer de patiënt contact op te nemen, zodra de klachten terugkeren. Ter ondersteuning kunnen vervolgcontacten met grotere tussenpozen worden aangeboden.
  • Bij voldoende effect van een medicamenteuze behandeling continueert de patiënt een antidepressivum ten minste zes tot twaalf maanden na remissie. Adviseer de patiënt daarna geleidelijk in één tot twee maanden af te bouwen, waarbij de huisarts en de patiënt letten op klachten die wijzen op terugkeer van de angststoornis of op onthoudingsverschijnselen. Onthoudingsverschijnselen van antidepressiva kunnen lijken op symptomen van de angststoornis zoals angst, gespannenheid, duizeligheid, paresthesieën en tremoren, maar ook prikkelbaarheid, slaapstoornissen, griepachtige verschijnselen en gastro-intestinale klachten. In het geval van een recidief angststoornis gaat de patiënt weer die dosis gebruiken waarop de patiënt klachtenvrij was en gebruikt deze langer door. In het geval van onthoudingsverschijnselen moet in een langzamer tempo (bijvoorbeeld in stappen van drie maanden) afgebouwd worden. Het onderscheid tussen onthoudingsverschijnselen of het recidiveren van een angststoornis kan gemaakt worden door te informeren naar de snelheid waarmee de klachten zijn ontstaan na het afbouwen van de medicatie. Bij een kort interval (enkele uren tot dagen) moet gedacht worden aan onthoudingsverschijnselen, bij een wat langer interval (weken tot maanden) aan een recidief van de angststoornis. De patiënt zal bij een recidief de angstklachten eerder herkennen.

VerwijzingNHG Samenvattingskaart

De huisarts stelt zich op de hoogte van de diverse lokale behandelmogelijkheden bij het algemeen maatschappelijk werk, ambulante GGZ-instelling, psychologen en psychiaters, al dan niet verbonden aan een psychiatrisch ziekenhuis of psychiatrische afdeling van een algemeen ziekenhuis (PAAZ) in de regio. Verwijs bij voorkeur naar therapeuten met ervaring in cognitieve gedragstherapie en maak afspraken over (terug)verwijzing en de inhoud en frequentie van informatie over de patiënt.

Indicaties voor consultatie of verwijzing naar een psychiater dan wel psychotherapeut zijn:

  • problemen met de diagnostiek;
  • onvoldoende effect van behandeling na acht tot twaalf weken;
  • suïcidaliteit;19)
  • ernstig lijden of sociaal disfunctioneren dat slecht beïnvloedbaar is tot nu toe;
  • bepalen van plaats van antidepressiva in zwangerschap of tijdens lactatie;
  • een obsessieve-compulsieve stoornis (voor CGT met responspreventie);42)
  • een posttraumatische stressstoornis (voor traumagerichte CGT of EMDR).43)

Totstandkoming

In februari 2010 startte een werkgroep met de tweede herziening van de NHG-standaard Angststoornissen. Deze werkgroep heeft een conceptversie gemaakt. De werkgroep bestond uit de volgende leden: dr. L.J.A. Hassink-Franke, huisarts te Bunnik en onderzoeker UMC St. Radboud; dr. B. Terluin, huisarts te Almere en senioronderzoeker VUmc; dr. F.B. van Heest, huisarts te Schoonoord en huisarts-consulent Palliatieve zorg voor Drenthe bij het IKNL; J. Hekman, huisarts te Rotterdam en dr. H.W.J. van Marwijk, huisarts te Leiden en universitair hoofddocent VUmc.

Dr. M.J.P. van Avendonk begeleidde de werkgroep en deed de redactie. Zij is huisarts n.p. en wetenschappelijk medewerker van de afdeling Richtlijnontwikkeling en Wetenschap; dr. Tj. Wiersma was betrokken als seniorwetenschappelijk medewerker van deze afdeling, M.M. Verduijn als seniorwetenschappelijk medewerker Farmacotherapie. M. Hugenholtz was betrokken als wetenschappelijk medewerker van de afdeling Implementatie.

Werkgroeplid dr. L.J.A Hassink-Franke is docent bij de cursus problem-solving treatment van het NHG. Werkgroeplid dr. B. Terluin ontving een vergoeding voor nascholing van Wyeth en royalty’s voor commercieel gebruik van de 4DKL van Datec BV.

In juni 2011 werd de ontwerpstandaard aan een focusgroep van acht huisartsen voorgelegd, onder leiding van dr. S.S.L. Mol, wetenschappelijk medewerker NHG, afdeling Implementatie. Tevens ontvingen we commentaar van een aantal referenten, te weten: R. Rogiers, psycholoog en T. Declercq, huisarts namens Domus Medica, de Vlaamse vereniging voor huisartsen; K. de Leest, dr. T. Schalekamp, J.J. Luinenburg, T. Otten, P.N.J. Langedijk, A.P. Rademaker, apothekers (i.o.) namens de werkgroep voor Farmacotherapie en Geneesmiddelinformatie (WFG) van het KNMP Geneesmiddel Informatie Centrum; dr. J. Eekhof, huisarts en hoofdredacteur Huisarts en Wetenschap; P.M. Leusink, huisarts en seksuoloog NVVS; dr. D. Bruinvels, richtlijnontwikkelaar namens de Nederlandse Vereniging voor Arbeids- en Bedrijfsgeneeskunde; dr. R. Starmans, R. Vrijaldenhoven-Haitsma, M.T. Velema-de Roos, huisartsen namens de LHV-werkgroep Achterstandswijken; T. Sporrel, huisarts; dr. J.M.A. Sitsen, hoofdredacteur Farmacotherapeutisch Kompas namens het College voor Zorgverzekeringen; M.P.R. Pommée, klinisch psychotherapeut Stichting Centrum ’45; dr. N. Blankenstein, huisarts en senior-onderzoeker VUmc; prof.dr. F. Boer, emeritus kinder- en jeugdpsychiater namens de Angst, Dwang en Fobie stichting; prof.dr. A.L.M. Lagro-Janssen, huisarts en hoogleraar Huisartsgeneeskunde, Gender Studies UMC St. Radboud; dr. M. Oud, huisarts en GGZ kaderarts; dr. P.L.B.J. Lucassen, huisarts en senioronderzoeker UMC St.Radboud; en prof.dr. A.J.L.M. van Balkom, hoogleraar Psychiatrie VUmc en GGZinGeest, psychiater en voorzitter multidisciplinaire richtlijncommissie angst en depressie.

Naamsvermelding als referent betekent overigens niet dat een referent de standaard inhoudelijk op ieder detail onderschrijft. I. van der Sar en J. van Dongen hebben namens de NHG-Adviesraad Standaarden tijdens de commentaarronde beoordeeld of de ontwerpstandaard antwoord geeft op de vragen uit het basisplan. In september 2011 werd de standaard becommentarieerd en geautoriseerd door de NHG-Autorisatiecommissie.

De zoekstrategie die gevolgd werd bij het zoeken naar de onderbouwende literatuur is te vinden bij de webversie van deze standaard. Tevens zijn de procedures voor de ontwikkeling van de NHG-Standaarden in te zien in het procedureboek (zie www.nhg.org).

© 2012 Nederlands Huisartsen Genootschap

Noten

TerugNoot 1: Van angstklachten naar angststoornis

In een Nederlands prospectief cohortonderzoek (n = 1167) werd onderzocht in hoeverre een psychiatrische voorgeschiedenis, subtreshold symptomen (angst- of depressieve klachten) en de combinatie hiervan, het ontstaan van een depressie of angststoornis (sociale fobie, paniekstoornis, agorafobie, gegeneraliseerde angststoornis) in de komende twee jaar kunnen voorspellen [Karsten 2011]. Angstklachten werden gedefinieerd als een minimale score van 11 op de Beck Anxiety Inventory (een vragenlijst) en afwezigheid van een angststoornis. Van de 227 deelnemers met angstklachten op baseline, rapporteerde 25,6% één of meer angststoornissen in de 2 jaar follow-up. Bij de 940 respondenten zonder angstklachten was dit 7,6%. Het bleek dat zowel het hebben van angstklachten (OR 2,53; 95%-BI 1,41 tot 4,99), een voorgeschiedenis van een angststoornis (OR 2,82; 95%-BI 1,66 tot 4,79), als de combinatie hiervan (OR 4,17; 95%-BI 2,22 tot 7,85) het risico op het krijgen van een angststoornis verhoogt. Dit gold overigens ook voor het hebben van depressieve klachten (subtreshold depression, OR 3,47; 95%-BI 1,78 tot 6,78), voorgeschiedenis van een depressie (OR 2,02; 95%-BI 1,07 tot 3,79) en de combinatie hiervan (4,07; 95%-BI 2,18 tot 7,59).

Conclusie: angstklachten en een voorgeschiedenis van een angststoornis verhogen het risico op het krijgen van een angststoornis. Depressieve klachten en een voorgeschiedenis van een depressie doen dit ook.

TerugNoot 2: Multidisciplinaire richtlijnen angststoornissen

De standaard sluit aan bij de multidisciplinaire richtlijn angststoornissen uit 2003 en de recent verschenen revisies met betrekking tot paniekstoornis, posttraumatische stressstoornis en sociale angststoornis [Trimbos instituut 2010, Trimbos instituut 2011].

TerugNoot 3: Cognitief verklaringsmodel

Voor een beschrijving van de psychologische verklaring voor angststoornissen wordt vaak verwezen naar Clark. De essentie van dit model is dat de lichamelijke symptomen waarmee angst gepaard gaat, verkeerd worden geïnterpreteerd (bijvoorbeeld hartkloppingen als een voorbode van een hartinfarct), waardoor de angst verder toeneemt. Zo ontstaat een vicieuze cirkel. Een effectieve behandeling zal derhalve gericht moeten zijn op de correctie van deze misinterpretaties [Clark 1986].

TerugNoot 4: Pathogenese en etiologie

De mate waarin genetische aanleg het voorkomen van de angststoornis verklaart, kan oplopen tot 40%. In een meta-analyse werd in familie- en tweelingenonderzoeken de bijdrage van omgeving en genen bij de ontwikkeling van paniekstoornis, gegeneraliseerde angststoornis, fobieën en obsessieve-compulsieve stoornis onderzocht. Alle aandoeningen komen vaker voor in families. Het sterkste bewijs bestaat voor de paniekstoornis, waarover de meeste gegevens bekend zijn. De oddsratio’s voor het toegenomen risico in families reiken van 4 tot 6 voor alle stoornissen, waarvoor genetische aanleg de belangrijkste bron is. Bij een paniekstoornis wordt 30 tot 40% toegeschreven aan genetische factoren, bij een gegeneraliseerde angststoornis 32% en bij fobieën 20 tot 40% (afhankelijk van het soort fobie). Er waren geen tweelingonderzoeken betreffende obsessieve-compulsieve stoornis die aan de inclusiecriteria voldeden [Hettema 2001].

De invloed van sociale en omgevingsfactoren, zoals een beschermde opvoeding of stressvolle life-events, is beperkt. In een meta-analyse van 47 cross-sectionele en longitudinale onderzoeken werd de associatie tussen opvoeding en angst bij kinderen onderzocht. De manier van grootbrengen bleek slecht 4% van de variantie te kunnen verklaren [McLeod 2007].

Neurobiologisch onderzoek wijst op een disfunctie van het ‘hersenangstcircuit’. De locus coeruleus is het belangrijkste kerngebied dat is betrokken bij angst. De activiteiten in dit circuit worden geregeld door neurotransmitters, zoals serotonine, GABA, noradrenaline en glutamaat. Bij zowel sociale fobie als obsessieve-compulsieve stoornis lijkt ook dopamine betrokken te zijn. Bij PTSS blijkt de hypothalamus-hypofyse-bijnieras verstoord te zijn. Deze as is belangrijk bij het stressregulatiesysteem van het lichaam. Mogelijk is deze as ook bij andere angststoornissen verstoord [Van den Bosch 2004].

