Leeswijzer
Dit product geeft een overzicht van zelfmetingen die zinnig zijn om in de huisartsenpraktijk in te zetten. Dit zijn zelfmetingen van bloeddruk, glucose, gewicht en pols.
Per zelfmeting is aangegeven in welke situaties het zinnig is om deze zelfmeting uit te laten voeren, bijvoorbeeld het zelf meten van de bloeddruk na de aanpassing van bloeddrukmedicatie.
Een glucosezelfmeting heeft geen toegevoegde waarde op het moment dat een patiënt ook uitgebreider laboratoriumonderzoek laat uitvoeren (als bijvoorbeeld in het kader van een jaarcontrole ook de nierfunctie en elektrolyten worden bepaald). Daarom wordt deze situatie buiten beschouwing gelaten.
Bij gebruik van slechts orale medicatie bij diabetes is er geen indicatie om glucosezelfmetingen te laten bepalen door de patiënt. Sommige patiënten beschikken echter wel over een thuismeter, waarbij zorgverlener en patiënt, in het kader van persoonsgerichte zorg, toch afspraken kunnen maken om zelfmetingen in te zetten. Voor dit geval zijn toch enkele situaties uitgewerkt in dit product.
Per zelfmeting en situatie is een aanbeveling te vinden over hoe vaak, maar ook hoe de patiënt de zelfmeting uitvoert. Betreft het bijvoorbeeld een nuchtere, of niet-nuchtere glucosewaarde? Of betreft het een geprotocolleerde bloeddrukmeting in plaats van een solitaire zelfmeting?
Niet altijd is de uitslag van de zelfmeting datgene wat de zorgverlener nodig heeft voor het bepalen van het behandelbeleid. Voor het bepalen van het beleid is bijvoorbeeld het gemiddelde van de bloeddrukmetingen nodig, of een BMI die berekend is op basis van het gemeten gewicht. Leveranciers kunnen hierbij eventueel ondersteuning bieden, door bijvoorbeeld op basis van alle zelf gemeten bloeddrukmetingen uit een geprotocolleerde zelfmeting het gemiddelde te laten berekenen. Daarom is ook weergegeven welke informatie de zorgverlener nodig heeft om het behandelbeleid te kunnen bepalen.
Per zelfmeting is aangegeven welke grenswaarden van toepassing zijn. We onderscheiden verschillende grenswaarden.
| Referentiewaarde | De onder- of bovengrens van een interval waarbinnen 95% van de meetwaarden van de gezonde personen van overeenkomende leeftijd en geslacht worden verwacht. |
| Streefwaarde | De onder- of bovengrens van een interval van meetwaarden waarbinnen het risico op complicaties laag is. |
| Interventiewaarde | De onder- of bovengrens van een interval van meetwaarden, dat overeenkomt met een maximaal toelaatbaar risiconiveau. Een acute interventiewaarde is een waarde waarbij, ook tijdens avond-, nacht- en weekenduren (ANW-uren), contact met een zorgverlener geadviseerd wordt. Bij een subacute interventiewaarde is afstemming met een zorgverlener op korte termijn gewenst, maar de afstemming kan uitgesteld worden tot kantoortijden. |
Daarnaast is het altijd mogelijk om een persoonlijke streefwaarde af te spreken met een patiënt. Denk bijvoorbeeld aan een patiënt met overgewicht, waarbij het streven in het algemeen altijd een gezond BMI is, maar waarbij huisarts en patiënt samen kunnen besluiten dat enkele kilo’s gewichtsdaling, zonder het bereiken van een gezond BMI, (voorlopig) voldoende gezondheidswinst oplevert.
Dit product heeft verschillende beoogde doelgroepen:
Zorgverleners
De primaire doelgroep betreft zorgverleners uit de huisartsenpraktijk. De duidelijke beschrijving van de situaties waar zelfmetingen van meerwaarde zijn in de huisartsenpraktijk, en de daarbij horende grenswaarden, ondersteunt het zorgproces.
