Ziekte van Parkinson

Cluster: 
N. Zenuwstelsel
Status: 
Actueel - 2011

M98

Ziekte van Parkinson M98 (Juli 2011)

Richtlijnen diagnostiekNaar de tekst van de NHG-Standaard

AnamneseNaar de tekst van de NHG-Standaard

Vraag naar:

  • aard van de klachten in arm of been (tremor, stijfheid, gevoel van verminderde kracht, onhandigheid, pijnklachten of loopproblemen?);
  • duur en beloop van de klachten (eenzijdig of symmetrisch begin?);
  • ernst van de klachten en gevolgen voor het dagelijks leven;
  • gebruik van geneesmiddelen: antipsychotica, anti-emetica (metoclopramide, cinnarizine, meclozine), SSRI’s, venlafaxine, bupropion en valproïnezuur kunnen (reversibel) parkinsonisme veroorzaken;
  • aan de ziekte van Parkinson gerelateerde klachten zoals depressieve klachten en cognitieve stoornissen.

Lichamelijk onderzoekNaar de tekst van de NHG-Standaard

Beoordeel:

  • tremor: laat de handen en armen uitstrekken of een glas water drinken of overschenken. Een (symmetrische) houdings- en bewegingstremor past bij een essentiële tremor;
  • looppatroon: een voorovergebogen traag, schuifelend looppatroon en (asymmetrisch) verminderde armzwaai passen bij de ziekte van Parkinson. Een breed gangspoor kan bij (atypisch) parkinsonisme passen;
  • motoriek: laat patiënt beiderzijds met duim en wijsvinger op tafel trommelen of de onderarm afwisselend pro- en supineren (links-rechtsverschil in snelheid, amplitude en regelmaat, sneller vermoeid?). Vraag een zin op te schrijven. Micrografie, een onregelmatig patroon tijdens het schrijven en spontane bewegingen zoals ‘geld tellen’ passen bij de ziekte van Parkinson;
  • tonus (rigiditeit) en kracht van de arm- of beenspieren bij passieve en actieve bewegingen. Verhoogde tonus en tandradfenomeen passen bij de ziekte van Parkinson;
  • houding (voorovergebogen?) en gezichtsuitdrukking (maskergelaat?).

EvaluatieNaar de tekst van de NHG-Standaard

Overweeg de diagnose ziekte van Parkinson bij:

  • traag bewegen (bradykinesie) én
  • ten minste één van de volgende symptomen:
    • rusttremor;
    • rigiditeit;
    • houdingsinstabiliteit (zonder aanwijzingen voor visuele, vestibulaire, cerebellaire of proprioceptieve stoornissen).

Kenmerken die de diagnose ondersteunen zijn:

  • unilateraal begin en blijvend asymmetrisch beeld ten nadele van de kant waar de ziekte begon;
  • progressief beloop;
  • ontbreken van aanwijzingen voor andere oorzaken van een hypokinetisch rigide syndroom (zie onder differentiaaldiagnose).

Differentiaaldiagnostisch komen in aanmerking:

  • parkinsonisme bij gebruik van geneesmiddelen, vasculair parkinsonisme of andere (zeldzame) oorzaken;
  • tremor bij essentiële tremor (zie FTR Essentiële tremor, www.nhg.org), bijwerking medicatie (lithium, levothyroxine, natriumvalproaat, bronchusverwijders, antidepressiva), verergering van fysiologische tremor (onttrekkingsverschijnselen, hyperthyreoïdie, hypoglykemie, roken, overmatig gebruik van cafeïnehoudende dranken), intentietremor (cerebellaire stoornissen).

Richtlijnen beleidNaar de tekst van de NHG-Standaard

Beleid bij vermoeden van ziekte van Parkinson of parkinsonisme Naar de tekst van de NHG-Standaard

  • Stop of verander indien mogelijk de medicatie bij vermoeden van medicatiegerelateerd parkinsonisme. Overleg zo nodig met de neuroloog of behandelend specialist.
  • Verwijs bij vermoeden van de ziekte van Parkinson of niet-medicatiegerelateerd parkinsonisme naar een neuroloog voor diagnostiek en behandeling binnen zes weken.

