U bent hier

Ondersteuning voor uw NHG-Praktijkaccreditering

Hier vindt u alle ondersteunende informatie en materialen voor uw NHG-Praktijkaccreditering bij NPA bv.

De beschikbare inhoudelijke ondersteuning is per NPA-norm (‘artikel’) gerangschikt en verdeeld over de hoofdstukken 2 t/m 4.

Deze webpagina is nog in ontwikkeling.

De inhoud van sommige ondersteunende materialen is uitgebreider dan vereist is voor de NHG-Praktijkaccreditering. Per norm is vermeld wat minimaal nodig is om aan deze norm te voldoen.

Meer informatie over de relatie tussen NHG en NPA vindt u op de webpagina NHG-Praktijkaccreditering®. Een overzicht van alle kwaliteitsnormen is te downloaden  op de website van de NPA.

Heeft u vragen over het gebruik van deze pagina? Laat het ons weten via kwaliteitsontwikkeling@nhg.org.

Alle ondersteunende materialen per hoofdstuk

Hoofdstuk 1 – Wat mag de patiënt verwachten?

Patiëntverwachtingen

Wat mag de patiënt van de huisarts verwachten?

Een huisarts met het keurmerk voldoet aan kwaliteitsnormen. Deze normen zijn gebaseerd op 17 patiëntverwachtingen. Dat zijn de verwachtingen die de patiënt van de huisarts mag hebben. In dit hoofdstuk staan die verwachtingen stuk voor stuk beschreven, van A tot en met Q.

Hoofdstuk 2 – Artikelen: Professionaliteit

1. Professionaliteit

De norm

De kwaliteitseisen voor de NHG-Praktijkaccreditering, zoals vastgelegd in dit document zijn van toepassing op de reguliere huisartsgeneeskundige zorg die wordt verleend door een huisartsenpraktijk.
Door te voldoen aan de eisen in dit document toont de huisartsenpraktijk aan verantwoorde zorg te verlenen en systematisch te werken aan de verdere verbetering van die zorg.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachtingen A t/m Q

Praktische tip

Voorbeeld van een tekst op de praktijkwebsite:

Onze praktijk is door NPA gecertificeerd voor de reguliere huisartsenzorg. De antroposofische zorg die wij aanvullend verlenen valt niet onder dit kwaliteitscertificaat.

Onze praktijk is door NPA gecertificeerd voor de reguliere huisartsenzorg. Het verrichten van ooglidcorrecties valt niet onder het reguliere aanbod en valt daarmee niet onder de NHG-praktijkaccreditering.

2. Personeel

De norm

LET OP: bij deze norm is actuele informatie beschikbaar.

De praktijk:

  • beschikt over voldoende deskundige medewerkers om verantwoorde zorg te kunnen leveren;
  • zorgt dat iedere medewerker een schriftelijke arbeidsovereenkomst en functiebeschrijving heeft;
  • heeft per medewerker een overzicht van de opgedane werkervaring en gevolgde (na)scholing;
  • zorgt dat iedere medewerker aantoonbaar bevoegd en bekwaam is om de toegewezen taken uit te voeren;
  • zorgt dat met iedere medewerker jaarlijks een functioneringsgesprek plaatsvindt met aandacht voor zijn persoonlijke ontwikkeling, waarvan een schriftelijk verslag wordt gemaakt;
  • heeft een werkafspraak gemaakt om zeker te stellen dat tijdelijke medewerkers dezelfde werkwijzen hanteren als vaste medewerkers;
  • heeft een werkafspraak voor het inwerken van nieuwe medewerkers.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachtingen A en B.

Praktische tip

Een huisarts die als zelfstandige (ZZP) gedurende langere tijd in een huisartsenpraktijk werkzaam is wordt ook wel vaste waarnemer genoemd. Een zelfstandige is geen werknemer en het voeren van een functioneringsgesprek is niet verplicht. Om (de schijn van) een fictief loondienstverband te voorkomen is het zelfs niet verstandig om functionerings- of beoordelingsgesprekken te voeren. Wel kan het nuttig zijn om regelmatig met elkaar de opdracht en samenwerking te evalueren. 

Hoofdstuk 3 – Artikelen: Praktijkorganisatie

3. Beleidsplan en jaarverslag

De norm

De huisartsenpraktijk heeft een beleidsplan, waarin is opgenomen:

  • de missie en visie van de praktijk;
  • de verklaring dat de praktijk reguliere huisartsgeneeskundige zorg verleent en voldoet aan actuele standaarden en richtlijnen, en aan geldende wetgeving;
  • de geografische grenzen van het zorggebied (het praktijkgebied);
  • het zorgaanbod, passend bij de zorgvraag van de praktijkpopulatie;
  • beleid en doelstellingen, in het bijzonder op het gebied van kwaliteit en veiligheid.
  • Het beleidsplan wordt minimaal eens per drie jaar geëvalueerd en waar nodig bijgesteld.


De praktijk heeft een jaarverslag, waarin:

  • het gevoerde beleid en de behaalde resultaten worden geëvalueerd.

Het jaarverslag wordt elk jaar gemaakt en is uiterlijk zes maanden na afloop van het verslagjaar beschikbaar.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachtingen A en E.

