U bent hier

Artritis

Cluster: 
L. Bewegingsapparaat
Status: 
In herziening - 2009

M90

Artritis M90 (Augustus 2009)

Richtlijnen diagnostiekNaar de tekst van de NHG-Standaard

AnamneseNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Artritiskenmerken: gewrichtspijn in rust, -zwelling, warmte, roodheid, bewegingsbeperking.
  • Aanwezigheid en duur van (ochtend)stijfheid.
  • Welk(e) gewricht(en), mono-, oligo- (2 tot 4 gewrichten) of poly- (meer dan 4 gewrichten) artritis, symmetrisch/asymmetrisch.
  • Duur klachten, acuut/geleidelijk ontstaan, beloop in de tijd.
  • Beïnvloedende factoren: bewegen/rust/belasting, NSAID-gebruik, recent gewrichtstrauma, recente operatie in het gewricht, intra-articulaire injectie.
  • Koorts, gewichtsverlies.
  • Voorafgaande/vergezellende klachten/ziekten, M Bechterew, M Crohn/colitis ulcerosa, psoriasis.

Lichamelijk onderzoekNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Onderzoek de pijnlijke gewrichten, en oriënterend de niet-pijnlijke, vergelijk links en rechts.
  • Let op roodheid, zwelling, knobbels (jichttophi of reumaknobbels).
  • Palpeer de gewrichtsspleet; let op tangentiële drukpijn van MCP-gewrichten (pijn bij handen geven) en MTP-gewrichten, zwelling, temperatuurverschil.
  • Actief en passief bewegingsonderzoek; let op pijn en beperking (meer bij flexie dan bij extensie).
  • Let op andere aandoeningen: huidinfectie; bursitis; tendovaginitis; noduli van Heberden/Bouchard.

Aanvullend onderzoekNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Vermoeden van bacteriële artritis: géén aanvullend onderzoek: spoedverwijzing!
  • Vermoeden van jichtartritis: bepaal urinezuur en verwijs bij aanhoudende diagnostische twijfel.
  • Vermoeden van reactieve artritis: alleen laboratoriumonderzoek als behandeling van de primaire infectie nog noodzakelijk is (zoals chlamydia; gonorroe); verwijs bij vermoeden van lymeborreliose.
  • Vermoeden van reumatoïde artritis: geen indicatie voor aanvullend onderzoek.

EvaluatieNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Bacteriële artritis: artritis van één (meestal groot) gewricht met koorts/koude rillingen.
  • Jichtartritis: acute, erg pijnlijke, meestal mono-artritis in grote teen, voet, enkel of knie.
  • Reactieve artritis: mono- of asymmetrische oligo-artritis, meestal onderste extremiteiten, 1-3 weken na infectie van keel, maag-darmkanaal of urogenitaal stelsel.
  • Reumatoïde artritis: symmetrische artritis (vaak zonder roodheid) in drie of meer gewrichten/gewrichtsgroepen (vooral MCP-, PIP-, pols- en MTP-gewrichten) met tangentiële drukpijn in MCP’s of MTP’s, ochtendstijfheid van een half uur of meer.
  • Ongedifferentieerde artritis: Artritis die op basis van de diagnostiek niet geclassificeerd kan worden.

Richtlijnen beleidNaar de tekst van de NHG-Standaard

(Vermoeden van) bacteriële artritis: Spoedverwijzing!

Artritis algemeen Naar de tekst van de NHG-Standaard

  • Leg uit wat een artritis is, bespreek de mogelijke diagnose en het te verwachten beloop, adviseer bij veel pijn rust op geleide van de pijn.
  • Controleer bij onvoldoende verbetering binnen 7 dagen, instrueer direct contact op te nemen bij koorts en algemene malaise.
  • Geef symptomatisch ibuprofen 3 dd 600 mg, naproxen 2 dd 500 mg of diclofenac 3 dd 50 mg.

JichtartritisNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Geef een NSAID (zie artritis algemeen) of 1 dd 30-50 mg prednisolon gedurende 5-10 dagen.
  • Geef colchicine bij uitblijvend effect van bovengenoemde middelen na 3-5 dagen: start met 1 mg en geef vervol­gens 2-3 dd 0,5 mg tot pijn verdwenen is; stop bij maagdarmklachten (=toxiciteit) en geen effect na 2-3 dagen.
  • Overweeg een intra-articulair corticosteroïd bij onvoldoende effect van of contra-indicaties voor NSAID, pred­nisolon of colchicine.
  • Urinezuurverlagende therapie:
    • Overweeg deze therapie bij een aanvalsfrequentie van meer dan 3x per jaar of bij jichttophi.
    • Bepaal voor aanvang het urinezuur en controleer elke 4 weken tot een aanvaardbare aanvalsfrequentie bereikt is, daling van de spiegel moet zichtbaar worden.
    • Bij aanhoudende twijfel over de diagnose voor aanvang: verwijs voor een gewrichtspunctie.
    • Start met allopurinol 1 dd 100 mg, verhoog de dosis met 100 mg tot een aanvaardbare aanvalsfrequentie bereikt is, maximaal 2 dd 300 mg.
    • Verhoog bij tophi de dosis tot 300 mg in stappen van 100 mg per 4 weken, tophi verdwijnen pas na 6-12 maanden.
    • Bepaal de creatinineklaring voor aanvang van en jaarlijks tijdens de behandeling en pas de dosering aan; maximaal 300 mg per dag bij klaring 50-80 ml/min, 200 mg bij klaring 30-50 ml/min en 100 mg bij klaring 10-30 ml/min.
    • Bij onvoldoende resultaat of onaanvaardbare bijwerkingen: start benzbromaron 1 dd 50-100 mg, maximaal 1 dd 200 mg.
  • Let bij patiënten met jicht extra op cardiovasculaire risico’s (zoals hypertensie).

Reactieve artritisNaar de tekst van de NHG-Standaard

Geef voorlichting, niet-medicamenteuze adviezen en symptomatische behandeling. Behandel zo nodig de primaire infectie (bijvoorbeeld chlamydia, gonorroe), verwijs bij vermoeden van lymeborreliose.

Reumatoïde artritisNaar de tekst van de NHG-Standaard

  • Zie verwijzing.
  • Let bij patiënten met reumatoïde artritis extra op cardiovasculaire risico’s (zoals hypertensie).

VerwijzingNaar de tekst van de NHG-Standaard

Verwijs bij:

  • Blijvende twijfel over de werkdiagnose/aanhoudende ongedifferentieerde artritis.
  • Onbevredigend effect van behandeling bij jichtartritis.
  • Sterk vermoeden van reumatoïde artritis; uiterlijk na 4 weken voor behandeling met DMARD’s; zie de tekst van de standaard voor aandachtspunten bij DMARD-gebruik (infecties, bijwerkingen, co-medicatie, gevolgen voor zwangerschap/verwekken nageslacht, griepvaccinatie).
  • Vastgestelde reumatoïde artritis; bij bijwerkingen of exacerbaties tijdens de instelling op medicatie, heftige pijn en blijvende ontstekingsverschijnselen ondanks medicatie, deformatie van een gewricht, peesluxatie, extra-articulaire complicaties.

Verwijs met spoed bij:

  • Vermoeden van bacteriële artritis.
  • Ernstige bijwerkingen van DMARD’s (leukopenie; pneumonitis).
  • Vermoeden van instabiliteit cervicale wervelkolom met (sub)luxatie van eerste of tweede cervicale wervel (hoge nekpijn), zenuwuitval of peesruptuur bij vastgestelde reumatoïde artritis.