U bent hier

Visusklachten

Cluster: 
F. Ogen
Status: 
Actueel - 2015

M12

Visusklachten M12 (Actualisering en herziening oktober 2015 van NHG-Standaard Refractieafwijkingen 2001)

BegrippenNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Achterste glasvochtmembraanloslating: langzaam of ineens loskomend van de retina; vaak met hinderlijke mouches volantes en lichtflitsen; meestal normale visus. Dit kan leiden tot netvliesloslating.
  • Amaurosis fugax: monoculaire voorbijgaande visusdaling met volledig herstel.
  • Amblyopie (lui oog): niet met bril te verbeteren visusvermindering in aanwezigheid van normaal visueel systeem; meestal éénzijdig.
  • Cataract: geleidelijke visusvermindering, waziger of grauwer zien; vaak ook schittering en verblinding.
  • Diplopie (dubbelzien): twee beelden zien; meestal binoculair.
  • Glaucoom: langzaam progressieve uitval perifere gezichtsveld (blinde vlekken); centrale zien blijft lang intact).
  • Hypermetropie (verziendheid): wazig zien op korte afstand, scherp in de verte.
  • Maculadegeneratie: degeneratie van centrale gedeelte netvlies, waardoor een donkere vlek midden in het gezichtsveld, wazig zien of beeldvervorming (metamorfopsie) kan ontstaan.
  • Migraine met aura (met visuele symptomen): gedurende maximaal een uur in beide ogen een veelkleurige vlek (scotoom) in één gezichtsveldhelft, die klein begint, geleidelijk uitbreidt en naar periferie wegtrekt. Vaak is er nadien halfzijdige hoofdpijn.
  • Mouches volantes (floaters): waarneming van (hinderlijke) minuscule draadjes, pluisjes of vlokjes, die langzaam uit het gezichtsveld drijven en het gezichtsvermogen meestal niet beïnvloeden.
  • Myopie (bijziendheid): onscherp zien in de verte, scherp op korte afstand.
  • Presbyopie of ouderdomsverziendheid: leeftijdsgebonden verminderde visus voor dichtbij.
  • Scotoom: gedeeltelijke uitval van het gezichtsveld; patiënt kan vorm of vlek waarnemen.
  • Strabisme (scheelzien): onvermogen beide gezichtsassen blijvend op één punt te fixeren; ontstaat meestal op kinderleeftijd.

Richtlijnen diagnostiekNaar de tekst van de NHG-Standaard

AnamneseNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Aard klachten: minder of wazig zien, veraf of dichtbij; roodheid, pijn, fotofobie, branderigheid, jeuk of tranen of vermoeidheid van het oog, hoofdpijn.
  • Snelheid ontstaan, beloop.
  • Eén-of tweezijdigheid.
  • Dubbelzien (mono- of binoculair), lichtflitsen, mouches volantes, scotomen, beeldvervorming.
  • Bij kinderen ≤ 7 jaar: scheelzien (wisselend of continu, duur; familie-anamnese oogafwijkingen; bevindingen JGZ).
  • Gebruik bril of contactlenzen, sterkte, wanneer laatste controle.
  • Comorbiditeit zoals diabetes mellitus.
  • Oogheelkundige voorgeschiedenis (trauma, behandeling/operatie) en familie-anamnese (glaucoom).
  • Geneesmiddelgebruik met invloed op de visus, zoals anticholinergica (middelen bij urine-incontinentie, tricyclische antidepressiva, antipsychotica), Parkinson-medicatie, corticosteroïden, amiodaron of chloroquinederivaten.

Onderzoek Naar de tekst van de NHG-Standaard

  • Visusbepaling (mét bril/lenzen indien van toepassing).
  • Bij patiënten ≥ 8 jaar met verminderde visus: herhaal visusbepaling met stenopeïsche opening. Geen visusverbetering pleit voor andere oorzaak dan refractieafwijking, zoals maculadegeneratie.
  • Bij acute klachten (ook bij normale visus) en bij klachten over lichtflitsen, mouches volantes of scotomen: gezichtsveldonderzoek met confrontatiemethode van Donders. Houd bij interpretatie rekening met matige testeigenschappen.
  • Bij roodheid, pijnlijkheid, jeuk, branderigheid, tranen, vermoeidheid van het oog of hoofdpijn: zie NHG-Standaard Het rode oog.

