U bent hier

Problematisch alcoholgebruik

Cluster: 
P. Psychische problemen
Status: 
Actueel - 2014

M10

Problematisch alcoholgebruik M10 (december 2014)

BegrippenNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Problematisch alcoholgebruik:drinkpatroon dat leidt tot lichamelijke klachten en/of psychische of sociale problemen en dat een adequate aanpak van bestaande problemen verhindert. De geconsumeerde hoeveelheid alcohol is niet leidend voor de diagnose.
  • Stoornis in het gebruik van alcohol: problematisch alcoholgebruik waarbij wordt voldaan aan de DSM-5 criteria voor een stoornis in het gebruik van alcohol (zie hoofdtekst).
  • ‘Binge’-drinken: drinken van grote hoeveelheden alcohol (mannen ≥ 5 eenheden, vrouwen ≥ 4 eenheden) in een kort tijdsbestek, afgewisseld met perioden zonder alcoholgebruik.
  • Alcoholintoxicatie: gevolg van overmatig alcoholgebruik in een kort tijdsbestek met dosisafhankelijke symptomen (desoriëntatie, oordeel- en kritiekstoornissen, seksuele en/of agressieve ontremming), en (een risico op) ernstige complicaties, zoals bewustzijnsdaling, shock, ademhalingsdepressie, hypothermie en hypoglykemie.
  • Alcoholonthoudingssyndroom:veroorzaakt door plotseling staken of minderen van langdurig overmatig alcoholgebruik, met classificatie op basis van de ernst van verschijnselen:
    • licht: slapeloosheid en prikkelbaarheid;
    • matig ernstig: ook misselijkheid, braken, overactiviteit, tachycardie, koorts, zweten, lichtschuwheid, hoofdpijn, angst of tremoren;
    • ernstig: ook hallucinaties/delier of insulten.

Richtlijnen diagnostiekNaar de tekst van de NHG-Standaard

AnamneseNaar de tekst van de NHG-Standaard

Indirecte signalen zoals niet-verklaarbare, wisselende lichamelijke of psychosociale klachten kunnen wijzen op problematisch alcoholgebruik. De huisarts vraagt hierbij naar het alcoholgebruik (frequentie, aantal, ‘binge’-drinken). De verdere anamnese (met behulp van motiverende gespreksvoering) is gericht op exploratie van het alcoholgebruik, de functie van het alcoholgebruik in het leven van de patiënt en de motivatie om het drinkgedrag te veranderen.

Lichamelijk onderzoekNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Bloeddrukmeting.
  • Verder lichamelijk onderzoek alleen op indicatie.

EvaluatieNaar de tekst van de NHG-Standaard

De huisarts stelt aard (zie Begrippen) en ernst van het problematisch alcoholgebruik vast en de mate van motivatie voor gedragsverandering.

Richtlijnen beleidNaar de tekst van de NHG-Standaard

Voorlichting Naar de tekst van de NHG-Standaard

Geef uitleg over:

  • mogelijk verband tussen gepresenteerde klacht(en) en alcoholgebruik;
  • verantwoord alcoholgebruik: gemiddeld maximaal twee eenheden alcohol per dag voor mannen en één voor vrouwen;
  • volledige onthouding tijdens zwangerschap en borstvoeding;
  • invloed van alcohol op de rijvaardigheid;
  • mogelijke aanleg voor problematisch alcoholgebruik;
  • risico op ernstige onthoudingsverschijnselen en op manifest worden van een thiaminedeficiëntie na stoppen met drinken na langdurig overmatig alcoholgebruik. Adviseer bij risico hierop om onder begeleiding te stoppen.

Ondersteunende gesprekkenNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Streef naar bewustwording van voor- en nadelen van alcoholgebruik.
  • Stem gesprekken af op motivatie voor gedragsverandering.
  • Begeleiding van gemotiveerde patiënten: bespreken van behandelmogelijkheden, gezamenlijk opstellen behandelplan met haalbare behandeldoelen en controles.

E-mental health Naar de tekst van de NHG-Standaard

Hiervoor gemotiveerde patiënten kunnen laagdrempelig een e-mental health programma volgen, met of zonder persoonlijke begeleiding. Zie Thuisarts.nl/alcohol voor websites.