Een bijzondere groep zorgverleners zijn kaderhuisartsen Hart- en vaatziekten, Diabetes en Spoedzorg, omdat in het bijzonder voor deze specialisaties het inzetten van zelfmetingen, en het herkennen van de noodzaak tot acute interventie relevant zijn.
Een andere bijzondere groep zorgverleners binnen de huisartsenpraktijk zijn Chief Medical Information Officers (CMIO’s) in de huisartsenpraktijk, omdat een deel van de CMIO’s specifieke belangstelling heeft voor de ICT-ondersteuning van telemonitoring in de huisartsenpraktijk.
Leveranciers
Een secundaire doelgroep betreft leveranciers van informatiesystemen voor de huisartsenpraktijk. De algemene aanbevelingen uit het Standpunt Zelfmetingen bij telemonitoring geven, in combinatie met dit product, de leverancier handvatten om passende ondersteuning voor de huisartsenpraktijk te realiseren, in het bijzonder de inrichting van de Onderzoeksafspraak zelfmetingen | HIS-Referentiemodel.
Ook voor leveranciers van patiëntportalen en PGO’s kan dit product behulpzaam zijn, waar het gaat om het ondersteunen van patiënten bij het herkennen van de verschillende grenswaarden bij zelfmetingen, in het bijzonder interventiewaarden, waarbij actie door de patiënt aangewezen is.
Partijen die patiëntvoorlichting verstrekken
Verder is de informatie uit dit product relevant voor partijen die patiëntvoorlichting geven, zoals Thuisarts, als basis voor instructies over zelfmetingen aan patiënten.
Zelfmeting glucose
Bij het bepalen van de grenswaarden van een glucosemeting is het van belang om er rekening mee te houden of deze waarde nuchter of niet nuchter is bepaald. Een nuchtere glucosewaarde is een waarde die gemeten is nadat de patiënt minstens 8 uur niet heeft gegeten of gedronken (behalve water).
Grenswaarden glucose
| Referentiewaarde | Streefwaarde | Acute interventiewaarde | Subacute interventiewaarde |
|---|---|---|---|
| Nuchter: < 6,1 mmol/L Niet nuchter: < 7,8 mmol/L | Nuchter: 4,5 – 8 mmol/L Niet nuchter: 4,5 – 9 mmol/L | < 3,9 mmol/L ≥ 15 mmol/L | ≥ 3,9 – < 4,5 mmol/L Nuchter: > 8 – < 15 mmol/L Niet nuchter: > 9 – < 15 mmol/L |
Standaardcontrole glucose
| Frequentie | Hoe voert de patiënt de meting uit? | Wat gebruikt de zorgverlener? |
|---|---|---|
| Dit is maatwerk. Minimaal eenmaal per jaar, op indicatie vaker. | Eenmalig nuchter | Absolute meetwaarde |
| Frequentie | Hoe voert de patiënt de meting uit? | Wat gebruikt de zorgverlener? |
|---|---|---|
| Dit is maatwerk. Eventueel een- tot tweemaal per jaar. | Eenmalig nuchter | Absolute meetwaarde |
| Frequentie | Hoe voert de patiënt de meting uit? | Wat gebruikt de zorgverlener? |
|---|---|---|
| Eenmaal per 3 maanden | Eenmaal per maand (4-puntscurve) glucose – nuchter – voor de lunch – voor de avondmaaltijd – voor de nacht | Minimaal 3 curves, verspreid over de 3 maanden |
Controle na aanpassing behandeling
| Frequentie | Hoe voert de patiënt de meting uit? | Wat gebruikt de zorgverlener? |
|---|---|---|
| Dagelijks gedurende 3-4 dagen | Glucosemeting nuchter | Absolute meetwaarden en trend |
| Frequentie | Hoe voert de patiënt de meting uit? | Wat gebruikt de zorgverlener? |
|---|---|---|
