U bent hier

Borstkanker

Cluster: 
W/X/Y. Zwangerschap / Anticonceptie / Geslachtsorganen man en vrouw
Status: 
Actueel - 2016

M07

Borstkanker M07 (Actualisering december 2016: herzien t.o.v. NHG-Standaard Diagnostiek van mammacarcinoom uit 2008)

VoorlichtingNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Een niet-afwijkend mammo-/echogram (BI-RADS 1 of 2) sluit de aanwezigheid van borstkanker niet uit. Adviseer om terug te komen op het spreekuur indien drie maanden na de uitslag BI-RADS 1 of 2 nog steeds sprake is van een knobbeltje of gelokaliseerde pijn of gevoeligheid in één borst. Benadruk dat het nodig blijft om ook nieuwe klachten of afwijkingen te melden.
  • Bij vrouwen met diffuus pijnlijke/gevoelige borsten beiderzijds en BI-RADS 1 of 2 is de dichtheid van het klierweefsel relevant:
    • bij ACR a of b: mammo-/echogram goed beoordeelbaar. Stel de vrouw gerust. Geef uitleg over mastopathie.
    • bij ACR c of d: leg uit dat door het dichte borstklierweefsel het mammo-/echogram lastiger te beoordelen is, maar dat er geen aanwijzingen zijn gevonden voor een afwijking die verder onderzoek vereist. Indien de vrouw ongerust blijft en opnieuw met klachten van diffuus gevoelige of pijnlijke borsten op het spreekuur komt, overleg dan met de radioloog of verwijs naar de mammapoli.
    • Raad periodiek borstzelfonderzoek bij vrouwen zonder borstkanker in de voorgeschiedenis niet actief aan. Adviseer om bij klachten of veranderingen aan de borst die na de menstruatie niet verdwijnen contact op te nemen.
    • Leg bij tepeluitvloed uit dat massage van borsten of tepels de tepeluitvloed kan onderhoeuden.

Rol huisarts bij verwijzing naar mammapoliNaar de tekst van de NHG-Standaard

Bespreek met de patiënt of zij het wenselijk vindt om contact te houden tijdens het (verdere) diagnostische en behandeltraject. Een vervolgcontact biedt de gelegenheid om:

  • in geval van borstkanker samen stil te staan bij de ingrijpende diagnose en de consequenties;
  • de patiënt te wijzen op het bestaan van de Monitor Borstkankerzorg en voorlichtingsmateriaal;
  • na te gaan of de patiënt de informatie van het ziekenhuis heeft begrepen en desgewenst steun te bieden bij eventuele keuzes, ingaand op wensen, mogelijkheden en motivatie van de patiënt;
  • desgewenst de patiënt te helpen bij haar voorbereiding op een volgend gesprek met de specialist over het behandelplan. Zie hiervoor de vragenlijsten op www.b-bewust.nl.

Follow-up na behandelingNaar de tekst van de NHG-Standaard

NacontroleNaar de tekst van de NHG-Standaard

Voor patiënten ouder dan zestig jaar is controle in de tweede lijn vijf jaar na de primaire in opzet curatieve behandeling doorgaans niet noodzakelijk. Bij terugverwijzing:

  • komen vrouwen die mastectomie hebben ondergaan (weer) in aanmerking voor het bevolkingsonderzoek;
  • worden vrouwen die een borstsparende operatie hebben ondergaan gecontroleerd door de huisarts door middel van jaarlijkse palpatie en een tweejaarlijks mammogram, bij voorkeur in het ziekenhuis waar de controles plaatsvonden.

NazorgNaar de tekst van de NHG-Standaard

Lymfoedeem en schouderklachten

  • Wees alert op een infectie of trombose.
  • Verwijs bij twijfel of het lymfoedeem wordt veroorzaakt door tumorrecidief naar de mammapoli.
  • Verwijs bij klachten van lymfoedeem naar een oedeemtherapeut (oedeemfysiotherapeut of huidtherapeut).
  • Verwijs bij schouderklachten (postoperatief of na bestraling) naar een oncologie- of oedeemfysiotherapeut.

Bijwerkingen antihormonale therapie

  • Regelmatig voorkomende klachten: opvliegers en andere overgangsklachten, gewrichtsklachten, trombo-embolische complicaties (tamoxifen), vaginale droogheid (te behandelen met niet-hormonale, vochtinbrengende crèmes en glijmiddel).
  • Langdurig gebruik van tamoxifen geeft een licht verhoogde kans op baarmoederkanker.
  • Osteoporose is een bijwerking van aromataseremmers.

Vermoeidheid

  • Wees alert op hartklachten/-falen na antracycline-bevattende chemotherapie en/of immunotherapie.
  • Behandeling van vermoeidheid zonder aanwijzingen voor andere oorzaken kan bestaan uit cognitieve gedrags- en/of bewegingstherapie.

Gewichtstoename

Adviseer de patiënt zo goed mogelijk het normale leven weer op te pakken en lichamelijk actief te zijn.

Hormoontherapie & anticonceptie

Schrijf vrouwen met borstkanker in de voorgeschiedenis geen hormoontherapie voor overgangsklachten of hormonale anticonceptie voor.

Seksualiteit

  • Veelvoorkomende problemen zijn verminderde seksuele interesse en opwinding, dyspareunie en orgasmeproblemen.
  • De huisarts kan vrouwen en hun partners helpen het onderwerp bespreekbaar te maken en voorlichting geven.

Terugkeer naar werk

  • Wees alert op problemen met de terugkeer naar werk.
  • Mogelijkheden voor ondersteuning: bedrijfsartsconsulenten oncologie, ervaringsdeskundige ambassadeurs van de Nederlandse Federatie van Kankerpatiëntenorganisaties (NFK) en bedrijven gespecialiseerd in arbeidsre-integratie en kanker.

Zie voor verwijsmogelijkheden in de regio www.verwijsgidskanker.nl.

Familiaire belasting: indicaties voor screening en verwijzing naar een klinisch geneticusNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Informeer bij een patiënt met klachten van de borst(en) of ongerustheid over het bestaan van borstkanker in de familie naar het voorkomen van borst-, eierstok-, eileider-, en prostaatkanker bij eerste- en tweedegraads familieleden aan maternale en paternale zijde.
  • Zie voor indicaties voor screening buiten het bevolkingsonderzoek borstkanker of verwijzing naar een klinisch geneticus stroomdiagram 2.

Bevolkingsonderzoek borstkankerNaar de tekst van de NHG-Standaard

De rol van de huisarts bij het bevolkingsonderzoek borstkankerNaar de tekst van de NHG-Standaard

Verantwoordelijkheden van de huisarts bij een afwijking op het mammogram (BI-RADS 4 of 5) of bij onvolledig onderzoek (BI-RADS 0):

  • contact opnemen met de vrouw, bij voorkeur voordat zij de uitslagbrief ontvangt;
  • de vrouw voorlichten over de uitslag en de te volgen procedure;
  • de vrouw bij een uitslag BIRADS 4 of 5 verwijzen naar een mammapoli en bij een uitslag BI-RADS 0 naar een afdeling radiologie van een ziekenhuis waar ook een mammapoli is. Meld de verwijzing aan de screeningsorganisatie;
  • met de patiënt bespreken of zij het wenselijk vindt om contact te houden tijdens het (verdere) diagnostische en behandeltraject (zie Rol huisarts bij verwijzing naar mammapoli).