Praktische tips

  • Wat NPA betreft kan een jaarverslag zich beperken tot de evaluatie van het gevoerde beleid en een evaluatie van de behaalde resultaten. Het gevoerde beleid heeft onder andere betrekking op de beleidsdoelstellingen die in het beleidsplan geformuleerd staan. In het jaarverslag zou beschreven kunnen worden in hoeverre het gelukt is om voorgenomen beleidsdoelstellingen te behalen. 
    Een van de beleidsdoelstellingen van een praktijk is bijvoorbeeld om de bereikbaarheid te vergroten. In het jaarverslag kan beschreven worden of dat gelukt is. In het kader van de evaluatie van behaalde resultaten, kan de evaluatie van een eventueel verbeterplan in het jaarverslag opgenomen worden. 
    Het is aan de praktijk om de keuze te maken welke resultaten geevalueerd worden in het jaarverslag. Het aantal VIM meldingen of klachten, uitkomsten van analyses daarvan en de daarop volgende maatregelen passen goed in het jaarverslag.
  • Om een analyse van de zorgvraag te maken is de VAAM, Vraag en Aanbod Analyse Monitor van NIVEL een mogelijk hulpmiddel. Informatie via de URL https://www.roswijkscan.nl/vaam/

4. Kwaliteitssysteem

De norm

Het kwaliteitssysteem omvat alle noodzakelijke praktijkafspraken om op georganiseerde en zorgvuldige wijze te kunnen werken en verantwoorde zorg te kunnen verlenen. De actuele praktijkafspraken worden aantoonbaar nageleefd. Omdat praktijkafspraken kunnen veranderen, heeft de praktijk voor een goed beheer van het kwaliteitssysteem beschikbaar:

  • een overzicht van de actuele schriftelijke praktijkafspraken;
  • een opsomming van de onderwerpen met de belangrijkste mondelinge werkafspraken;
  • de werkwijze bij aanpassing van praktijkafspraken; - de wijze waarop de praktijkafspraken toegankelijk zijn gemaakt voor alle medewerkers;
  • de wijze waarop voor naleving van de praktijkafspraken wordt gezorgd; - een periodieke eigen interne controle op de naleving en doeltreffendheid van de praktijkafspraken;
  • de beschreven interne overlegstructuur.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachting A.

5. Samenwerking

De norm

De praktijk spant zich aantoonbaar in om de samenwerking met bij de zorg betrokken andere zorgverleners zo goed mogelijk te laten verlopen.

De praktijk zorgt dat:

  • voor de patiënt duidelijk is wie de hoofdbehandelaar is en hoe de zorg wordt gecoördineerd;
  • andere zorgverleners op de hoogte zijn van de relevante informatie, waaronder, indien van toepassing, het behandelplan;
  • voldoende duidelijk is hoe de taken en verantwoordelijkheden tussen de praktijk en andere zorgverleners zijn verdeeld;
  • waar nodig, overleg en evaluatie met andere zorgverleners plaatsvindt.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachtingen A en D.

6. Systematisch verbeteren

De norm

De werkafspraak om systematisch de kwaliteit van zorg te verbeteren omvat ten minste:

  • het doorlopend verzamelen en vastleggen van verbeteringsmogelijkheden op een lijst;
  • het minimaal twee keer per jaar door de praktijk kiezen of en welke nieuwe verbeteringen op basis van prioriteit en haalbaarheid zullen worden uitgevoerd;
  • gestructureerde uitvoering van de verbeteringsacties, inclusief controle of het gewenste resultaat is behaald;
  • zorgen dat verbeteringen blijvend zijn;
  • zo nodig aanpassen van de afspraken in het kwaliteitssysteem.

Als bronnen voor mogelijke verbeteringen gebruikt de praktijk in ieder geval:

  • de verbeteringsvoorstellen van medewerkers en patiënten;
  • resultaten van de patiënten enquête;
  • resultaten van de risicoanalyse; 
  • klachten en VIM-meldingen;
  • de resultaten van de eigen interne controle van het kwaliteitssysteem;
  • de resultaten van audits door NPA.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachtingen A, E, F en G.

7. Klachtenregeling

De norm

De praktijk heeft een protocol Klachtenregeling dat minimaal de werkwijze omschrijft voor:

  • de ontvangst en registratie van klachten;
  • de directe behandeling van klachten;
  • het doorvoeren van eventuele verbeteringsmaatregelen;
  • het informeren van de indiener van de klacht.

De praktijk informeert de patiënten over de klachtenregeling en over de eventuele aansluiting van de huisartsen bij een externe klachtencommissie of geschillencommissie.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachtingen A en F.

8. Veilig incident melden

De norm

De praktijk heeft een werkafspraak Veilig incident melden, die ten minste omvat:

  • het actief melden van incidenten;
  • de registratie en analyse van gemelde incidenten;
  • het doorvoeren van eventuele verbeteringsmaatregelen;
  • het informeren van de melder over de afhandeling.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachtingen A en G.

9. Risicoanalyse

De norm

De praktijk voert een risicoanalyse uit voor de processen in de praktijk. Deze bestaat uit:

(a) inventarisatie van alle processen in de praktijk;
(b) selectie van de risicovolle processen;
(c) per risicovol proces identificatie van de risico’s voor kwaliteit en/of veiligheid;
(d) bij elk risico keuze van een maatregel om het risico te beheersen;
(e) uitvoering van de gekozen maatregelen om risico’s te beheersen.

De resultaten van a t/m d worden door de praktijk vastgelegd.

De praktijk herhaalt de risicoanalyse bij voorkeur jaarlijks, maar minimaal eens per drie jaar.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachtingen A, E, F en G.

10. Praktijkinformatie

De norm

De praktijk zorgt ervoor dat alle patiënten op eenvoudige wijze toegang hebben tot ten minste de volgende informatie:

  • het geografische zorggebied (het praktijkgebied) waarbinnen de praktijk patiënten inschrijft;
  • de beschikbaarheid van zorg binnen en buiten de openingstijden van de praktijk;
  • telefoonnummer(s) voor spoedeisende hulp;
  • de (telefonische) bereikbaarheid en openingstijden van de praktijk;
  • het beschikbare zorgaanbod;
  • beheer van gegevens, waaronder overdracht van gegevens, en bescherming van privacy;
  • de klachtenregeling van de praktijk;

De praktijk beschikt over een eigen website.