EvaluatieNaar de tekst van de NHG-Standaard


Tabel: indicaties voor spoedverwijzing  

AlarmsymptoomSpoedverwijzing naarDifferentiële diagnose
Visusdaling, acuut of in enkele dagen tijd ontstaanoogartsarteriële of veneuze occlusie, ablatio retinae, ontsteking van de nervus opticus,
glasvochtbloeding, natte maculadegeneratie (vaak met metamorfopsie), arteriitis temporalis (> 50 jaar), acuut glaucoom (tevens hoofdpijn, misselijkheid, braken, rood en pijnlijk oog)
Passagere visusdaling één oogneuroloogamaurosis fugax (zie NHG-Standaard Beroerte)
Uitval deel gezichtsveld één oogoogartsablatio retinae, arteriële of veneuze takocclusie, glaucoom
Uitval deel gezichtsveld beide ogenneuroloog (tenzij te duiden als migraine aura)beroerte, migraine aura (met visuele symptomen),
Lichtflitsen persisterend of gepaard gaand met gezichtsvelduitvaloogarts*achterste glasvochtmembraanloslating, retinascheur (predispositie bij hoge myopie, status na lensextractie of een positieve familie-anamnese)
Diplopie, in korte tijd ontstaanoogarts;

neuroloog, indien ook neurologische verschijnselen
vasculaire afwijkingen zoals ischemie, aneurysma of trombose van de sinus cavernosus; zenuwcompressie (schedeltrauma), orbitafractuur, tumor of metastasen, verhoogde intracraniële druk; myogene oorzaken door myasthenia gravis of M. Graves; multipele sclerose
* Spoedverwijzing niet noodzakelijk bij voorbijgaande lichtflitsen zonder gezichtsvelduitval. Laat de patiënt dan wel op korte termijn eenmalig door de oogarts beoordelen.

Stel bij alle andere patiënten de waarschijnlijkheidsdiagnose aan de hand van de leeftijd en bevindingen bij anamnese en onderzoek:

  • ≤ 7 jaar en visus < 1,0 aan een of beide ogen: risico op (goed te behandelen) amblyopie;
  • 8 tot 65 jaar en visus < 1,0: meestal refractieafwijking; denk aan diabetes mellitus bij wisselende refractie;
  • 40 tot 65 jaar en verminderde visus dichtbij:presbyopie;
  • ≥ 65 jaar en visus < 1,0: meestal cataract, maculadegeneratie of glaucoom.

Richtlijnen beleidNaar de tekst van de NHG-Standaard

VoorlichtingNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Mouches volantes: ontstaan door glasvochttroebelingen en zijn onschuldig. Na verloop van tijd minder hinder. Instrueer de patiënt om direct contact op te nemen bij: plotselinge toename mouches, lichtflitsen, visusdaling, gezichtsveldverlies en niet met beeld meebewegende vlekjes.
  • Migraine met aura (met of zonder hoofdpijn): zie NHG-Standaard Hoofdpijn.

BehandelingNaar de tekst van de NHG-Standaard

Bij vermoeden van geneesmiddelgebruik als oorzaak van de visusklachten: in overleg met patiënt op proef staken van het geneesmiddel (bepaling reversibiliteit klachten) of direct verwijzen.

VerwijzingNaar de tekst van de NHG-Standaard

De huisarts verwijst patiënten:

  • bij alarmsymptomen met spoed naar oogarts of neuroloog [zie tabel];
  • ≤ 7 jaar met een visus < 1,0 aan een of beide ogen naar orthoptist;
  • 8 tot 65 jaar en visus < 1,0 zonder alarmsymptomen en zonder familiaire belasting (glaucoom, maculadegeneratie): naar opticien/winkelketen; bij familiaire belasting naar oogarts;
  • 8 tot 65 jaar met vermoeden refractieafwijking die onvoldoende verbetert met bril naar optometrist;
  • ≥ 65-jaar en visus < 1,0 naar optometrist; bij aanwijzingen voor cataract, maculadegeneratie of glaucoom naar oogarts;
  • met persisterende klachten na staken van medicatie die visus kan beïnvloeden naar optometrist (< 65 jaar) of oogarts (≥ 65 jaar);
  • met een donker vlekje/draadje in het gezichtsveld op een vast punt ten opzichte van een fixatiepunt naar oogarts;
  • bij twijfel over scotomen zonder hoofdpijn, of scotomen > 1 uur naar oogarts.