| Gedurende 2-3 dagen | (4-puntscurve) glucose – nuchter – voor de lunch – voor de avondmaaltijd – voor de nacht | Absolute meetwaarden en trend |
| Frequentie | Hoe voert de patiënt de meting uit? | Wat gebruikt de zorgverlener? |
|---|---|---|
| Gedurende 2-3 dagen | (4-puntscurve) glucose – nuchter – voor de lunch – voor de avondmaaltijd – voor de nacht | Absolute meetwaarden en trend |
Prednisonkuur
| Frequentie | Hoe voert de patiënt de meting uit? | Wat gebruikt de zorgverlener? |
|---|---|---|
| Eenmalig enkele dagen na de start van de behandeling met corticosteroïden | Glucosemeting voor de avondmaaltijd | Absolute meetwaarde |
| Frequentie | Hoe voert de patiënt de meting uit? | Wat gebruikt de zorgverlener? |
|---|---|---|
| Eenmalig enkele dagen na de start van de behandeling met corticosteroïden | Glucosemeting nuchter Glucosemeting voor de avondmaaltijd | Absolute meetwaarden |
| Frequentie | Hoe voert de patiënt de meting uit? | Wat gebruikt de zorgverlener? |
|---|---|---|
| Eenmalig enkele dagen na de start van de behandeling met corticosteroïden | Glucosemeting voor de lunch Glucosemeting voor de avondmaaltijd | Absolute meetwaarden |
Controle bij discrepantie tussen de nuchtere waarde en het HbA1c
| Frequentie | Hoe voert de patiënt de meting uit? | Wat gebruikt de zorgverlener? |
|---|---|---|
| Gedurende 3-4 dagen | Nuchtere glucose | Absolute meetwaarden en trend |
| Frequentie | Hoe voert de patiënt de meting uit? | Wat gebruikt de zorgverlener? |
|---|---|---|
| Gedurende 3-4 dagen een curve | (4-puntscurve) glucose – nuchter – voor de lunch – voor de avondmaaltijd – voor de nacht | Absolute meetwaarden en trend |
Zelfmeting bloeddruk
Bij het bepalen van de grenswaarden bij een bloeddrukmeting, is het van belang rekening te houden met de leeftijd en kwetsbaarheid van de patiënt.
Automatische bloeddrukmeters geven vaak ook de polsfrequentie weer. De polsfrequentie wordt in de huisartsenpraktijk niet gebruikt voor het monitoren van een chronische aandoening. De polsfrequentie wordt wel gebruikt om bijvoorbeeld het beleid te bepalen in het geval van (klachten bij) atriumfibrilleren. Veel patiënten leveren echter, naast de gevraagde zelf gemeten bloeddrukwaarden, ook de waarde van de polsfrequentie aan. Daarom zijn in deze tabel met grenswaarden voor de bloeddruk, naast de grenswaarden voor de zelf gemeten bloeddruk, ook grenswaarden voor de zelf gemeten polsfrequentie weergegeven.
Grenswaarden bloeddruk
| Referentiewaarde | Streefwaarde ≤ 70 jaar | Streefwaarde > 70 jaar vitaal | Streefwaarde > 70 jaar kwetsbaar | Acute interventiewaarde | Subacute interventiewaarde | |
|---|---|---|---|---|---|---|
| Systolisch | < 135* | < 145** | < 145 | > 200*** | Individueel af te spreken | |
| Diastolisch | ≥ 65 | > 120 | ||||
| Polsfrequentie | 60-100 | < 110 in rust (bij atriumfibrilleren) | < 110 in rust (bij atriumfibrilleren) | < 110 in rust (bij atriumfibrilleren) | > 110 met klachten | Individueel af te spreken |
Bronnen: NHG Standaard Cardiovasculair risicomanagement, versie 4.1, NHG-Standaard Atriumfibrilleren, versie 5.4
Systolische bloeddrukgrens bij ouderen van <145 Hg is op basis van consensus.