Voorafgaand aan het verlenen van niet-reguliere zorg informeert de praktijk de patiënt dat het certificaat hierop niet van toepassing is.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachtingen A, C, F, H, J, N en P

11. Bereikbaarheid

De norm

De praktijk:

  • informeert haar patiënten over de bereikbaarheid en beschikbaarheid van zorg tijdens en buiten praktijkuren;
  • is binnen 30 seconden telefonisch bereikbaar voor hulpvragen die de patiënt of diens vertegenwoordiger spoedeisend vindt; 
  • regelt deze directe bereikbaarheid tijdens openingsuren door beschikbaarheid van een bemande spoedtelefoonlijn en de aanwezigheid van een bemande praktijklocatie en verwijst buiten openingsuren door 
  • beschikt over een aparte spoedlijn of een adequaat voice response-systeem;
  • is telefonisch bereikbaar voor intercollegiaal overleg.

Degene die als eerste contact heeft met de spoedbeller, dient bevoegd en bekwaam te zijn om een juiste inschatting te maken van de benodigde snelheid en inzet van hulpverlening (triage).
Nadat een melding van een spoedgeval ontvangen is, spant de huisarts zich in binnen een kwartier aanwezig te zijn bij de hulpvrager, of anders spant de praktijk zich in voor een adequate overname door een andere zorgverlener.

Een huisarts van de praktijk is binnen de tijdsspanne van de ingeschatte urgentie beschikbaar voor consultatie en/of hulpverlening op de locatie waar de patiënt aanwezig is, als deze locatie binnen het zorggebied (het praktijkgebied) van de praktijk ligt.

Bevindt de patiënt zich buiten het zorggebied (het praktijkgebied), dan zal de praktijk de patiënt verwijzen naar een praktijk die de locatie wel binnen zijn zorggebied (praktijkgebied) heeft.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachtingen A, H en L.

12. Infectiepreventie

De norm

LET OP: bij deze norm is actuele informatie beschikbaar.

De praktijk heeft één of meerdere protocollen voor infectiepreventie die minimaal de werkwijzen beschrijven voor:

  • handhygiëne;
  • gebruik persoonlijke beschermingsmiddelen;
  • accidenteel bloedcontact;
  • afvoer van medisch afval;
  • reiniging van ruimten, meubilair, apparatuur en middelen.

De praktijk heeft een protocol voor de reiniging, desinfectie en sterilisatie van instrumentarium, dat minimaal omvat:

  • het onderscheid tussen kritisch en niet kritisch instrumentarium;
  • de werkwijze bij reiniging van instrumentarium;
  • de werkwijze bij desinfectie van instrumentarium;
  • de werkwijze bij sterilisatie van semi-kritisch en kritisch instrumentarium;
  • de wijze van bewaren van te steriliseren materiaal.

Voor de sterilisatie van instrumentarium gebruikt de praktijk een stoomautoclaaf met mogelijkheid tot automatisch drogen. Kritisch instrumentarium wordt verpakt gesteriliseerd in een goed gesloten laminaatverpakking.

De praktijk

  • heeft een overzicht van alle vaccinaties per medewerker;
  • biedt alle medewerkers minimaal vaccinatie tegen Hepatitis B en Influenza aan.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachtingen A, G en I.

Praktische tip

Afgeleid van de NHG/KNOV-richtlijn infectiepreventie hanteert NPA de minimumeis dat de vaccinatiestatus en dus titerwaarde bekend is als het gaat om hepatitis B vaccinatie.

Als er geen titerwaarde bekend is kan besloten worden om de titer te laten bepalen. Houd er rekening mee dat bij volwassenen deze titer van anti-HBs in de loop der jaren tot onder de beschermende range van 10 IE/l kan dalen. Het na langere tijd bepalen van deze titer kan een vals negatieve uitslag geven. Aanbevolen wordt om eerst een boost te geven (eenmalig 1 hepatitis B-vaccin) en na 6 weken de titer te bepalen. Een titer >10 IE/l laat een voldoende respons op de boost zien. Daarmee is voldoende bescherming aangetoond.

13. Privacy en gegevensbeheer

De norm

De praktijk maakt gebruik van een elektronisch medisch dossier en registreert daarin alle relevante medische en contextuele gegevens van de patiënt conform de NHG-richtlijn Adequate dossiervorming in het elektronisch patiëntdossier.

De praktijk borgt de privacy en zorgt ervoor dat gegevens van patiënten:

  • alleen toegankelijk zijn voor bevoegden;
  • niet verloren gaan;
  • alleen na toestemming van de patiënt aan derden worden verstrekt.

De praktijk stelt de patiënt op diens verzoek in de gelegenheid het eigen dossier in te zien, eventuele onjuistheden te laten corrigeren en verstrekt desgewenst hiervan een kopie.

De praktijk zorgt ervoor dat het medisch dossier bij vertrek van een patiënt, met diens toestemming en zonder diens tussenkomst, per aangetekende brief of elektronisch wordt overgedragen. Bij inschrijving van een nieuwe patiënt spant de praktijk zich in om het medisch dossier door de vorige praktijk overgedragen te krijgen.Overdracht vindt zo spoedig mogelijk plaats, bij zowel inschrijving als uitschrijving, uiterlijk binnen een maand. Als overdracht niet mogelijk blijkt, dan informeert de praktijk de patiënt hierover.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachtingen A, J en N.

14. Medische middelen

De norm

De praktijk heeft een schriftelijk overzicht van de benodigde medische middelen, de gewenste hoeveelheid en de juiste wijze van opslag.
De praktijk heeft een werkafspraak voor de bewaking van de voorraad, houdbaarheidstermijnen en opslagcondities, en de maatregelen die worden genomen als hieraan (tijdelijk) niet wordt voldaan.

Medische middelen overschrijden de houdbaarheidsdata niet, zijn correct opgeslagen en in voldoende hoeveelheden beschikbaar.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachtingen A en K.

15. Instrumentarium en apparatuur

De norm

De praktijk beschikt over alle voorzieningen, het instrumentarium en de apparatuur om de door haar geboden zorg te kunnen leveren.

