U bent hier

Slechthorendheid

Cluster: 
H. Oren
Status: 
Actueel - 2014

M61

Slechthorendheid M61 (juni 2014)

Richtlijnen diagnostiekNaar de tekst van de NHG-Standaard

AnamneseNaar de tekst van de NHG-Standaard

Vraag bij klachten over het gehoor naar:

  • duur, ernst en beloop van de klachten;
  • een- of tweezijdigheid;
  • oorpijn, jeuk, otorroe, verstopt gevoel;
  • episoden van bovenste luchtweginfecties, otitiden, vaker verstopte oren;
  • ooroperaties, trommelvliesperforatie, meningitis, bof of (langdurige) intensivecareopname in voorgeschiedenis;
  • erfelijke of familiaire aandoeningen;
  • frequent verblijf in lawaaierige omgeving, gebruik van oortelefoons of gehoorbescherming;
  • traumata (manipulatie in de gehoorgang, klap op het oor, penetratie door voorwerp);
  • gebruik van ototoxische geneesmiddelen (aminoglycosiden, (hydro)kinine, cytostatica);
  • aanvallen van (draai)duizeligheid, misselijkheid, oorsuizen;
  • ervaren hinder en gevolgen voor persoonlijke en sociale leven.

Besteed bij kinderen ook aandacht aan:

  • problemen tijdens zwangerschap (rubella- of CMV-infectie) of partus (ernstige asfyxie);
  • uitslag van gehoorscreeningtest(s), taal- en spraakontwikkeling, functioneren op school en bij sport.

Lichamelijk onderzoek Naar de tekst van de NHG-Standaard

Inspecteer beide oren met een otoscoop en let daarbij op:

  • cerumenprop of otorroe;
  • zwelling, schilfering, roodheid, vesiculae of erosies van de gehoorgang;
  • kleur, doorschijnendheid, lichtreflectie en perforatie van trommelvlies;
  • aanwezigheid van vloeistofspiegel of luchtbel(len) achter trommelvlies;
  • retroauriculaire regio: littekens, roodheid en zwelling.

Aanvullend onderzoek Naar de tekst van de NHG-Standaard

  • Bij afwezigheid van otoscopische aanwijzingen die slechthorendheid kunnen verklaren:
    • bij leeftijd < 6 jaar: verwijs voor objectivering gehoorverlies naar audiologisch centrum (of KNO-arts bij 4 tot 6 jaar);
    • bij leeftijd 6 jaar en ouder: verricht audiometrie (met een screeningsaudiometer) of laat dit elders verrichten. Deze is afwijkend bij gemiddeld gehoorverlies van ≥ 30 dB bij 1000, 2000 en 4000 Hz.
  • Voer eventueel stemvorkproeven(Rinne, Weber) uit voor differentiatie tussen geleidings- en perceptief verlies.
  • Verricht eventueel tympanometrie om een indruk te krijgen over mogelijk middenooreffusie of trommelvliesperforatie.

Evaluatie Naar de tekst van de NHG-Standaard

Kinderen < 6 jaar met slechthorendheid waarschijnlijk op basis van:

  • otitis media met effusie;
  • erfelijke of familiaire aandoeningen, infecties tijdens zwangerschap, meningitis, bof of (langdurige) intensivecareopname in de voorgeschiedenis;
  • andere oorzaken.

Kinderen ≥ 6 jaar en volwassenen met:

  • slechthorendheid die verklaard kan worden door cerumenprop, otitis media acuta, otitis media met effusie, otitis externa, chronische otitis media of barotrauma;
  • gehoorverlies van gemiddeld ≥ 30 dB vermoedelijk door:
    • presbyacusis (langzaam progressief, vanaf 60 jaar, Rinne normaal, Weber mediaan);
    • lawaaislechthorendheid;
    • plotseling eenzijdig gehoorverlies (Rinne normaal, Weber lateralisatie naar goede oor);
    • gebruik van ototoxische geneesmiddelen;
    • ziekte van Menière (aanvallen van draaiduizeligheid en oorsuizen);
    • otosclerose (langzaam progressief, begin tussen 20 en 40 jaar);
    • cholesteatoom (gehoorverlies bij ooroperatie in het verleden);
    • acousticusneurinoom (langzaam progressief, eenzijdig);
    • andere oorzaken.
  • gehoorverlies van gemiddeld < 30 dB zonder aanwijzingen voor verklaarbare oorzaken.

Richtlijnen beleidNaar de tekst van de NHG-Standaard

Voorlichting Naar de tekst van de NHG-Standaard

Geef informatie over vermoedelijke oorzaak en beloop bij:

  • cerumenproppen: wijs op zelfreinigende werking gehoorgang; vermijd peuteren of wattenstokjes;
  • barotrauma: perforatie sluit in 90% van gevallen spontaan in enkele weken; adviseer het oor droog te houden en drukverhogende momenten te vermijden;
  • presbyacusis: normaal verouderingsverschijnsel, gaat soms samen met oorsuizen, recruitment (harde geluiden worden als hinderlijk ervaren) of gestoord richtinghoren;
  • lawaaislechthorendheid: beperk verdere gehoorschade door geluidsbeschermende maatregelen.

Specifieke adviezen voor werkende slechthorenden:

  • bespreek gehoorproblemen met leidinggevende en collega’s;
  • overweeg aanpassingen werkplek (akoestiek verbeteren, speciale vergaderapparatuur of telefoons); verwijs voor specifieke aanpassingen naar bedrijfsarts.

Consultatie of verwijzingNaar de tekst van de NHG-Standaard

Verwijs met spoednaar een KNO-arts bij:

  • plotseling gehoorverlies (zonder aanwijzingen voor geleidingsverlies);
  • traumatische trommelvliesperforatie met penetrerend trauma, perforatie > 50% van trommelvlies of perforatie met perceptief gehoorverlies.

Overweeg consultatie of verwijs naar een KNO-arts bij:

  • barotrauma met persisterend geleidingsverlies na 2 dagen;
  • perforatie < 50% van trommelvlies die niet binnen 3 maanden is gesloten;
  • > 3 maanden bestaande slechthorendheid;
  • slechthorendheid en vermoeden van oorzakelijke factoren zoals gebruik van ototoxische geneesmiddelen, ziekte van Menière, otosclerose, cholesteatoom, acousticusneurinoom.

Bij vermoeden van lawaaislechthorendheid en werkende slechthorenden wordt tevens naar de bedrijfsarts verwezen.

Patiënten ouder dan 67 jaar met vermoeden van presbyacusis kunnen bij een audicien een hoortoestel laten aanmeten zonder verwijzing naar een KNO-arts.

Overweeg verwijzing naar een audiologisch centrum bij:

  • kinderen tot 6 jaar met vermoeden van slechthorendheid door erfelijke of familiaire aandoening, infectie tijdens de zwangerschap, meningitis, bof of (langdurige) intensivecareopname in de voorgeschiedenis en kinderen met bijkomende taalspraakproblematiek;
  • kinderen tot 18 jaar met vermoeden van perceptieslechthorendheid of langdurig geleidingsverlies;
  • patiënten met acceptatieproblemen (van gehoorverlies of hoortoestel), of bij wie ondanks hoortoestel of andere aanpassingen problemen ontstaan op school, werk of in psychosociaal functioneren;
  • patiënten met meervoudige beperkingen;
  • patiënten met ernstige slechthorendheid (> 70 dB gemiddeld gehoorverlies aan beste oor).

Zie stroomdiagrammen voor samenvatting diagnostiek en beleid.