Neuroticisme en introversie zijn persoonlijkheidskenmerken die een persoon vatbaarder maken voor het ontwikkelen van een angststoornis. Neuroticisme verwijst naar een overgevoeligheid voor stress, de neiging om sterke negatieve emoties, zoals nervositeit, verdriet en boosheid, te ervaren. Neurotische mensen hebben weinig zelfvertrouwen, minder goede copingvaardigheden en ze voelen zich weinig verbonden met andere mensen. Cross-sectioneel onderzoek laat bij herhaling een verband zien tussen persoonlijkheidskenmerken en angststoornissen. Daarbij dient te worden opgemerkt dat de aanwezigheid van een (angst)stoornis de beoordeling van de persoonlijkheid beïnvloedt [Bienvenu 2003]. Uit longitudinale onderzoeken blijkt eveneens dat neuroticisme en introversie en symptomen van vermijdende en afhankelijke persoonlijkheidsstoornissen predisponeren voor angststoornissen. Uit tweelingonderzoek is gebleken dat de erfelijke vatbaarheid voor sociale fobie en agorafobie praktisch volledig wordt bepaald door neuroticisme en introversie [Bienvenu 2007], terwijl de vatbaarheid voor een paniekstoornis en gegeneraliseerde angststoornis voor ongeveer de helft wordt bepaald door neuroticisme, waarbij introversie geen rol van betekenis speelt [Khan 2005, Hettema 2006]. Dierfobieën worden slechts in geringe mate door neuroticisme bepaald [Bienvenu 2007]. Neuroticisme is de belangrijkste persoonlijkheidstrek die bepaalt of mensen na het meemaken van een trauma een PTSS ontwikkelen [Paris 2000]. Prospectief Nederlands onderzoek onder deelnemers aan een VN-vredesmissie in Joegoslavië bevestigt dat neuroticisme, naast het aantal meegemaakte traumatische gebeurtenissen, bepalend was voor het ontstaan van posttraumatische symptomen [Bramsen 2000].

Conclusie: angststoornissen ontstaan door persoonlijkheid en genetische, neurobiologische, en sociale factoren.

TerugNoot 5: Prevalentie en incidentie

In het Nationaal Kompas Volksgezondheid zijn op basis van vijf huisartsenregistraties (CMR-Nijmegen, LINH, RNH, RNUH-LEO en Transitieproject) jaarprevalenties en incidenties van angststoornissen geschat. Dit is ook gedaan voor de combinatie angststoornis en/of angstgevoelens. Bij de prevalentie- en incidentiecijfers in de huisartsenpraktijk is de PTSS niet meegenomen. Deze valt onder de codering voor depressie [Schoemaker 2010].

De prevalentie van angststoornissen in de bevolking is hoger dan de prevalentie in de huisartsenpraktijk. Het geslacht heeft geen invloed op de hoeveelheid hulp die wordt ingeroepen bij een professional. Jongere personen hebben wel vaker een behandelcontact dan oudere personen (referentie: ≥ 50 jaar; 18 tot 30 jaar: OR 3,0 (95%-BI 1,8 tot 5,1) [De Graaf 2008]. De tweede Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study (NEMESIS-2) is een longitudinaal onderzoek bij personen uit de Nederlandse bevolking (n = 6646; 18 tot 64 jaar). In de eerste meting (2007 tot 2009) werden face-to-face interviews uitgevoerd. De respons was 65,1%. Van de deelnemende vrouwen had 12,5% een angststoornis in het voorgaande jaar, voor mannen gold een 12-maandsprevalentie van 7,7%. De prevalenties van enigerlei angststoornis verschilden niet met die uit het eerder gehouden bevolkingsonderzoek (NEMESIS-1 (1996)): 10,2% versus 10,1%, waardoor het aannemelijk is dat er geen verandering van voorkomen van angststoornissen is opgetreden [De Graaf 2010].

TerugNoot 6: Prevalentie bij ouderen

Het verschil in voorkomen van angststoornissen tussen ouderen en jongeren is klein. De prevalentie van angststoornissen bij ouderen wordt geschat op ongeveer 10%, wat iets lager is dan de geschatte prevalentie van angststoornissen bij volwassenen van 18 tot 65 jaar (12%). Angststoornissen blijken op latere leeftijd veel vaker voor te komen dan depressie, dysthymie en dementie. Echter, bij mensen van 80 jaar en ouder overstijgt de prevalentie van dementie de prevalentie van angststoornissen. [Beekman 1998, Trimbos instituut 2008]. Bij ouderen komt de gegeneraliseerde angststoornis het meest voor [Trimbos instituut 2008]. Ouderen met een angststoornis hebben vaker nog een andere angststoornis, een depressie of een chronische somatische aandoening dan ouderen zonder een angststoornis [Van Balkom 2000].

TerugNoot 7: Leeftijd op het moment van ontstaan

Het WHO World Mental Health Survey Initiative onderzoekt de epidemiologie van psychiatrische ziekten wereldwijd. De resultaten van 17 landen in Noord- en Zuid-Amerika, Afrika, Azië, Midden-Oosten en Europa toont dat de geschatte lifetime prevalentie op 75-jarige leeftijd van angststoornissen aanzienlijk verschilt per land (bijvoorbeeld Nederland 15,9%, Frankrijk 22,3%, Nigeria 6,5%, Colombia 25,3%, China 4,8%, Zuid-Afrika 15,8%). Verschillen tussen de deelnemende landen in de leeftijd waarop angststoornissen ontstaan zijn veel kleiner dan die voor de prevalenties. De mediane leeftijden waarop angststoornissen ontstaan: specifieke fobie: 8 jaar, sociale fobie: 17 jaar, gegeneraliseerde angststoornis: 40 jaar, paniekstoornis: 33 jaar en posttraumatische stressstoornis: 34 jaar. De leeftijdsgroep waarin een obsessieve-compulsieve stoornis ontstaat is 22 tot 36 jaar [Kessler 2007, De Graaf 2008, Jenike 2004].

TerugNoot 8: Beloop

Een prospectief, observationeel onderzoek (n = 453 deelnemers met data van een follow-up van 14 jaar) in de eerste, tweede en derde lijn onderzocht met behulp van halfjaarlijkse interviews het beloop van paniekstoornissen met of zonder agorafobie, gegeneraliseerde angststoornissen en sociale fobieën. 80% van de deelnemers kreeg medicijnen (benzodiazepinen of SSRI’s). Wekelijks werden door de deelnemers angstsymptomen en beperkingen in het dagelijkse leven gescoord. De ernst van alle drie de stoornissen nam af in de tijd. De afname in ernst van een paniekstoornis en een gegeneraliseerde angststoornis was sterker dan die van een sociale fobie. Lagere opleiding, minder psychisch, sociaal en beroepsmatig functioneren (lagere Global Assessment of Functioning (GAF)-scores), langere duur sinds het begin van de ziekte en jongere leeftijd voorspelden een negatiever beloop van een paniekstoornis. Bij de gegeneraliseerde angststoornis gold dit alleen voor de duur sinds het begin van de ziekte en bij de sociale fobie gold dit voor de GAF-scores bij de intake. De afname in ernst was gemiddeld 1 punt op een schaal van 6 (Psychiatric Status Rating Scale). Het merendeel van de deelnemers ervoer na 14 jaar nog minstens matige beperkingen door de angst(stoornis) [Ramsawh 2009].

Op een eerder meetmoment in hetzelfde onderzoek (n = 558) werd herstel en terugval in kaart gebracht. Na 8 jaar was van 75% van de vrouwen en van 69% van de mannen de paniekstoornis in remissie (asymptomatisch of minimale symptomen met geen beperkingen), 39% van de vrouwen en 35% van de mannen met een paniekstoornis met agorafobie, 31% van de mannen en vrouwen met een sociale fobie en 46% van de vrouwen en 56% van de mannen met een gegeneraliseerde angststoornis. De meeste remissies vonden in de eerste 2 jaar plaats [Yonkers 2003].

Een prospectief onderzoek bij adolescenten met (subtreshhold) PTSS (n = 125; 14 tot 24 jaar) met een follow-up van 10 jaar demonstreerde dat na ongeveer 3,5 jaar 52% in remissie was. Het risico op een chronisch verloop werd sterk vergroot door een nieuwe traumatische gebeurtenis (OR 5,21; 95%-BI 1,95 tot 13,92). In de groep zonder nieuw trauma was het hebben van vermijdende symptomen een voorspeller voor chroniciteit (OR 10,16; 95%-BI 1,73 tot 59,51) [Perkonigg 2005].

Een systematisch review van 6 prospectieve cohortonderzoeken (n = 25 tot n = 129; follow-up 11 tot 65 maanden) naar het beloop van hypochondrie toonde dat 50 tot 70% van de patiënten niet herstelde gedurende de follow-up. Het aantal somatische klachten lijkt negatief voorspellend voor herstel [Olde Hartman 2009].

Conclusie: de paniekstoornis en gegeneraliseerde angststoornis hebben de meeste kans op remissie. Bij een paniekstoornis met agorafobie en een sociale fobie is deze kans minder. PTSS en hypochondrie hebben een aanzienlijk risico op een chronisch beloop.

TerugNoot 9: Kwaliteit van leven

Er is slechts één recent onderzoek naar de kwaliteit van leven en dagelijks functioneren onder volwassen patiënten met een angststoornis in de eerste lijn. Opeenvolgende patiënten werden gescreend op angst of depressie, waarna positief gescreende patiënten en een willekeurige steekproef van negatief gescreende patiënten werden uitgenodigd voor een interview. In dit interview werd de diagnose bepaald en werden de globale lichamelijke en mentale schalen van de short-form 12 (SF-12) en WHO-5 disability scale afgenomen. Patiënten met een sociale fobie, paniekstoornis of posttraumatische stoornis bleken slechter te functioneren dan patiënten zonder angststoornis [Stein 2005].

TerugNoot 10: Ziekteverzuim en functioneren op het werk

In een subgroep van volwassenen met betaald werk uit het Nederlandse NEMESIS-onderzoek (n = 3695) bleken mannen met specifieke fobieën zich in het jaar na de diagnose vaker ziek te melden. Mannen met andere angststoornissen en vrouwen met een angststoornis hadden niet vaker hun werk verzuimd dan mensen zonder angststoornissen [Laitinen-Krispijn 2000]. In hetzelfde onderzoek bleek het hebben van een psychische aandoening (waaronder angststoornis) niet geassocieerd te zijn met verminderd functioneren op het werk gedurende het jaar daarna. Verminderd functioneren op het werk bleek wel onafhankelijk geassocieerd te zijn met een aantal persoonlijkheidskenmerken: neuroticisme, laag zelfvertrouwen en controle over gebeurtenissen in het leven buiten zichzelf leggen [Michon 2008]. Ziekteverzuim als zodanig werd niet onderzocht en patiënten die tijdens het onderzoek het werk verzuimden of geen werk (meer) hadden werden uitgesloten.

In een Australisch bevolkingsonderzoek kwamen (gezondheids)problemen betreffende arbeidsparticipatie en functioneren in het werk significant vaker voor bij personen met een angststoornis dan bij de gezonde controlepersonen [Waghorn 2005].

In een Amerikaans eerstelijnsonderzoek bleken alleen patiënten met een paniekstoornis (maar niet die met een PTSS of een sociale fobie) significant meer ziekteverzuim te hebben [Stein 2005].

Amerikaans en Canadees cross-sectioneel bevolkingsonderzoek, waarbij in hetzelfde interview een diagnose is gesteld en is gevraagd naar ziekteverzuim of verminderd functioneren in het werk gedurende de voorafgaande 1 tot 3 maanden, laat zien dat angststoornissen niet zozeer geassocieerd zijn met ziekteverzuim maar wel met verminderd functioneren in het werk [Kouzis 1994, Kessler 1997, Dewa 2000].

Conclusie: het hebben van een angststoornis is geassocieerd met verminderd functioneren in het werk. De associatie met verhoogd ziekteverzuim is niet eensluidend.

TerugNoot 11: Risicogroepen

Uit het NEMESIS-2-onderzoek bleek dat alleenstaanden en mensen zonder werk vaker een angststoornis hebben [De Graaf 2010]. Dit gold ook voor personen met een lagere opleiding en laag inkomen.

In een Spaans cohortonderzoek, met een nested patiëntcontrole analyse, werden in 3 jaar (2002 tot en met 2004) patiënten die de diagnose angststoornis van de huisarts kregen, geïdentificeerd. Er werden 40.837 nieuwe angstdiagnoses (9,7 gevallen per 1000 persoonsjaren) gesteld in de bronpopulatie van 1.516.481 patiënten. Een angststoornis kwam vaker voor bij huidige rokers dan bij patiënten die nooit gerookt hadden (OR1,31; 95%-BI 1,26 tot 1,35) en bij zware drinkers ten opzichte van personen die nooit dronken (OR 1,44; 95%-BI 1,24 tot 1,68). Een sterker verband was zichtbaar bij het aantal bezoeken aan de huisartsenpraktijk in het jaar voor de diagnose: 3 tot 10 bezoeken OR 1,98 (95%-BI 1,91 tot 2,05); ≥ 11 bezoeken 3,32 (95%-BI 3,18 tot 3,46). Tevens was er een associatie met eerdere psychologische of psychiatrische stoornissen: stress OR 2,30 (95%-BI 2,18 tot 2,42), slaapproblemen OR 1,58 (95%-BI 1,50 tot 1,67), depressie OR 2,64 (95%-BI 2,55 tot 2,73) en verslavingsproblemen OR 1,42 (95%-BI 1,32 tot 1,54). In mindere mate hingen gastro-intestinale aandoeningen en het hebben van een pijnstoornis samen met een vergroot risico op een angststoornis [Martin-Merino 2010].