De praktijk heeft een lijst met te onderhouden middelen en de registratie van uitgevoerd onderhoud. Voor de uitvoering van periodiek onderhoud, inclusief het zo nodig ijken en kalibreren van instrumentarium en apparatuur, heeft de praktijk een werkafspraak.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachtingen A en K.

Hoofdstuk 4 – Artikelen: Medisch handelen en zorguitkomsten

16. Triage

De norm

LET OP: bij deze norm is actuele informatie beschikbaar.

De praktijk heeft een werkend systeem voor de verheldering van hulpvragen en urgentiebepaling.

De praktijk gebruikt bij de triage de actuele versie van de NHG-TriageWijzer of een gelijkwaardig triagesysteem dat aantoonbaar aan de eisen van de beroepsgroep voldoet.

Zelfstandig door anderen dan een huisarts afgehandelde hulpvragen worden geregistreerd en door de huisarts geautoriseerd.

De praktijk heeft schriftelijke afspraken over de verdeling van de triagetaken.

Bij de triage betrokken medewerkers moeten voor hun taak zijn gekwalificeerd.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachtingen A en L.

17. Gebruik richtlijnen

De norm

De praktijk:

  • behandelt patiënten volgens de door de wetenschappelijke beroepsvereniging vastgestelde standaarden en overige richtlijnen en voldoet aan de geldende wetgeving;
  • kan afwijkingen van de toepassing van deze richtlijnen en standaarden achteraf onderbouwen, onder andere door dossiervorming.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachtingen A, G, H, I, J, L, M, O, P en Q.

18. Diagnostiek

De norm

De praktijk:

  • heeft een protocol voor alle diagnostische tests en functieonderzoeken die in eigen beheer worden uitgevoerd; 
  • heeft een werkafspraak bij afwijkende uitkomsten over de beoordeling en het informeren van de patiënt; 
  • heeft een werkafspraak over de uitbesteding van diagnostische tests en functieonderzoeken.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachtingen A en M.

19. Patiëntenvoorlichting

De norm

De praktijk informeert de patiënt op duidelijke wijze over diens klachten en gezondheidstoestand, over het voorgestelde beleid, alternatieven en de betrokken risico’s, zodat de patiënt in staat is om een weloverwogen keuze te maken.

De praktijk maakt, waar zinvol, gebruik van voorlichtings- en demonstratiematerialen en verwijst naar betrouwbare informatie (op internet) ter ondersteuning van het consult.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachtingen A en N.

20. Behandelingen

De norm

De praktijk:

  • heeft een werkafspraak voor de manier waarop (voorbehouden) handelingen worden gedelegeerd;
  • heeft een overzicht van welke voorbehouden handelingen aan welke medewerkers zijn gedelegeerd; 
  • heeft voor alle gedelegeerde voorbehouden handelingen een protocol.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachtingen A en O.

21. Prescriptie

De norm

De praktijk:

  • schrijft alle medicatie voor via een elektronisch voorschrijfsysteem; 
  • gebruikt actief een medicatiebewakingssysteem;
  • zorgt dat alle recepten door een wettelijk bevoegde zorgverlener zijn geautoriseerd, bij voorkeur vóór verstrekking aan de patiënt;
  • heeft een of meer protocollen voor het voorschrijven en verstrekken van recepten van medicatie.
  • spant zich in om te kunnen beschikken over een actueel medicatieoverzicht, waarin ook de door andere zorgverleners voorgeschreven medicatie is opgenomen.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachting A en P.

22. Zorguitkomsten

De norm

LET OP: bij deze norm is actuele informatie beschikbaar

De praktijk analyseert in hoeverre aan de gestelde kwaliteitsnormen voor medisch handelen wordt voldaan en neemt waar nodig maatregelen ter verbetering.

Bij de analyse houdt de praktijk rekening met de effecten van het excluderen van bepaalde categorie patiënten met het berekenen van de scores voor de kwaliteitscriteria.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachtingen A en Q.

Hoofdstuk 5 – Artikel: Patiëntervaringen

23. Patiëntenervaringen

De norm

LET OP: bij deze norm is actuele informatie beschikbaar

De praktijk:

  • doet minimaal eens per drie jaar onderzoek naar de patiëntervaringen;
  • neemt naar aanleiding van de resultaten waar nodig maatregelen ter verbetering.

Het onderzoek dient te voldoen aan de door NPA gestelde voorwaarden.

Wat mag de patiënt verwachten?

De praktijk sluit hiermee aan bij patiëntverwachtingen A en E.

Hoofdstuk 6 – Veelgestelde vragen

Veelgestelde vragen

Ja, een praktijk mag er uiteraard voor kiezen al deze zorg aan te bieden, maar het NPA-certificaat is niet op al dit zorgaanbod van toepassing. Voor het respectievelijk genoemde zorgaanbod geldt:

  1. Echografie: ja, NPA-certificaat hierop wel van toepassing, mits zorgverlener is ingeschreven in het CHBB-register Echografie (valt onder bijzonder aanbod LHV 2015).
  2. Reizigersadvisering,: ja, NPA-certificaat hierop wel van toepassing, mits zorgverlener is ingeschreven in het CHBB-register Reizigersadvisering en/of het LCR-register (valt onder bijzonder aanbod LHV 2015).
  3. Vasectomie: ja, NPA-certificaat hierop wel van toepassing, mits zorgverlener aantoonbaar bekwaam is (valt onder bijzonder aanbod LHV 2015).
  4. Cosmetisch chirurgische ingrepen: Nee, NPA-certificaat is hierop niet van toepassing (want niet opgenomen in het aanbod LHV 2015).
  5. Homeopathie: Nee, NPA-certificaat hierop niet van toepassing, want niet-reguliere zorg (maar “alternatief” of “complementair”).

In de laatste 2 gevallen dient de praktijk adequate acties te ondernemen om dit duidelijk te maken aan de patiënten, zoals vermelding op de website en in de praktijkfolder.