Medicamenteuze behandelingNaar de tekst van de NHG-Standaard

Thiaminesuppletie:

Geef bij patiënten met een (vermoeden van) insufficiënt dieet thiaminesuppletie:

  • thiamine 4 maal daags 25 mg oraal of indien oraal niet mogelijk 1 maal daags 100 mg thiamine i.m.;
  • na staken alcoholgebruik en bij sufficiënt dieet medicatie in 1 maand afbouwen (elke week dosering met 25 mg per dag verlagen).

Behandeling onthoudingsverschijnselen:

Bij patiënten met (matig) ernstige onthoudingsverschijnselen is medicamenteuze behandeling geïndiceerd.

  • 1e keus: 3 maal daags 1 tot 2,5 mg lorazepam of 4 maal daags 25 mg chloordiazepoxide.
  • Bij leeftijd > 65 jaar: 3 maal daags 1 mg lorazepam.
  • Indien orale toediening niet mogelijk of directe werking vereist is (zoals bij een delier): 5 mg midazolam i.m., vervolg zodra mogelijk met orale behandeling (zie boven) of verwijs naar verslavingsinstelling.
  • Bij een insult: 10 mg diazepam rectiole en verwijs naar een verslavingsinstelling.
  • Controleer na 1 dag het effect. Controleer dagelijks bij matig ernstige onthoudingsverschijnselen en elke 2 dagen bij lichte verschijnselen tot medicatie gestopt is.
  • Meet bij elke controle bloeddruk, hartfrequentie en temperatuur.
  • Bij voldoende onderdrukking van de onthoudingsverschijnselen (doorgaans na 2 dagen): verlaag dosering van lorazepam of chloordiazepoxide (elke 2 dagen 1 tablet minder).

Medicamenteuze terugvalpreventie:

  • Verwijs patiënten met een indicatie en motivatie voor medicamenteuze terugvalpreventie naar een verslavingsinstelling.
  • Indien dit niet haalbaar is: overleg met een verslavingsarts over zelf starten van deze behandeling en begeleiding.

Consultatie en verwijzingNaar de tekst van de NHG-Standaard

Indicaties voor klinische detoxificatie bij onthoudingsverschijnselen:

  • ernstige (niet medicamenteus te onderdrukken) onthoudingsverschijnselen;
  • delier, onttrekkingsinsult in het verleden, verwachting ernstige onthoudingsverschijnselen;
  • meerdere verslavingen;
  • ernstige psychiatrische comorbiditeit (zoals psychose, tentamen suïcide in het verleden);
  • hoge leeftijd, slechte lichamelijke conditie;
  • onvoldoende mogelijkheid tot maken van afspraken, zelfzorg of toezicht;
  • epilepsie;
  • zwangerschap.

Indicaties voor behandeling door een verslavingsinstelling bij een stoornis in het gebruik van alcohol:

  • begeleiding/behandeling waarbij meer ondersteuning nodig is dan de huisarts kan bieden;
  • een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol of als de stoornis vóór het 25e jaar begon;
  • ernstige psychiatrische comorbiditeit;
  • zelfverwaarlozing, verwaarlozing van naasten of huiselijk geweld;
  • suïcidegevaar;
  • een onverwerkt negatief life-event als oorzaak van het problematisch alcoholgebruik;
  • jongeren met ernstig problematisch alcoholgebruik;
  • een verhoogd risico op Wernicke-encephalopathie (zelfverwaarlozing, cognitieve stoornissen, polyneuropathie) of een vermoeden hierop (oogbewegingsstoornis, loopstoornis, verwardheid).

Acute alcoholintoxicatieNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Verwijs direct naar kinderarts/internist bij:
    • leeftijd < 15 jaar;
    • bewustzijnsdaling, shock, ademhalingsdepressie, hypothermie of hypoglykemie;
    • aanwijzingen harddrugsgebruik.
  • In andere gevallen, bij adequaat sociaal netwerk: volg expectatief beleid met wekadvies (zie Thuisarts.nl/wekadvies); bij tekenen van een aspiratiepneumonie instrueert de huisarts de patiënt en diens begeleiders contact op te nemen.
  • Neem bij thuis behandelde patiënten één tot twee dagen later contact op met de patiënt en biedt een afspraak aan voor het spreekuur.
  • Ga na een ziekenhuisopname na of de patiënt adequate nazorg heeft ontvangen.
  • Motiveer jongeren met een herhalingsrisico voor verwijzing naar een in jongeren gespecialiseerde instelling.