Er wordt aangenomen dat angststoornissen veel voorkomen bij patiënten met een verstandelijke beperking. Door definitieproblemen (developmental disability; mental retardation; learning disability) zijn onderzoeken vaak niet vergelijkbaar of reproduceerbaar. Daarnaast is het voor een verstandelijk gehandicapte soms moeilijk om duidelijk te maken dat hij last heeft van angsten. Als de patiënt de taal niet ter beschikking heeft om uit te drukken wat hij voelt, kan er misinterpretatie optreden en bijvoorbeeld gesproken worden van probleemgedrag, terwijl er eigenlijk sprake is van een angststoornis. Extra aandacht voor angststoornissen bij deze patiënten lijkt daarom op zijn plaats [Davis 2008, Smiley 2005, Borthwick-Duffy 1994].

TerugNoot 12: Etniciteit

Er is weinig onderzoek gedaan naar het voorkomen van angststoornissen in de verschillende migrantengroepen in Nederland. In een onderzoek werden Amsterdamse volwassenen van Turkse (n = 213), Marokkaanse (n = 191), Surinaams/Antilliaanse (n = 88) en Nederlandse (n = 320) afkomst geïnterviewd naar het voorkomen van depressie en angststoorniskenmerken. De deelnemers waren vooral eerstegeneratiemigranten. De Turkse en Marokkaanse migranten waren relatief laag opgeleid (60% basisschool of minder). De Turkse vrouwen hadden een significant hogere prevalentie van angst- en depressieve stoornissen dan mensen van Nederlandse afkomst, ook na correctie voor leeftijd en sociaaleconomische status (SES) (jaarprevalentie OR 3,1; 95%-BI 1,6 tot 6,1). Het risico voor Turkse mannen was niet significant verhoogd (OR 1,4; 95%-BI 0,6 tot 3,2) [De Wit 2008].

Een Zweeds onderzoek (n = 526 Turkse migranten, n = 2854 Zweedse controlepersonen) vond ook een hoger risico voor zelfgerapporteerde angstklachten, na correctie voor leeftijd en SES, bij Turkse migranten: vrouwen (OR 2,44; 95%-BI 1,69 tot 3,53) en mannen (OR 2,12; 95%-BI 1,43 tot 3,15) [Steiner 2007]. In een Belgisch onderzoek werd een hoger risico op angstklachten gevonden in Turkse en Marokkaanse migranten (in dit onderzoek één groep), maar na correctie voor leeftijd en SES verloor het zijn significantie (OR 1,56; 95%-BI 0,93 tot 2,61) [Levecque 2007]. In het NEMESIS-1-onderzoek (Nederlanders n = 6149; Surinamers n = 92; Antillianen n = 36; Turken n = 45; Marokkanen n = 26, van wie ongeveer 85% eerste generatie), blijkt juist dat mannen en vrouwen van Turkse afkomst minder vaak een angststoornis ontwikkelen (lifetime risico OR 0,25 (p < 0,05) gecorrigeerd voor geslacht, leeftijd en SES). Beperking van dit onderzoek is de ondervertegenwoordiging van mensen met een Turkse of Marokkaanse achtergrond in vergelijking met populatiegegevens. Selectieve respons kan een vertekening van de resultaten hebben gegeven [De Graaf 2005].

Conclusie: angststoornissen komen mogelijk vaker voor bij Turkse vrouwen, maar de onderzoeksgegevens zijn niet eensluidend.

TerugNoot 13: Angst en depressie

Patiënten met een depressie in de eerste lijn hebben een 3 tot 8 keer grotere kans op een angststoornis. Als iemand een angststoornis heeft, is de kans op het ontwikkelen van een depressie in het komende jaar sterk vergroot (7 tot 62 keer). Het risico op het ontwikkelen van een depressie is het sterkst bij een gegeneraliseerde angststoornis en een paniekstoornis. De combinatie van een angststoornis en een depressie is geassocieerd met ernstigere klachten, meer chroniciteit, langzamer herstel, toegenomen risico op recidief, meer psychosociale beperkingen en slechtere kwaliteit van leven. Ook zal het vaker tot een psychiatrische opname of een suïcidepoging leiden [Hirschfeld 2001, Van Balkom 2000, Sareen 2005c, Van Balkom 2008].

TerugNoot 14: Somatische aandoeningen en angststoornissen

Angststoornissen komen vaker voor bij mensen met lichamelijke aandoeningen. Uit een cross-sectioneel onderzoek met een representatieve steekproef uit de populatie van de VS (n = 5877; 15 tot 54 jaar) bleek dat dit vooral zo is bij PTSS, paniekstoornissen en agorafobie en onafhankelijk is van sociodemografische factoren en comorbide mentale stoornissen (depressie en middelenmisbruik). De reden voor de associatie is niet duidelijk [Sareen 2005a].

TerugNoot 15: Schaamte

Uit een focusgroepinterview met patiënten met angststoornissen bleek dat zij zich vaak schamen om over hun angsten te praten. Het is van belang dat de huisarts hiervoor begrip toont, omdat anders het vermijdingsgedrag kan toenemen, wat tot een toename van angst en eenzaamheid kan leiden [Trimbos instituut 2003]. Door het effect van vermijdings- en angstreducerend gedrag kan de patiënt het zoeken van hulp lang uitstellen, waardoor de huisarts met een reeds lang bestaande angststoornis geconfronteerd kan worden.

TerugNoot 16: Anamnestisch gesprek met migranten/allochtone patiënten

Bij allochtone patiënten is een aangepaste wijze van vragen van belang. In tegenstelling tot de Nederlandse cultuur, die individualistisch is en waarin het gebruikelijk is om over gevoelens te praten, zijn niet-westerse culturen vaak collectivistisch. In collectivistische culturen wordt van individuen verwacht dat ze bovenal de harmonie in de groep bewaren en past het niet om te veel nadruk te leggen op de eigen mening en gevoelens.

Negatieve gevoelens worden vaak geuit als pijn, waarmee dan vaak ‘zielepijn’ bedoeld wordt.

Ook een in Nederland gebruikelijke vraag als ‘Heeft u problemen?’ zal ontkennend worden beantwoord; met iemand van buiten de familie worden problemen niet besproken. Een vraagvolgorde ‘van buiten naar binnen’ kan helpen bij het bespreekbaar maken van gevoelens. Daarbij komen eerst, indien nog niet bekend, globaal de familieomstandigheden (ook in land van herkomst) en de dagelijkse activiteiten (werk, huishouden) aan bod. Besteed dan aandacht aan de geuite klachten, vervolgens de maatschappelijke context waarin de klachten worden beleefd (relatie, werk, huisvesting), vervolgens de relatie die de klacht heeft met de familie, en pas als laatste de eigen beleving van de klachten (psychische gevolgen, oorzaken) [Limburg-Okken 1989].

Het is belangrijk om de vragen zo concreet mogelijk te stellen, bijvoorbeeld: Wanneer zijn de klachten precies begonnen? Wat gebeurde er die dag? Hoe gaat het op uw werk? Wat vindt de familie ervan? (kan ook onuitgesproken mening van de patiënt vertolken) Kunt u de andere mensen, de kinderen nog wel verdragen? (kan wijzen op depressie) Kunt u wel slapen door de ziekte? Droomt u veel? (dromen zijn belangrijk bij inheemse ziekte-interpretaties) Bent u bij dokters in uw eigen land geweest? Denkt u dat er toverij in het spel is? Wat vindt de geestelijke/genezer er van?

Deze vragen kunnen een goed inzicht bieden in ideeën en verwachtingen die leven bij patiënten, bij allochtone en een deel van de vragen ook bij autochtone. Daarnaast is het belangrijk dat een arts ook zijn verklaring bespreekt met de patiënt om zo samen tot een gedeeld model te komen, hetgeen van belang is voor de behandeling en verwachte uitkomsten.

TerugNoot 17: Somatisch onvoldoende verklaarde klachten

Uit een onderzoek onder 685 patiënten die een afspraak bij de huisarts maakten voor een nieuwe klacht bleek dat 76 procent van de patiënten met een depressie of angststoornis somatische klachten presenteerden. De diagnose angst of depressie werd vastgesteld door middel van vragenlijsten. De kans op het niet herkennen van de onderliggende psychiatrische aandoening correleerde met de ernst van de somatisatie. Hoe ernstiger het somatisatiegedrag des te groter de kans op het niet herkennen van de angststoornis [Kirmayer 1993].

TerugNoot 18: Alcoholmisbruik

Angststoornissen en alcoholmisbruik gaan vaak samen. Dat is vooral onderzocht bij de sociale angststoornis, paniekstoornis, gegeneraliseerde angststoornis, fobieën en PTSS [Sareen 2001, Alegria 2010, Regier 1990, Jacobsen 2001]. Het lijkt dat alcoholmisbruik zowel de oorzaak als het gevolg kan zijn, maar meestal ontstaat het alcoholmisbruik na de angststoornis [Schneier 2010, Marquenie 2007]. Alcohol wordt gebruikt als zelfmedicatie tegen angst. Voor een adequate diagnostiek van de angststoornis is stoppen of drastisch minderen van het alcoholgebruik noodzakelijk. Bij voorkeur moet de alcoholverslaving worden behandeld, voordat de angststoornis wordt behandeld. Uit een Nederlands RCT (n = 96) blijkt dat cognitieve therapie bij agorafobie of sociale fobie bij gedetoxificeerde alcoholafhankelijke mensen de angstklachten verminderde, maar terugval in alcoholgebruik niet verkleinde ten opzichte van personen die niet voor hun angststoornis behandeld werden [Schade 2008] (Zie NHG-Standaard Problematisch alcoholgebruik).

TerugNoot 19: Angststoornissen en suïcide

Personen met een angststoornis hebben vaker suïcidale gedachten en doen vaker een suïcidepoging dan personen zonder angststoornis. Cross-sectionele onderzoeken toonden dit vooral aan bij PTSS en bij paniekstoornissen, waarbij er gecorrigeerd werd voor confounders zoals comorbide psychische aandoeningen [Pilowsky 2006, Sareen 2005b, Sareen 2007].

TerugNoot 20: Vierdimensionale Klachtenlijst (4DKL)

De 4DKL is te gebruiken als aanvulling op de anamnese. Met de uitkomsten van deze door de patiënten zelf (thuis) in te vullen lijst kunnen de huisarts en patiënt beoordelen of en op welk vlak verdere diagnostiek en behandeling nodig is. Ook kan deze lijst gebruikt worden voor het volgen van de klachten in de loop van de tijd.

De lijst bestaat uit vijftig items, verdeeld over vier dimensies (distress, depressie, angst en somatisatie), die vragen naar klachten in de afgelopen zeven dagen. De huisarts bespreekt de 4DKL-uitkomsten met de patiënt en maakt onderscheid tussen spannings-, angst-, depressieve en somatisatieklachten:

  • alleen spanningsklachten: hoge score op distress en lage op depressie en angst;
  • angst- of depressieve klachten: hoge score op distress en op angst respectievelijk depressie. Hoe hoger de score op distress, hoe groter het subjectief lijden en hoe groter de kans op sociaal disfunctioneren;
  • somatisatieklachten: hoge score op somatisatie en meestal ook een hoge score op distress.

De Distressschaal vraagt naar psychische spanningsklachten, variërend van licht (piekeren, gespannenheid) tot ernstig (onmacht, demoralisatie). De Depressieschaal vraagt naar specifieke symptomen van een stemmingsstoornis: ernstige anhedonie en depressieve cognities. De Angstschaal vraagt naar specifieke symptomen van angststoornissen: irrationele en fobische angst. De Somatisatieschaal vraagt naar een scala aan functionele lichamelijke klachten. De 4DKL bestaat uit 50 items, 16 items voor Distress, 6 items voor Depressie, 12 items voor Angst en 16 items voor Somatisatie. De vragen betreffen de periode van de afgelopen week en worden beantwoord met: ‘nee’ (0 punten), ‘soms’ (1 punt), ‘regelmatig’, ‘vaak’, ‘heel vaak’ of ‘voortdurend’ (allemaal 2 punten) [Terluin 1996]. Hoe hoger de angstscore, hoe groter de kans op het bestaan van één of meer angststoornissen. Ten opzichte van de DSM-IV-diagnosen paniekstoornis, agorafobie en/of sociale fobie heeft de 4DKL-angstscore een Area Under the Curve van 0,85, dat wil zeggen dat de kans 85% is dat een willekeurige angstpatiënt hoger scoort op de 4DKL dan een willekeurige niet-angstpatiënt. Een gegeneraliseerde angststoornis verraadt zich niet altijd door een hoge angstscore, maar meestal wel door een verhoogde distressscore [Terluin 2008, Terluin 2009]. Of obsessieve-compulsieve stoornis, hypochondrie en posttraumatische stressstoornis kunnen worden gedetecteerd met deze vragenlijst is nog niet onderzocht. De 4DKL is afgedrukt in Huisarts en Wetenschap [Terluin 1996] en gratis beschikbaar via internet voor niet-commerciële doeleinden (www.emgo.nl/researchtools/4dsq.asp).