Alle zorg die is opgenomen in het actuele LHV-document “Aanbod huisartsengeneeskundige zorg 2015” is regulier. Dit aanbod wordt ingedeeld in basisaanbod, aanvullend aanbod en bijzonder aanbod. Samengevat, is het onderscheid als volgt:

  • BASIS AANBOD biedt iedere huisartsenpraktijk zonder meer aan. Het basisaanbod gaat vóór het aanvullend en bijzonder aanbod. 
  • AANVULLEND AANBOD betreft omschreven activiteiten voor bepaalde groepen patiënten. Aanvullend aanbod kan iedere huisartsenpraktijk zonder meer bieden, maar het is niet verplicht. Denk bijvoorbeeld aan 24-uurs bloeddrukmeting, tapen enkeldistorsies, immunotherapie etc.
  • BIJZONDER AANBOD raakt de grens van de huisartsgeneeskunde en vergt extra scholing, deskundigheidsbevordering en een aangepaste praktijkvoering. Voorbeelden zijn echografie, reizigersadvisering, oogheelkunde en verloskunde. Om de kwaliteit van dit bijzonder aanbod te borgen is het College voor Huisartsen met Bijzondere Bekwaamheden (CHBB) opgericht. Het CHBB heeft registers en inschrijving is mogelijk bij aangetoonde bekwaamheid op dat bepaalde gebied. De registers zijn openbaar en van belang voor transparantie en vergoeding.

Hieruit volgt dat het NPA-certificaat ook van toepassing is op het bijzonder aanbod dat een geaccrediteerde praktijk levert (want regulier), MITS wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden (zoals inschrijving in register). En logischerwijs is op alle zorg, die niet in het LVH Aanbod 2015 staat, het NPA-certificaat niet van toepassing (b.v. cosmetische chirurgie).

Als een praktijk naast reguliere zorg ook niet-reguliere huisartsgeneeskundige zorg biedt in de zin van alternatieve of complementaire geneeskunde, dan is het NPA-keurmerk niet van toepassing op dit niet-reguliere deel. Voorbeelden hiervan zijn antroposofie, homeopathie of acupunctuur. De praktijk dient in deze gevallen expliciete en adequate en acties te ondernemen om dit duidelijk te maken aan de patiënten (vermelding op de website, in de praktijkfolder etc.)

Ja, functioneringsgesprekken zijn verplicht voor alle werknemers. 

  • Nurse practitioner: Verouderde term van buitenlandse herkomst, die destijds werd gebruikt voor een verpleegkundige beroepsbeoefenaar die werkzaam was als behandelaar. Het is een niet-beschermde titel. In Nederland werken bijna geen verpleegkundigen meer onder de benaming ‘nurse practitioner’.
  • Verpleegkundig Specialist (VS): Beschermde titel voor een verpleegkundige die zich na het behalen van het MANP-getuigschrift heeft laten registreren in het Verpleegkundig Specialisten Register, dit is een Master opleiding. De registratie wordt als aantekening vermeld in het BIG-register. Een VS is wettelijk bevoegd om binnen haar specialisme zelfstandig te onderzoeken, diagnosticeren en te behandelen. Ze mag zelfstandig voorbehouden handelingen verrichten en geneesmiddelen voorschrijven. Ze onderhoudt een zelfstandige behandelrelatie met haar cliënten/patiënten.
  • Praktijkverpleegkundige (PVK): Praktijkverpleegkundige is een differentiatie binnen het wettelijk erkende beroep van verpleegkundige. Zij zijn net als VS BIG-geregistreerd. De PVK heeft een HBO-opleiding gevolgd op bachelor-niveau, meestal aangevuld met een post-HBO beroepsopleiding tot PVK. Mits in het bezit van de juiste vervolgopleiding, mogen verpleegkundigen ook geneesmiddelen voorschrijven op het terrein van de oncologie, longziekten of diabetes. Deze voorschrijfbevoegdheid wordt als aantekening vermeld in het BIG-register,
  • Physician Assistant (PA): Dit beroep valt niet onder het verpleegkundig domein, maar onder het medisch beroepsdomein. Beschermde titel. Een PA is niet BIG-geregistreerd. De bevoegdheden van een PA komen grotendeels overeen met die van van een VS. Echter, waar een VS opgeleid is in één van de vijf deelspecialismen, is een PA opgeleid in algemene geneeskunde.

Wat betreft wettelijke bevoegdheden:

  • De wet kent bepaalde beroepen specifieke bevoegdheden toe. Wie de bevoegdheid heeft om een handeling te verrichten, hoeft niet langer gecontroleerd te worden door een andere beroepsbeoefenaar, maar moet er zelf op toezien dat hij bekwaam is om de handeling uit te voeren.
  • Het begrip eindverantwoordelijkheid heeft geen wettelijke basis. Iedere beroepsbeoefenaar heeft een eigenstandige bevoegdheid en is daarbinnen zelf verantwoordelijk voor zijn eigen handelen. (Leden van) Beroepsgroepen zien niet toe op het handelen van (leden van) andere beroepsgroepen. De individuele verantwoordelijkheid van de beroepsbeoefenaren die genoemd staan in artikel 3, vormt één van de wezenlijke punten van de Wet BIG.

Indien een basisarts onder supervisie werkt van een geregistreerde huisarts, dan wordt het standpunt van LHV (BK/00.038.657 d.d. 17 maart 2005) voor de NHG-Praktijkaccreditering als volgt toegepast:

  • In een situatie waar sprake is van 'één-op-meer supervisie' is het níet mogelijk dat de NHG-Praktijkaccreditering van toepassing wordt verklaard.
  • In een situatie waar sprake is van 'één-op-één supervisie' kan de NHG-Praktijkaccreditering wél van toepassing worden verklaard mits aan de organisatorische voorwaarden, zoals in het standpunt verwoord, wordt voldaan.