Beleid tijdens het beloop van de ziekte van ParkinsonNaar de tekst van de NHG-Standaard

Behandeling vindt plaats in een samenwerkingsverband van neuroloog, huisarts en parkinsonverpleegkundige. Controleer patiënten met de ziekte van Parkinson minstens eenmaal per jaar. Informeer de neuroloog of parkinsonverpleegkundige bij verwijzing in verband met symptomen die aan de ziekte van Parkinson zijn gerelateerd. Zie www.parkinsonnet.nl voor gespecialiseerde zorgverleners.

Rol van de huisartsNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Signaleren van bijwerkingen en veranderingen in de effectiviteit of het gebruik van de medicatie.
  • Signaleren, diagnosticeren en behandelen van nieuw ontstane symptomen of aandoeningen die aan de ziekte van Parkinson zijn gerelateerd.
    • Depressieve symptomen:
      • beoordeel de patiënt in de ‘on’-fase;
      • aanpassing van de medicatie of starten van dopaminerge middelen door de neuroloog kan nodig zijn;
      • bij een (ernstige) depressie eventueel tricyclische antidepressiva of SSRI’s, bij voorkeur geen langwerkende SSRI’s en bij cognitieve stoornissen geen tricyclische antidepressiva.
    • Dementie:
      • verwijs bij twijfel over cognitieve functiestoornissen voor neuropsychologisch onderzoek (MMSE waarschijnlijk minder sensitief);
      • het initiëren van de behandeling met cholinesteraseremmers door de huisarts wordt ontraden.
    • Psychotische symptomen:
      • verricht onderzoek naar oorzaken van een delier (bijvoorbeeld urineweginfectie, pneumonie, dehydratie, elektrolytstoornissen of hypoglykemie) en behandel deze;
      • overleg met de neuroloog over aanpassing van de parkinsonmedicatie of het gebruik van clozapine;
      • olanzapine, risperidon en typische antipsychotica (zoals haloperidol) zijn gecontra-indiceerd.
    • Slaapstoornissen:
      • denk aan onderliggende oorzaken zoals bijwerkingen of afgenomen werkzaamheid van medicatie, neuropsychiatrische oorzaken (depressie, dementie), nycturie en specifieke slaapstoornissen zoals REM-slaapstoornis of restlesslegssyndroom;
      • begin met slaaphygiëne-adviezen;
      • bij slaapproblemen door motorische beperkingen kunnen aanpassing van de parkinsonmedicatie, fysio- of ergotherapie zinvol zijn;
      • verwijs bij persisterende klachten naar een slaapcentrum.
    • Vallen:
      • inventariseer risicofactoren voor vallen: eerdere valincidenten, motorische, houdings- of balansproblemen (‘freezing’), orthostatische hypotensie, (sederende) medicatie;
      • raadpleeg voor adviezen over valpreventie de CBO-Richtlijn Preventie van valincidenten bij ouderen (www.cbo.nl).
    • Slikproblemen en speekselvloed, gewichtsverlies, obstipatie, mictieklachten, seksuele problemen, orthostatische hypotensie of overmatig transpireren (voor toelichting zie tekst NHG-Standaard).
  • Intensiveren en coördineren van zorg bij patiënten die zich in het eindstadium of de palliatieve fase bevinden: consulteer zo nodig een kaderhuisarts in ouderenzorg of palliatieve zorg, een regionaal palliatief team of een neuroloog.
  • Signaleren en bespreken van psychosociale problemen (ziekteacceptatie, relationele aspecten, draagkracht van partner of mantelzorger):
    • attendeer patiënten op de patiëntenvereniging;
    • adviseer bij werkgerelateerde problemen de bedrijfsarts te raadplegen;
    • verwijs indien nodig naar een psycholoog of maatschappelijk werker.