U bent hier

Urinesteenlijden

Cluster: 
U. Urinewegen
Status: 
Actueel - 2016

M63

Urinesteenlijden M63 (Actualisering juli 2016: aangepast t.o.v. de versie van 2015)

Richtlijnen diagnostiekNaar de tekst van de NHG-Standaard

AnamneseNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Pijn: aard, acuut begin, bewegingsdrang, lokalisatie en uitstraling.
  • Misselijkheid en braken.
  • Bloed in de urine.
  • Eerdere urinesteenaanval.
  • Familiair voorkomen van urinestenen.
  • Aangeboren afwijkingen (mononier).
  • Nierfunctiestoornis.
  • Mictieklachten en koorts als uiting van een mogelijke infectie.

Lichamelijk onderzoekNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Signaleren van bewegingsdrang.
  • Meet lichaamstemperatuur en bloeddruk.
  • Buikonderzoek: druk- of slagpijn in de nierloge (kan passen bij een urinesteen), tekenen van peritoneale prikkeling (past niet bij een ongecompliceerd urinesteenlijden).

Aanvullend onderzoekNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Urineonderzoek (dipstick): aanwezigheid van erytrocyten en nitriettest. Bij vermoeden urineweginfectie: zie NHG-Standaard Urineweginfecties.

EvaluatieNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Acute pijn in de flank met bewegingsdrang en hematurie: urinesteenaanval.
  • De diagnose wordt bevestigd door steenlozing of aanvullend onderzoek (voor indicatie, zie Controle na 5 tot 7 dagen).

Richtlijnen beleidNaar de tekst van de NHG-Standaard

Voorlichting en adviesNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Adviseer de patiënt normaal te blijven drinken en eten.
  • Bij koorts, mictieklachten of oncontroleerbare pijn: opnieuw contact opnemen.
  • Instrueer de patiënt het steentje op te vangen (urine zeven).
  • Controle na vijf tot zeven dagen, ook als de klachten zijn verdwenen en zo nodig na vier weken.

Medicamenteuze behandelingNaar de tekst van de NHG-Standaard

Pijnstilling aanvangsbehandeling

  • Diclofenac 75 mg intramusculair (maximale dagdosis 150 mg).
  • Bij onvoldoende effect of een contra-indicatie voor diclofenac (zie FTR Pijnbestrijding): morfine 10 mg subcutaan of intramusculair.

Pijnstilling voor eerste dagen na koliekaanval op geleide van de pijn

  • Diclofenactabletten of -zetpillen (50 tot 100 mg per keer, maximale dagdosis 150 mg) of naproxentabletten of -zetpillen (250 tot 500 mg per keer, maximale dagdosis 1000 mg).
  • Bij contra-indicaties voor NSAID’s: morfine oraal of zetpillen (2 dd 10 tot 20 mg) in combinatie met een laxans.
  • Geef patiënten met een verhoogd risico op maagcomplicaties maagbescherming (zie NHG-Standaard Maagklachten).

Steenlozing

  • Tamsulosine wordt niet (langer) aanbevolen voor de behandeling van patiënten met urinesteenlijden omdat er geen klinisch relevante voordelen van tamsulosine zijn met betrekking tot steenlozing, pijn, gebruik van pijnmedicatie en tijd tot steenlozing.

Het NHG beoordeelt op dit moment of de aanbeveling aanpassing behoeft naar aanleiding van het verschijnen van recent systematisch literatuuronderzoek (Hollingsworth 2016). In oktober verwachten we hierover te communiceren (zie nieuwsbericht).

Controle na 5 tot 7 dagenNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Steenlozing bevestigt de diagnose.
  • Als de patiënt klachtenvrij is en geen erytrocyturie meer heeft: geen aanvullend beeldvormend onderzoek.
  • Bij aanhoudende klachten: herhaal het lichamelijk onderzoek en urineonderzoek.
  • Bij aanhoudende of recidiverende klachten of erytrocyturie: echografie van de urinewegen en direct aansluitend een buikoverzichtsfoto indien echografisch geen dilatatie of steen zichtbaar is.
  • Wacht spontane lozing af indien pijn onder controle is en dilatatie van de urinewegen is uitgesloten met echografie.

Controle na 4 wekenNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Indicatie CT-scan: persisterende klachten, erytrocyturie, echografisch en op de buikoverzichtsfoto geen steen zichtbaar en echografisch geen aangetoonde dilatatie.
  • Als op de CT-scan een kleine (< 5 mm), distale uretersteen zonder dilatatie van de urinewegen wordt vastgesteld, kan 4 weken spontane lozing worden afgewacht (en het beleid met pijnstilling worden voortgezet).

Verwijzing en consultatieNaar de tekst van de NHG-Standaard

Overleg met de uroloog of verwijs een patiënt met (vermoeden op) een niersteen bij:

  • koorts;
  • onbeheersbare pijn ondanks pijnstilling;
  • vermoeden van dubbelzijdig steenlijden;
  • zwangerschap;
  • nierinsufficiëntie (eGFR < 30 ml/min) of als bekend is dat de patiënt slechts één nier heeft;
  • dilatatie bij echografie of op de CT-scan;
  • klachten of hematurie na 4 weken en geen mogelijkheid een CT-scan aan te vragen;
  • persisteren van beheersbare pijn en/of erytrocyturie na:
  • 4 weken, tenzij op de CT-scan een kleine, distale uretersteen (< 5 mm) is gezien;
  • 8 weken, als een kleine distale uretersteen nog niet is geloosd;
  • recidiverende stenen (meerdere stenen binnen één jaar) of een struviet-, cystine- of urinezuursteen vanwege de mogelijke consequenties voor het beleid.