Deze voorwaarden zijn:

  • regelmatige patiëntenbesprekingen, bij voorkeur dagelijks en zeker van alle patiënten met meer complexe problematiek;
  • een helder georganiseerd samenwerkingsverband waarin kwaliteit geborgd is door middel van werkafspraken en protocollen;
  • minimaal jaarlijks functionerings-/evaluatiegesprekken en verslaglegging hiervan;
  • afspraken over consultatie van de supervisor;
  • afspraken over de bereikbaarheid van de supervisor bij spoed.

De mate waarin aan de voorwaarden wordt voldaan zal tijdens de audit worden getoetst.

De praktijk kan bijvoorbeeld een analyse uitvoeren op de samenstelling van haar patiëntenpopulatie. Ondersteunend hierbij kan de Vraag Aanbod Analysemonitor van het NIVEL zijn.

Praktijkaccreditering vraagt om een kwaliteitsjaarverslag, waarin het gevoerde (kwaliteits)beleid en de behaalde resultaten worden geëvalueerd. Het is gebruikelijk dat in een jaarverslag ook andere onderdelen worden opgenomen, maar binnen de Kwaliteitsnormen van NHG-Praktijkaccreditering is dat geen verplichting.

Regelmatig zijn praktijken onderdeel van een gezondheidscentrum, een groepspraktijk of een andere samenwerkingsvorm. Een gemeenschappelijk beleidsplan van een overkoepelende samenwerking is toegestaan. Als er een gemeenschappelijk beleidsplan is, zorg dan altijd voor een korte, praktijkspecifieke aanvulling of toelichting, zodat het team meer betrokken raakt. 

Ja, in het eerste jaar dient de praktijk een actueel jaarverslag en beleidsplan te hebben.
Het jaarverslag van het voorgaande jaar dient uiterlijk 1 juli beschikbaar te zijn. Dat betekent dat indien in het eerste jaar de audit vóór 1 juli plaatsvindt, er géén jaarverslag aanwezig hoeft te zijn.

De interne controle moet aantoonbaar en effectief zijn.
De praktijk is vrij om te kiezen hoe zij dit aantoont. Vastlegging op zichzelf is dus geen eis, maar enige registratie ligt wel voor de hand als meest eenvoudige oplossing.

De opsomming is een lijst van de onderwerpen waarover mondelinge afspraken zijn gemaakt. Het is niet een beschrijving van de afspraken zelf. De praktijk zelf (in het kader van haar eigen interne controle) en de auditor kunnen het overzicht gebruiken om te kunnen toetsen of de genoemde werkafspraken bekend zijn en worden gebruikt.

Het betreft met name de samenwerking van de praktijk met zorgverleners buiten de praktijk.

Het mag, maar het hoeft niet.
Praktijkaccreditering verlangt dat er georganiseerd en zorgvuldig aan verbeteringen wordt gewerkt. De wijze waarop de praktijk dat doet is aan de praktijk. Niet elke verbetering vereist een plan.

Vanuit de Wet Kwaliteit, Klachten en Geschillen in de Zorg (Wkkgz) zijn de volgende eisen relevant voor de norm

Klachtenregeling:
Klachtenfunctionaris: Vanaf 1 januari 2017 heeft de praktijk een klachtenfunctionaris beschikbaar die gratis is voor haar cliënten. De klachtenfunctionaris kan bemiddelen om een oplossing te vinden waar iedereen tevreden over is. Ook kan hij de cliënt informeren over de verschillende mogelijkheden om een klacht in te dienen.

Geschilleninstantie: Voor 1 januari 2017 moet elke zorgaanbieder aangesloten zijn bij een erkende geschilleninstantie. De geschilleninstantie moet zijn erkend door de minister.

 

De risicoscan is bedoeld om de praktijk te helpen risico’s te onderkennen. Het gaat dus om het vaststellen welke risico’s er zijn en hoe groot die dan zijn en daarop vervolgens acteren en alert zijn. De essentie is dat praktijk bij ieder gevonden risico een antwoord vindt op de vraag “Hoe minimaliseer ik dat risico c.q. hoe minimaliseer ik de gevolgen wanneer dat risico optreedt?” 

Bij voorkeur vult de praktijk de (uitgebreide) risicoscan in met haar gehele team. Zo krijgt de praktijk vanuit verschillende disciplines informatie over risico's in de praktijk. Heeft de praktijk een heel groot team, dan kan volstaan worden met een of meer vertegenwoordigers per functie.

De praktijk voert tenminste eens per 3 jaar een risicoanalyse uit voor de praktijk. In elk geval vóór de eerste audit. Voor het uitvoeren van een risicoanalyse kan de praktijk gebruik maken van een van de twee risicoscans in NPAweb. Er is een beperkte versie die door één persoon (coördinator kwaliteit) wordt ingevuld. De uitgebreide versie kan door meerdere medewerkers en door verschillende discipline worden ingevuld.
Let op: de risicoanalyse is dus gericht op risico's voor de kwaliteit van zorg, i.e. risico's voor de patiënt, en is niet te verwarren met de RI&E gericht op ARBO gerelateerde risico's, i.e. risico's voor medewerkers/zorgverleners in de praktijk.

Als een patiënt buiten dat gebied (met een aanrijdtijd van maximaal 15 minuten) woont en ervoor kiest toch bij de praktijk te blijven, dan behoort de praktijk aantoonbaar of in  ieder geval aannemelijk te maken dat dit een expliciete keuze van de patiënt is.

Al het gevaarlijke afval (zoals hierboven beschreven) moet worden ingezameld door een erkende particuliere inzamelaar die staat op de zogenaamde VIHB-lijst.

Bewaar gevaarlijk afval op een afgesloten plaats. 

Ook ander afval met infectierisico moet apart worden verpakt. Dit is afval met meer dan een minimale hoeveelheid niet opgedroogd of niet volledig geabsorbeerd bloed of excreta. En verder kweekmateriaal en materiaal dat cytostatica bevat, inclusief cytostatica die aanwezig kunnen zijn in uitscheidingsproducten van patiënten die recent een kuur hebben gehad.
Te denken valt verder aan onderzoeks- of kweekmateriaal dat wordt weggegooid: bloedbuisjes, dipslide, potje met ontlasting, enzovoort. Dit materiaal kan verpakt worden in speciale containers (UN 3291), in het ziekenhuis ook wel SZA-vat/container genoemd. Dit is vaak een blauwe container met een geel deksel.