Conclusie: de 4DKL is een vragenlijst die als hulpmiddel gebruikt kan worden om onderscheid te maken tussen spannings-, angst-, depressieve en somatisatieklachten. Zonder gestructureerde anamnese kan met de 4DKL geen diagnose gesteld worden.

TerugNoot 21: Lichamelijk en aanvullend onderzoek

De aanbevelingen voor lichamelijk en aanvullend onderzoek zijn gebaseerd op consensus van de werkgroep.

TerugNoot 22: Somatisatie en somatoforme stoornissen

Somatisatie is een neiging lichamelijke klachten te ervaren en te uiten, deze toe te schrijven aan lichamelijke ziekte en er medische hulp voor te zoeken, terwijl er geen somatische pathologie gevonden wordt die de klachten voldoende verklaart [Lipowski 1988]. Somatisatie is dus een benaming voor het proces dat ertoe leidt dat patiënten met somatisch onvoldoende verklaarde lichamelijke klachten (SOLK) zich met hun klachten (blijven) wenden tot een arts in de hoop dat deze een ziekte vindt. SOLK wordt niet gezien als angststoornis, omdat bij de meeste patiënten met SOLK angst niet voorop staat. Er is sprake van een somatoforme stoornis bij SOLK die voldoen aan de criteria van een van de somatoforme stoornissen volgens de DSM-IVTR [American Psychiatric Association 2000]. Bij een somatoforme stoornis is er per definitie sprake van een forse, en vaak langdurige beperking in het functioneren. In de DSM-IVTR zijn zeven somatoforme stoornissen opgenomen: ongedifferentieerde somatoforme stoornis, somatoforme stoornis niet anders omschreven, somatisatiestoornis, pijnstoornis, conversie, gestoorde lichaamsbeleving en hypochondrie. Hypochondrie wordt in de NHG-Standaard Angst behandeld, omdat hierbij de angst voor een ernstige ziekte op de voorgrond staat.

TerugNoot 23: Effect van aspecifieke interventieaspecten

Bij psychologische behandelingen wordt het effect niet alleen bepaald door de specifieke interventie. Lambert en Barely gaven een overzicht van de factoren die het effect bepalen: er zijn zogenaamde extra-therapeutische factoren zoals spontaan herstel en sociale steun; de factor verwachting zoals het placebo effect; specifieke therapeutische technieken; en niet-specifieke technieken zoals een (geslaagde) therapeutische alliantie, empathie, het bieden van hoop, het opstellen van een gestructureerd behandelplan en een voor de patiënt én hulpverlener overtuigende rationale van de aanpak. Op basis de resultaten van een groot aantal onderzoeken stellen Lambert en Barely dat de specifieke therapeutische technieken het behandelresultaat voor 15% bepalen, terwijl de niet-specifieke factoren dit voor 30% bepalen, de verwachting voor 15% en de extra-therapeutische factoren voor 40%. Andere onderzoekers bevestigden dat niet-specifieke aspecten voor het effect van de behandeling belangrijker zijn dan de specifieke interventie-technieken. [Luborsky 2002, Wampold 2001, Hubble 1999, Lambert 2001, Lambert 2003]. Centraal staat dat de hulpverlener de patiënt tegemoet treedt met aandachtig luisteren (zonder te oordelen) en flexibiliteit, en zich richt op de patiënt in zijn context. De motivatie van de hulpverlener en zijn attitude, hebben grote invloed op de manier waarop hij communiceert [Levinson 1995] en op het effect van de behandeling: hoe meer de hulpverlener zelf in de behandeling gelooft, des te beter de resultaten ervan zijn [Wampold 2001].

TerugNoot 24: Stepped-care model

Het uitgaan bij de behandeling van een stepped-care model komt overeen met de multidisciplinaire richtlijn Angststoornissen [Trimbos instituut 2010, Trimbos instituut 2011, Trimbos instituut 2003].

TerugNoot 25: Problem-solving treatment (PST)

PST is een korte psychologische behandeling, ontwikkeld voor gebruik in de eerste lijn. PST is gebaseerd op de principes van cognitieve gedragstherapie en beoogt versterking van zelfmanagement en copingstrategieën (empowerment). PST kan effectief door verschillende hulpverleners worden toegepast, onder andere door huisartsen en POH-GGZ, mits zij goed getraind zijn. Het doel van de behandeling is het verminderen van psychische klachten die samenhangen met onopgeloste problemen in het dagelijks leven. Als patiënten meer greep op deze problemen krijgen en meer controle ervaren over wat ze overkomt, nemen klachten veelal af. Tijdens de behandeling helpt de behandelaar de patiënt zijn problemen helder te definiëren en door middel van doelen te formuleren wat hij hieraan zou willen veranderen. De patiënt leert in een systematische aanpak om actuele maar ook toekomstige problemen effectiever te kunnen aanpakken. De nadruk van de behandeling ligt niet zozeer op het oplossen van de problemen, maar op het feit dat patiënten zelf actief met de problemen aan de slag (leren) gaan. Het protocol gaat uit van 4 tot 6 gesprekken van maximaal een half uur (dubbelconsult).

In een meta-analyse van kortdurende psychologische behandelingen in de eerste lijn bleek PST in vergelijking met gebruikelijke zorg effectief voor depressieve en gemengde angst-depressie-problematiek (gestandaardiseerde gemiddelde verschil −0,17; 95%-BI −0,41 tot −0,07, n = 579) [Cape 2010]. De effectgrootte is echter laag. Er is onvoldoende bewijs dat PST effectief is voor angstproblematiek die niet gepaard gaat met depressieve klachten [Hassink-Franke 2010].

TerugNoot 26: Cognitieve gedragstherapie (CGT)

In een meta-analyse (n = 106 RCT’s) bij volwassenen met alle angststoornissen (behalve specifieke fobie) werd onderzocht of de effectiviteit verschilt per angststoornis en of sommige CGT-componenten, zoals exposure, cognitieve herstructurering, bij een bepaalde angststoornis zijn ge(contra)indiceerd [Norton 2007]. CGT had betere effecten dan geen behandeling of placebo bij alle angststoornissen. De effecten op de gegeneraliseerde angststoornis en PTSS waren significant hoger dan voor de sociale fobie. De effecten op andere angststoornissen verschilden niet significant van elkaar. Het was van geen invloed welke componenten de CGT bevatte.

In een meta-analyse (47 RCT’s; n = 1811) werd de effectiviteit van (cognitieve) gedragstherapie op een paniekstoornis onderzocht. (C)GT was superieur ten opzichte van geen therapie in het verminderen van angst en geassocieerde depressieve symptomen en voor het verbeteren van de kwaliteit van leven. De uitval was bij cognitieve gedragstherapie lager dan bij gedragstherapie [Mitte 2005].

Een Cochrane-review (n = 25 RCT’s; n = 1305) toonde dat bij een gegeneraliseerde angststoornis cognitieve gedragstherapie voor angstreductie op de korte termijn effectiever is dan gewoonlijke zorg of op een wachtlijst staan (RR 0,64; 95%-BI 0,55 tot 0,74). Naar het effect op de lange termijn zijn geen onderzoeken gedaan. Of CGT effectiever is dan andere psychologische therapieën kon ook niet worden vastgesteld [Hunot 2007].

Een meta-analyse (n = 46 RCT’s) van (cognitief) gedragstherapeutische technieken toonde dat cognitieve herstructurering met exposure effectiever was dan op een wachtlijst staan in de behandeling van sociale fobie [Fedoroff 2001].

In een andere Cochrane-review van 8 RCT’s werd (cognitief) gedragstherapeutische behandeling vergeleken met gebruikelijke zorg bij volwassenen met een obsessieve-compulsieve stoornis. (C)GT bleek effectiever (gestandaardiseerde gemiddelde verschil −1,24; 95%-BI −1,61 tot −0,87) in de vermindering van symptomen dan gebruikelijke zorg, waarbij de grootte van het effect afhankelijk was van de ernst van de aandoening [Gava 2007].

Conclusie: cognitieve gedragstherapie is bij alle angststoornissen effectiever dan geen behandeling, placebo, wachtlijstconditie of gebruikelijke zorg.

TerugNoot 27: Ontspanningstechnieken

In een review is de effectiviteit van beweging, yoga, meditatie, tai chi en qigong op angststoornissen bekeken [Saeed 2010]. Over het algemeen is er weinig onderzoek naar deze behandelingen gedaan. Er was slechts één trial die aantoonde dat beweging effectiever is dan placebo, maar niet zo effectief is als clomipramine. Yoga leek in een systematisch review van vijf kleine trials met methodologische tekortkomingen effectiever dan placebo. Voor de effectiviteit van tai chi, qigong en meditatie is geen bewijs. Naar het effect van haptotherapie is geen onderzoek verricht.

Conclusie: yoga is mogelijk werkzaam bij de behandeling van angststoornissen. De kwaliteit van het bewijs is echter laag.

TerugNoot 28: Mindfulness

Mindfulness komt oorspronkelijk uit het Boeddhisme. Mindfulness verwijst naar een proces dat leidt naar een mentale toestand met een niet-oordelend bewustzijn van ervaringen op dit moment. De ervaringen zijn gevoelens, gedachten, lichaamshouding, bewustzijn en de omgeving, terwijl daarbij openheid, nieuwsgierigheid en acceptatie wordt aangemoedigd. Een meta-analyse toonde een positief effect van op mindfulness gebaseerde therapievormen (vooral cognitieve gedragstherapie en stressreductie) op angstsymptomen bij velerlei aandoeningen. Zeven onderzoeken ervan betroffen angststoornissen (gegeneraliseerde angststoornis, paniekstoornis en sociale fobie) en lieten een hoge effectgrootte (Hedges’ g 0,97; 95%-BI 0,73 tot 1,22) zien op het verbeteren van angstsymptomen [Hofmann 2010].

TerugNoot 29: Cognitieve gedragstherapie bij hypochondrie

Onderzoeken tonen aan dat een cognitieve benadering, die de patiënt inzicht geeft in het proces dat de angst voor een lichamelijke ziekte in stand houdt, werkt [Thomson 2007]. Er is slechts één RCT (n = 112) gedaan waarin de effecten op de Whiteley Index (zelfinvulvragenlijst voor hypochondrieklachten) van cognitieve gedragstherapie vergeleken werd met paroxetine en placebo gedurende 16 weken. CGT en paroxetine hadden een gelijkwaardig gunstig effect op de klachten (effectgrootte 0,58 en 0,53). In het follow-uponderzoek (n = 33 CGT; n = 29 paroxetine) bleek dat dit na 18 maanden nog zo was [Greeven 2009, Greeven 2007]. Omdat dit slechts een onderzoek betreft, beveelt de werkgroep een medicamenteuze behandeling voor hypochondrie niet aan.

TerugNoot 30: Zelfhulp met begeleiding op afstand

Zelfhulpmethodes variëren van zelfhulpboeken tot zelfhulpprogramma’s op internet, zonder of met begeleiding op afstand.

In een RCT (n = 49; 71% vrouw; gemiddeld 35 jaar) bij patiënten die gemiddeld 9 jaar een paniekstoornis hadden , bleek een via e-mail begeleid zelfhulpprogramma (psycho-educatie, ademhalingsoefeningen, cognitieve herstructurering, ‘exposure in vivo’ en terugvalpreventie) op internet even effectief als individuele CGT [Carlbring 2005]. In een andere RCT (n = 55, 80% vrouw) naar paniekstoornissen waren internet-CGT (onder andere ademhalingsoefeningen, cognitieve herstructurering, exposure in vivo) met wekelijks e-mailcontact en een CGT-zelfhulpboek met wekelijks telefonisch contact met een therapeut beide effectiever dan een controlegroep met alleen informatie met wekelijks telefonisch contact [Klein 2006].

Bij specifieke fobieën en sociale fobie bleek een directe behandeling van een therapeut beter dan een zelfhulpbehandeling in een meta-analyse (n = 33 RCT’s) [Hirai 2006].

Een RCT (n = 224) toonde bij patiënten met een ernstige sociale fobie dat een zelfhulpboek in combinatie met groepssessies begeleid door een therapeut effectiever was dan zelfhulpboek zonder deze groepssessies. De effecten verschilden niet van gebruikelijke groeps-CGT [Rapee 2007].

In een RCT (n = 235) bleek bij patiënten met sociale fobie dat degene die een zelfhulpboek hadden gebruikt of internet-CGT met wekelijkse e-mailcontacten hadden gevolgd betere resultaten lieten zien dan patiënten op de wachtlijst. De behandelingen werden niet met de effecten van directe behandeling door een therapeut vergeleken [Furmark 2009].

In een RCT (n = 96) bleek voor patiënten met PTSS internet-CGT beter dan de wachtlijstconditie [Knaevelsrud 2007]. In een RCT (n = 45) bleek internet-zelfmanagement-CGT beter dan internetondersteunde counseling (beperkt tot de dagelijkse niet-trauma gerelateerde spanningen), beide met regelmatige e-mail of telefonische contacten [Litz 2007].