* Streef naar een lagere zelf gemeten systolische bloeddruk tot < 125 mmHg, indien de medicatie goed verdragen wordt, met name bij personen met een hoger risico op hart- en vaatziekten door bijvoorbeeld een comorbiditeit als chronische nierschade of diabetes mellitus.
** Overweeg bij het verdragen en het niet optreden van bijwerkingen van de medicatie bij vitale ouderen de systolische bloeddruk stapsgewijs nog verder te verlagen onder 140 mmHg. Monitor de bijwerkingen bij iedere controle.
*** > 200 of een recent gedocumenteerde sterke bloeddrukstijging, in combinatie met klachten van hoofdpijn, visusstoornissen, misselijkheid en/of braken.
| Frequentie | Hoe voert de patiënt de meting uit? | Wat gebruikt de zorgverlener? |
|---|---|---|
| Dit is maatwerk. Minimaal eenmaal per jaar. | Geprotocolleerde thuismeting gedurende 1 week | Gemiddelde van de zelfmetingen |
| Frequentie | Hoe voert de patiënt de meting uit? | Wat gebruikt de zorgverlener? |
|---|---|---|
| Eenmalig meten, twee weken na aanpassing medicatie | Geprotocolleerde thuismeting gedurende 1 week | Gemiddelde van de zelfmetingen |
| Frequentie | Hoe voert de patiënt de meting uit? | Wat gebruikt de zorgverlener? |
|---|---|---|
| Eenmalig | Geprotocolleerde thuismeting gedurende 1 week | Gemiddelde van de zelfmetingen |
Zelfmeting gewicht
De zelfmeting die de patiënt uitvoert is het bepalen van het gewicht in kilo’s. De grenswaarden worden weergegeven in BMI. Een omrekening van gewicht naar BMI is nodig.
De grenswaarden voor BMI zijn beschreven in verschillende NHG-Standaarden. De grenswaarden zoals weergegeven in deze tabel zijn gebaseerd op de NHG-Standaard Obesitas.
Voor gewicht zijn er geen interventiewaarden die een acute interventie noodzakelijk maken.
Grenswaarden gewicht
| Referentiewaarde | Streefwaarde | Subacute interventiewaarde |
|---|---|---|
| Gewicht uitgedrukt in BMI: 18,5 – 24,9 | BMI: > 18.5 of < 25 | Individueel af te spreken |
| Frequentie | Hoe voert de patiënt de meting uit? | Wat gebruikt de zorgverlener? |
|---|---|---|
| Eenmaal per jaar | 1 meting | Berekende BMI |
| Frequentie | Hoe voert de patiënt de meting uit? | Wat gebruikt de zorgverlener? |
|---|---|---|
| Eenmaal per jaar | 1 meting | Berekende BMI |
Scope
Dit product beperkt zich tot informatie over zelfmetingen die in de huisartsenpraktijk worden ingezet (zie ook het NHG-Standpunt Zelfmetingen bij telemonitoring voor huisartsen):
- In het kader van telemonitoring bij chronische aandoeningen.
- Bij volwassen patiënten (18+).
- Waarbij zelfmetingen worden uitgevoerd op verzoek van en in samenspraak met de huisarts.
- Waarbij de patiënt deze meetwaarde vervolgens (bij voorkeur digitaal) uitwisselt met de huisarts.
Buiten scope
Hoewel dit product informatie bevat over interventiewaarden bij verschillende zelfmetingen, is het opsporen van acute ontregelingen geen doel van telemonitoring in de huisartsenpraktijk. De zorgverlener spreekt met de patiënt af bij welke meetwaardes (interventiewaardes) welke actie van de patiënt gewenst is. Het attenderen van de patiënt dat een interventie nodig is, is buiten scope.
Het bepalen van het medisch beleid bij het al dan niet voldoen aan de grenswaarden, valt eveneens buiten het bestek van dit product. Hiervoor verwijzen we naar de relevante zorginhoudelijke richtlijnen hierover.