Al het scherpe afval – zoals naalden (ook veilige naalden), scalpelmesjes en gebroken ampullen – moet in naaldencontainers. Zorg ervoor dat naaldencontainers overal beschikbaar zijn, ook in de artsentassen.

Gebruik een handdesinfectans dat is toegelaten door CTGB of CGB (op basis van ethanol en/of isopropylalcohol [2-propanolol]). 

Alleen als bloed of andere lichaamsvloeistoffen zijn gemorst.

Vaginale specula kunnen besmet raken met HPV wat niet of nauwelijks op andere manieren is te elimineren. Verpakking is alleen noodzakelijk voor specula die worden gebruikt om een IUD in te brengen, maar verpak ze bij voorkeur altijd om verwarring te voorkomen.

Grove voorreiniging onder kraan met bijvoorbeeld een gaasje om bloed/weefsel/zouten te verwijderen die het materiaal kunnen aantasten. Daarna machinaal in medische afwasmachine (thermodesinfector) of handmatig; in laten weken in instrumentenbak met instrumentreinigingsmiddel. Na de voorgeschreven inwerktijd zo nodig na borstelen en grondig afspoelen met schoon water.

Nauwkeurig de gebruiksvoorschriften volgen betreffende:

  • De juiste gebruiksconcentratie;
  • De juiste watertemperatuur waarmee de oplossing moet worden aangemaakt;
  • Hoe vaak de oplossing moet worden ververst.

Bij handmatige reiniging handschoenen (EN-norm 374), veiligheidsbril met zijbescherming (EN 166) en halterschort dragen.

Roestvorming ontstaat vooral door inbranden van vuil of zouten bij thermisch desinfecteren of steriliseren van instrumenten die niet volledig schoon zijn. Een goede voorreiniging is daarom belangrijk bij het voorkomen van roestvorming. Spoel en/of veeg bloed en grove verontreinigingen direct na gebruik af onder een stromende kraan. Gebruik een goed eiwitoplossend instrumentreinigingsmiddel om het instrumentarium te reinigen (zie het document Overzicht Reinigingsmiddelen en desinfectantia). Controleer na het reinigen zorgvuldig of de instrumenten echt schoon zijn, vooral kwetsbare punten als scharnieren. Zorg dat de instrumenten schoon en droog in de sterilisatieverpakking gaan.

Thermische desinfectie heeft de voorkeur. Bij instrumenten waarbij dat niet kan: Wrijf het instrument na reiniging in met alcohol of een ander geschikt desinfectans. Het instrument moet gedurende de aangegeven inwerktijd nat blijven. Volg altijd het reinigings- en desinfectievoorschrift van de fabrikant van het instrument/apparaat en controleer bij gebruik alcohol of het materiaal daartegen bestand is. Zie verder de informatie in de bijlage Overzicht einigingsmiddelen en desinfectantia.

Thermisch desinfecteren heeft de voorkeur, in medische afwasmachine (=thermodesinfector; desinfectie is onderdeel van het proces) of door uitkoken. Anders chemisch, met alcohol of met een desinfectans dat door de fabrikant van het instrument/apparaat wordt aangegeven.

De houdbaarheid van enkelvoudig verpakte gesteriliseerde materialen is beperkt. Zonder aanvullende maatregelen is de steriliteit van deze materialen slechts een maand gegarandeerd. We geven enkele tips om te voorkomen dat de houdbaarheidsdatum van het instrumentarium verstreken is op het moment dat u het nodig heeft:

  • Maak scherp onderscheid tussen ingrepen waarbij steriliteit gewenst of vereist is en ingrepen waarbij schoon werken voldoende is. Alleen in het eerste geval is het belangrijk dat de houdbaarheidsdatum nog niet verlopen is. Bij een vaginaal speculum dat u gebruikt voor een uitstrijkje is het bijvoorbeeld geen probleem als de houdbaarheidsdatum van een verpakt speculum verlopen is. Bij het inbrengen van een spiraal is steriliteit wel vereist.
  • Als u bepaald instrumentarium weinig gebruikt kunt u disposable instrumentarium overwegen in plaats van herbruikbaar instrumentarium.
  • Berg verpakt steriel instrumentarium op in een afgesloten bak die u alleen voor gesteriliseerd instrumentarium gebruikt. Dit verlengt de houdbaarheid tot een half jaar.
  • Overweeg om bij geplande ingrepen het instrumentarium korte tijd voor de ingreep te steriliseren. U bewaart het instrumentarium gereinigd en verpakt, maar u doet de sterilisatie pas kort van tevoren, bijvoorbeeld een dag tot een week voor de ingreep.
  • Gesteriliseerd instrumentarium dat verpakt in laminaatzakjes wordt bewaard, is in onbeschadigde en droge verpakking één maand houdbaar.
  • Door in laminaatzakjes verpakt instrumentarium te bewaren in een gesloten bak die uitsluitend voor steriele medische hulpmiddelen wordt gebruikt, kan de houdbaarheid worden verhoogd tot zes maanden.
    (De eerder gehanteerde bewaartermijn van een jaar was gebaseerd op bewaartermijnen die gelden in ziekenhuizen. Daar vindt opslag echter plaats onder nauw geconditioneerde omstandigheden in speciale magazijnen, een situatie die niet vergelijkbaar is met die in de huisartsenpraktijk. Termijnen zijn gebaseerd op NEN-norm R5301).

Nee, WhatsApp  is niet geschikt voor het veilig versturen (of registreren) van (herleidbare) patiëntinformatie, omdat WhatsApp niet voldoende privacy-bestendig is. Wanneer WhatsApp hier toch voor wordt gebruikt, dan leidt dit tot een opmerking. Er zijn overigens andere berichtendiensten met wel voldoende beveiliging (encryptie/versleuteling).