In een RCT (n = 41; 63% man; gemiddeld 38 jaar) met poliklinische patiënten met een obsessieve-compulsieve stoornis, medicamenteus zonder effect behandeld, bleek exposure en responspreventie door een therapeut beter dan wanneer door de patiënt zelf toegepast [Tolin 2007].

In een Britse RCT (n = 139; 84% vrouw; gemiddeld 39 jaar) bleken patiënten met milde tot matige angststoornis en/of depressie in de eerste lijn even goed te reageren op zelfhulp-CGT begeleid door een praktijkverpleegkundige (3 sessies) als op gebruikelijke zorg van de huisarts [Richards 2003]. Een andere RCT (n = 274) toonde bij huisartspatiënten met matige tot ernstige angst en/of depressie, met of zonder gebruik van medicatie, aan dat internet CGT beter was dan gebruikelijke zorg. Dit was onafhankelijk van leeftijd, geslacht, ziekteduur en medicatiegebruik [Proudfoot 2004].

Uit een onderzoek blijkt dat patiënten CGT-vaardigheden goed kunnen oppikken via de computer [Craske 2009]. Een review (6 RCT’s) van zelfhulpboeken voor angststoornissen in de eerste lijn suggereert dat zelfhulpboeken een effectieve behandelmogelijkheid zijn. Hoe meer tijd er werd besteed aan begeleiding van het gebruik van het zelfhulpboek, hoe groter de effectiviteit [Van Boeijen 2005].

Conclusie: over het algemeen lijken zelfhulpmethodes (met name in de vorm van cognitieve gedragstherapie) effectiever dan wachtlijstcondities, maar minder effectief dan behandeling door een therapeut. De werkgroep meent dat zelfhulpmethodes een bijdrage kunnen leveren aan de aanpak van milde angststoornissen of in de wachttijd tot een psychotherapeutische behandeling. Het effect wordt groter met een regelmatige begeleiding. Regelmatig worden er door regionale GGZ-instellingen zelfhulprogramma’s opgezet. Ook op de site van de Angst, Dwang en Fobie stichting zijn voorbeelden te vinden: www.adfstichting.nl/WatdoetdeADFStichting/tabid/397/Default.aspx

TerugNoot 31: Psychotherapie versus medicamenteuze behandeling

Een meta-analyse van RCT’s die het effect van medicatie en cognitieve gedragstherapie op angstgerelateerde symptomen (gescoord door artsen of patiënten) vergeleken bij een paniekstoornis (16 RCT’s), gegeneraliseerde angststoornis (2 RCT’s) en sociale fobie (6 RCT’s) vond een gelijke effectiviteit. Er werd geen rekening gehouden met de duur van de behandeling. Door gebrek aan voldoende gegevens kon voor de gegeneraliseerde angststoornis geen conclusie worden getrokken. Alleen bij een paniekstoornis was combinatietherapie effectiever dan de behandelingen afzonderlijk [Bandelow 2007].

In een andere meta-analyse (11 onderzoeken) bleek dat (cognitieve) gedragstherapie even effectief was als medicamenteuze behandeling voor een paniekstoornis met of zonder agorafobie (effectgrootte 0,13; 95%-BI -0,03 tot 0,30) [Mitte 2005]. Het uitvalpercentage voor medicamenteuze therapie was significant hoger (20,4% versus 15,1%).

In een Cochrane-review bleek dat, 6 tot 24 maanden na het staken van de behandeling van een paniekstoornis, de groep die een combinatiebehandeling kreeg een hoger aantal responders hield dan de groep die alleen medicatie kreeg (n = 376, RR 1,61; 95%-BI 1,23 tot 2,11). Daarnaast bleek er na 6 tot 24 maanden evenveel responders te zijn in de groep die een combinatiebehandeling kreeg als in de groep die alleen CGT kreeg (n = 658, RR 0,96; 95%-BI 0,79 tot 1,16) [Furukawa 2007].

In een van drie recentere studies die het effect van een antidepressivum (fluoxetine, sertraline) en cognitieve gedragstherapie op sociale fobie vergeleken bleek cognitieve gedragstherapie effectiever dan fluoxetine, in de andere twee bleken beide behandelingen even effectief [Blomhoff 2001, Davidson 2004, Clark 2003].

Conclusie: cognitieve gedragstherapie is minstens zo effectief als een behandeling met antidepressiva voor de behandeling van paniekstoornissen en sociale fobieën. Bij gebrek aan voldoende onderzoek kan voor de gegeneraliseerde angststoornissen geen conclusie getrokken worden.

TerugNoot 32: Bètablokkers

In een review worden 4 RCT’s beschreven die het effect van propanolol onderzochten bij personen die kortdurende angstverhogende situaties ervoeren (oogchirurgen met tremor en angst, patiënten met een tandartsfobie, geneeskundestudenten met examenstress en patiënten met angst voor een operatie). De onderzoeken toonden een vermindering van de angst of tremor door propranolol ten opzichte van placebo. Ook verbeterden de examenresultaten van de geneeskundestudenten [Davidson 2006].

Conclusie: propranolol is effectief bij kortdurende angstige situaties, zoals bij examen- en podiumvrees.

TerugNoot 33: Keus van antidepressiva

De werkzaamheid van antidepressiva voor angststoornissen is aangetoond. In een meta-analyse (53 onderzoeken; n = 7725; 65% vrouw; gemiddeld 36 jaar) waarin het effect van medicatie op paniekstoornis werd onderzocht, bleken SRRI’s en TCA’s effectiever dan placebo. Er was geen verschil tussen SSRI’s en TCA’s in de mate van effectiviteit (beide effectgrootte g = 0,41) en uitval [Mitte 2005]. Een Cochrane-review (35 RCT’s; n = 4597) toonde aan dat antidepressiva effectief waren in het reduceren van de ernst van PTSS-symptomen. Ten opzichte van placebo was het gewogen gemiddelde verschil van de CAPS-score (Clinician Administered PTSD Scale) −576; 95%-BI −8,16 tot −3,36 (n = 2507) [Stein 2006]. Een Cochrane-review (37 RCT’s; n = 5264) toonde een positief effect van SSRI’s aan bij sociale fobie [Stein 2004]. De ernst van symptomen van de sociale fobie verminderde met SSRI’s ten opzichte van placebo op de Liebowitz Social Anxiety Scale (LSAS) met −18,0 (95 %-BI −25,17 tot -10,83). Er waren aanwijzingen voor publicatiebias. Voor de gegeneraliseerde angststoornis werd in een Cochrane-review (7 RCT’s) evenzo een positief effect van antidepressiva (imipramine, venlafaxine en paroxetine) ten opzichte van placebo gevonden [Kapczinski 2003]. De uitkomstmaat ‘afwezigheid van respons’ had een gepoold relatief risico (RR) van 0,70 (95%-BI 0,62 tot 0,79) ten faveure van antidepressiva. De Number Needed to Treat was 5,5.

Het gebruik van een SSRI heeft de voorkeur boven een TCA bij alle angststoornissen. De effectiviteit is over het algemeen gelijk aan een TCA, maar het gebruik van een SSRI gaat samen met een betere therapietrouw. Tevens is er meer onderzoek naar gedaan [Bakker 2002]. De keuze voor een SSRI boven een TCA geldt voor een paniekstoornis [Taylor 2006, Katon 2006, Roy-Byrne 2006, Bakker 2002, Bakker 2005], PTSS [Vieweg 2006, Freedy 2010, Forbes 2007b], obsessieve-compulsieve stoornis [Jenike 2004, Heyman 2006] en gegeneraliseerde angststoornis [Fricchione 2004, Tyrer 2006]. Bij een sociale fobie is alleen therapie met SSRI’s onderzocht [Stein 2008, Culpepper 2006, Schneier 2006] in verband waarmee het gebruik van TCA’s voor deze indicatie niet wordt geadviseerd. De werkgroep is van mening dat er in de eerste lijn geen duidelijke meerwaarde is voor gebruik van serotonine noradrenaline heropname remmers (SNRI’s), zoals venlafaxine. Vanwege het grotendeels ontbreken van onafhankelijke en vergelijkende onderzoeken van venlafaxine met SRRI’s en TCA’s is de plaats in deze behandelingen nog onduidelijk.

TerugNoot 34: Bijwerkingen antidepressiva

TCA’s

De belangrijkste bijwerkingen zijn anticholinerge effecten: droge mond, obstipatie, urineretentie en bij ouderen soms verwardheid. Daarnaast zijn bekend: misselijkheid, gewichtstoename, sedatie, erectiestoornis, ejaculatio tarda, accommodatiestoornissen, sterke transpiratie bij de geringste inspanning en pupilverwijding die kan leiden tot verhoging van de oogboldruk. Met name bij ouderen kunnen centrale bijwerkingen als cognitief disfunctioneren, agitatie en verwardheid optreden en bij een (te) hoge dosis een toxisch anticholinerg delier met desoriëntatie, visuele hallucinaties, insulten en coma. Orthostatische hypotensie en duizeligheid zijn een gevolg van de antinoradrenerge werking. Het risico is groter bij bestaande cardiovasculaire aandoeningen, vooral hartfalen, en bij ouderen en kan leiden tot vallen en andere ongelukken. Ten gevolge van de anticholinerge werking kunnen tachycardie en hartkloppingen optreden. Er kunnen geleidingsveranderingen van het hart optreden, zich uitend in verlenging van het QTc-interval. In therapeutische doseringen is alleen bij bestaande cardiovasculaire aandoeningen (met name bij eerstegraads hartblok, bundeltakblok of een verlengd QTc-interval, hartfalen en een recent doorgemaakt myocardinfarct) voorzichtigheid geboden. Bij overdosering (bijvoorbeeld bij suïcidepogingen) kan deze beïnvloeding aritmieën veroorzaken en levensbedreigend zijn. TCA’s kunnen de glucosehuishouding beïnvloeden; clomipramine kan een daling van de insulinebehoefte geven. Ook onderdrukking van de REM-slaap kan optreden. Het risico op maagdarmbloedingen is verhoogd bij ouderen vanaf tachtig jaar en bij een anamnese van een maagdarmbloeding. Bij patiënten vanaf vijftig jaar is er een verhoogd risico op botfracturen.

SSRI’s

Vooral in het begin van de behandeling kunnen de volgende bijwerkingen optreden: maagdarmstoornissen (zoals misselijkheid, diarree en obstipatie), hoofdpijn, anorexie, agitatie, verwardheid, angst, nervositeit, sedatie, slapeloosheid, myoclonieën en zweten. Verdere bijwerkingen van SSRI’s zijn slaperigheid, tremoren, droge mond, seksuele stoornissen (vooral ejaculatiestoornis, libidovermindering), gewichtstoe en -afname. Gebruik van SSRI’s gaat gepaard met een verhoogd risico op botfracturen. Parkinsonachtige bijwerkingen zijn minder frequent gemeld: meestal betreft het acathisie, maar ook acute dystonie en dyskinesie is beschreven. Vooral bij ouderen dient men hierop bedacht te zijn. De insultdrempel kan door SSRI’s worden verlaagd. Verder zijn van SSRI’s in zeldzame gevallen meldingen van hallucinaties gedaan. Bij fluoxetine is enige anorexie en gewichtsverlies opvallend, terwijl bij andere SSRI’s veeleer gewichtstoename wordt waargenomen. SSRI’s kunnen een daling van de insulinebehoefte geven. Het bloedingsrisico is verhoogd met als symptomen blauwe plekken, purpura, bloedingen en thrombocytopenie. (www.fk.cvz.nl) [Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP) 2011, Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO 2010].

In de media is naar aanleiding van een moordzaak veel aandacht geweest voor de relatie tussen het gebruik van SSRI’s en het optreden van agressie. Het Nederlands Bijwerkingen Centrum Lareb heeft de meldingen van agressie bij verschillende SSRI’s geanalyseerd in een rapportage aan het CBG (www.lareb.nl zoekterm ‘SSRI’s’) en komt tot de conclusie dat er sprake is van een mogelijke relatie tussen het gebruik van SSRI’s en het optreden van agressie. Ook de gegevens uit de WHO-databank van vermoede bijwerkingen ondersteunen deze associatie. Als mogelijk mechanisme ziet men de rol van serotonine bij de inhibitie van impulsen, de regulatie van emoties en sociaal functioneren. Deze domeinen zijn gerelateerd aan agressief gedrag [Ryding 2008, Krakowski 2003]. Er zijn onderzoeken die een relatie tussen agressiviteit en SSRI’s beschrijven [Healy 2006, Okada 2001, Breggin 2003], maar andere onderzoeken vinden geen associatie [Tauscher-Wisniewski 2007, Walsh 2001]. Een systematisch review van tien antidepressiva-placebo gecontroleerde onderzoeken vindt bij zes onderzoeken (waarvan vier onderzoeken met SSRI’s) een positieve associatie tussen het gebruik van het antidepressivum en agressief gedrag [Goedhard 2006]. Uit de meldingen van LAREB blijkt dat vooral bij starten van behandeling met SSRI’s tijdelijke toename in angst en of paradoxale verslechtering van depressieve stemming kan optreden. Dit kan leiden tot reactief agressief gedrag. Concluderend is er zwak bewijs voor een relatie tussen agressief gedrag en het gebruik van SSRI’s. Het onderliggend ziektebeeld en omgevingsinvloeden maken het met zekerheid aantonen van een werkelijke relatie tussen het optreden van agressief gedrag en het gebruik van een SSRI moeilijk.

TerugNoot 35: Verhoogd risico op bloedingen bij SSRI en NSAID

Een meta-analyse van 4 observationele onderzoeken (1 cohort en 3 patiëntcontrole) (n = 153.000) toonde een oddsratio van 2,36 (95%-BI 1,44 tot 3,85) voor het ontwikkelen van een maagbloeding bij het gebruik van een SSRI. De oddsratio steeg tot 6,33 (95%-BI 3,40 tot 11,8) met gelijktijdig gebruik van een NSAID. Bij patiënten ouder dan 50 jaar en geen risicofactoren voor een maagbloeding is de number needed to harm 411 per jaar voor SSRI’s alleen en 106 voor de combinatie met een NSAID [Loke 2008].

Conclusie: er is sterk bewijs voor een verhoogd risico op een maagbloeding bij gelijktijdig gebruik van een SSRI en een NSAID. Voeg bij gelijktijdig gebruik van een SSRI en NSAID een maagbeschermer toe.

TerugNoot 36: Antidepressiva bij ouderen

Bij ouderen heeft een SSRI met zo min mogelijk interacties, zoals citalopram en sertraline, de voorkeur. Ouderen zijn gevoelig voor de centrale anticholinerge bijwerkingen van TCA's die het cognitief functioneren negatief kunnen beïnvloeden. Ook de orthostatische hypotensieve werking van TCA’s kan bij ouderen een groter probleem vormen dan bij jongeren. Gebruik van antidepressiva gaat gepaard met toenemend risico op vallen en heupfracturen. Dit risico blijkt voor de SSRI's even groot als voor de TCA's. Vanwege het risico op hyponatriëmie wordt bij ouderen die SSRI’s in combinatie met een diureticum gebruiken, aangeraden het natriumgehalte na vijf tot negen dagen na de start te controleren. Ook zonder diuretica is natriumcontrole bij andere vormen van volumedepletie (zoals braken en diarree) van belang. (www.fk.cvz.nl) [Pollock 1999, Wijnen 2004, Ministerie van VWS 2009]. Het is raadzaam om bij ouderen een lagere begindosering te hanteren en de dosering langzamer op te bouwen. Voor een aantal middelen geldt een lagere maximale dosering voor ouderen. Anderzijds moet wel gestreefd worden naar een einddosering waarvan optimale therapeutische werkzaamheid verwacht mag worden [Trimbos instituut 2008].

TerugNoot 37: Serotoninesyndroom

Het zeldzame maar potentieel fatale serotoninesyndroom, met autonome instabiliteit (hyperthermie, zweten, tachycardie, bloeddrukwisselingen, verwijde pupillen, tachypneu, misselijkheid en braken, diarree en urine-incontinentie) naast bewustzijnsstoornissen (verwardheid, desoriëntatie, agitatie, hallucinaties, angst, somnolentie en coma) en neuromusculaire symptomen (myoclonieën, tremoren, bewegingsonrust, rigiditeit, trismus, hyperreflexie en ataxie) komt vooral voor bij de combinatie van een SSRI of TCA met andere psychotrope medicatie, maar ook bij combinatie met bijvoorbeeld tramadol, venlafaxine, trazodon of sint-janskruid (hypericum) [Izzo 2001]. Een serotonerg werkend middel alleen kan echter óók aanleiding geven tot een serotoninesyndroom. Als in de voorgaande vijf weken een serotonerge stof is gebruikt, moet worden uitgegaan van het serotoninesyndroom als een van de volgende symptomen aanwezig zijn:

  • tremor in combinatie met hyperreflexie;
  • spontane spierclonus;
  • spierrigiditeit in combinatie met lichaamstemperatuur > 38 °C en oculaire clonus of opwekbare spierclonus;
  • oculaire spierclonus in combinatie met agitatie en zweten;
  • opwekbare spierclonus in combinatie met agitatie en zweten [Boyer 2005] (www.lareb.nl en www.fk.cvz.nl).
TerugNoot 38: Antidepressiva tijdens zwangerschap en lactatie

Van geen enkel antidepressivum is bewezen dat het veilig kan worden gebruikt tijdens zwangerschap en lactatie. Bij de afweging of een antidepressivum noodzakelijk is, spelen de ernst van de angststoornis, aanwezigheid van alternatieve behandelingsmogelijkheden en de duur van de zwangerschap een rol. Als een antidepressivum noodzakelijk wordt geacht moet deze zo worden ingesteld of aangepast dat het risico van bijwerkingen en aangeboren afwijkingen zo klein mogelijk is [Bijl 2007].

TerugNoot 39: Aandachtspunten bij behandeling met antidepressiva

Er is weinig of geen bewijs over de beste manier van starten en verhogen van de dosering van een antidepressivum, omgaan met bijwerkingen en het overzetten van het ene antidepressivum naar een ander. De aanbevelingen zijn gebaseerd op consensus van de werkgroep.

TerugNoot 40: Alternatieve anxiolytica

Kennis van zelfmedicatie is vooral belangrijk omdat door combinatie van sommige middelen met reguliere medicatie gevaarlijke interacties kunnen ontstaan. sint-janskruid (hypericum) vermindert de serumconcentratie van onder andere anticoagulantia [Argento 2000] en vermindert de werkzaamheid van orale anticonceptiva. Bij gelijktijdig gebruik van een SSRI en sint-janskruid kan een serotoninesyndroom ontstaan [Izzo 2001]. Bij gelijktijdig gebruik met Sint-Janskruid zullen benzodiazepinen versneld worden afgebroken. Valeriaan kan het effect van andere sedativa versterken [Ang-Lee 2001]. Passiflora bevat vitamine K, waardoor de stolling kan toenemen, ook bij gebruik van anticoagulantia [Argento 2000]. Het wortelextract kava-kava, met een anxiolytische werking, is vanwege ernstige bijwerkingen (zoals levertoxiciteit) in Nederland niet meer in de handel, maar is via internet wel verkrijgbaar.

TerugNoot 41: Langdurig gebruik van anxioloytica

Langdurig gebruik van anxiolytica wordt niet aanbevolen. Aanvankelijk wordt de angst hiermee weliswaar effectief gereduceerd, maar vanwege de inductie van afhankelijkheid en gewenning na twee weken wordt er geen oplossing op lange termijn geboden (zie ook de NHG-Standaard Slaapproblemen en slaapmiddelen). Tevens hangt het gebruik van benzodiazepinen samen met een toegenomen valrisico met als gevolg femurfracturen en stoornissen in de cognitieve functies, zoals geheugen en concentratie [Gorgels 2001].

TerugNoot 42: Obsessieve-compulsieve stoornis (OCS)

De behandeling van een OCS wordt bij voorkeur uitgevoerd door een psycholoog of psychiater met ervaring in cognitieve gedragstherapie met responspreventie. De huisarts is hiervoor niet voldoende opgeleid en ziet deze patiënten weinig in de huisartsenpraktijk. Deze aandoening is chronisch, waarbij de behandeling vaak niet tot complete klachtenreductie leidt en vaak een onderhoudsbehandeling vereist. Bij de behandeling van OCS wordt in eerste instantie exposure in vivo met responspreventie gebruikt. Hierbij wordt de patiënt blootgesteld (exposure in vivo) aan de stimuli die zowel zijn obsessies als zijn neiging tot het uitvoeren van angstreducerende dwanghandelingen uitlokken. Hierbij wordt de patiënt verhinderd deze uit te voeren (responspreventie). Bij geen effect zal een antidepressivum gestart worden.

TerugNoot 43: Posttraumatische stressstoornis

De behandeling van een posttraumatische stressstoornis (PTSS) bestaat uit traumagerichte cognitieve gedragstherapie (CGT), die bestaat uit (imaginaire) exposure aan de psychotraumatische situaties die vermeden worden, of Eye Movement Desensitisation and Reprocessing (EMDR), door een daarin gespecialiseerde behandelaar. De patiënt maakt de keuze op basis van zijn behandelwens. EMDR bestaat sinds de jaren ’80 en is een techniek die voornamelijk wordt toegepast bij PTSS. Een essentieel element is het telkens verleggen van de aandacht van links naar rechts naar links, enzovoort. Dat kan met oogbewegingen (de therapeut gaat met zijn vingers ongeveer 25 cm voor het gezicht van de cliënt heen en weer) of met geluiden (een koptelefoon met een geluid met een links-rechtseffect erin) of de therapeut duwt of klopt zachtjes op bijvoorbeeld de linkerknie-rechterknie-linkerknie. Het precieze werkingsmechanisme achter het ‘links-rechts-links’ is nog onbekend. Wel komt uit onderzoek dat EMDR mét oogbewegingen betere effecten geeft dan EMDR zonder oogbewegingen [Lee 2008]. Verder blijkt uit een Cochrane-review (33 RCT’s; n = 16 tot n = 360; > 3 maanden na trauma) waarin trauma-gerichte CGT, groeps-CGT, stressmanagement, EMDR en een groep overige therapieën werden vergeleken, dat trauma-gerichte CGT en EMDR het effectiefste zijn in de behandeling van PTSS [Bisson 2007]. EMDR verbetert angstklachten en slaapproblemen [Raboni 2006]. Er zijn aanwijzingen dat EMDR effectiever is dan een SSRI bij PTSS [Van der Kolk 2007]. Psychologische debriefing, met een focus op het herbeleven van het trauma en ventileren van gevoelens, moeten niet routinematig aangeboden worden [Forbes 2007a]. Uit een Cochrane-review (11 RCT’s) bleek dat debriefing zelfs averechtse effecten kan hebben en dat er geen aanwijzingen zijn van effectiviteit van psychologische behandelingen ter preventie van PTSS [Roberts 2009]. Bij een trauma neemt de huisarts een houding van watchful waiting aan en verleent eerste psychologische hulp (psychoeducatie, activering en tegengaan van vermijding). Mensen met een complexe, ernstige PTSS (gecombineerd met andere psychiatrische stoornissen en vaak met sociaal disfunctioneren) of andere traumapathologie als gevolg van (oorlogs)geweld kunnen verwezen worden naar een gespecialiseerd behandelcentrum (www.centrum45.nl).

Alegria AA, Hasin DS, Nunes EV, Liu SM, Davies C, Grant BF, et al. Comorbidity of generalized anxiety disorder and substance use disorders: results from the National Epidemiologic Survey on Alcohol and Related Conditions. J Clin Psychiatry 2010;71:1187-95.

American Psychiatric Association. Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders, Fourth Edition, Text Revision (DSM-IV-TR). Washington: APA, 2000.

Ang-Lee MK, Moss J, Yuan CS. Herbal medicines and perioperative care. JAMA 2001;286:208-16.

Argento A, Tiraferri E, Marzaloni M. Anticoagulanti orali e piante medicinali. Una interazione emergente. Ann Ital Med Int 2000;15:139-43.

Bakker A, Van Balkom AJ, Spinhoven P. SSRIs vs. TCAs in the treatment of panic disorder: a meta-analysis. Acta Psychiatr Scand 2002;106:163-7.

Bakker A, Van Balkom AJLM, Stein DJ. Evidence-based pharmacotherapy of panic disorder. Int J Neuropsychopharmacol 2005;8:473-82.

Bandelow B, Seidler-Brandler U, Becker A, Wedekind D, Ruther E. Meta-analysis of randomized controlled comparisons of psychopharmacological and psychological treatments for anxiety disorders. World J Biol Psychiatry 2007;8:175-87.

Beekman ATF, Bremmer MA, Deeg DJH, Van Balkom AJLM, Smit JH, De Beurs E, et al. Anxiety disorders in later life: a report from the longitudinal aging study Amsterdam. Int J Geriat Psychiatry 1998;13:717-26.

Bienvenu OJ, Hettema JM, Neale MC, Prescott CA, Kendler KS. Low extraversion and high neuroticism as indices of genetic and environmental risk for social phobia, agoraphobia, and animal phobia. Am J Psychiatry 2007;164:1714-21.

Bienvenu OJ, Stein MB. Personality and anxiety disorders: a review. J Pers Disord 2003;17:139-51.

Bijl D, Verduijn M. Antidepressiva tijdens zwangerschap en borstvoeding. Geneesmiddelen Bulletin 2007;41:59-67.