Gegevens die via een onbeveiligde website worden ingevuld en verstuurd, zijn niet versleuteld en kunnen daardoor door kwaadwillende onbevoegden worden gezien. Een beveiligde website is te herkennen aan “https” aan het begin van de URL; een onbeveiligde website begint met “http” (zonder ‘s’).

Nee, Hotmail of Gmail is niet geschikt voor het veilig versturen (of registreren) van (herleidbare) patiëntinformatie, omdat Hotmail niet privacy-bestendig is. Er zijn overigens andere e-mailprogramma’s met wel voldoende beveiliging (encryptie/versleuteling).

Nee, de dagelijkse actuele temperatuur zegt niets over eventuele schommelingen die na de laatste waarneming hebben plaatsgevonden. Er kunnen in de tussentijds geruime tijd te lage of te hoge temperaturen hebben geheerst in de koelkast. Voor een afdoende borging van de koudeketen is het nodig om te weten wat de minimale en de maximale temperatuur zijn geweest in de periode tussen twee waarnemingen. Alleen bij een registratie van die temperaturen kan er vertrouwen zijn in voldoende bewaking van de koudeketen.

Nee. De NPA norm stelt dat er een protocol moet zijn waarin de werkwijze beschreven wordt voor accidenteel bloedcontact, waaronder ook preventieve maatregelen. Het is wel een aanbeveling uit de 'Richtlijn Infectiepreventie in de huisartsen en verloskundigenpraktijk' (NHG/KNOV) dergelijke veiligheidsnaalden te gebruiken om prikaccidenten te voorkomen. En de Arbo-wet stelt als eis (ter bescherming van betrokken werknemers) "het ter beschikking stellen van een medisch hulpmiddel met ingebouwd veiligheids- en beschermingsmechanisme, indien er gevaar is voor letsel of infectie door een scherp medisch hulpmiddel"

Binnen de norm staat beschreven dat medicatie die onder de opiumwet valt op een niet-vrijtoegankelijke plek bewaard dient te worden en slechts in beperkte hoeveelheid beschikbaar mag zijn. De dokterstas, mits goed beheerd, is te beschouwen als een niet-vrijtoegankelijke plek.

Nee, in het belang van de patiënt staat in de norm: "Medische middelen overschrijden de houdbaarheidsdata niet, zijn correct opgeslagen en in voldoende hoeveelheden beschikbaar." Er is in dit geval geen ruimte voor een eigen, praktijkspecifieke invulling.

Praktijkaccreditering schrijft niet voor welke medische middelen in de praktijk en de dokters-/spoedtas beschikbaar moeten zijn. De praktijk moet laten zien dat zij díe middelen ter beschikking heeft die nodig zijn om verantwoorde zorg te leveren. 

Praktijkaccreditering schrijft niet specifiek voor dat er een spoedkoffer in de praktijk aanwezig dient te zijn. Meer in het algemeen wordt wel de eis gesteld dat de praktijk heeft vastgelegd welke middelen voor spoedeisende hulp aanwezig moeten zijn en op welke plaats. De keuzen van de praktijk hierin moeten leiden tot verantwoorde zorg. 

Er worden binnen de kwaliteitsnormen van Praktijkaccreditering geen concrete eisen aan de praktijkruimte gesteld. Wel wordt er van de praktijk verwacht dat zij beschikt over alle voorzieningen, instrumentarium en apparatuur om de geboden zorg op verantwoorde wijze te kunnen verlenen. 

Nee, alleen "voor zover noodzakelijk". In principe moeten zelfstandig afgehandelde hulpvragen wel worden geregistreerd en geauthoriseerd. Belangrijkste overwegingen zijn het mogelijke risico van foute adviezen en aansprakelijkheid van de huisarts als eindverantwoordelijke voor de zorg. Daarnaast geeft autorisatie de assistente bevestiging van de juistheid van gemaakte keuzen.
Ruimte voor de praktijk ligt met name in: “achteraf autoriseren”. De norm is dus registreren en autoriseren voor zover noodzakelijk. De praktijk kan flexibel invullingen geven aan de werkwijze, maar minimaal moet er een werkafspraak zijn om aan te kunnen tonen hoe "voor zover noodzakelijk" wordt toegepast.

Nee, er hoeft geen speciale training gevolgd te worden, al is dit wel nuttig. Het is belangrijk dat de praktijk over een werkend,  systeem beschikt met personeel dat bevoegd en bekwaam is om triage uit te voeren.

Een vastgelegde taakverdeling moet er voor zorgen dat alleen gekwalificeerde medewerkers de triage krijgen toegewezen en uitvoeren. Wat betreft triage is het van belang dat er een werkend systeem is en dat de betrokken medewerkers gekwalificeerd moet zijn voor deze taak. Zelfstandig door hen gegeven adviezen en afgehandelde hulpvragen dienen te worden geregistreerd en door de huisarts geautoriseerd voor zover noodzakelijk. Dit betekent dat de praktijk minimaal een werkafspraak heeft om aan te kunnen tonen hoe "voor zover noodzakelijk" wordt toegepast.
Zie ook het document Actuele Informatie op NPAweb.

Nee, dit is niet verplicht. De Nederlandse Triage Wijzer kan bijvoorbeeld een alternatief zijn. 

Een triagesysteem bestaat uit een NHG-Triagewijzer of gelijkwaardig triagesysteem aangevuld met een werkwijze en schriftelijke afspraken over de verdeling van de triagetaken. 

Het uitsluiten van patiënten van ketenzorg bijvoorbeeld doordat de patiënt niet meewerkt, beïnvloedt de scores.
Het is niet de bedoeling dat de praktijk de cijfers aan gaat passen;
Wel moet de praktijk bij haar analyse van de cijfers rekening houden met exclusie, en welke effecten dit heeft op de cijfers