Bisson J, Andrew M. Psychological treatment of post-traumatic stress disorder (PTSD). Cochrane Database Syst Rev 2007;CD003388.

Blomhoff S, Haug TT, Hellstrom K, Holme I, Humble M, Madsbu HP, et al. Randomised controlled general practice trial of sertraline, exposure therapy and combined treatment in generalised social phobia. Br J Psychiatry 2001;179:23-30.

Borthwick-Duffy SA. Epidemiology and prevalence of psychopathology in people with mental retardation. J Consult Clin Psychol 1994;62:17-27.

Boyer EW, Shannon M. The Serotonin Syndrome. New Engl J Med 2005;352:1112-20.

Bramsen I, Dirkzwager AJ, Van der Ploeg HM. Predeployment personality traits and exposure to trauma as predictors of posttraumatic stress symptoms: a prospective study of former peacekeepers. Am J Psychiatry 2000;157:1115-9.

Breggin PR. Suicidality, violence and mania caused by selective serotonin reuptake inhibitors (ssris): A review and analysis. Int J Risk Saf Med 2003;16:31-49.

Cape J, Whittington C, Buszewicz M, Wallace P, Underwood L. Brief psychological therapies for anxiety and depression in primary care: meta-analysis and meta-regression. BMC Med 2010;8:38.

Carlbring P, Nilsson-Ihrfelt E, Waara J, Kollenstam C, Buhrman M, Kaldo V, et al. Treatment of panic disorder: live therapy vs. self-help via the Internet. Behav Res Ther 2005;43:1321-33.

Clark DM. A cognitive approach to panic. Behav Res Ther 1986;24:461-70.

Clark DM, Ehlers A, McManus F, Hackmann A, Fennell M, Campbell H, et al. Cognitive therapy versus fluoxetine in generalized social phobia: a randomized placebo-controlled trial. J Consult Clin Psychol 2003;71:1058-67.

Craske MG, Rose RD, Lang A, Welch SS, Campbell-Sills L, Sullivan G, et al. Computer-assisted delivery of cognitive behavioral therapy for anxiety disorders in primary-care settings. Depress Anxiety 2009;26:235-42.

Culpepper L. Social anxiety disorder in the primary care setting. J Clin Psychiatry 2006;67 Suppl 12:31-7.

Davidson JR. Pharmacotherapy of social anxiety disorder: what does the evidence tell us? J Clin Psychiatry 2006;67 Suppl 12:20-6.

Davidson JRT, Foa EB, Huppert JD, Keefe FJ, Franklin ME, Compton JS, et al. Fluoxetine, comprehensive cognitive behavioral therapy, and placebo in generalized social phobia. Arch Gen Psychiatry 2004;61:1005-13.

Davis E, Saeed S, Antonacci D. Anxiety disorders in persons with developmental disabilities: empirically informed diagnosis and treatment. Psychiatr Q 2008;79:249-63.

De Graaf R, Ormel J, Ten Have M, Burger H, Buist-Bouwman M. Mental Disorders and service use in the Netherlands: Results from the European Study of the Epidemiology of Mental Disorders (ESEMeD). In: Kessler RC, Bedirhan Ustun T, editors. The WHO World Mental Health Surveys: Global Perspectives on the Epidemiology of Mental Disorders. Cambridge: Cambridge University Press, 2008: 388-405.

De Graaf R, Ten Have M, Van Dorselaar S. De psychische gezondheid van de Nederlandse bevolking. Nemesis-2: opzet en eerste resultaten. Utrecht: Trimbos Instituut, 2010.

De Graaf R, Ten Have M, Van Dorselaar S, Schoemaker C, Beekman ATF, Vollebergh WA. Verschillen tussen etnische groepen in psychiatrische morbiditeit: resultaten van NEMESIS. MgV 2005;60:703-16.

De Wit MA, Tuinebreijer WC, Dekker J, Beekman AJ, Gorissen WH, Schrier AC, et al. Depressive and anxiety disorders in different ethnic groups: a population based study among native Dutch, and Turkish, Moroccan and Surinamese migrants in Amsterdam. Soc Psychiatry Psychiatr Epidemiol 2008;43:905-12.

Dewa CS, Lin E. Chronic physical illness, psychiatric disorder and disability in the workplace. Soc Sci Med 2000;51:41-50.

Fedoroff IC, Taylor S. Psychological and pharmacological treatments of social phobia: a meta-analysis. J Clin Psychopharmacol 2001;21:311-24.

Forbes D, Creamer M, Phelps A, Bryant R, McFarlane A, Devilly GJ, et al. Australian guidelines for the treatment of adults with acute stress disorder and post-traumatic stress disorder. Aust N Z J Psychiatry 2007a;41:637-48.

Forbes D, Creamer MC, Phelps AJ, Couineau AL, Cooper JA, Bryant RA, et al. Treating adults with acute stress disorder and post-traumatic stress disorder in general practice: a clinical update. Med J Aust 2007b;187:120-3.

Freedy JR, Brock CD. Spotting-and treating-PTSD in primary care. J Fam Pract 2010;59:75-80.

Fricchione G. Clinical practice. Generalized anxiety disorder. N Engl J Med 2004;351:675-82.

Furmark T, Carlbring P, Hedman E, Sonnenstein A, Clevberger P, Bohman B, et al. Guided and unguided self-help for social anxiety disorder: randomised controlled trial. Br J Psychiatry 2009;195:440-7.

Furukawa TA, Watanabe N, Churchill R. Combined psychotherapy plus antidepressants for panic disorder with or without agoraphobia. Cochrane Database Syst Rev 2007;CD004364.

Gava I, Barbui C, Aguglia E, Carlino D, Churchill R, De Vanna M, et al. Psychological treatments versus treatment as usual for obsessive compulsive disorder (OCD). Cochrane Database Syst Rev 2007;CD005333.

Goedhard LE, Stolker JJ, Heerdink ER, Nijman HL, Olivier B, Egberts TC. Pharmacotherapy for the treatment of aggressive behavior in general adult psychiatry: A systematic review. J Clin Psychiatry 2006;67:1013-24.

Gorgels WJMJ, Oude Voshaar RC, Mol AJJ, Breteler MHM, Van de Lisdonk EH, Zitman FG. Het langdurig gebruik van benzodiazepinen. Ned Tijdschr Geneeskd 2001;145:1342-6.

Greeven A, Van Balkom AJ, Visser S, Merkelbach JW, Van Rood YR, Van Dyck R, et al. Cognitive behavior therapy and paroxetine in the treatment of hypochondriasis: a randomized controlled trial. Am J Psychiatry 2007;164:91-9.

Greeven A, Van Balkom AJLM, Van der Leeden R, Merkelbach JW, Van den Heuvel OA, Spinhoven P. Cognitive behavioral therapy versus paroxetine in the treatment of hypochondriasis: an 18-month naturalistic follow-up. J Behav Ther Exp Psychiatry 2009;40:487-96.

Hassink-Franke LJA. Problem-solving treatment during general practice residency - Feasibility, and effectiveness for patiënts with emotional symptoms in primary care [Proefschrift]. Nijmegen: Radboud Universiteit, 2010.

Healy D, Herxheimer A, Menkes DB. Antidepressants and violence: problems at the interface of medicine and law. PLoS Med 2006;3:e372.

Hettema JM, Neale MC, Kendler KS. A review and meta-analysis of the genetic epidemiology of anxiety disorders. Am J Psychiatry 2001;158:1568-78.

Hettema JM, Neale MC, Myers JM, Prescott CA, Kendler KS. A population-based twin study of the relationship between neuroticism and internalizing disorders. Am J Psychiatry 2006;163:857-64.

Heyman I, Mataix-Cols D, Fineberg NA. Obsessive-compulsive disorder. BMJ 2006;333:424-9.

Hirai M, Clum GA. A meta-analytic study of self-help interventions for anxiety problems. Behav Ther 2006;37:99-111.

Hirschfeld RM. The comorbidity of major depression and anxiety disorders: recognition and management in primary care. Prim Care Companion J Clin Psychiatry 2001;3:244-54.

Hofmann SG, Sawyer AT, Witt AA, Oh D. The effect of mindfulness-based therapy on anxiety and depression: A meta-analytic review. J Consult Clin Psychol 2010;78:169-83.

Hubble MA, Duncan BL, Miller SD. The heart and soul of change. What works in therapy. Washington DC: American Psychological Association, 1999.

Hunot V, Churchill R, Silva de Lima M, Teixeira V. Psychological therapies for generalised anxiety disorder. Cochrane Database Syst Rev 2007;CD001848.

Izzo AA, Ernst E. Interactions between herbal medicines and prescribed drugs: a systematic review. Drugs 2001;61:2163-75.

Jacobsen LK, Southwick SM, Kosten TR. Substance use disorders in patients with posttraumatic stress disorder: A review of the literature. Am J Psychiatry 2001;158:1184-90.

Jenike MA. Clinical practice. Obsessive-compulsive disorder. N Engl J Med 2004;350:259-65.

Kapczinski F, Lima MS, Souza JS, Schmitt R. Antidepressants for generalized anxiety disorder. Cochrane Database Syst Rev 2003;CD003592.

Karsten J, Hartman CA, Smit JH, Zitman FG, Beekman AT, Cuijpers P, et al. Psychiatric history and subthreshold symptoms as predictors of the occurrence of depressive or anxiety disorder within 2 years. Br J Psychiatry 2011;198:206-12.

Katon WJ. Panic Disorder. N Engl J Med 2006;354:2360-7.

Kessler RC, Frank RG. The impact of psychiatric disorders on work loss days. Psychol Med 1997;27:861-73.

Khan AA, Jacobson KC, Gardner CO, Prescott CA, Kendler KS. Personality and comorbidity of common psychiatric disorders. Br J Psychiatry 2005;186:190-6.

Kirmayer LJ, Robbins JM, Dworkind M, Yaffe MJ. Somatization and the recognition of depression and anxiety in primary care. Am J Psychiatry 1993;150:734-41.

Klein B, Richards JC, Austin DW. Efficacy of internet therapy for panic disorder. J Behav Ther Exp Psychiatry 2006;37:213-38.

Knaevelsrud C, Maercker A. Internet-based treatment for PTSD reduces distress and facilitates the development of a strong therapeutic alliance: a randomized controlled clinical trial. BMC Psychiatry 2007;7:13.

Koninklijke Nederlandse Maatschappij ter bevordering der Pharmacie (KNMP). Psychofarmaca. Informatorium Medicamentorum. Den Haag: KNMP, 2011: 1015-102.

Kouzis AC, Eaton WW. Emotional disability days: prevalence and predictors. Am J Public Health 1994;84:1304-7.

Krakowski M. Violence and serotonin: influence of impulse control, affect regulation, and social functioning. J Neuropsychiatry Clin Neurosci 2003;15:294-305.

Kwaliteitsinstituut voor de Gezondheidszorg CBO. Conceptrichtlijn Osteoporose en fractuurpreventie, derde herziening (2010). http://www.cbo.nl/Downloads/1166/concept_osteo_10.pdf.

Laitinen-Krispijn S, Bijl RV. Mental disorders and employee sickness absence: the NEMESIS study. Netherlands Mental Health Survey and Incidence Study. Soc Psychiatry Psychiatr Epidemiol 2000;35:71-7.

Lambert MJ. Implication of psychotherapy outcome research for psychotehrapy integration. In: Norcross JC, Goldfield MR, editors. Handbook of Psychotherapy Integration. Oxford: Oxford University Press, 2003.

Lambert MJ, Barley DE. Research summary on the therapeutic relationship and psychotherapy outcome. Psychotherapy 2001;38:357-61.

Lee CW, Drummond PD. Effects of eye movement versus therapist instructions on the processing of distressing memories. J Anxiety Disord 2008;22:801-8.

Levecque K, Lodewyckx I, Vranken J. Depression and generalised anxiety in the general population in Belgium: a comparison between native and immigrant groups. J Affect Disord 2007;97:229-39.

Levinson W, Roter D. Physicians' psychosocial beliefs correlate with their patient communication skills. J Gen Intern Med 1995;10:375-9.

Limburg-Okken A, Lutjenhuis M, i.s.m. GGD Den Haag. Handreiking voor een anamnestisch gesprek met migranten bij verholen psychosociale problemen. Den Haag: GGD Den Haag Stafbureau Epidemiologie, 1989.

Lipowski ZJ. Somatization: the concept and its clinical application. Am J Psychiatry 1988;145:1358-68.

Litz BT, Engel CC, Bryant RA, Papa A. A randomized, controlled proof-of-concept trial of an Internet-based, therapist-assisted self-management treatment for posttraumatic stress disorder. Am J Psychiatry 2007;164:1676-83.

Loke YK, Trivedi AN, Singh S. Meta-analysis: gastrointestinal bleeding due to interaction between selective serotonin uptake inhibitors and non-steroidal anti-inflammatory drugs. Aliment Pharmacol Ther 2008;27:31-40.

Luborsky L, Rosenthal R, Diguer L, Andrusyna TP, Berman JS, Levitt J, et al. The dodo bird verdict is alive and well - mostly. Clin Psychol Sci Pract 2002;9:2-12.

Marquenie LA, Schade A, Van Balkom AJLM, Comijs HC, De Graaf R, Vollebergh W, et al. Origin of the comorbidity of anxiety disorders and alcohol dependence: findings of a general population study. Eur Addict Res 2007;13:39-49.

Martin-Merino E, Ruigomez A, Wallander MA, Johansson S, Garcia-Rodriguez LA. Prevalence, incidence, morbidity and treatment patterns in a cohort of patients diagnosed with anxiety in UK primary care. Fam Pract 2010;27:9-16.

McLeod BD, Wood JJ, Weisz JR. Examining the association between parenting and childhood anxiety: a meta-analysis. Clin Psychol Rev 2007;27:155-72.

Michon HW, Ten Have M, Kroon H, Van Weeghel J, De Graaf R, Schene AH. Mental disorders and personality traits as determinants of impaired work functioning. Psychol Med 2008;38:1627-37.

Ministerie van VWS. HARM-WRESTLING. Een voorstel van de Expertgroep Medicatieveiligheid m.b.t. concrete interventies die de extramurale medicatieveiligheid op korte termijn kunnen verbeteren. Den Haag: Ministerie van VWS, 2009.

Mitte K. A meta-analysis of the efficacy of psycho- and pharmacotherapy in panic disorder with and without agoraphobia. J Affect Disord 2005;88:27-45.

Norton PJ, Price EC. A meta-analytic review of adult cognitive-behavioral treatment outcome across the anxiety disorders. J Nerv Ment Dis 2007;195:521-31.

Okada F, Okajima K. Violent acts associated with fluvoxamine treatment. J Psychiatry Neurosci 2001;26:339-40.

Olde Hartman TC, Borghuis MS, Lucassen PL, Van de Laar FA, Speckens AE, Van Weel C. Medically unexplained symptoms, somatisation disorder and hypochondriasis: course and prognosis. A systematic review. J Psychosom Res 2009;66:363-77.

Paris J. Predispositions, personality traits, and posttraumatic stress disorder. Harv Rev Psychiatry 2000;8:175-83.

Perkonigg A, Pfister H, Stein MB, Hofler M, Lieb R, Maercker A, et al. Longitudinal course of posttraumatic stress disorder and posttraumatic stress disorder symptoms in a community sample of adolescents and young adults. Am J Psychiatry 2005;162:1320-7.

Pilowsky DJ, Olfson M, Gameroff MJ, Wickramaratne P, Blanco C, Feder A et al. Panic disorder and suicidal ideation in primary care. Depress Anxiety 2006;23:11-6.

Pollock BG. Adverse reactions of antidepressants in elderly patients. J Clin Psychiatry 1999;60 Suppl 20:4-8.

Proudfoot J, Ryden C, Everitt B, Shapiro DA, Goldberg D, Mann A, et al. Clinical efficacy of computerised cognitive-behavioural therapy for anxiety and depression in primary care: randomised controlled trial. Br J Psychiatry 2004;185:46-54.

Raboni MR, Tufik S, Suchecki D. Treatment of PTSD by eye movement desensitization reprocessing (EMDR) improves sleep quality, quality of life, and perception of stress. Ann N Y Acad Sci 2006;1071:508-13.

Ramsawh HJ, Raffa SD, Edelen MO, Rende R, Keller MB. Anxiety in middle adulthood: effects of age and time on the 14-year course of panic disorder, social phobia and generalized anxiety disorder. Psychol Med 2009;39:615-24.

Rapee RM, Abbott MJ, Baillie AJ, Gaston JE. Treatment of social phobia through pure self-help and therapist-augmented self-help. Br J Psychiatry 2007;191:246-52.

Regier DA, Farmer ME, Rae DS, Locke BZ, Keith SJ, Judd LL, et al. Comorbidity of mental disorders with alcohol and other drug abuse: results from the Epidemiologic Catchment Area (ECA) study. JAMA 1990;264:2511-8.

Richards A, Barkham M, Cahill J, Richards D, Williams C, Heywood P. PHASE: a randomised, controlled trial of supervised self-help cognitive behavioural therapy in primary care. Br J Gen Pract 2003;53:764-70.

Roberts NP, Kitchiner NJ, Kenardy J, Bisson J. Multiple session early psychological interventions for the prevention of post-traumatic stress disorder. Cochrane Database Syst Rev 2009;CD006869.

Roy-Byrne PP, Craske MG, Stein MB. Panic disorder. Lancet 2006;368:1023-32.

Ryding E, Lindstrom M, Traskman-Bendz L. The role of dopamine and serotonin in suicidal behaviour and aggression. Prog Brain Res 2008;172:307-15.

Saeed SA, Antonacci DJ, Bloch RM. Exercise, yoga, and meditation for depressive and anxiety disorders. Am Fam Physician 2010;81:981-6.

Sareen J, Chartier M, Kjernisted KD, Stein MB. Comorbidity of phobic disorders with alcoholism in a Canadian community sample. Can J Psychiatry 2001;46:733-40.

Sareen J, Cox BJ, Clara I, Asmundson GJ. The relationship between anxiety disorders and physical disorders in the U.S. National Comorbidity Survey. Depress Anxiety 2005a;21:193-202.

Sareen J, Cox BJ, Afifi TO, De Graaf R, Asmundson GJG, Ten Have M, et al. Anxiety disorders and risk for suicidal ideation and suicide attempts: A population-based longitudinal study of adults. Arch Gen Psychiatry 2005c;62:1249-57.

Sareen J, Cox BJ, Afifi TO, De Graaf R, Asmundson GJG, Ten Have M et al. Anxiety Disorders and Risk for Suicidal Ideation and Suicide Attempts: A Population-Based Longitudinal Study of Adults. Arch Gen Psychiatry 2005c;62:1249-57.

Sareen J, Cox BJ, Stein MB, Afifi TO, Fleet C, Asmundson GJG. Physical and mental comorbidity, disability, and suicidal behavior associated with posttraumatic stress disorder in a large community sample. Psychosom Med 2007;69:242-8.

Schade A, Marquenie LA, Van Balkom AJLM, Koeter MMJ, Van den Brink W, Van Dyck R. Effectiviteit van een toegevoegde behandeling voor angstklachten bij alcoholafhankelijke patiënten met een fobische stoornis. Tijdschr Psychiatr 2008;50:137-48.

Schneier FR. Clinical practice. Social anxiety disorder. N Engl J Med 2006;355:1029-36.

Schneier FR, Foose TE, Hasin DS, Heimberg RG, Liu SM, Grant BF, et al. Social anxiety disorder and alcohol use disorder co-morbidity in the National Epidemiologic Survey on Alcohol and Related Conditions. Psychol Med 2010;40:977-88.

Schoemaker C, Van Balkom AJLM, Van Gool CH, Gommer AM, Poos MJJC. Hoe vaak komen angststoornissen voor? RIVM, 2010. http://www.nationaalkompas.nl/gezondheid-en-ziekte/ziekten-en-aandoening....

Smiley E. Epidemiology of mental health problems in adults with learning disabily: an update. Adv Psychiatric Treatment 2005;11:214-22.

Stein DJ, Ipser JC, Balkom AJ. Pharmacotherapy for social phobia. Cochrane Database Syst Rev 2004;CD001206.

Stein DJ, Ipser J, Seedat S. Pharmacotherapy for posttraumatic stress disorder. Cochrane Database Syst Rev 2006;CD002795.

Stein MB, Roy-Byrne PP, Craske MG, Bystritsky A, Sullivan G, Pyne JM, et al. Functional impact and health utility of anxiety disorders in primary care outpatients. Med Care 2005;43:1164-70.

Stein MB, Stein DJ. Social anxiety disorder. Lancet 2008;371:1115-25.

Steiner KH, Johansson SE, Sundquist J, Wändell PE. Self-reported anxiety, sleeping problems and pain among turkish-born immigrants in Sweden. Ethn Health 2007;12:363-79.

Tauscher-Wisniewski S, Nilsson M, Caldwell C, Plewes J, Allen AJ. Meta-analysis of aggression and/or hostility-related events in children and adolescents treated with fluoxetine compared with placebo. J Child Adolesc Psychopharmacol 2007;17:713-8.

Taylor CB. Panic disorder. BMJ 2006;332:951-5.

Terluin B. De vierdimensionale klachtenlijst. Huisarts Wet 1996;39:538-47.

Terluin B, Brouwers EP, Van Marwijk HW, Verhaak PF, Van der Horst HE. Detecting depressive and anxiety disorders in distressed patients in primary care; comparative diagnostic accuracy of the Four-Dimensional Symptom Questionnaire (4DSQ) and the Hospital Anxiety and Depression Scale (HADS). BMC Fam Pract 2009;10:58.

Terluin B, Terluin M, Prince K, Van Marwijk H. De Vierdimensionale Klachtenlijst (4DKL) spoort psychische problemen op. Huisarts Wet 2008;51:251-5.

Thomson AB, Page LA. Psychotherapies for hypochondriasis. Cochrane Database Syst Rev 2007;CD006520.

Tolin DF, Hannan S, Maltby N, Diefenbach GJ, Worhunsky P, Brady RE. A randomized controlled trial of self-directed versus therapist-directed cognitive-behavioral therapy for obsessive-compulsive disorder patients with prior medication trials. Behav Ther 2007;38:179-91.

Trimbos instituut. Multidisciplinaire richtlijn Angststoornissen. Utrecht: Trimbos instituut, 2003.

Trimbos instituut. Addendum ouderen bij de Multidisciplinaire richtlijn Angststoornissen. Utrecht: Trimbos instituut, 2008.

Trimbos instituut. Herziening multidisciplinaire richtlijn Angststoornissen bij volwassenen: paniekstoornis en PTSS [eerste revisie]. Utrecht: Trimbos instituut, 2010.

Trimbos instituut. Herziening multidisciplinaire richtlijn Angststoornissen bij volwassenen: sociale angststoornis [eerste revisie]. Utrecht: Trimbos instituut, 2011.

Tyrer P, Baldwin D. Generalised anxiety disorder. Lancet 2006;368:2156-66.

Van Balkom AJ, Beekman AT, De Beurs E, Deeg DJ, Van Dyck R, Van Tilburg W. Comorbidity of the anxiety disorders in a community-based older population in The Netherlands. Acta Psychiatr Scand 2000;101:37-45.

Van Balkom AJ, Van Boeijen CA, Boeke AJ, Van Oppen P, Kempe PT, Van Dyck R. Comorbid depression, but not comorbid anxiety disorders, predicts poor outcome in anxiety disorders. Depress Anxiety 2008;25:408-15.

Van Boeijen CA, Van Balkom AJ, Van Oppen P, Blankenstein N, Cherpanath A, Van Dyck R. Efficacy of self-help manuals for anxiety disorders in primary care: a systematic review. Fam Pract 2005;22:192-6.

Van den Bosch WJHM, Treffers PE, redactie. Angststoornissen. Bijblijven 2004;20.

Van der Kolk BA, Spinazzola J, Blaustein ME, Hopper JW, Hopper EK, Korn DL, et al. A randomized clinical trial of eye movement desensitization and reprocessing (EMDR), fluoxetine, and pill placebo in the treatment of posttraumatic stress disorder: treatment effects and long-term maintenance. J Clin Psychiatry 2007;68:37-46.

Vieweg WV, Julius DA, Fernandez A, Beatty-Brooks M, Hettema JM, Pandurangi AK. Posttraumatic stress disorder: clinical features, pathophysiology, and treatment. Am J Med 2006;119:383-90.

Waghorn G, Chant D, White P, Whiteford H. Disability, employment and work performance among people with ICD-10 anxiety disorders. Aust N Z J Psychiatry 2005;39:55-66.

Walsh MT, Dinan TG. Selective serotonin reuptake inhibitors and violence: a review of the available evidence. Acta Psychiatr Scand 2001;104:84-91.

Wampold BE. Allegiance and adherence: further evidence for the contextual model. In: Wampold BE, editor. The great psychotherapy debate: models, methods, and findings. Mahwak, New Yersey: Lawrence Erlbaum Associates, 2001: 159-83.

Wijnen HH, Van Schendel FM, Olde Rikkert MG, Van der Hooft CS, Van Puijenbroek EP. Hyponatriëmie bij gebruik van selectieve serotonineheropnameremmers: meldingen in 1992-2002. Ned Tijdschr Geneeskd 2004;148:1921-4.

Yonkers KA, Bruce SE, Dyck IR, Keller MB. Chronicity, relapse, and illness – course of panic disorder, social phobia, and generalized anxiety disorder: findings in men and women from 8 years of follow-up. Depress Anxiety 2003;17:173-9.